← België

Arrest 208525 - Tucht (openbaar ambt) - 28/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.525 Rolnummer: A. 187668/IX-5888 Zaak: Arrest 208525 - Tucht (openbaar ambt) - 28/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-10 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:20 Fiche Arrest nr 208.525 van 28 oktober 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.525 van 28 oktober 2010 in de zaak A. 187.668/IX-5888 In zake : Hilde VAN HYFTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie van 23 januari 2008 waarbij aan Hilde Van Hyfte de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 8 % gedurende twee maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-5888-1/18 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekster, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster is rechercheur bij de unit geweldmisdrijven van de federale gerechtelijke politie te Gent. 3.
  6. De thans bestreden beslissing wordt aan de verzoekster opgelegd naar aanleiding van een aantal feiten die zich op 5 oktober 2006 hebben voorgedaan: in afwezigheid van hun afdelingshoofd hebben de aanwezige leden van de unit, waaronder plaatsvervangend afdelingshoofd E. Van Der Stuyft, rechercheur A. Doublet, rechercheur R. Temmerman en de verzoekster, tijdens de middagpauze op het bureau enkele alcoholische dranken verbruikt en pizza’s genuttigd. Daarna werd door voormelde personen beslist om een drankgelegenheid IX-5888-2/18 te bezoeken. Enige tijd nadat R. Temmerman de groep verlaten had, heeft zich tussen de drie nog aanwezige leden van de unit een incident voorgedaan, waarvan de getuigen elkaar met betrekking tot het precieze verloop van het incident tegenspreken. Vast staat dat de verzoekster E. Van Der Stuyft herhaaldelijk gebeten heeft en dat een handgemeen ontstaan is tussen E. Van Der Stuyft en A. Doublet na al dan niet door de verzoekster geprovoceerde ongewenste intimiteiten van E. Van Der Stuyft ten aanzien van de verzoekster. Om de zaak binnenin de drankgelegenheid niet te laten escaleren heeft A. Doublet vervolgens E. Van Der Stuyft naar buiten geduwd, waarbij deze laatste tegen een deur terecht kwam en gewond raakte, hetgeen de tussenkomst van de Dienst 100 noodzakelijk gemaakt heeft. Ingevolge de tussenkomst van een ambulance is de lokale politie ter plaatse gekomen en heeft zij van het gebeuren een proces-verbaal opgesteld. 3.
  7. Op 12 oktober 2006 stelt de gerechtelijk directeur (hierna: DirJud) van de Algemene Directie van Personeel van de Federale Politie een voorafgaand onderzoeker aan. 3.
  8. Op 16 oktober 2006 vraagt de DirJud aan de procureur des Konings de toelating om de stukken van het strafonderzoek naar aanleiding van het door de lokale politie opgestelde PV te mogen toevoegen aan het tuchtdossier, en vraagt hij tevens hem te informeren welk gevolg de procureur aan de zaak wenst te geven. Op 19 oktober 2006 verleent de procureur die toelating en deelt hij mee dat navolgende processen-verbaal ten gepaste tijde zullen overgemaakt worden om te gebruiken in de tuchtprocedure. 3.
  9. Op 30 oktober 2006 finaliseert de voorafgaand onderzoeker zijn verslag. Bij dit verslag zijn verhoren gevoegd van de op 5 oktober 2006 aanwezige leden van de unit en van de kelner van de drankgelegenheid waar een deel van de feiten zich hebben voorgedaan. Tevens is in het verslag een schriftelijke neerslag opgenomen van het gesprek dat de voorafgaand onderzoeker had met de twee ambulanciers van de Dienst 100 die na het incident ter plaatse gekomen zijn. Uit het verslag blijkt dat de feiten zich globaal hebben voorgedaan zoals ze hiervόόr IX-5888-3/18 (3.2.) omschreven zijn maar dat de betrokkenen elkaar tegenspreken met betrekking tot het precieze verloop van het incident. 3.
  10. Op 13 november 2006 richt de DirJud, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, een nota aan de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie (de hogere tuchtoverheid van de verzoekster). In die nota stelt hij dat A. Doublet zijns inziens geen voor tuchtstraf vatbare handelingen heeft gesteld zodat geen tuchtprocedure moet worden opgestart. Met betrekking tot E. Van Der Stuyft is hij van oordeel dat deze wel voor tuchtstraf vatbare handelingen heeft gesteld en stelt hij de vraag of deze tuchtprocedure op het niveau van de gewone tuchtoverheid dient te gebeuren, dan wel of de hogere tuchtoverheid de zaak wenst te evoceren. Met betrekking tot de verzoekster is de DirJud van oordeel dat de feiten -nu de verzoekster in 2006 een blaam kreeg voor “analoge feiten”- in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf en hij adieert daarom de hogere tuchtoverheid. De directeur-generaal antwoordt op deze nota dat de dossiers lastens de verzoekster en E. Van Der Stuyft op het niveau van de hogere tuchtoverheid behandeld zullen worden en dat hij akkoord is dat het dossier lastens A. Doublet zonder gevolg geklasseerd wordt. 3.
  11. Op 1 februari 2007 deelt de procureur des Konings aan de DirJud mee dat het dossier Aom opportuniteitsredenen@ op strafgebied zonder gevolg wordt geklasseerd. De procureur merkt op dat hij persoonlijk van mening is dat een zware tuchtstraf in overweging genomen dient te worden. 3.
  12. Op 12 maart 2007 stelt directeur-generaal, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, lastens de verzoekster een inleidend verslag op. Onder punt 2 van dit verslag “Uiteenzetting van de feiten” wordt het volgende vermeld: IX-5888-4/18 “(...) 2.2 Op donderdag 05 oktober 2006 zouden er door u zelf en andere leden van de unit geweldsdelicten tijdens de middagpauze binnen de burelen alcoholische dranken zijn verbruikt, zonder dat hiertoe voorafgaand toelating was gevraagd aan de directeur. Uzelf zou een hoeveelheid rhum, vermengd met cola, hebben gedronken. De dienst werd beëindigd en er zou zijn beslist om die namiddag verder op vermaakuitstap te gaan. De verplaatsingen zouden zijn gebeurd met persoonlijke voertuigen. 2.3 Omstreeks 15.00 uur zou u zich in gezelschap hebben bevonden in de taverne Rotan, Evergemsesteenweg 168 te 9032 Gent/Wondelgem. Daar zouden verder alcoholische dranken zijn geconsommeerd. 2.4 U zou op een bepaald ogenblik uw beide nog aanwezige collega=s hebben zitten >opvrijen= door op beider schoot te gaan zitten. 2.5 RCH Van Der Stuyft zou op een bepaald ogenblik seksische uitspraken hebben geuit; o.m. zou hij zijn seksuele potentie ter sprake hebben gebracht en zou hij zelfs naar een vriendin hebben gebeld om dit te bevestigen. 2.6 Een getuige relateert dat u hem op een bepaald ogenblik over het hoofd zou hebben gewreven, daarbij vragende of het onderaan ook zo zacht was. 2.7 In een eerder >geladen= sfeer (alcohol, aanhalen van collega=s, seks als gespreksthema) zou enerzijds RCH Van Der Stuyft met zijn hand tussen uw benen zijn gegleden en zou u hem anderzijds een paar maal gebeten hebben. 2.8 RCH Doublet zou hierop vervolgens zijn tussengekomen naar RCH Van Der Stuyft toe. Er zou een klein gevecht zijn ontstaan. 2.9 De kelner en RCH Doublet zouden hebben aangedrongen om het pand te verlaten. Laatstgenoemde zou daaromtrent RCH Van Der Stuyft vast hebben genomen en zou hem voor zich uit hebben geduwd. Hierbij zou RCH Van Der Stuyft tegen de deur zijn gebotst waarbij hij een kneuswonde opliep en zijn bril beschadigd werd. 2.10 De dienst 100 werd opgeroepen. In afwachting van hun komst had de kelner de deur afgesloten, waardoor u zelf niet naar buiten kon. Volgens een getuige zou u gepoogd hebben via het raam van het toilet van de instelling naar buiten te klimmen. Toen de getuige u dit wou beletten zou u hem hebben uitgemaakt en zou u hem een kaakslag hebben gegeven. IX-5888-5/18 2.11 Na aankomst van de dienst 100 nam RCH Van Der Stuyft plaats in het ambulancevoertuig, waarna u op dit voertuig met de vuisten zou hebben geslagen. Toen de ambulancier u om uitleg vroeg, zou u met toevoegsel van de bewoording >kleine aap= hebben gezegd dat hij moest zwijgen. Dit choqueerde de ambulancier dermate gezien deze woorden geuit werden door een persoon hem gekend als een lid van de politiedienst met een voorbeeldfunctie. 2.12 Later, toen iedereen de plaats verlaten had, kwam de lokale politie ter plaatse ingevolge de oproep-
  13. Een proces-verbaal werd opgesteld onder het nummer GE.43.LA.082940/2006 dd. 05/10/2006.@ Deze feiten worden vervolgens gekwalificeerd als de volgende tuchtinbreuken: A4.1 Feit 1: U heeft op 05/10/2006, zonder voorafgaandelijke toelating te hebben bekomen van de directeur, alcoholische dranken verbruikt binnen de burelen tijdens de middagpauze. 4.2 Feit 2: U heeft op 05/10/2006 tijdens een vermaakuitstap en buiten dienstverband blijk gegeven van een ernstig gebrek aan integriteit alsook de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door in een drankgelegenheid betrokken te zijn geweest in een ernstig incident met de collega=s waarbij laakbare handelingen werden gesteld dewelke hebben geleid tot een handgemeen waarbij uiteindelijk de lokale politie en de hulpdiensten zijn moeten tussenkomen na oproep van de kelner van de instelling. 4.3 Feit 3: U heeft op 05/10/2006 tijdens een vermaakuitstap en buiten dienstverband blijk gegeven van een ernstig gebrek aan integriteit door uw waarnemend dienstchef, die ongewenste intimiteiten op uw persoon pleegde, meerdere keren in de arm te hebben gebeten.@ De directeur-generaal acht de feiten bewezen: - feit 1 op grond van de verklaring van de verzoekster en deze van de collega=s. - feit 2 op grond van de verklaring van de verzoekster dat zij aanwezig was, dat zij deelgenomen heeft aan het gebeuren en dat zij op de ambulance heeft geslagen; ook op grond van de getuigenverklaringen van enerzijds de kelner van de instelling en van de twee ambulanciers. IX-5888-6/18 - feit 3 op grond van de verklaring van de verzoekster en de medische attesten in het dossier. De directeur-generaal stelt vervolgens voor om de verzoekster voor deze tuchtvergrijpen de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 8% gedurende twee maanden op te leggen. De verzoekster ondertekent het inleidend verslag op 16 maart 2007 voor kennisname en ontvangst. 3.
  14. Op 12 april 2007 dient de verzoekster een verweerschrift in. Op 18 april 2007 wordt de verzoekster, bijgestaan door haar tuchtverdedigers, gehoord. 3.
  15. Op 23 april 2007 stelt de directeur-generaal voor om de verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van de brutowedde van vijf percent gedurende twee maanden op te leggen. In het voorstel wordt, “na onderzoek van de neergelegde schriftelijke besluiten en nadat [verzoeksters] verdediging werd gehoord” de omschrijving van het tuchtvergrijp als volgt aangepast: AAls hoofdinspecteur bij de Federale Gerechtelijke Politie, blijk te hebben gegeven van een ernstig gebrek aan integriteit en de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang te hebben gebracht door: C tijdens een herbergbezoek met andere collega=s en onder invloed van alcohol, C rechtstreeks te zijn betrokken geweest in een erotisch geladen discussie (die) uit de hand is gelopen in die mate dat fysiek geweld werd gebruikt, C met als gevolg dat de lokale politie en de dienst 100 dienden tussen te komen, C met de verzwarende omstandigheid dat u enkele maanden voordien al tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd voor gelijkaardige gedragingen.@ IX-5888-7/18 Het voorstel motiveert deze heromschrijving als volgt: “Overwegende dat het feit één

(1)niet verder in aanmerking wordt genomen als tuchtvergrijp; Overwegende wat het feit twee
(2)betreft, dat hoewel enige tegenstrijdigheden vast te stellen zijn betreffende het nauwkeurige - en vooral chronologische - verloop van de feiten tijdens het verblijf in de instellling ROTAN, niet kan voorbijgegaan worden aan de vaststelling, op basis van de verklaringen in het tuchtdossier, dat meerdere alcoholische dranken werden verbruikt, dat het verblijf plaatsvond in een "erotisch geladen atmosfeer", dat woorden, gebaren en daden met expliciete of impliciete erotische zoniet seksuele connotatie werden uitgesproken, uitgelokt of gesteld; dat fysiek geweld werd vastgesteld door de aanwezige kelner; dat hij dit ontoelaatbaar vond en uitdrukkelijk verzocht daaraan een einde te stellen, dat daaropvolgend en bij het verlaten van de instelling HINP VAN DER STUYFT een hoofdwonde opliep die de tussenkomst van de dienst 100 en de lokale politie veroorzaakte; Overwegende dat een dergelijke omschrijving van de gebeurtenissen, afdoende is om de context van het bezoek aan de instelling ROTAN te omschrijven en tot het besluit te komen dat wat oorspronkelijk als een collegiaal en gezellig samenkomen werd beschouwd, ontaard is in een onaanvaardbare negatieve toestand; dat dit volstaat om vast te stellen dat de waardigheid van de functie ernstig in het gedrang werd gebracht; Overwegende dat het heromschreven feit twee
(2)het initieel ten laste gelegde feit drie
(3)eveneens omvat; dat feit drie
(3)bijgevolg niet afzonderlijk moet worden ten laste gelegd;” De verzoekster ondertekent deze beslissing op 24 april 2007 voor kennisname en ontvangst. 3.
  1. Op 27 april 2007 dient de verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 27 juni 2007 wordt zij door de tuchtraad gehoord. Op 19 juli 2007 brengt de tuchtraad een tussenadvies uit waarin gesteld wordt dat de door de verzoekster aangevoerde proceduremiddelen ongegrond zijn en dat de zaak in voortzetting geplaatst wordt op 19 september
  2. Op die datum wordt de verzoekster opnieuw gehoord. Op 17 oktober 2007 brengt de tuchtraad een tweede tussenadvies uit waarin besloten wordt dat de twee ambulanciers opnieuw moeten verhoord worden over de toestand waarin de verzoekster zich bevond en waarop ze zich daarvoor baseren. Zij moeten ook uitgebreid IX-5888-8/18 ondervraagd worden over het gedrag van de verzoekster in het toilet van de drankgelegenheid en vóór de drankgelegenheid, zowel naar de hulpverleners toe als naar E. Van Der Stuyft. Tevens beveelt de tuchtraad dat A. Doublet en R. Temmerman met elkaar geconfronteerd moeten worden naar aanleiding van bepaalde verklaringen door de laatste afgelegd en over het drankgebruik van de verzoekster. Ook A. Doublet en de ober van de drankgelegenheid moet met elkaar geconfronteerd worden over het drankgebruik van de verzoekster en over bepaalde verklaringen van de ober over het gedrag van de verzoekster. Voorts beslist de tuchtraad dat de verzoekster met deze getuigen geconfronteerd moet worden indien zij daarom verzoekt. De tuchtraad besluit dat deze administratieve getuigenverklaringen uitgevoerd moeten worden; dat de administratieve processen-verbaal haar moeten meegedeeld worden en dat de zaak in voortzetting geplaatst wordt op 18 december
  3. Op 21 november 2007 maakt de directeur-generaal de processen-verbaal van verhoor aan de tuchtraad over. 3.
  4. Op 18 december 2007 wordt de verzoekster opnieuw gehoord door de tuchtraad. In het proces-verbaal van deze hoorzitting worden de stellingen van de verzoekster over de feiten als volgt samengevat: A- met betrekking tot het serveren van de wijn, het is mogelijk dat ze 2 à 3 glazen wijn gedronken heeft; dat ze zeker ook geen karaf wijn besteld heeft; dat zij zich enkel herinnert dat Dhr. Vereecken de bediening aan hun tafel verzorgde; ook heeft betrokkene enkele cola=s besteld; - met betrekking tot het handgemeen en de onenigheid, dat de kern van de zaak niet aangekaart wordt en omdat Dhr. Vereecken niet weet dat dhr. Van Der Stuyft betrokkene heeft vastgenomen tussen de benen en haar niet wou loslaten; de houding van Dhr. Van Der Stuyft aan de oorsprong van de vechtpartij lag; dat alles te wijten was aan overmatig drankgebruik; - Zij nooit met Dhr. Doublet een intieme relatie heeft gehad; - Zij formeel ontkent op de schoot te hebben gezeten van haar twee collega=s en stelt dat haar slipje niet zichtbaar was; dat het voor Dhr. Vereecken, door de hoogte van de tafel en het ondoorzichtige tafelkleed, onmogelijk moet geweest zijn om haar slipje te zien; - wat de schuttingtaal over de beharing van Dhr. Vereecken betreft, zij zich dit niet kan herinneren.@ IX-5888-9/18 Wat de verklaringen van de ambulanciers betreft, wordt in het proces-verbaal het volgende gesteld: A- dat zij Dhr. Van Der Stuyft niet naar het toilet is gevolgd; dat zij naar het toilet is gegaan en daar plots opgesloten zat; dat zij daarop in het toilet geconfronteerd werd met Dhr. Van Der Stuyft wiens voorhoofd bloedde. Dat zij volledig over haar toeren was omdat Dhr. Van Der Stuyft haar in het kruis gegrepen had en volledig van slag omdat hij met bebloed voorhoofd in het toilet was beland; dat het Dhr. Van Der Stuyft is geweest die haar meegenomen heeft naar de ambulance; dat zij wel op de ambulance heeft geslagen met haar vlakke hand toen Dhr. Van Der Stuyft had geroepen dat hij hun carrière ging breken. - dat Dhr. Van Der Stuyft zijn dienstkaart aan de ambulanciers heeft getoond; dat Dhr. van Der Stuyft waarschijnlijk zou gepoogd hebben de ambulanciers op zijn kant te krijgen.@ 3.
  5. Op 17 januari 2008 brengt de tuchtraad zijn definitief advies uit. In het advies wordt, wat de uiteenzetting van de feiten betreft, gesteld dat de hogere tuchtoverheid in het voorstel tot zware tuchtstraf de feiten als volgt heeft omschreven: AFeit 1: U heeft op 05 oktober 2006 zonder voorafgaandelijke toelating te hebben bekomen van de directeurscoördinator, alcoholische dranken verbruikt binnen de burelen tijdens de middagpauze. Feit 2: U heeft op 05 oktober 2006 tijdens een vermaakuitstap en buiten dienstverband blijk gegeven van een ernstig gebrek aan integriteit alsook de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door in een drankgelegenheid betrokken te zijn geweest in een ernstig incident met de collega=s waarbij laakbare handelingen werden gesteld dewelke hebben geleid tot een handgemeen waarbij uiteindelijk de lokale politie en de hulpdiensten zijn moeten tussenkomen na oproep van de kelner van de instelling. Feit 3: U heeft op 05 oktober 2006 tijdens een vermaakuitstap en buiten dienstverband blijk gegeven van een ernstig gebrek aan integriteit door uw waarnemend dienstchef, die ongewenste intimiteiten op uw persoon pleegde, meerdere keren in de arm te hebben gebeten.@ IX-5888-10/18 Er wordt met andere woorden teruggegrepen naar de feiten zoals ze omschreven werden in het inleidend verslag en zonder rekening te houden met de heromschrijving ervan in het voorstel van zware tuchtstraf van 23 april
  6. Vervolgens adviseert de tuchtraad om de feiten als volgt te heromschrijven: AFeit 1 Betrokkene heeft op 05 oktober 2006 zonder voorafgaandelijke toelating te hebben bekomen van de directeurcoördinator, alcoholische dranken verbruikt binnen de burelen tijdens de middagpauze. Feit 2 Betrokkene heeft zich op 05 oktober 2006 tijdens een vermaakuitstap buiten dienstverband maar met collega=s van de dienst aantstootgevend gedragen, door overmatig te drinken, zich flirterig te gedragen, schuttingstaal te gebruiken tegen de kelner van de instelling en de ambulanciers die werden opgeroepen om een collega, die, ingevolge een handgemeen tussen politieambtenaren te wijten aan drankmisbruik en onbetamelijk gedrag, gewond was, gehinderd te hebben bij de uitvoering van hun taak en zich tegen één van de ambulanciers vernederend te hebben uitgelaten. Feit 3 Betrokkene heeft tijdens een vermaakuitstap buiten dienstverband maar met collega=s van de dienst haar waarnemende dienstchef, die ongewenste intimiteiten op haar persoon pleegde meerdere keren in de arm gebeten.@ De tuchtraad acht deze drie feiten bewezen. De tuchtraad adviseert wel om enkel de eerste twee feiten aan de betrokkene toe te rekenen en stelt hieromtrent wat volgt: “Wat het eerste feit betreft was betrokkene, die toch zelf een hoofdinspecteur bij de gerechtelijke recherche is, zeker nuchter en zich ten volle bewust van wat ze deed toen zij zonder toestemming met haar collega's alcohol verbruikte in de dienstlokalen tijdens de dienst. Ook al deed bijna iedereen het en gebeurde het op initiatief van de waarnemende dienstchef, toch kan dit de verantwoordelijkheid van betrokkene niet wegnemen. Wat het tweede feit betreft kan betrokkene zich bezwaarlijk beroepen op haar verminderde verantwoordelijkheidszin door de toestand waarin zij zichzelf door haar drankmisbruik had gebracht. Ook kan het laakbaar gedrag van de waarnemend dienstchef, dat, omdat dit voor betrokkene de meest gunstige hypothese is, die niet van alle waarschijnlijkheid is ontbloot, haar flirterig gedrag, haar schuttingstaal en het hinderen van de hulpdiensten niet verschonen. Ook het tweede feit zoals het omschreven is door de tuchtraad (kan) worden toegerekend aan betrokkene die er (…) verantwoordelijk voor is. IX-5888-11/18 Het derde feit kan aan betrokkene niet worden toegerekend omdat, in de meest gunstige hypothese voor betrokkene, namelijk dat haar waarnemend dienstchef ongewenste intimiteiten op haar persoon pleegde, zij het recht had zich te verdedigen met alle middelen tegen deze aanranding. Zich als vrouw verdedigen door de aanrander in de arm te bijten lijkt niet buiten verhouding tot de toch wel uitermate schokkende hypothese van een aanranding door een dienstchef, zij (het) slechts waarnemend en eveneens onder invloed van alcohol.” Aangaande de vraag of de feiten een tuchtvergrijp uitmaken stelt de tuchtraad hetgeen volgt: “De HTO verwijst in het voorstel tot zware tuchtstraf m.b.t. feit 1 naar punt 9-vierde alinea van de nota DGAJCSDGent/PLC-002-m-05, blz. 19 dat het bezit en het verbruik van alcoholische dranken in het complex Groendreef verbiedt. De tuchtraad stelt zich echter de vraag bij de naleving van deze richtlijn en de mentaliteit van de recherche van de federale politie Gent nu het voor een waarnemend diensthoofd mogelijk blijkt om een heel team ertoe te bewegen om zomaar, tijdens de dienst, gezamenlijk alcoholische dranken te verbruiken zonder dat iemand het waagt hem erop te wijzen dat wat hij doet strijdig is met het bijzonder reglement op de naleving waarvan hij, als waarnemend dienstchef, zou moeten toezien. Bovendien blijkt uit het dossier dat het ging om restanten van reeds aanwezige drankvoorraden, waardoor een zekere continuïteit in het drankgebruik ten burele mag worden vermoed. Met een huiveringwekkende blijk van normvervaging geven alle leden van het team toe dat er alcoholische dranken opgeslagen zijn en dat ze, die, als de dienstchef er zijn muts naar heeft staan, samen tijdens de dienst gebruiken. Dit geeft een huiveringwekkend beeld van een politie die alles behalve ten dienste staat van de bevolking en waarvan de oversten er zelfs niet in slagen hun eigen reglementen door de leden van de politie zelf te laten naleven. Niet alleen treft elk van de leden van het team die hebben meegedaan schuld en dus ook betrokkene maar vooral de dienstchef die de leden van zijn team daartoe aanzet. Betrokkene alleen straffen voor haar drankverbruik, terwijl al de anderen, waaronder de oversten die dit mogelijk maakten en de collega's die zich even schuldig maakten aan een gebrek aan integriteit vrijuit gaan, zou blijk geven van onbehoorlijk bestuur omdat er een gebrek aan evenredige reactie van de tuchtoverheid zou bestaan tussen de wijze waarop zij reageert op de houding IX-5888-12/18 van betrokkene en deze van al de anderen die dezelfde feiten begingen of die ze mogelijk maakten. De tuchtraad adviseert dan ook aan de HTO om Feit I slechts in dezelfde mate bij de strafbepaling te laten meespelen als dit feit in hoofde van de andere betrokkenen werd gestraft, ook al verdient in hoofde van de tuchtraad dergelijk ongeoorloofd gebruik van sterke alcoholische drank tijdens de dienst en in de lokalen van de dienst, op zichzelf reeds een zware tuchtstraf. Feit 2 De tuchtraad houdt rekening met de verklaringen van betrokkene afgelegd op de zitting van de tuchtraad op 18 december 2007 en neemt de voor betrokkene meest gunstige hypothese aan dat zij tijdens de vermaakuitstap het slachtoffer werd van een ongehoorde aanranding door haar waarnemend diensthoofd. Dit gedrag verklaart noch vergoelijkt het overmatig drankgebruik, het flirterig gedrag, het hinderen van de hulpdiensten, de schuttingstaal tegenover de kelner en de vernederende uitlating tegenover één van de hulpverleners. Zeer terecht heeft de HTO ten deze verwezen (naar) de artikelen 130 en 132 WGP en de punten 28 en 41 van de deontologische code als bijlage gevoegd aan het KB van 10 mei 2006 houdende vaststellingen van de deontologische code van de politiediensten. Betrokkene heeft een tuchtstrafblad, zij werd reeds voor gelijkaardige feiten, overmatig gebruik van alcohol en bijten, gestraft in 2006.” Vervolgens adviseert de tuchtraad dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de inhouding van de wedde van 8 % gedurende twee maanden als tuchtstraf dient te worden opgelegd. 3.
  7. Op 23 januari 2008 beslist de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie, in overeenstemming met het definitief advies van de tuchtraad om aan de verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 8 % gedurende twee maanden op te leggen (met de mogelijkheid deze straf te vervangen door onbezoldigde prestaties voor een duur van 24 uren). Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 31 januari 2008 door de verzoekster voor kennisneming en ontvangst ondertekend. IX-5888-13/18 Wat betreft het weerhouden tuchtvergrijp wordt de heromschrijving van de feiten door de tuchtraad overgenomen. Inzake het bewijs van de feiten wordt het volgende gesteld: AGelet op het feit dat u in uw verklaring toegeeft aanwezig te zijn geweest bij het gebeuren en eraan deelgenomen te hebben, Gelet op de inhoud van de verschillende stukken aanwezig in het afschrift van het strafdossier GE.43.LA.082940/2006, met toelating van de heer procureur des Konings aan het tuchtdossier gevoegd en waarin onder andere te lezen valt: ● de vrouw dronk vier à vijf glazen rode wijn (verklaring kel- ner Vereecken) ● Hilde dronk drie à vier glazen rode wijn. Ze dronk niets anders dan rode wijn (verklaring Temmerman); ● Toch hoorde ik Hilde aan de vroegere vriendin bevestiging vragen van de sexuele prestatie waarover Erwin aan het opscheppen was (verklaring Temmerman) ● Ik gaf een slag op de ambulance (uw verklaring); Gelet op het feit dat: ● u in uw verklaring toegeeft uw collega gebeten te hebben; ● er duidelijke stukken rond medische vaststellingen in het dossier aan- wezig zijn; acht ik - de inhoud van het advies van de tuchtraad (zie referentie 1.15) hieromtrent indachtig - de feiten als zijnde bewezen.@ Wat betreft de toerekening van de feiten wordt, in navolging van het advies van de tuchtraad, het derde tuchtfeit niet aan de verzoekster toegerekend. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  8. In het middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), van de materiële motiveringsplicht, van de IX-5888-14/18 formele motiveringsplicht zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet), van het gelijkheidsbeginsel en van het proportionaliteitsbeginsel. Zij wijst er onder meer op dat de tuchtraad in zijn definitief advies -dat nadien wordt bijgetreden door de hogere tuchtoverheid bij het nemen van de bestreden beslissing- verwijst naar de omschrijving van de feiten door de hogere tuchtoverheid in het voorstel tot zware tuchtstraf, terwijl de feiten die in het advies van de tuchtraad worden weergegeven deze zijn zoals ze in het inleidend verslag werden omschreven. In die context acht zij de stelling van de tuchtraad dat de feiten Abewezen gebleven zijn@ problematisch aangezien de tuchtoverheid de feiten die betrekking hebben op het consumeren van alcohol in de burelen zonder toelating en het bijten van de waarnemend dienstchef al niet langer weerhouden had. Voorts wijst de verzoekster er op dat de heromschrijving mede gebeurd is aan de hand van bijkomende onderzoeksverrichtingen en zij feitelijke elementen omvat die niet eerder ter sprake waren gekomen en waaromtrent er geen debat is gevoerd en de verzoekster geen mogelijkheid tot weerwoord is geboden. In de verdere ontwikkeling van het middel zet zij uiteen waarom volgens haar geen van de drie tenlasteleggingen aanleiding kan zijn voor het opleggen van een tuchtstraf.
  9. De verwerende partij antwoordt daarop dat de tuchtraad in zijn definitief advies de feiten heeft omschreven zoals in het inleidend verslag, dat geen enkele bepaling van de tuchtwet zulks verbiedt en dat de tuchtraad op grond van artikel 52 van de tuchtwet zelfs een andere kwalificatie aan de feiten mag geven. Te dezen heeft de tuchtraad op basis van de gegevens van het dossier en de verklaringen van de verzoekster geoordeeld dat de kwalificatie van de feiten zoals omschreven in het inleidend verslag gebruikt moest worden en niet deze welke in het voorstel van tuchtstraf werd gebruikt. De feiten zijn doorheen de procedure niet veranderd, enkel de kwalificatie van de feiten is gewijzigd en dit doet niets af aan IX-5888-15/18 het gegeven dat de feiten wel degelijk hebben plaatsgevonden. De tuchtraad stelt in zijn advies dat er in het dossier geen omstandigheden terug te vinden zijn die deze feiten weerleggen of afzwakken en dus heeft de tuchtraad de kwalificatie van de tuchtvergrijpen, zoals omschreven, mits een kleine aanpassing weerhouden. De hogere tuchtoverheid heeft vervolgens het advies van de tuchtraad gevolgd en de verzoekster heeft in de loop van de procedure wel degelijk de mogelijkheid gehad om in te gaan op de bijkomende onderzoeksverrichtingen en om haar argumenten met betrekking tot de heromschrijving naar voor te brengen.
  10. In haar memorie van wederantwoord betwijfelt de verzoekster of de tuchtraad op grond van welbewuste overwegingen teruggegrepen heeft naar de tuchtfeiten zoals omschreven in het inleidend verslag. Voorts betwist zij dat de feiten gedurende de hele procedure dezelfde zijn gebleven: in het voorstel van zware tuchtstraf was geen sprake van enerzijds het consumeren van alcohol in de burelen zonder toelating en anderzijds van het gebeten hebben van de waarnemend dienstchef die ongewenste intimiteiten pleegde op de verzoekster. Dit zijn geen loutere kwalificaties of appreciaties, maar feiten die door de hogere tuchtoverheid in het voorstel van zware tuchtstraf niet werden aangehouden, maar bij de bestreden beslissing opnieuw werden opgenomen. Beoordeling
  11. De hogere tuchtoverheid heeft in haar voorstel van tuchtstraf de tuchtinbreuken, die in het inleidend verslag uit de feiten waren gedistilleerd waarvoor de verzoekster toen verantwoordelijk gesteld werd, aangepast. Met name is het eerste tuchtvergrijp “niet verder in aanmerking genomen”, is de tweede tenlastelegging -onverantwoord gedrag in een herberg- anders omschreven en is vastgesteld dat de derde tenlastelegging opging in de tweede. De tuchtraad heeft in zijn advies de feiten die “bewezen gebleven zijn na de bijkomende onderzoeksverrichtingen en de verklaringen van de betrokkene op de zitting van 18 december 2007” wederom vastgesteld zoals dat in het inleidend verslag was IX-5888-16/18 gebeurd en er opnieuw drie tenlasteleggingen uit gedistilleerd. In de bestreden beslissing is die opstelling van de tuchtraad gevolgd.
  12. De wettelijke opdracht van de tuchtraad bestaat erin advies te geven over een voorstel van tuchtstraf dat hem wordt voorgelegd. Dat voorstel, en inzonderheid de tenlasteleggingen die erin worden vermeld, begrenst de bevoegdheid van de tuchtraad. De tuchtraad kan geen nieuwe feiten in het tuchtdossier betrekken. In dit geval heeft de tuchtraad het alcoholgebruik op de werkplek opnieuw bij het tuchtdossier gevoegd, hoewel de tuchtoverheid na het horen van de verzoekster, dat feit niet meer in haar voorstel van tuchtstraf betrokken had. Anders dan de verwerende partij wil laten uitschijnen, heeft de tuchtraad daarmee meer gedaan dan het herformuleren van de tuchtvergrijpen die door de hogere tuchtoverheid in haar voorstel van tuchtstraf in aanmerking waren genomen. Immers het gebruik van alcohol op de dienst is een feit dat los staat van de daarop gevolgde escapade die aanleiding gegeven heeft tot de tweede en de derde tenlastelegging. De tuchtraad is daarmee zijn bevoegdheid te buiten gegaan en die onregelmatigheid vitieert de bestreden beslissing dat op het advies van de tuchtraad voortbouwt en dat het eerste tuchtfeit als een wezenlijk element in de tuchtprocedure betrokken heeft. Het middel, zoals het hiervoor is uiteengezet, is gegrond. BESLISSING
  13. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie van 23 januari 2008 waarbij aan Hilde Van Hyfte de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 8% gedurende twee maanden wordt opgelegd (desgevallend te vervangen door het verrichten van bijkomende onbezoldigde prestaties gedurende 24 uur). IX-5888-17/18
  14. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5888-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.