← België

Arrest 208473 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.473 Rolnummer: A. 186805/X-13632 Zaak: Arrest 208473 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:20 Fiche Arrest nr 208.473 van 27 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.473 van 27 oktober 2010 in de zaak A. 186.805/X-13.632. In zake : de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 tegen : de stad GERAARDSBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Cambier kantoor houdend te 9700 OUDENAARDE Voorburg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : 1. Jos VAN DEN BERGHE 2. Gerda VANACKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter BOELENS kantoor houdend te 9300 AALST Molendries 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 3 juli 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen waarbij aan Jos Van den Berghe en Gerda Vanacker de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een open eengezinswoning op percelen gelegen te Goeferdinge (Geraardsbergen), Gemeentestraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 340/f en 340/g. X-13.632-1/23 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 juni 2008. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Johan Cambier verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Peter Boelens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.632-2/23 III. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 3.1.1. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...). Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (BS 3.12.1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (BS 11.12.2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al meer dan 26 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral om de kwantiteit en kwaliteit van de natuur en het landschap op peil te houden binnen haar werkgebied, voor haar 800-tal leden. Dit collectief van mensen kan allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van geluidshinder, op het vlak van overstromingsproblematiek of schade aan natuurwaarden, actief te zijn. 2. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. (…) 3. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; X-13.632-3/23 - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzonder milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens: - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, X-13.632-4/23 afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - beknopt omschreven - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap met haar akoestische kwaliteiten belangrijk vindt. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande biologische waarden in dit landschap en van ruimte voor water is een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke en biologische waarden en waarden van het watersysteem) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door ondermeer Omer Wattez en Dr. Marie-Christine Vanmaercke-Gottigny te verdedigen. X-13.632-5/23 Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de intrinsieke waarden van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste bouwvergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de biologische waarde van de Molenbeekvallei en een verlies aan overstromingsruimte impliceren. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. 5. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen de vergunningverlenende overheid voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van Uw Raad. (...) Het is zonneklaar dat tussen 17 december 1981 en 3 juli 2007 de juridische context sterk gewijzigd is; enkele voorbeelden: →Op 21 oktober 1997 werd het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu goedgekeurd. Bij artikel 8 van dit decreet werd bepaald dat de natuur in kwaliteit en kwantiteit niet mag achteruitgaan. Artikel 16 van datzelfde decreet bepaalt voor vergunningsplichtige activiteit zoals kwestieuze beslissing: ‘In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.’ Door de betwiste bouwvergunning wordt een stuk biologische waardevolle grond bebouwd. De natuur gaat dus in het werkgebied van verzoekende partij in kwantiteit en kwaliteit achteruit. Door er niet voor te zorgen dat de natuur niet achteruitgaat, door bvb. de vergunning te weigeren of door compensatie in natura te voorzien of door herstellende voorwaarden op te leggen wordt hiermee een decretale bepaling geschonden. Alle natuurwaarden hebben in vergelijking met 17/12/1981 een veel hogere bescherming gekregen. → Op 18 november 2003 werd het decreet integraal waterbeleid bekrachtigd. Dit decreet voert de watertoets (artikel 8) in : ‘De overheid die moet beslissen over een vergunning, een plan of programma als vermeld in §5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. X-13.632-6/23 Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren.’ Op deze bepaling wordt grondiger ingegaan bij bespreking van het eerste middel. Ten gevolge van deze bepaling genieten overstromingsgebieden een decretale bescherming. Verder is er ook het besluit van 20 juli 2006 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Alle overstromingsgebieden hebben in vergelijking met 17/12/1981 een veel hogere bescherming gekregen. Samenvattend: het biologisch waardevol overstromingsgebied waar de hier betwiste bouwvergunning betrekking op heeft, had ten tijde van het nemen van het betwiste besluit (3/7/2007) een veel hogere (decretale) bescherming dan de ca. 6 ha die men wou bebouwen in het waardevolle landschap rond het kasteel Piers de Raveschoot te Kruishoutem dat ‘slechts’ beschermd was door een Koninklijk Besluit. De genoemde decretale beschermingen betekenen geenszins dat alle handelingen in gebieden met natuurwaarden en in overstromingsgebieden uitgesloten zijn, maar leggen wel op dat er compenserende en/of herstellende maatregelen dienen getroffen te worden. Daar waar d.d. 17/12/1981 een bij KB beschermd landschap belangrijk was in het werkgebied van verzoekende partij, zijn de overstromingsgebieden en gebieden met natuurwaarden, des te belangrijker geworden, omdat de decreetgever hier een hoger belang aan gegeven heeft. (...) Ook de grond die hier verloren gaat door de betwiste bouwvergunning is uitermate zeldzaam. Conform de biologische waarderingskaart (...) komt er hp* (Soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden) voor. Conform het natuurrapport van 1999 (...) en meer bepaald tabel 2.1 (Oppervlakte van verschillende biotopen in Vlaanderen) lezen we dat hp* procentueel slechts 0.41% à 0.52% van Vlaanderen inneemt; in tabel 2.2 (Zeldzaamheid van biotopen in Vlaanderen) staat hp* aangeduid als zeldzaam. De grond is tevens een gebied waar de baardvleermuis en de grootoorvleermuis foerageren. Beide soorten zijn waarschijnlijk bedreigd (...). Er komen ook groene kikker, bruine kikker en gewone pad voor. Verder vinden we er ook sleedoornpage, een bedreigde dagvlinder, naast X-13.632-7/23 dambordje, een zeldzame dagvlinder (...). Het gebied is ook het leefgebied van de bronlibel, een bedreigde libel (...). In het vrij beperkte werkgebied van verzoekende partij is er nergens een locatie waar zo’n levensgemeenschap met een combinatie van deze bedreigde en zeldzame soorten voorkomt. 9. Er dient ook op gewezen te worden dat de globale waarde van ‘de Vlaamse Ardennen’ bepaald wordt door de som en de samenhang van alle elementen (cultuurhistorische, landschappelijke, biologische,...). Eén rechtshandeling zal de Vlaamse Ardennen nooit in zijn geheel aantasten, maar telkens een facet, waardoor de belevingswaarde voor de leden van verzoekende partij stuk voor stuk afneemt. Diverse rechtsnormen werden ingevoerd om een standstil te bewerkstelligen van natuur- en milieuwaarden. Een eenzijdige afname van deze waarden kan o.i. niet zonder enige compensatie. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van natuurlijke overstromingsgebieden en biologisch waardevolle grond kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en tot een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap leiden. Het is niet louter één enkele vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van effecten die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt met dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. De decreetgever beseft ook meer en meer het belang van de samenhang van de elementen. Bvb. in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid staat in het 2e lid: ‘Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt (..)’; in artikel 36ter §3 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu staat ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of, programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken (..)’; in art. 2 van het besluit van 20 juli 2006 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, staat ‘Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma die afzonderlijk of in combinatie met een of meer bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s een mogelijk schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater veroorzaken, rust(…) overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid van het decreet de volgende verplichtingen: 1° ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of gelast aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en X-13.632-8/23 de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te voorkomen; 2° als dat niet mogelijk is, oordeelt zij of de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang;’ De combinatie van vele kleine schadelijke effecten veroorzaakt een groot schadelijk effect. Ieder stukje ruimte in natuurlijke overstromingsgebieden is van essentieel belang om zoveel mogelijk mensen te sparen van wateroverlast. Als je verkaveling na verkaveling, ophoging na ophoging, bebouwing na bebouwing toestaat in overstromingsgebieden zal de volgende generatie met een immens wateroverlastprobleem zitten. Als je keer op keer biologische waardevolle grond laat bebouwen zonder enige volwaardige compensatie wordt de achteruitgang van de biodiversiteit in de hand gewerkt. 10. Bij tal van vernietigingen van milieuvergunningen door uw Raad worden de middelen die betrekking hebben op de schendingen van de bepalingen van de decreten en besluiten aangaande de ruimtelijke ordening ernstig en gegrond verklaard. (...) 11. De teloorgang van overstromingsgebieden gaat in snel tempo vooruit door de bouwwoede. Verzoekende partij vecht ieder verlies aan overstromingsruimte aan en heeft hiervoor reeds verschillende verzoekschriften ingediend bij Uw Raad (...). Vooral in Geraardsbergen gaat de achteruitgang pijlsnel, daarom heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden. (...) Het zou bijzonder cynisch zijn mocht Uw Raad nu oordelen dat verzoekende partij geen belang heeft bij deze betwiste bouwvergunning, maar pas na vele jaren als biologisch waardevolle overstromingsgebieden dermate zeldzaam geworden zijn Uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij plots wel belang zou hebben bij het aanvechten van bouwvergunningen in die laatste overstromingsgebieden ‘dankzij’ het feit dat ze nog zeldzamer geworden zijn, terwijl het in die toestand waarbij die gebieden dermate versnipperd zijn geworden en de populaties van soorten zodanig geïsoleerd zijn geworden, het in leven houden van de aanwezige natuurwaarden quasi onmogelijk zal geworden zijn en waarbij door het verlies aan overstroombare ruimte de leefomgeving van vele mensen achteruit zal gegaan zijn doordat ze plots te maken krijgen met wateroverlast omdat het water overal hoger staat door de ophogingen die gepaard gaan met deze nieuwbouw. 12. De rechtstreekse impact van de vergunning is de volgende: 1. Het rechtstreeks verlies aan natuurwaarden door de inplanting van nieuwbouw op een biologisch waardevol perceel. In een recent rapport over overstromingsgebieden lezen we (...): ‘Natuur neemt slechts 9,5 % van de valleigebieden in. Voedselrijke graslanden, meestal in landbouwbeheer, en bossen werden buiten beschouwing gelaten. Van de 29 310 ha natuur sensu stricto behoort bijna 90 % tot de waardevolle tot zeer waardevolle natuur, waaronder bijna 2 000 ha prioritair te beschermen natuurtypes (zoals dottergraslanden, blauwgraslanden (al dan niet gedegradeerd) en X-13.632-9/23 Kleine zeggevegetaties).’ Ook in voorliggend geval gaat het om biologisch waardevolle grond (...). 2. De globale stijging van het waterniveau in de Molenbeekvallei. Door de bouw van een woning op inclusief ophoging (om niet met natte voeten te staan in de woning) van het perceel kan de oppervlakte van het perceel niet meer overstromen. Dit betekent een rechtstreeks verlies van een overstroombaar volume. Het spreekt voor zich dat het overstromingswater dat bij een volgende overstroming hier niet meer kan staan zich zal uitspreiden over de rest van de Molenbeekvallei. Dit heeft een globale stijging van het waterpeil tot gevolg in de Molenbeekvallei. Hierdoor lopen woningen die voorheen nooit wateroverlast gekend hebben een verhoogd risico. Daarom heeft verzoekende partij in al haar acties die ze doet en gedaan heeft altijd gepleit voor een compensatie van ieder verlies aan overstromingsruimte zodat het risico door deze factor niet hoger wordt. 3. De impact van de klimaatverandering kan het effect van groter overstromingsrisico nog versterken. Van een zorgzaam handelende overheid kan verwacht worden dat ze dit effect incalculeert in haar beslissingen die ze treft (toepassing preventiebeginsel en voorzorgsbeginsel). Er bestaan heel wat rapporten over de klimaatverandering, gemaakt in opdracht van diverse overheden, we pikken er enkele uit: (…) 13. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat er op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een driemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). In het bijgevoegde tijdschrift handelt een artikel over de achteruitgang van overstromingsgebieden hetgeen ook met voorliggend verzoekschrift wordt aangeklaagd. Het organiseren van tal van natuur- en milieueducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde,... Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals MOW-Leievallei, MOW-Maarkedal, MOW-Oudenaarde, MOW-Zingem, MOW-Zwalm en MOW-Geraardsbergen. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, X-13.632-10/23 milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 14. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van de Molenbeek gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste bouwvergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkaveling- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 5 voegt verzoekende partij 16 bezwaarschriften toe van de laatste vier jaar, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’

  1. s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van haar doel om de overstromingsgebieden, biologisch waardevolle gebieden en stiltebehoevende gebieden te beschermen en om de correcte toepassing van de bepalingen van het natuurdecreet, het decreet integraal waterbeleid, het milieuvergunningdecreet, de ruimtelijke ordeningswetgeving te vragen. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze een tijdschrift uit (...), voert ze ook af en toe acties en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. Verder heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken (...): verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. storten in de vallei van de Molenbeek in Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied in Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid en van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. X-13.632-11/23 Het aanvechten van tal van vergunningen in alle valleigebieden overstijgt het lokale belang dusdanig dat het in overeenstemming is met het regionale belang dat de vereniging nastreeft. 15. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aårhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. België heeft het verdrag bekrachtigd op 21 januari 2003, zodat het met toepassing van artikel 20, lid 3, ten aanzien van België op 21 april 2003 in werking is getreden en het dus van toepassing (
  2. is)m.b.t. voorliggend verzoekschrift. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.’ Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Verzoekende partij heeft rechtspersoonlijkheid verworven conform de wet van 27 juni 1921 zoals gewijzigd door de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk en voldoet aldus aan de eisen van nationaal recht. Conform artikel 17 van de zogenaamde vzw-wet X-13.632-12/23 legt verzoekende partij ieder jaar haar jaarrekeningen neer bij de griffie van de rechtbank van koophandel. Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 16. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(…)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  3. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  4. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  5. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (...)’. Om al bovengenoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze milieuvergunning, (sic) samengevat een feit is. 5. Het belang van verzoekende partij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift Verzoekende partij heeft besloten deze vergunning aan te vechten en niet de verkavelingvergunning van 28 januari 2003 waarvan de woning waar de hier betwiste vergunning betrekking op heeft, deel van uitmaakt, omdat er na die data nieuwe rechtsnormen werden geschapen die verzoekende partij toelaten op te komen voor haar rechten en doelstellingen m.b.t. het beschermen van mensen die te leiden kunnen hebben door wateroverlast. Op 18 juli 2003 werd het decreet betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (BS 14.11.2003; verder DIWB) en op 20 juli 2006 werd het besluit tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid X-13.632-13/23 goedgekeurd (BS 31.10.2006; verder watertoetsbesluit) dat in voege is vanaf 1 november 2006. Het DIWB vereist een watertoets die er moet voor zorgen dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Uw Raad vernietigde al enkele besluiten omdat deze werden genomen met miskenning van de vereisten van de watertoets (...). De rechtsnormen en beginselen en doelstellingen van het DIWB sluiten nauw aan bij de doelstellingen of collectieve belangen van de leden van verzoekende partij. Deze recentere rechtsnormen impliceren bovendien dat de overheid die besliste over de betwiste rechtshandeling, in tegenstelling tot haar beslissing d.d. 28 januari 2003 nu diende rekening te houden met deze nieuwe bepalingen. Verzoekende partij heeft hierdoor een relevant belang gekregen bij het aanvechten van vergunningen. Verzoekende partij is van oordeel dat de vergunningverlenende overheid de bepalingen van het DIWB heeft miskend”. 3.1.2. De tussenkomende partijen werpen een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang bij de vordering. Ze doen gelden dat de doelstelling van de verzoekende partij dermate algemeen is dat er geen band van evenredigheid bestaat tussen het actieterrein van de verzoekende partij, enerzijds, en de draagwijdte van het bestreden besluit, anderzijds, nu het bestreden besluit “welbepaalde bouwwerken (...) op een welbepaalde plaats” betreft, en “dan nog in een reeds goedgekeurde verkaveling, waarbij verzoekende partij nooit is opgekomen tegen de inwilliging van de verkavelingsvergunning”. 3.1.3. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij geen nieuwe elementen aan het verzoekschrift toe. 3.1.4. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog het volgende: “
  6. a)Op de figuur van de recent overstroomde gebieden staat in blauw de zone die normaal gezien overstroomd wordt door de Molenbeek hetgeen het frequentst in de winterperiode gebeurt (vandaar dat men dit de winterbedding noemt van de Molenbeek). Deze zone strekt zich uit van de hoger gelegen Gemeentestraat aan de ene zijde tot aan de hoger gelegen talud van de voormalige tramlijn aan de andere zijde. In de rode veelhoek X-13.632-14/23 staat de te bebouwen zone aangeduid. Om te vermijden dat de bebouwde zone iedere winter onder water stroomt, wordt het perceel voorafgaand aan de bebouwing opgehoogd tot meerdere meters. Hiermee werpt men eigenlijk een waterkering op van aan de Gemeentestraat tot aan de Molenbeek. Terwijl bij een normale overstroming het water over de volledige breedte van de winterbedding stroomt van (zuid)west naar (noord)oost zal bij het realiseren van die bebouwing het kolkende water in zijn stroming afgeremd worden waardoor het water aanzienlijk hoger komt te staan voor de dijk. Immers het water dat stroomde met grote snelheid over een winterbeddingbreedte van ongeveer 150 m, verliest op die locatie ongeveer 90 m breedte. Het water dat stroomde aan de linkeroever van de Molenbeek moet er plots door een vernauwing van ongeveer 60 m (dit is de breedte die nog resteert op de rechteroever van de Molenbeek). Eén enkele vernauwing heeft dus grote gevolgen voor de overstromingen in heel de beekvallei. Dit heeft voor gevolg dat de woningen die aan de rand liggen van het overstromingsgebied met wateroverlast zullen te kampen krijgen. Hetzelfde fenomeen gebeurt ook in een snelstromend beekje: als men daar een hindernis in legt over de helft van de breedte van dat stroompje, dan gaat het water daarvoor ook hoger komen te staan door het opstuwend effect van die hindernis. (…) In voorliggende zaak is geen studie gemaakt die de impact van de bebouwing van dat perceel op de unieke levensgemeenschap onderzocht heeft. Verzoekende partij kan niet met dezelfde autoriteit als het Instituut voor Natuurbehoud (het actuele Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) dergelijke studies maken. Het niet voorhanden zijn van zo’n studie voor voorliggend bouwproject kan o.i. geen voorwendsel zijn om te oordelen dat verzoekende partij niet beschikt over voldoende belang of de hoedanigheid om op te treden voor uw Raad terwijl voor een ander bouwproject (...) dat op redelijke afstand (100
  7. m)van een kwetsbaar gebied gelegen is uw Raad oordeelt dat er een voldoende band bestaat tussen het maatschappelijk doel van verzoekende partij en de bestreden beslissing. Een belangrijk maatschappelijk doel van verzoekster bestaat erin de meest kwetsbare en zeldzame levensgemeenschappen zoals hier in de Molenbeekvallei langsheen de Gemeentestraat te vrijwaren van verdere aantasting en isolement. Immers met voorliggende bouwvergunning wordt die levensgemeenschap aangetast en wordt de Molenbeekvallei versnipperd en steeds verder ingesloten en afgesloten van andere natuurkernen wat nefast is voor de aanwezige populaties van planten en dieren.
  8. b)Verzoekende partij is financieel onvermogend om tegen elke vergunning waar er een belangrijke (belangrijk omdat het unieke gebieden betreft op landschappelijk en/of biologisch vlak in het werkingsgebied van verzoekende partij) schending is ondermeer van de bepalingen van het decreet betreffende het natuurbehoud en van het decreet integraal waterbeleid, een beroepsprocedure in te stellen. Verzoekende partij heeft ongeveer 800 leden. Als vereniging zonder winstoogmerk is zij hoofdzakelijk afhankelijk van giften van deze leden voor haar werking en dus voor het instellen van beroepsprocedures of procedures voor diverse rechtbanken ter verdediging van die landschappelijke en biologische waarden. Er is een veelvoud van vergunningen die verzoekster niet kan X-13.632-15/23 aanvechten wegens het niet beschikken over voldoende financiële middelen ook al beseft verzoekster heel goed dat haar optreden onderzocht zal worden voor het vaststellen van haar belang in diverse zaken. Mocht verzoekende partij tegen alle belangrijke zaken optreden dan was het geen v.z.w. maar een vereniging met een verliesoogmerk en bestond de vereniging al lang niet meer. Om die reden moet de vereniging iedere keer een afweging maken naar financiële en juridische haalbaarheid van iedere zaak. De doorslaggevende reden voor het instellen van een annulatieberoep tegen deze stedenbouwkundige vergunning en niet tegen de voorafgaande verkavelingsvergunning was de inwerkingtreding van de bepalingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 op 24 november 2003. Dit decreet legt immers ondubbelzinnig op dat er een watertoets (via artikel 8 van dat decreet) dient uitgevoerd te worden, waarbij naast de overstromingsproblematiek eveneens de waarde van de fauna en flora in overweging dient genomen te worden en waarbij de vergunningverlenende overheid ondermeer een toetsing moet voorzien aan de doelstelling dat de valleigebieden niet mogen achteruitgaan (in kwaliteit) (artikel 5, 4° van dat decreet). Waarom verzoekende partij geen annulatieverzoekschrift indiende tegen de stedenbouwkundige vergunning van 5 augustus 2008 (waarvan pas kennis gekregen werd na de aanvang van de werken in december 2008) dient gezien te worden in de context van de arresten van uw Raad (...). Hier oordeelde uw Raad voor het eerst over de toepassing van het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aårhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Dit waren immers de eerste zaken die ingesteld werden na de inwerkingtreding van het verdrag. Uw Raad oordeelde toen ‘De vaststelling dat een niet- gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van dit Verdrag’. In die context leek het ons niet haalbaar nog een nieuw beroep in te stellen tegen die nieuwe stedenbouwkundige vergunning van 5 oktober 2008. Hier werpt uw Raad ons in een soort van vicieuze cirkel: als we geen beroep ingesteld hebben tegen de daaropvolgende stedenbouwkundige vergunning worden we ‘verweten’ niet te getuigen van een voldoende belang, maar uiteindelijk - mochten we dat beroep toch ingesteld hebben - werpt uw Raad dan toch weer op dat - mits we aangetoond hebben dat we aldus een voldoende belang zouden hebben - we niet de vereiste hoedanigheid hebben. Het betekent niet omdat verzoekende partij nalaat de verkavelingsvergunning en bepaalde stedenbouwkundige vergunningen aan te vechten voor uw Raad, dat ze zal nalaten het herstel te vragen van dit en andere overstromingsgebieden wegens de onwettigheid van de verleende vergunningen. X-13.632-16/23
  9. c)De toegang tot de rechter conform het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens In een arrest van 24 februari 2009 (No 49230/07) inzake een lokale milieuvereniging (…) tegen België betreffende een arrest van uw Raad (…) waarbij de actio popularis ingeroepen werd, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van 4 november 1950 (EVRM) geschonden werd door uw Raad. Artikel 6 §1 (EVRM) luidt :‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen of in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.’ De rechtspraak van het Hof is o.i. eveneens toepasbaar op voorliggende zaak. Het onontvankelijk verklaren van het verzoekschrift in onderhavige zaak is ook in strijd met art. 6 §1 van het EVRM.
  10. d)De toegang tot de rechter conform het Hof van Justitie Het verdrag van Aårhus en de goedkeuringswet (17 december 2002) en - decreet (6 december 2002) waarin de wet- resp. decreetgever stellen dat het Verdrag volkomen gevolg heeft in België resp. Vlaams Gewest voorziet een ruime toegang tot iedere herzieningsprocedure. In het arrest van Europees Hof van Justitie d.d. 15 oktober 2009 (zaak C-263/08) werd herhaaldelijk gewezen op het belang van een ruimte (sic) toegang tot de rechter voor organisaties die zich inzetten voor milieubescherming”. Beoordeling 3.2.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang X-13.632-17/23 alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Artikel 1, §4 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt het volgende over haar werkingsgebied: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; X-13.632-18/23 -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. (...)”. 3.2.2. Terzake is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning binnen een niet-vervallen verkaveling. De verzoekende partij geeft zelf in haar verzoekschrift aan dat ze de verkavelingsvergunning die het bouwen van de woning mede moet mogelijk maken, niet heeft aangevochten. Die vergunning, een rechtscheppende handeling, is definitief geworden. De bestreden beslissing betreft welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats. Ook al heeft de bestreden vergunning wellicht een aantal gevolgen voor omliggende percelen, toch bestaat er geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de verenging, enerzijds, en de draagwijdte van de bestreden beslissing, anderzijds. De niet concreet aangetoonde beweringen van de verzoekende partij die betrekking hebben op het impact van de bestreden vergunning tonen die band niet aan. 3.2.3. De verzoekende partij beroept zich tevens op het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. X-13.632-19/23 Meer bepaald verwijst de verzoekende partij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 9.2 van het verdrag luidt als volgt: “2. Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. Artikel 2.5 van het verdrag bepaalt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. X-13.632-20/23 3.2.4. Zij beroept zich ook op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  11. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  12. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  13. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedure 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige X-13.632-21/23 overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. 3.2.5. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van het vermelde verdrag en de vermelde richtlijn gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. 3.2.6. De exceptie van de tussenkomende partij is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, ieder voor de helft. X-13.632-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.632-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.