id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.437 Rolnummer: A. 187705/X-13716 Zaak: Arrest 208437 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:20 Fiche Arrest nr 208.437 van 26 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.437 van 26 oktober 2010 in de zaak A. 187.705/X-13.716. In zake : 1. Marc REUSEN 2. Peter VANHEUSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Verpoorten kantoor houdend te 3945 OOSTHAM Heldenplein 42 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 januari 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, distributie en logistiek “Genenbos”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 januari 2008. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 185.064 van 1 juli 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-13.716-1/10 De verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Deweirdt, die loco advocaat Peter Verpoorten verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten werden uiteengezet in het arrest nr. 185.064 van 1 juli 2008. X-13.716-2/10 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekers aan dat “de bestreden beslissing (…) onwettig (
- is)nu het advies van de VLACORO blijkbaar laattijdig is gegeven, en niet antwoord(
- t)op alle ingediende bezwaarschriften”. De verzoekers doen meer bepaald gelden dat noch het advies van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Vlacoro), noch de bestreden beslissing een antwoord geeft op het op 31 mei 2007 -en volgens de verzoekers dus tijdig- ingediende bezwaarschrift van Natuurpunt Ham. Tevens betogen de verzoekers dat het advies van de Vlacoro laattijdig is, vermits het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) dienaangaande in een termijn van 90 dagen voorziet en deze termijn in casu startte op 1 juni 2007 en afliep op 29 augustus 2007, terwijl het advies van de Vlacoro dateert van 17 september 2007, zonder dat daarbij melding wordt gemaakt van een verlenging van de voorziene termijn van 90 dagen. De verzoekers besluiten dat “de Vlaamse Regering zijn verantwoordelijkheid om, na het verloop van de termijn van 90 dagen, persoonlijk te antwoorden op de adviezen en bezwaren afschuift op een laattijdig advies van de VLACORO dat zelfs niet antwoord(
- t)op alle ingediende bezwaarschriften”. Beoordeling 4.1.2. De verzoekers hebben huidig annulatieberoep ingesteld ten persoonlijke titel, in hun hoedanigheid van belanghebbende omwonenden. Het in het middel aangehaalde bezwaarschrift gaat uit van de v.z.w. NATUURPUNT HAM en is ondertekend door de heer Peter VERPOORTEN, niet in diens hoedanigheid van raadsman van de verzoekers ten persoonlijke titel, doch wel in zijn hoedanigheid van voorzitter van de voormelde X-13.716-3/10 v.z.w. Uit de stukken blijkt niet dat de verzoekers het betrokken bezwaarschrift mede ondertekend zouden hebben ten persoonlijke titel. De verzoekers kunnen zich ter adstruering van hun middel niet op ontvankelijke wijze beroepen op het niet afdoende beantwoorden door de Vlacoro van door derden ingediende bezwaarschriften. De omstandigheid dat zij weliswaar getuigen van een belang bij het beroep neemt niet weg dat hun belang bij dit onderdeel van het middel niet voorhanden is. Een verzoekende partij vermag zich immers niet in de plaats te stellen van een derde-bezwaarindiener die als enige geplaatst is om te oordelen of het gegeven antwoord voor hem voldoet. In de mate dat de verzoekers zich in het middel beklagen over het feit dat de Vlacoro het bezwaarschrift van de v.z.w. NATUURPUNT HAM als laattijdig heeft beschouwd, is het middel derhalve onontvankelijk. Het betoog van de verzoekers in de memorie van wederantwoord dat ze “beiden lid (zijn) van Natuurpunt Ham en (…) zich aldus (kunnen) beroepen op het bezwaarschrift dat mede met mandaat van hen werd ingediend door hun vereniging”, vermag geen afbreuk te doen aan deze conclusie, nu dit lidmaatschap niet wordt gestaafd aan de hand van bewijskrachtige gegevens. 4.1.3. Artikel 42, § 5 DRO luidt als volgt: “De Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering. Samen met dat advies bezorgt ze de Vlaamse regering de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren. Op gemotiveerd verzoek van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 30 dagen van de termijn, bedoeld in het eerste lid. Het verzoek tot verlenging moet worden ingediend uiterlijk de dertigste dag na het beëindigen van het openbaar onderzoek. Bij het uitblijven van een beslissing door de Vlaamse regering binnen een termijn van 30 dagen na het indienen van dat verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend. Wanneer de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de Vlaamse regering”. Aldus stelt artikel 42, § 5 DRO dat, indien de Vlacoro geen advies verleent binnen de gestelde termijn van 90 dagen, aan de adviesvereiste X-13.716-4/10 mag worden voorbijgegaan. De beslissing van de Vlaamse regering om, ondanks het overschrijden van de gestelde termijn, toch niet voorbij te gaan aan de adviesvereiste en derhalve de behandeling van de bezwaren niet naar zich toe te trekken, is niet strijdig met de inhoud van dit artikel. In zoverre de verzoekers in de uiteenzetting van het middel verwijzen naar de regeling in verband met de verlenging van de termijn, dient vastgesteld te worden dat deze verwijzing ter zake niet relevant is, vermits deze regeling slechts determinerend is in het kader van de berekening van de termijn voor de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, die wel een vervaltermijn is. Dienaangaande wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening immers het volgende gesteld (Parl. St. Vl. Parl. 1998-99, nr. 1332/1, 28): “De termijn voor de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan is een vervaltermijn. Het is om die reden dat zowel voor VLACORO als voor de Vlaamse regering telkens een éénmalige verlenging van de termijn mogelijk wordt gemaakt. Dit moet toelaten om ook bij procedures voor ingewikkelde ruimtelijke uitvoeringsplannen binnen een decretaal vastgelegde termijn tot een definitieve vaststelling te komen (maximum 270 dagen). De gebruikelijke termijn blijft evenwel 180 dagen”. 4.1.4. Het eerste middel is dan ook ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.2.1. In een tweede middel voeren de verzoekers een schending aan van de standstillverplichting zoals vervat in artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, doordat het bestreden besluit “een versoepeling inhoudt van de milieu- en ruimtelijke ordeningsregels die van toepassing zijn op het omgevormde gebied door 33,3 ha agrarisch gebied om te vormen naar industriegebied”, terwijl een correcte toepassing van de standstillverplichting “ofwel inhoudt dat een omvorming van gebieden waarbij de milieu- en ruimtelijke ordeningsregels versoepeld worden, niet langer mogelijk is, ofwel dat deze minstens gecompenseerd moeten worden X-13.716-5/10 door een verstrenging van de regels elders, zodat het globale niveau van milieubescherming in het Vlaamse Gewest niet uitgehold wordt”. Beoordeling 4.2.2. Het door de verzoekers geschonden geachte artikel 1.2.1, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, luidt als volgt : “§ 2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt”. 4.2.3. De verzoekers gaan in hun middel voorbij aan het bepaalde in artikel 1.2.1, § 3 van het voormelde decreet, dat luidt als volgt: “§ 3. De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. 4.2.4. Uit de wetsgeschiedenis van de betrokken bepalingen blijkt dat, wat het in § 2 vervatte “standstill-beginsel” betreft, dit bij amendement werd ingevoegd bij de overige in voornoemde paragraaf vervatte algemene principes (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-2, 2). Wat deze algemene beginselen betreft, is in § 3 bepaald dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Luidens de memorie van toelichting impliceert dit dat onder meer een afweging van de sociaal- economische gevolgen van het milieubeleid noodzakelijk is (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 25). Ter zake blijkt nog uit de memorie van toelichting dat “het voor de Vlaamse regering overigens evident (
- is)dat in de praktijk van het milieubeleid rekening gehouden wordt met de sociaal-economische implicaties X-13.716-6/10 ervan” (ibid.) en, wat het in § 3 vervatte integratiebeginsel betreft, dit beginsel inhoudt dat de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid geïntegreerd moeten worden in de andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest (ibid.). Luidens de memorie van toelichting was de Vlaamse regering van oordeel dat “uitdrukkelijk moet bepaald worden dat aan het milieuvraagstuk een belangrijke plaats moet toekomen, ook in de andere beleidsdomeinen”, dat “hiermee wordt onderstreept dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de milieubelangen”, maar dat “waar precies deze milieubelangen moeten geplaatst worden op de schaal van de beleids-prioriteiten (...) niet (wordt) gezegd”, en dat “in bepaalde gevallen (
- ze)zullen (...) moeten wijken voor andere, meer essentieel geachte beleids-prioriteiten” (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 26). Uit het voorgaande blijkt dat het aangehaalde standstillbeginsel een ruime appreciatiebevoegdheid toelaat in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en dit inzonderheid niet lijkt in te houden dat een agrarisch gebied, dat, zoals in casu, in een gewestplan is voorzien, op grond van dit beginsel nooit zou kunnen gewijzigd worden. Evenmin lijkt dit beginsel een onmiddellijke en directe verplichting tot compensatie van een lokale versoepeling in de vorm van een lokale verstrenging elders in te houden. 4.2.5. In hun memorie van wederantwoord en laatste memorie vragen de verzoekers de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : “Schendt art. 1.2.1, §3 van het decreet van het Vlaamse Gewest d.d. 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4° GW, in zoverre dit artikel lijkt in te houden dat de Vlaamse overheid een appreciatiemarge krijgt aangaande de al dan niet toepassing in haar beleid van het standstillbeginsel, vervat in artikel 1.2.1, §2 van datzelfde decreet, rekening houdend met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, daar waar art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4° GW inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting impliceert, dat eraan in de weg staat dat het beschermingsniveau in aanzienlijke mate wordt verminderd, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang?”. X-13.716-7/10 De voormelde prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1.2.1, § 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, waaraan de verzoekers bij de uiteenzetting van hun middel in hun verzoekschrift zijn voorbijgegaan. In zoverre de verzoekers eerst in hun memorie van wederantwoord deze bepaling bij hun middel betrekken, is het middel onontvankelijk. De daarop betrekking hebbende prejudiciële vraag moet evenmin worden gesteld. 4.2.6. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.3.1. In een derde middel voeren de verzoekers een schending aan van de “MilieuEffectenRapportage-plicht”. In dit middel betogen de verzoekers in essentie dat het inschatten van milieueffecten impliceert dat men ze eerst in kaart brengt door middel van een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.). In die zin voeren ze aan dat de werkwijze die werd gevolgd bij het bestreden besluit, met name de verwijzing naar de conclusie van een screeningsnota waarin gesteld wordt dat de milieueffecten aanvaardbaar zijn zodat het plan kan beschouwd worden als niet m.e.r.-plichtig, haaks staat op het doel van de m.e.r.-plicht. Beoordeling 4.3.2. De belangrijkste conclusies van de screeningsnota opgesteld in het kader van de plan-MER-studie voor het Economisch Netwerk Albertkanaal zijn weergegeven in de toelichtingsnota. In het bestreden besluit wordt overwogen wat volgt: “Overwegende dat in het kader van de plan-MER-studie voor het economisch netwerk Albertkanaal een screeningsnota is opgemaakt waarin een onderzoek is gebeurd naar de plan-MER-plicht en naar de aanzienlijke milieueffecten van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; dat uit dit onderzoek geconcludeerd wordt dat het plan niet van rechtswege plan- MER-plichtig is vermits het een plan betreft dat betrekking heeft op X-13.716-8/10 ruimtelijke ordening en dat niet het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een bijlage I of II-project uit het BVR van 10 december 2004 en vermits een passende beoordeling niet vereist is; dat de nota stelt dat mits het voorzien van de in het plan voorgestelde maatregelen de mogelijks optredende milieueffecten op dergelijke wijze kunnen beperkt worden dat de ontwikkeling van het voorgestelde bedrijventerrein vanuit milieuoogpunt als aanvaardbaar beschouwd kan worden en dat er met andere woorden geen aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden; dat derhalve het plan beschouwd kan worden als niet plan-MER-plichtig”. De beoordeling dat het plan niet van rechtswege plan-MER- plichtig is, wordt door de verzoekers niet betwist. Evenmin voeren de verzoekers aan dat de eindbeoordeling door de screeningsnota dat “mits het voorzien van de in het plan voorgestelde maatregelen de mogelijks optredende milieueffecten op dergelijke wijze kunnen beperkt worden dat de ontwikkeling van het voorgestelde bedrijventerrein vanuit milieuoogpunt als aanvaardbaar beschouwd kan worden”, kennelijk onredelijk zou zijn. Het betoog van de verzoekers beperkt zich tot de loutere affirmatie dat de inschatting van milieueffecten de opmaak van een MER veronderstelt. Deze stelling vindt geen steun, noch in de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, noch in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, dat er de omzetting van vormt. 4.3.3. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. X-13.716-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.716-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.437 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div