← België

Arrest 208524 - Tucht (openbaar ambt) - 28/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.524 Rolnummer: A. 184803/IX-5733 Zaak: Arrest 208524 - Tucht (openbaar ambt) - 28/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 05:20 Fiche Arrest nr 208.524 van 28 oktober 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.524 van 28 oktober 2010 in de zaak A. 184.803/IX-5733 In zake : Luc BESSEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de lokale politiezone SINT-TRUIDEN – GINGELOM - NIEUWERKERKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politiezone Sint-Truiden-Gingelom-Nieuwerkerken van 18 juni 2007 waarbij aan Luc Bessemans de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 203.269 van 26 april 2010 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermee belast om het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-5733-1/10 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Sebastian Martin, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De verzoeker is inspecteur van politie (INP) tewerkgesteld bij de lokale politiezone Sint-Truiden-Gingelom-Nieuwerkerken. Op 31 maart 2007 is verzoeker van dienst voor de shift van 22.00 u tot 06.00 u. Om 22.00 u vindt er een incident plaats tussen de verzoeker en hoofdinspecteur van politie (HINP) B. Piron die de leiding had van de dienst van 14.00 u tot 22.00 u. HINP B. Piron wenst immers te vernemen waar INP Vanharen is, één van de zes opgaande mannen voor IX-5733-2/10 de shift van 22.00 u tot 06.00 u en de verzoeker is van oordeel dat B. Piron zich daar niet mee te moeien heeft; er ontstaat een nogal hevige discussie. Over dit alles maakt HINP Piron een verslag op waarin hij ook vermeldt dat de verzoeker duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie vertoont en waarin hij besluit dat het gedrag van de verzoeker ongehoord is. 3.
  6. Op 13 april 2007 verstuurt commissaris van politie (CP) J. Gielen, adjunct-korpschef en “tuchtofficier”, een e-mail naar de politiepersoneelsleden die aanwezig waren bij het incident. Hij verzoekt hen om een administratieve verklaring als getuige te geven. Alle betrokkenen leggen een administratieve verklaring af tussen 17 april en 27 april
  7. De verzoeker wordt door CP Gielen per e-mail van 4 mei 2007 uitgenodigd om op 9 mei 2007 in het bureel van de korpschef kennis te nemen van een te zijnen laste opgesteld “tuchtverslag” dat op 4 mei 2007 werd gedateerd. 3.
  8. In dit inleidend verslag worden de feiten die de verzoeker ten laste gelegd worden als volgt omschreven: “2.1 Op 31 maart was u als dienstoverste belast met de interventiedienst 22u00-06u
  9. De indeling van de ploegen hebt u besproken met de dispatcher van dienst INP Walter Sabbe. Eén dezer ploegen bestaat uit INP Steven Vanharen en INP Jos Depae. Deze laatste heeft toelating om zijn dienst één uur later aan te vangen en werd vervangen door INP Kris Stassart. INP Steven Vanharen was evenwel niet aanwezig bij aanvang dienst. Ingevolge een vraag van HINP Bert Piron naar INP Steven Vanharen geeft u als antwoord dat deze vervangen werd door INP Kris Stassart, alhoewel deze reeds INP Jos Depae verging. Verder deelt u HINP Piron mee dat INP Steven Vanharen met uw toelating zijn dienst mag aanvatten om 23u00 en de leiding hiervan op de hoogte is. Op de mededeling van HINP Bert Piron dat hij bij de leiding zal nagaan of er toestemming werd gegeven, antwoordde u op arrogante toon dat hij er niets mee te maken (had). Volgens HINP Bert Piron gedroeg u zich eveneens arrogant tegenover een collega INP Domenique Boulet die een andere collega INP Romain Raets aan het briefen was. Uw bewoordingen tegen INP Boulet waren van die aard dat hij onmiddellijk op uw bureel moest komen, want dat uzelf de chef was en alles via u diende te passeren al zeggende ‘wat denkt da menneke wel’, doelend op HINP Piron. IX-5733-3/10 Volgens HINP Bert Piron en collega’s vertoonde u tekens van alcoholintoxicatie zoals adem: alcoholgeur, aggressieve houding, bloeddoorlopen ogen en soms moeilijke spraak. 2.2 uit ons onderzoek blijkt vervolgens dat met het dienstvoertuig Volkswagen met nummerplaat GNK624 op 01 april om 03u09 tijdens uw interventiedienst brandstof is getankt aan het tankstation Total gelegen langs de Luikersteenweg te Sint-Truiden. Tijdens deze tankbeurt zou u zich begeven hebben naar een nabijgelegen herberg Lazarus Luikersteenweg 106 te Heers alwaar u een alcoholische drank, in casu een kriek zou gedronken hebben. 2.3 Op 03 april was u bevolen met interventiedienst 06.00-14u
  10. Omstreeks 06u15 was u als dienstoverste niet aanwezig om uw dienst aan te vatten.” Als datum van kennisname van de hierboven vermelde feiten 2.1, 2.2 en 2.3 vermeldt de korpschef in het inleidend verslag 31 maart
  11. Tevens vermeldt hij dat hij op 2 april 2007 de tuchtofficier de opdracht gegeven heeft een tuchtonderzoek uit te voeren. De korpschef is van oordeel dat de feiten vaststaan, aan de verzoeker kunnen toegerekend worden en als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden. Hij stelt voor aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. De verzoeker ondertekent op 9 mei 2007 het inleidend verslag voor ontvangst. 3.
  12. Op 7 juni 2007 dient de verzoeker een omstandig verweerschrift in, waarin hij onder meer bezwaren in verband met het vooronderzoek aanvoert en waarin hij tevens uiteenzet waarom de feiten niet bewezen zijn. Hij besluit dat de eerste tenlastelegging niet bewezen is en minstens genuanceerd moeten worden, en dat de twee andere tenlasteleggingen niet in aanmerking kunnen genomen worden omdat uit niets blijkt waarop ze gesteund zijn. 3.
  13. Op 18 juni 2007 wordt aan de verzoeker de beslissing betekend waarbij hem de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. IX-5733-4/10 Uit deze beslissing blijkt dat verwerende partij enkel de tenlastelegging geformuleerd onder punt 2.1 van het inleidend verslag als tuchtfeit aangehouden heeft. De bestreden beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 4, 32 en 33; Rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in punt 2.
  14. van het dossier. Rekening houdend met de aangebrachte feiten vastgesteld door een hiërarchische meerdere tijdens de dienst en het informatieverslag hieromtrent. Rekening houdend met de verhoren en verklaringen van de getuigen-collega’s Inspecteurs INP Sabbe, Bonneux, Stassart, Boulet, Froyen, Appeltans en Steven Vanharen. Rekening houdend met uw verweerschrift d.d. 7 juni
  15. Rekening houdend met uw blanco tuchtverleden.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoeker voert de schending aan van artikel 32 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), van artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999, van de deontologische code, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het onpartijdigheidsbeginsel, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. Het behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de tuchtoverheid te oordelen of de ter kennis gebrachte gegevens volstaan om er voldoende bewijswaarde aan te geven. Krachtens artikel 32 van de tuchtwet is het ook de gewone tuchtoverheid die moet oordelen of er een voorafgaand onderzoek nodig is alvorens de eigenlijke tuchtprocedure opgestart wordt. In die gedachtengang kan niet aanvaard worden dat de tuchtoverheid bepaalde personeelsleden met een algemeen mandaat vooraf machtigt om een voorafgaand IX-5733-5/10 onderzoek in te stellen. Immers, het voorafgaand onderzoek moet de tuchtoverheid een objectief beeld geven over de toedracht van de zaak en daartoe moet de onderzoeker in alle zelfstandigheid en onbevooroordeeld alle elementen in het voordeel en het nadeel van de betrokkene onderzoeken. Het tuchtdossier moet daarom blijk geven van de aanstelling van de vooronderzoeker en van zijn opdracht. Het ontbreken van dergelijke opdracht tast de geldigheid van het onderzoek aan. De verwerende partij legt geen akte voor waarbij de voorafgaand onderzoeker wordt aangesteld en er ligt ook geen verslag van de voorafgaand onderzoeker voor. In ieder geval kon hij slechts onderzoeken wat door de tuchtoverheid op 31 maart 2007 gekend was en dat gold zeker niet voor de feiten 2 en 3, omdat die zich pas later hebben voorgedaan. De omstandigheid dat uiteindelijk geen tuchtstraf opgelegd is voor de feiten 2 en 3 kan de nietigheid van de bestreden tuchtstraf niet teniet doen, aangezien het tweede onderdeel van feit 1 slechts na 31 maart 2007 aan de tuchtofficier -nog niet eens de tuchtoverheid- ter kennis gebracht is.
  17. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker zijn verdediging heeft kunnen doen gelden. Artikel 32 van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid niet om een voorafgaand onderzoek te voeren of om de onderzoeker formeel een opdracht te geven en zijn opdracht te bepalen. In dit geval heeft de tuchtofficier -daartoe blijkens het organigram aangesteld- in opdracht van de korpschef bijkomende inlichtingen laten inwinnen bij de betrokken politieinspecteurs, en dat strookt met de ratio van de tuchtwet.
  18. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het ontbreken van een akte van aanstelling van de voorafgaand onderzoeker elk onderzoek naar de regelmatigheid van de aanstelling onmogelijk maakt en dat een ongeldig vooronderzoek de tuchtprocedure vitieert. Het verslag van 31 maart 2007 van HINP Piron, overgenomen door CP Gielen in zijn “informatieverslag” aan de korpschef, kan niet als een verslag van voorafgaand onderzoek worden opgevat, IX-5733-6/10 aangezien dergelijk verslag normaliter de aanzet vormt voor een voorafgaand onderzoek. Overigens roept dit verslag van HINP Piron zelf ook vragen op en kan men zich afvragen of het niet na het vooronderzoek opgemaakt is.
  19. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de reglementering niet vereist dat er een schriftelijke aanstelling van de voorafgaand onderzoeker moet voorgelegd kunnen worden en dat “blijkens het organigram HCP Gielen officieel bekleed is met de opdracht van tuchtofficier”, zodat hij niet opnieuw aangesteld moest worden om het voorafgaand onderzoek uit te voeren, hetgeen ook strookt met artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 dat voorziet in een algemene machtiging. Zij stelt ook nog dat alle stukken, die door de tuchtoverheid werden opgesteld, in het dossier opgenomen zijn en dat de vooronderzoeker zelfs geen schriftelijk verslag moet opstellen. Beoordeling
  20. Overeenkomstig artikel 32 van de tuchtwet stelt de bevoegde tuchtoverheid, die kennis krijgt van mogelijke tuchtvergrijpen, een inleidend verslag op “na eventueel een onderzoek te hebben bevolen”. De mogelijkheid om een voorafgaand onderzoek te bevelen wanneer de zaak voor de bevoegde tuchtoverheid onvoldoende duidelijk is om onmiddellijk een inleidend verslag op te stellen, beoogt het verkrijgen van informatie na een objectief onderzoek van de zaak, à charge en à décharge (Parl. Doc. Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1998-1999, stuk 1965/1, p. 15). Het voorafgaand onderzoek ligt aldus wel buiten de eigenlijke tuchtprocedure, maar door het uitwerken van die specifieke regeling heeft de wetgever het onmiskenbaar bij de tuchtprocedure betrokken zodat eventuele onregelmatigheden die aan dat voorafgaand onderzoek kleven, kunnen doorwerken op de regelmatigheid van de eindbeslissing. Artikel 32 van de tuchtwet verbiedt niet dat de tuchtoverheid in het algemeen een politieambtenaar aanwijst die, wanneer het geval zich voordoet, de voorafgaande onderzoeken zal verrichten. Omdat enkel de door de wet IX-5733-7/10 aangewezen tuchtoverheid de leiding heeft over de tuchtvervolging en die bevoegdheid niet kan afwentelen, kan dergelijke aanwijzing evenwel geen vrijgeleide zijn om het voorafgaand onderzoek uit handen te geven. Aldus begrepen houdt artikel 32 dan in dat de tuchtoverheid in ieder geval afzonderlijk de tuchtonderzoeker met een opdracht moet gelasten, waarbij dan desgevallend ook gespecifieerd kan worden welk onderzoek van hem verwacht wordt. Er is in de wet niet bepaald dat de opdracht schriftelijk moet gebeuren of dat zij vooraf ter kennis gebracht moet worden van de ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, weze het dat een mondeling bevel aanleiding kan geven tot bewijsmoeilijkheden.
  21. Te dezen bevat het dossier geen formele beslissing van de korpschef waarbij CP Gielen met een voorafgaand onderzoek wordt belast. In het inleidend verslag -punt 3- verwijst de korpschef wel duidelijk naar een “opdracht” d.d. 2 april 2007 die hij aan de tuchtofficier gegeven heeft. De verzoeker brengt geen gegeven aan dat aan de juistheid van die vermelding doet twijfelen. De onjuistheid van die vermelding wordt ook niet bewezen door het feit dat de tenlastelegging eveneens betrekking heeft op feiten van een latere datum, aangezien, in tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, het voorafgaand onderzoek niet beperkt moet blijven tot het onderzoek van de feiten die op het ogenblik van zijn aanstelling bekend zijn, maar dat de onderzoeker ook kan ingaan op andere feiten die mogelijks in één tuchtdossier tegen de verzoeker samengebracht kunnen worden. Er worden derhalve geen onregelmatigheden aangetoond op het vlak van de aanstelling van de voorafgaand onderzoeker. De omstandigheid dat de voorafgaand onderzoeker geen verslag van zijn onderzoek heeft voorgelegd tast op zich de geldigheid van de tuchtprocedure niet aan. Heeft de ontstentenis van dergelijk verslag wel implicaties op de bewijsvoering, dan wordt te dezen vastgesteld enerzijds dat de tuchtoverheid de door de voorafgaand onderzoeker ingewonnen getuigenissen, die betrekking hebben op de eerste tenlastelegging, bij het dossier gevoegd heeft en anderzijds dat de tweede en de derde tenlastelegging, die blijkens het inleidend verslag effectief IX-5733-8/10 steunen op gegevens verkregen tijdens het voorafgaand onderzoek, uiteindelijk niet aan de verzoeker ten laste gelegd zijn, zodat de gebreken in de bewijsvoering dienaangaande de regelmatigheid van de bestreden beslissing niet beïnvloeden.
  22. Het voorafgaand onderzoek is niet aangetast door onregelmatigheden die doorwerken naar de bestreden eindbeslissing. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  23. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van punt 77 van de deontologische code, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsverplichting. De verzoeker stelt dat reeds in het inleidend verslag werd voorgesteld om hem met een waarschuwing te bestraffen en dat hij met de bestreden beslissing, waarin ook verwezen wordt naar zijn blanco-tuchtverleden, uiteindelijk gestraft is voor slechts één van de drie oorspronkelijke tenlasteleggingen, terwijl er geen verantwoording wordt gegeven voor het behoud van de voorgestelde tuchtstraf.
  24. De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing de juridische en feitelijke gegevens worden uiteengezet waarop zij gesteund is, dat er op grond van een objectieve toetsing geoordeeld werd dat de inbreuk op de deontologische voorschriften de lichtste tuchtstraf verantwoordde en dat uit de motivering blijkt dat met het verweer van de verzoeker rekening gehouden is. Beoordeling
  25. Met de bestreden beslissing is aan de verzoeker de lichtste tuchtstraf opgelegd voor de eerste tenlastelegging. Aangenomen dat de tuchtoverheid niet zonder nadere verantwoording kan beslissen om de IX-5733-9/10 oorspronkelijk voorgestelde straf te behouden wanneer de tenlasteleggingen afgezwakt worden, dan dient te dezen vastgesteld te worden dat van in den beginne slechts de lichtste tuchtstraf voorgesteld werd. Eens beslist dat de verzoeker voor het eerste feit een tuchtstraf verdiende, dan had het bestuur geen andere mogelijkheid dan de waarschuwing te behouden. Het weglaten van de tweede en derde tenlastelegging, of het in rekening brengen van het blanco tuchtverleden van de verzoeker kon dan ook geen enkel effect hebben op de zwaarte van de op te leggen straf.
  26. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5733-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.524 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.269 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.