← België

Arrest 208546 - Wegverkeer van goederen - 28/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.546 Rolnummer: A. 187559/IX-5884 Zaak: Arrest 208546 - Wegverkeer van goederen - 28/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:21 Fiche Arrest nr 208.546 van 28 oktober 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.546 van 28 oktober 2010 in de zaak A. 187.559/IX-5884 In zake : 1. Rik DERYCKE 2. de BVBA TAILLIEU-VERGAUWE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij het Agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 maart 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 3 januari 2008 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Rik DERYCKE een administra- tieve geldboete wordt opgelegd van 275 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en de BVBA TAILLIEU-VERGAUWE burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die boete. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-5884-1/29 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur, jurist Koenraad Vanschoren, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 19 april 2007 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de eerste verzoekende partij voor rekening van de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg N31 te Brugge. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 5,2 % op de derde as van de oplegger. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna: Aslastendecreet). 3.2. Op 9 mei 2007 beslist de procureur des Konings te Brugge de inbreuk niet strafrechtelijk te vervolgen. 3.3. Op 30 mei 2007 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 275 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Met brieven van dezelfde datum worden de verzoekende partijen in kennis gesteld van die beslissing. IX-5884-2/29 3.4. Met een aangetekend schrijven van 7 juni 2007 wordt namens de verzoekende partijen verzet aangetekend tegen die beslissing van de wegeninspecteur-controleur. 3.5. Op 7 augustus 2007 worden de verzoekende partijen, vertegen- woordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 3.6. Op 3 september 2007 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 275 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.7. Met een aangetekende brief van 12 september 2007 wordt namens de verzoekende partijen beroep ingesteld tegen die beslissing bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 30 oktober 2007 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekende partijen een verweernota wordt ingediend. 3.8. Op 3 januari 2008 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep van de verzoekende partijen tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk doch ongegrond is. Dienvolgens wordt aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 275 euro opgelegd en wordt de tweede verzoekende partij burgerrech- telijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van die boete. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 7 januari 2008 aan de verzoekende partijen toegezonden. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. De verzoekende partijen zijn van mening, wat de regelmatigheid van de procedure betreft, dat de memorie van antwoord uit de debatten moet worden geweerd, omdat ze ondertekend is door K. Vanschoren, adjunct van de directeur bij IX-5884-3/29 het Agentschap Infrastructuur, die niet bevoegd is om het Vlaamse Gewest te vertegenwoordigen. De verzoekende partijen zetten in dit verband uiteen dat bij artikel 15, § 1, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003) aan het hoofd van het Agentschap Infrastructuur delegatie wordt verleend om rechtsgedingen te voeren. Artikel 19, § 1, van voornoemd besluit voorziet in de mogelijkheid tot subdelegatie tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 van dat besluit legt de verplichting op om dergelijke subdelegatie te publiceren in het Belgisch Staatsblad. Bij besluit van 30 mei 2007 van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur wordt aan het afdelings- hoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur subdelegatie verleend voor het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. De verzoekende partijen merken op dat K. Vanschoren geen afdelingshoofd is en zich niet op dat besluit kan beroepen om een memorie van antwoord in te dienen en om de verwerende partij rechtsgeldig te vertegenwoordigen. K. Vanschoren lijkt zich evenwel te beroepen op een besluit tot subdelegatie van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur. Dit besluit is volgens de verzoekende partijen evenwel niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is bovendien manifest in strijd met het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003, dat niet in de mogelijkheid voorziet om een haar krachtens artikel 19 gedelegeerde bevoegdheid verder te delegeren. Beoordeling 5. Luidens artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden de rechtsgedingen van de gemeenschap of het gewest, als eiser of als verweerder, gevoerd namens de regering ten verzoeke van het door deze aangewezen lid. In uitvoering van die bepaling wordt in artikel 9bis van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2006, bepaald dat in de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het IX-5884-4/29 Vlaamse Gewest met betrekking tot een aangelegenheid die tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van één Vlaamse minister, die minister optreedt namens de Vlaamse regering. De bevoegde minister kan de bevoegdheid tot het indienen en (

  1. of)ondertekenen van procedurestukken delegeren. Artikel 15, § 1, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 machtigt het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse overheid om rechtsgedingen te voeren, als eiser, verweerder of tussenkomende partij, voor de hoven en rechtbanken, de administratieve rechtscolle- ges en het Rekenhof, met uitzondering van de rechtsgedingen voor het Grondwette- lijk Hof. Artikel 19, § 1, van voornoemd besluit bepaalt dat het hoofd van het agentschap een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder kan subdelegeren aan personeelsleden van het intern verzelfstandigd agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 bepaalt dat de subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van het hoofd van het agentschap, dat wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Artikel 18bis van het besluit van 26 juni 2006 van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken tot subdelegatie van sommige beslissingsbevoegdheden aan personeelsleden van het agentschap, ingevoegd bij besluit van 30 mei 2007, machtigt het afdelings- hoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur tot het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. Artikel 19 van voornoemd besluit bepaalt dat het afdelingshoofd, na overleg met het hoofd van het agentschap, een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder kan subdelegeren aan personeelsleden van zijn entiteit die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau. Artikel 20 bepaalt dat de subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van het afdelingshoofd. IX-5884-5/29 Artikel 7 van het besluit van 30 mei 2007 van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur houdende subdelegatie van sommige bevoegdheden aan de ambtenaren van niveau A, B, C, D, machtigt K. Vanschoren tot het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. De memorie van antwoord is ondertekend door K. Vanschoren, adjunct van de directeur, die ter terechtzitting de verwerende partij vertegenwoor- digt. K. Vanschoren is, wat de vertegenwoordiging betreft, daartoe gemachtigd op grond van de voornoemde opeenvolgende delegatiebesluiten van 10 oktober 2003 (het delegatiebesluit van de Vlaamse regering), van 26 juni 2006 (het delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur) en van 30 mei 2007 (het delegatiebesluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur. Zowel het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 als het delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur van 26 juni 2006 lieten verdere delegatie van de daarvoor in aanmerking komende bevoegdheden toe. Voornoemd delegatiebesluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie is evenwel, in tegenstelling tot het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 en voornoemd delegatiebesluit van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur met inbegrip van het ingevoegde artikel 18bis, nog niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op het ogenblik van het indienen van de memorie van antwoord op 10 juli 2008. Met name is voornoemd delegatiebesluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur pas gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2008. Het staat vast en wordt niet betwist dat een afschrift van voornoemd delegatiebesluit van het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur door de verwerende partij werd toegevoegd aan het administratief dossier, zodat de verzoekende partijen er, gelijktijdig met de memorie van antwoord, kennis konden van nemen. Hun rechten van verdediging werden bijgevolg gevrijwaard. IX-5884-6/29 Bijgevolg is er geen reden om de memorie van antwoord uit de debatten te weren. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de onbevoegdheid aan van de wegeninspecteur-controleur die de administratieve geldboete in eerste aanleg heeft opgelegd. De verwerende partij kan immers geen ministerieel besluit voorleggen waaruit diens aanstelling blijkt. In ondergeschikte orde stellen zij dat, indien er toch een geldig ministerieel besluit zou worden voorgelegd, dat besluit ten onrechte niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het betreft immers een ministerieel besluit waarvan de bekendmaking een openbaar nut heeft. Het publiek dient te weten door wie de bijzondere bevoegdheden die het Aslastendecreet aan de wegeninspecteurs-controleurs verleent, worden uitgeoefend. Dat die bekendmaking een openbaar nut heeft, wordt volgens de verzoekende partijen trouwens aangetoond door het feit dat de aanstelling van de ambtenaren die bevoegd zijn om de overtreder in beroep te horen wel in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Aangezien te dezen het ministerieel besluit waarbij de wegeninspecteur-controleur werd aangesteld niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, menen de verzoekende partijen dat diens aanstelling en bijgevolg ook diens beslissingen en tussenkomsten in het dossier hen niet tegenstelbaar zijn. 7. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het niet gericht is tegen de bestreden beslissing, maar tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur. Vervolgens leidt de verwerende partij uit de artikelen 55bis, 3/, en 59, § 1, van het Aslastendecreet af dat de decreetgever de bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve geldboete in eerste aanleg aan de wegeninspecteurs-controleurs heeft toegewezen. Zij stelt dat de bevoegdheid van de Vlaamse regering zich beperkt tot het louter aanwijzen van deze ambtenaren. Bij IX-5884-7/29 artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 werd de bevoegdheid om de wegeninspecteurs-controleurs aan te wijzen gedelegeerd aan de Vlaamse minister bevoegd voor Openbare Werken. De aanstelling van de wegeninspecteur-controleur blijkt uit een door de minister ondertekend legitimatie- bewijs. Volgens de verwerende partij is er geen vaststaand gebruik om dergelijke besluiten in het Belgisch Staatsblad bekend te maken. Het feit dat de aanstelling van de ambtenaren die bevoegd zijn om de overtreder, de onderneming of de raadsman in graad van beroep te horen wel gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad, doet volgens de verwerende partij daaraan geen afbreuk. Dit besluit houdt immers, in tegenstelling tot de aanwijzing van de wegeninspecteurs-controleurs, een delegatie van bevoegdheid in. Dergelijk besluit heeft belang voor de algemeenheid van de burgers en dient derhalve te worden bekendgemaakt. De verwerende partij vindt daarentegen geen argumenten om het openbaar nut van het aanwijzingsbesluit van de wegeninspecteur-controleur te verantwoorden. De bevoegdheden van de wegeninspecteur-controleur worden immers rechtstreeks toegekend door het decreet en de rechtsonderhorigen kunnen, wanneer zij de aanwijzing van de wegeninspecteur-controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd in twijfel trekken, deze verzoeken zich te legitimeren. 8. Wat het argument betreft dat het middel niet tegen de bestreden beslissing gericht is, repliceren de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing op een gebrekkig gemotiveerde wijze geantwoord wordt op hetgeen zij desbetreffend reeds in het kader van de beroepsprocedure hadden aangevoerd. Bovendien menen zij dat de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur de geldigheid van de administratieve procedure in haar geheel op de helling zet en dat door die onbevoegdheid ook de bestreden beslissing niet geldig tot stand kon komen. 9. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur in eerste aanleg geen rechtsgeldige beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete werd genomen, zodat overeenkomstig artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet, ingevolge het verstrijken van de beslissingstermijn van de wegeninspecteur-controleur, de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen was. IX-5884-8/29 Beoordeling 10. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is de bestreden beslissing volledig in de plaats gekomen van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de wegeninspecteur-controleur, waardoor laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen sorteert. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatighe- den in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep. In hun laatste memorie schrijven de verzoekende partijen dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur, er in eerste aanleg geen tijdige beslissing genomen is zodat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Deze stelling kan niet worden bijgevallen. Overeenkomstig artikel 60, § 1, tweede lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig, dit wil zeggen binnen de negentig dagen na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, aan de overtreder meedeelt. Deze bepaling vereist niet dat de wegeninspecteur-controleur een wettige beslissing neemt, enkel wordt vereist dat de beslissing tijdig aan de overtreder wordt meegedeeld. De eventuele onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur kan derhalve niet leiden tot de vaststelling dat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Het middel kan niet worden aangenomen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 11. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). IX-5884-9/29 De verzoekende partijen wijzen erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegdekbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegdekbeschadiging veroorzaakt wordt door overlading in de zin van artikel 18, §§ 1 en 2, of artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: technisch reglement). Zij merken op dat het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen, maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredig- heid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan het vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwets- conforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging ingesteld. Omdat, zo stellen de verzoekende partijen, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005. In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadiging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegdekbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoekende partijen besluiten hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegdekbe- schadiging helemaal niet opgaat, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegdekbeschadiging kan worden afgeleid uit overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegdekbeschadiging. De verzoekende partijen merken op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. IX-5884-10/29 Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdekbescha- diging. De verzoekende partijen wijzen er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegdekbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg van het wegdek. De verzoekende partijen menen dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Aangezien ook andere factoren een rol spelen, is het mogelijk dat een overladen voertuig andere schade veroorzaakt, naargelang de aard van de ondergrond, de bandendruk of de banden van het voertuig, en toch dezelfde bestraffing wordt opgelegd. Bovendien kan men zich afvragen of een voertuig dat net boven de grens van 5 % overladen is, niet dezelfde schade kan toebrengen als een voertuig dat met 4,9 % overladen is. Volgens de verzoekende partijen moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat bepaald wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 stellen de verzoekende partijen dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet bepaald, het door het Grondwette- lijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hen dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadi- ging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?” De verzoekende partijen vragen dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op IX-5884-11/29 dat verzoek zou ingaan, een deskundigenonderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadi- ging door overlading. 12. De verwerende partij werpt vooreerst op dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het niet gericht is tegen de bestreden beslissing, maar tegen het Aslastendecreet zelf en de Raad van State geen uitspraak kan doen over de grondwettigheid van decreten. Bovendien ontkennen de verzoekende partijen niet dat de overschrijding van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum leidt tot wegdekbeschadiging, doch zij menen dat ook andere factoren een rol spelen bij het ontstaan van deze schade. De verzoekende partijen tonen volgens de verwerende partij evenwel niet aan dat, rekening houdend met eventuele andere factoren, de vastgestelde overlading geen wegdekbeschadiging zou hebben veroorzaakt. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat wettelijke vermoe- dens tot doel hebben de taak van het openbaar ministerie te verlichten door de bewijslast om te keren. Uit het feit dat men overladen rijdt, leidt de decreetgever, behoudens tegenbewijs, af dat het wegdek beschadigd wordt. De verwerende partij voert aan dat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het instellen van dergelijk vermoeden in beginsel niet in strijd is met het vermoeden van onschuld, zolang er een redelijk verband van evenredigheid bestaat met het wettelijk nagestreefde doel. Het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie hebben bevestigd dat het Aslastendecreet de overschrijding van de maximaal toegelaten massa onder de assen strafbaar stelt omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengt. Aan dit wettelijk vermoeden mag uiteraard geen onweerlegbaar karakter worden verleend, aangezien daardoor afbreuk zou worden gedaan aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld. Dit houdt volgens de verwerende partij niet in dat de overlading de enige oorzaak mag en moet zijn van de wegdekbeschadiging. Gelet op het feit dat overladingen volgens de wetenschap- pelijke literatuur evenwel de voornaamste oorzaak zijn van wegdekbeschadiging, is het volgens haar redelijk verantwoord dat de decreetgever, om te vermijden dat het openbaar ministerie bij elke afzonderlijke overlading zou moeten aantonen dat het wegdek beschadigd werd, een wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging in het leven heeft geroepen. Het wegdek is slechts berekend op een bepaalde maximum-belasting, zodat de overschrijding van deze belasting steeds schade met zich brengt. Het feit dat eventuele andere factoren, naast de overlading, een invloed hebben op de schade, doet hieraan geen afbreuk, aldus de verwerende partij. IX-5884-12/29 13. Wat de door de verwerende partij opgeworpen onontvankelijkheid van het middel betreft, repliceren de verzoekende partijen dat de Raad van State bevoegd is om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Indien het Grondwettelijk Hof zou vaststellen dat het Aslastendecreet ongrondwettig is, zou dit de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg hebben. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat de decreetgever een vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading heeft ingevoerd, omdat hij er zich van bewust was dat het onmogelijk is om zonder dit vermoeden wegdekbeschadiging te bewijzen. Indien dit vermoeden niet redelijk verantwoord zou zijn, onder meer gelet op de andere factoren die een rol spelen bij wegdekbe- schadiging, dan kan dit vermoeden niet worden aangewend en kan de wegdekbe- schadiging niet worden aangetoond. De verzoekende partijen menen er dus wel degelijk belang bij te hebben dat desbetreffend een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld. Bovendien stellen zij dat de Raad van State slechts kan weigeren een prejudiciële vraag te stellen ofwel om redenen van onbevoegdheid of niet- ontvankelijkheid, ofwel omdat het Grondwettelijk Hof zich reeds over dezelfde vraag heeft uitgesproken. In zijn arresten van 11 juni 2003 en 13 december 2006 heeft het Hof zich volgens hen niet uitgesproken over de redelijkheid van het vermoeden van wegdekbeschadiging in zoverre het oorzakelijk verband tussen wegdekbeschadiging en overlading wordt beïnvloed door andere factoren. Dergelijke vraag zou nog niet aan het Hof zijn voorgelegd. Ten slotte betogen de verzoekende partijen dat het feit dat zij het oorzakelijk verband tussen de overlading en de wegdekbeschadiging niet betwisten, niet volstaat om het wettelijk vermoeden redelijk te verantwoorden. Zij stellen vast dat de verwerende partij geen gevolg heeft gegeven aan hun verzoek om aangaande dit vermoeden bewijsstukken voor te leggen. Zij herhalen hun vraag om, in geval de verwerende partij niet op dit verzoek ingaat, een deskundigenonderzoek te bevelen. Beoordeling 14. De verzoekende partijen betwisten de grondwettigheid van artikel 56 van het Aslastendecreet en verzoeken de Raad van State desbetreffend een IX-5884-13/29 prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Indien het Hof de door de verzoekende partijen opgeworpen prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, zou dit tot de vaststelling leiden dat de bestreden beslissing geen rechtsgrond heeft. Het middel is dienvolgens ontvankelijk. 15. Een identieke prejudiciële vraag als door de verzoekende partijen wordt opgeworpen, werd door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof gesteld in het arrest Lootens, nr. 196.325 van 24 september 2009 (de zaak A. 177.453/IX- 5445). Die vraag, zoals in het arrest geherformuleerd, luidt als volgt: “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadi- ging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: “B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.1. Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.2. Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). IX-5884-14/29 B.4.1. Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. B.4.2. Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscen- trum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.1. Artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden ‘een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwa- gens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vervangen door de woorden ‘zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt’. B.5.2. Die wijziging werd als volgt verantwoord : ‘De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). IX-5884-15/29 B.6. Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.7. Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbe- schadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Gelet op het aangehaalde arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010, dient de prejudiciële vraag van de verzoekende partijen niet te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Gelet op de inhoud van voornoemd arrest is er geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te bevelen en evenmin om aanvullende stukken te doen neerleggen door de verwerende partij. Als rechtscollege dat de prejudiciële vraag stelt is de Raad van State krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof gebonden door het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe bijkomende onderzoeksmaatregelen te bevelen, die finaliter beogen om de inhoud van voornoemd arrest van het Grondwettelijk Hof in vraag te stellen. Ten slotte stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partijen het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading niet weerleggen. Het middel wordt verworpen. IX-5884-16/29 C. Derde middel Standpunt van de partijen 16. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM en machtsoverschrijding “ingevolge juridisch onaanvaardbare motivatie”. Zij betogen dat de inbreuk werd vastgesteld met een asdrukweger die moet beschouwd worden als een niet-automatisch weegwerktuig in de zin van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen. Voor de bediening van de asdrukweger is immers de tussenkomst van een operator noodzakelijk. De asdrukwegers behoren tot de categorie niet-automatische weegwerktuigen vermeld in artikel 1, § 2, eerste lid, a, van voormeld besluit en moeten derhalve voldoen aan de artikelen 3, 4, 5, 8, 9, §§ 1 en 3, 11 en 14 van dit besluit en aan de EG-typekeu- ring. Volgens de verzoekende partijen zijn de asdrukwegers die door de Vlaamse overheid gebruikt worden, daar zij niet geschikt zijn voor commerciële doeleinden, nog minder geschikt voor gerechtelijke doeleinden en kan de bestreden beslissing niet steunen op vaststellingen die met dergelijke asdrukwegers zijn gedaan. 17. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partijen niet omschrijven op welke wijze artikel 6.2 van het EVRM door de bestreden beslissing geschonden wordt. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat de wetgeving inzake ijking vervat is in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen. Artikel 12 van deze wet bepaalt dat “metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen”, evenals “metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties” moeten gebeuren aan de hand van geijkte meetwerktuigen. De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen is een voorbeeld waarbij de Koning de regeling inzake ijking heeft uitgebreid buiten het economisch verkeer. IX-5884-17/29 Het gebruik van weegwerktuigen voor het opmaken van processen-verbaal wegens inbreuken op het Aslastendecreet is volgens de verwerende partij een toepassing buiten het economisch verkeer. Zij meent dat de asdrukwegers die gebruikt worden door het Vlaamse Gewest evenwel geen niet- automatische weegwerktuigen zijn in de zin van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Er is immers geen enkele tussenkomst van de operator nodig bij het wegen van voertuigen door middel van dergelijke asdrukweger. Het feit dat de chauffeur het voertuig over de asdrukweger moet rijden en dat de operator de technische gegevens van het voertuig in de computer moet ingeven om een proces- verbaal op te stellen, doet hieraan geen afbreuk. Het toestel is geclassificeerd als “automatisch weegwerktuig”, omdat het toestel automatisch detecteert wanneer de as van het voertuig over de weegplaat rijdt, en automatisch de massa onder de as registreert, zonder dat de operator hierbij dient tussen te komen. Eén en ander blijkt volgens de verwerende partij uit de “Handleiding bij de weegapplicaties voor de asdrukwegers van de Vlaamse Gemeenschap” die expliciet verwijst naar “automati- sche weging”. Ook uit de aanbeveling OIML R 134-1 “Automatic Instruments for weighing road vehicles in motion” van de Organisation Internationale de Métrologie Légale van november 2006 blijkt ontegensprekelijk dat de asdrukwegers, zoals gebruikt door het Vlaams Gewest, beschouwd worden als automatische weegwerk- tuigen. De bewering dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zouden zijn omdat de wegeninspecteurs over een handleiding beschikken, gaat volgens de verwerende partij dus niet op. Het feit dat de tussenkomst van de operator niet noodzakelijk is voor het wegen zelf, betekent immers niet dat de operator geen andere handelingen dient uit te voeren waarvoor een handleiding nuttig kan zijn. De verwerende partij besluit dat nu het gebruik van automatisch werkende asdrukwegers buiten het economisch verkeer niet wettelijk geregeld is, het aan de rechter, of in casu aan de minister van Openbare Werken, toekomt om op soevereine wijze de bewijswaarde van de verkregen resultaten te beoordelen. De asdrukwegers worden trouwens om de twee jaar onderworpen aan een metrologische controle, wat de correctheid van het toestel in voldoende mate zou garanderen. 18. De verzoekende partijen repliceren dat het middel wel degelijk ontvankelijk is, nu daarin uitdrukkelijk wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing op onjuiste en juridisch onaanvaardbare motieven berust. IX-5884-18/29 Ten gronde betogen zij dat de asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het Aslastendecreet. Daartoe, zo stellen de verzoekende partijen, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt automatische dan wel niet-automatische weegtoestellen zijn. Indien de asdrukweger een niet-automatisch weegtoestel is, kan deze immers bij gebrek aan ijking niet wettig worden gebruikt om controles op de naleving van het Aslastende- creet uit te voeren. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen wordt onder niet-automatisch weegwerktuig een weegwerktuig verstaan waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. De asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt zijn volgens de verzoekende partijen niet-automatische weegtoestellen, aangezien bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Het voertuig dient immers te worden bestuurd en met constante snelheid over de asdrukweger te rijden. De wegeninspecteur dient het toestel aan te zetten en de nodige gegevens over het te wegen voertuig in de computer in te voeren. Hij beschikt daartoe over een lijvige handleiding die uiteraard niet nodig zou zijn indien alles automatisch zou gebeuren. Volgens de verzoekende partijen kan dus niet betwist worden dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die geijkt dienen te worden om controles op de naleving van het Aslastendecreet te kunnen uitvoeren. Beoordeling 19. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist, aangezien de overlading van het voertuig niet wettig werd vastgesteld. Het middel is dienvolgens ontvankelijk. 20. Artikel 12 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenhe- den, de meetstandaarden en de meetwerktuigen luidt als volgt: IX-5884-19/29 “§ 1. Metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveel- heid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. § 2. Metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. § 3. De Koning kan de toepassing van § 1 verruimen tot andere metingen in het economisch verkeer. § 4. De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.” Hoofdstuk II van die wet bevat een afdeling 3 “Ijking van de meetwerktuigen”, die luidt als volgt: “Art. 16. Ijkverrichtingen van meetinstrumenten bestaan uit :
  2. a)het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring;
  3. b)de eerste ijk;
  4. c)de herijk. Deze verrichtingen blijken uit het aanbrengen van ijkmerken of -tekens of uit het afgeven van attesten. De Koning kan andere ijkverrichtingen bepalen. Art. 17. Om goedgekeurd te worden, moet het model zo zijn samengesteld dat de meetwerktuigen die naar dit model zijn vervaardigd, voldoen aan de voorschriften overeenkomstig artikel 15 voor die werktuigen bepaald. Is het model goedgekeurd, dan wordt aan de aanvrager een goedkeuringsattest afgeleverd, tevens wordt hem ofwel een modelgoedkeuringsteken toegekend wanneer de overeenkomende meetwerktuigen niet zijn vrijgesteld van de eerste ijk, ofwel modelgoedkeuringsmerken afgeleverd wanneer deze meetwerktuigen vrijgesteld zijn van de eerste ijk. Degene in wiens naam het attest waarvan sprake is in de vorige paragraaf is opgesteld, is met uitsluiting van ieder ander gemachtigd het toegekend teken of de afgeleverde merken, bedoeld in de vorige paragraaf, aan te brengen op de meetwerktuigen en uitsluitend op die welke zijn vervaardigd naar het model waarop het teken of het merk betrekking hebben. Art. 18. De eerste ijk bestaat in een onderzoek naar de conformiteit van een meetwerktuig met de wettelijke eisen. In bevestigend geval worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art. 19. De herijk bestaat in een onderzoek of een werktuig dat de eerste ijk heeft ondergaan, nog aan de wettelijke eisen voldoet. In bevestigend geval, worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art. 20. In de gevallen en onder de voorwaarden welke Hij vaststelt, kan de Koning bepaalde meetwerktuigen vrijstellen ofwel van het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring, ofwel van de eerste ijk en van de herijk, ofwel van de herijk. IX-5884-20/29 Art. 21. De Koning kan de meetwerktuigen onderwerpen aan een technische controle om na te gaan of die werktuigen aan de wettelijke eisen voldoen en of zij zich in goede staat bevinden. In bevestigend geval worden één of meer goedkeuringstekens aangebracht of wordt een attest afgegeven. Art. 22. § 1. De Koning bepaalt de nadere regelen voor de modelgoedkeu- ring voor de eerste ijk, voor de herijk en voor de technische controle. Hij bepaalt het model van de merken en attesten. § 2. Hij bepaalt welke hulpmiddelen en medewerking de belang- hebbende moet verschaffen bij de ijkverrichtingen. § 3. De Koning kan bepalen dat, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, de meetwerktuigen afkomstig uit de lid-Staten, ondertekenaars van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, voor de toepassing van deze wet kunnen aangezien worden als geijkt, wanneer zij voldoen, hetzij aan de wettelijke bepalingen van de betrokken lid-Staat, hetzij aan richtlijnen uitgaande van een bevoegd uitvoeringsorgaan, opgericht krachtens deze verdragen en bovendien voorzien zijn van de geldige merken of tekens, opgelegd door de lid-Staat of voorzien in de richtlijnen. Art. 23. Bij de goedkeuring van een model, de aflevering van goedkeurings- merken, de eerste ijk en de herijk kan een ijkloon worden geïnd. De Koning bepaalt het bedrag en de wijze van de inning van dat ijkloon. De wettelijke beschikkingen betreffende betwistingen, opvorderingen, vervolgingen en voorrechten inzake belastingen ten voordele van de Staat, zijn toepasselijk op het krachtens deze wet bepaalde ijkloon.” 21. Artikel 12, § 4, van de wet van 16 juni 1970 machtigt de Koning om het gebruik van geijkte meetwerktuigen op te leggen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen bepaalt dat de niet- automatische weegwerktuigen, waaronder deze ter bepaling van de massa voor het berekenen van een boete (artikel 1, § 2, a, 2/) of ter bepaling van de massa voor de toepassing van wetten en wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen (artikel 1, § 2, a, 3/), onderworpen zijn aan de algemene voorschriften betreffende de herijk en de technische controle van de meetwerktuigen alsmede aan de bijzondere voorschriften bepaald in dat besluit (artikel 4). Luidens artikel 1, § 1, van dit besluit wordt onder niet-automatisch weegwerktuig verstaan een weegwerktuig waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. IX-5884-21/29 Luidens de bijlage MI-006 van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten is een automatisch weegwerktuig een instrument dat de massa van een product bepaalt zonder tussenkomst van een bedienaar en een vooraf bepaald programma van automatische processen volgt die kenmerkend zijn voor het instrument. De asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld, is van het merk Central Weighing Limited, type Supaweigh II en meet de massa onder de assen terwijl het voertuig met constante snelheid over de asdrukweger rijdt. Volgens de Internationale Aanbeveling R 134-1 “Automatic instruments for weighing road vehicles in motion and measuring axle loads” van 2006 van de Internationale Organisatie voor Wettelijke Metrologie is dergelijk meettoestel een automatisch weegwerktuig. De in die aanbeveling gehanteerde definitie van een automatisch weegwerktuig is identiek aan deze in het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen is derhalve niet van toepassing op de door de Vlaamse overheid gebruikte asdrukweger. 22. De verzoekende partijen stellen verder dat, nu de betrokken asdrukweger niet geschikt is voor commerciële doeleinden, hij evenmin geschikt is voor gerechtelijke doeleinden. Uit de “Handleiding bij de weegapplicatie voor de asdrukwegers van de Vlaamse Gemeenschap” blijkt evenwel dat de asdrukweger niet voor commerciële doeleinden kan worden gebruikt, omdat het te wegen voertuig slechts gedeeltelijk op het weegplatform kan worden geplaatst, terwijl voor commerciële doeleinden het voertuig volledig op het weegoppervlak moet worden geplaatst. De ongeschiktheid van de asdrukweger voor commerciële doeleinden heeft derhalve niets te maken met een eventuele onnauwkeurigheid van het toestel. Wat de betrouwbaarheid van de gebruikte asdrukweger betreft, wordt in het proces-verbaal van 19 april 2007 trouwens vermeld dat deze door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op 20 oktober 2006 op zijn juistheid werd getest. IX-5884-22/29 Bijgevolg is niet bewezen dat de overlading van het voertuig niet correct werd vastgesteld. 23. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 24. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement, samengelezen met artikel 56 van het Aslastendecreet. Overeenkomstig artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement dient een weegtolerantie te worden gehanteerd van 5 % op de gewichten onder de assen. Indien deze weegtolerantie zou zijn toegepast, zou de overlading op de derde as van de oplegger slechts 3,3 % bedragen, wat geen inbreuk vormt op artikel 56 van het Aslastendecreet. Voorts wijzen de verzoekende partijen op artikel 56 van het Aslastendecreet, waaruit blijkt dat geen administratieve geldboete kan worden opgelegd wanneer de overlading niet meer dan 5 % bedraagt. Een overlading “met meer dan vijf procent” is volgens de verzoekende partijen logischerwijze een overlading van minstens 6 %, aangezien het Aslastendecreet steeds met gehele getallen werkt en de strafwet strikt moet worden geïnterpreteerd. Aangezien de zwaarste overlading 5,2 % bedroeg, menen zij dat de overlading niet strafbaar is. 25. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij de toepasselijkheid van artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement op wegingen in het kader van het Aslastendecreet. Zij zet uiteen dat het Aslastendecreet werd aangenomen op basis van de door artikel 6, § 1, 10/, (lees: artikel 6, § 1, X, 1/) van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen toegekende bevoegdheid betreffende de wegen en hun aanhorigheden. Het Aslastendecreet bestraft overladingen onder de assen omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengen. Een grotere tolerantie toestaan zou volgens de verwerende partij dan ook een beperking van het toepassingsgebied van het Aslastendecreet meebrengen, waarvoor enkel de decreetgever bevoegd zou zijn. IX-5884-23/29 Voorts betoogt de verwerende partij dat op de resultaten die de basis vormen van de in de bestreden beslissing opgelegde administratieve geldboete een weegcorrectie van 3,3 % werd toegepast. De in artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement vervatte tolerantie is volgens haar niet van toepassing op wegingen in het kader van het Aslastendecreet. Zij zet uiteen dat het technisch reglement werd uitgevaardigd op basis van artikel 6, § 4, 3/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 waarbij aan de federale overheid de bevoegdheid werd toegekend om regels van algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer en de technische voorschriften inzake verkeers- en vervoermiddelen vast te stellen. De federale wetgever is daarentegen niet bevoegd voor de wegen en hun aanhorigheden. Het technisch reglement is genomen in uitvoering van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor het vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Die wet had tot doel de Koning te machtigen alle nuttige maatregelen te treffen in verband met de technische eisen die door de constructeurs of de invoerders moeten worden nageleefd en die rechtstreeks raken aan de vrijheid van vestiging en handel. Die wet beoogde niet de Koning bevoegdheden op het gebied van metrologie toe te kennen. De Koning kan op basis van die wet enkel bepalingen aannemen ten behoeve van de verkeersveiligheid op technisch gebied, onder meer de homologatie van de technische eisen van de voertuigen, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren en de controle van de gelijkvormigheid met het aangenomen type. De meettolerantie bepaald in voormeld artikel 32bis, 1.4.3, is volgens de verwerende partij dan ook enkel van toepassing op metingen die worden uitgevoerd met het oog op de naleving of de toepassing van het technisch reglement. Indien de meettolerantie die wordt voorgeschreven door artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement ook zou moeten worden toegepast bij controles op de naleving van het Aslastendecreet, zou de federale overheid volgens de verwerende partij haar bevoegdheid te buiten gaan door verplichtingen op te leggen waardoor het toepassingsgebied van het Aslastendecreet beperkt wordt. In de veronderstelling dat voormeld artikel 32bis, 1.4.3, aldus zou worden geïnterpre- teerd, verzoekt de verwerende partij de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Gaat de federale wetgever haar (zijn) bevoegdheid te buiten door op basis van de haar (zijn) overeenkomstig 6, § 4, 3/ BWHI toegekende bevoegdheid om regels van algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, alsook de technische voorschriften inzake verkeers- en vervoermiddelen te ontwerpen, regels aan te nemen die het toepassingsgebied van de decreten IX-5884-24/29 genomen op basis van de aan de gewesten overeenkomstig artikel 6, § 1, 10/ (lees : artikel 6, § 1, X, 1/) BWHI toegekende bevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, kunnen beperken?” In ondergeschikte orde is de verwerende partij van oordeel dat, zelfs in de veronderstelling dat de bepalingen van het technisch reglement van toepassing zijn op inbreuken op het Aslastendecreet, voormeld artikel 32bis, 1.4.3, geen weegtolerantie bevat die toegepast kan worden bij de controle van voertuigen op overlading. Artikel 32bis maakt immers deel uit van “Hoofdstuk VI - Construc- tie”, waarin voorwaarden worden opgesomd die door de constructeur moeten worden nageleefd om een voertuig voor gebruik op de openbare weg te laten goedkeuren. De vermelde tolerantie van 5 % verwijst volgens de verwerende partij trouwens niet naar de “massa onder de assen”, zoals de verzoekende partijen verkeerdelijk aannemen, maar naar de “verdeling van de massa’s op de assen”. Met die verdeling wordt in het kader van het Aslastendecreet geen rekening gehouden. Ten slotte stelt de verwerende partij dat het feit dat in het Aslastendecreet met volle procenten wordt gerekend, geen afbreuk doet aan het feit dat een overlading van 5,2 % meer is dan een overlading van 5 %, zodat terecht een inbreuk op artikel 56 van het Aslastendecreet werd vastgesteld. 26. In hun memorie van wederantwoord betwisten de verzoekende partijen dat de weegcorrectie bepaald in artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement een inbreuk zou vormen op de bevoegdheden van de gewesten inzake de wegen en hun aanhorigheden. Door de weegcorrecties te bepalen die bij het gebruik van weegtoestellen voor voertuigen moeten worden toegepast, komt voormeld artikel 32bis, 1.4.3, immers niet tussen in de gewestelijke bevoegdheden inzake wegen en hun aanhorigheden. Volgens de verzoekende partijen is er dan ook geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De verzoekende partijen merken op dat in de vorige versie van artikel 56 van het Aslastendecreet rechtstreeks werd verwezen naar artikel 32bis van het technisch reglement. Na de wijziging van het Aslastendecreet is nu sprake van “het bij goedkeuring vastgestelde maximum”, wat volgens hen minstens een impliciete verwijzing inhoudt naar het technisch reglement. Om na te gaan of het voertuig de weg beschadigt in de zin van artikel 56 van het Aslastendecreet, moeten de asgewichten van het voertuig immers vergeleken worden met de maximale toegelaten massa’s van deze assen, zoals bepaald in het technisch reglement. IX-5884-25/29 Bijgevolg kan volgens de verzoekende partijen niet worden gesteld dat de bepalingen van het technisch reglement, meer bepaald die betreffende de weegcor- recties bij het wegen van voertuigen, geen uitstaans zouden hebben met het Aslastendecreet, daar waar de decreetgever zelf een duidelijke band met het technisch reglement heeft gelegd. Men kan zich evenmin voorstellen dat bij een politiecontrole op de overlading van een voertuig andere weegresultaten zouden worden gehanteerd, naargelang het om de naleving van het technisch reglement dan wel van het Aslastendecreet zou gaan. Voorts betwisten de verzoekende partijen dat artikel 32bis van het technisch reglement slechts van toepassing zou zijn voor constructeurs van voertuigen. In de vorige versie van het Aslastendecreet werd immers uitdrukkelijk naar die bepaling verwezen. Ook in het proces-verbaal werd uitdrukkelijk vastgesteld dat de maximale toegelaten massa van artikel 32bis werd overschreden, zoals ook in de weegbon zelf werd vermeld. Het is volgens de verzoekende partijen dan ook absurd te stellen dat artikel 32bis van het technisch reglement enkel de constructeurs zou aanbelangen. Artikel 32bis bevat integendeel strafbepalingen op basis waarvan dagelijks controles worden uitgevoerd en strafvervolgingen worden ingesteld. 27. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de vraag of artikel 56 van het Aslastendecreet naar het technisch reglement verwijst, eigenlijk niet relevant is. Die vraag betreft immers metrologie, met name de bepaling van het correcte gewicht van een voertuig en de gewichtsdruk onder de assen. Dienaangaande is de federale overheid bevoegd, die dan ook in punt 1.4.3 van artikel 32bis van het technisch reglement deze bevoegdheid terecht gebruikt heeft. Volgens de verzoekende partijen kan geenszins betwist worden dat een voertuig slechts één gewicht kan hebben, waarbij dit gewicht niet afhankelijk kan zijn van de toegepaste wetgeving. Zij menen dat artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement dan ook van toepassing is. Beoordeling 28. Vóór de wijziging door het decreet van 24 juni 2005, luidde artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de IX-5884-26/29 artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Sedert de wijziging door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, luidt artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt.” In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het decreet van 24 juni 2005 heeft geleid, werd die bepaling als volgt verduidelijkt: “De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoe- stel).” (Gedr. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6) Artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement luidt als volgt: “Voor het meten van de massa’s van voertuigen in gebruik, mag een meettolerantie van 2 % toegestaan worden op de maximale massa en van 5 % op de verdeling van de massa’s op de assen.” Het technisch reglement bevat bepalingen waaraan voertuigen ten behoeve van de verkeersveiligheid moeten voldoen. Artikel 32bis, 1.4.3, bevat derhalve geen algemeen voorschrift inzake metrologie. Aangezien sedert de wijziging van artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet niet meer naar die bepaling wordt verwezen, is de in artikel 32bis, 1.4.3, van het technisch reglement bepaalde meettolerantie in de onderhavige zaak niet van toepassing. Het Aslastendecreet voorziet sedert de wijziging bij decreet van 24 juni 2005 trouwens zelf in een tolerantie van 5 %. Bij het toepassen van die tolerantie houdt de overheid enkel rekening met de massa, ná aftrek van de correctie- IX-5884-27/29 percentages bepaald door de afdeling Metrologie van het ministerie van Economi- sche Zaken. Bovendien stellen de verzoekende partijen ten onrechte dat met een overlading “met meer dan vijf procent” een overlading van minstens zes procent wordt bedoeld in het Aslastendecreet. Ook overladingen met enkele honderdsten meer dan vijf procent vormen immers een inbreuk op artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet. Gelet op de overwegingen onder randnummer 28 is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen, zoals die werd geformuleerd door de verwerende partij. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. IX-5884-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5884-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.546 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.