id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.547 Rolnummer: A. 196957/IX-6860 Zaak: Arrest 208547 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 28/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 05:21 Fiche Arrest nr 208.547 van 28 oktober 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 208.547 van 28 oktober 2010 in de zaak A. 196.957/IX-6860 In zake: Remi Zeeuws wonend te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Thomas Dreier kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise”. II. Verloop van de rechtspleging
- Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
- IX-6860-1/10 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en advocaat Thomas Dreier, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is attaché (rang A1) bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- In mei 2001 worden 44 Nederlandstalige of Franstalige betrekkingen van eerste attaché in de rang A2 bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vacant verklaard. Eén van deze betrekkingen is een betrekking van expert van hoog niveau bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise (Brucefo), dat ressorteert onder het bestuur Economie en Werkgelegenheid, alwaar de verzoeker op dat ogenblik is geaffecteerd. Drie personen stellen zich voor deze betrekking kandidaat, onder wie de verzoeker en Liane Deweghe. 3.
- Op 21 november 2001 rangschikt de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Liane Deweghe als eerste kandidaat en de verzoeker als tweede kandidaat, en draagt hij Liane Deweghe voor benoeming voor. IX-6860-2/10 Bij besluit van 21 december 2001 benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Liane Deweghe in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise van het bestuur Economie en Werkgelegenheid. Dit besluit treedt dezelfde dag in werking. 3.
- Bij arrest nr. 187.957 van 17 november 2008 vernietigt de Raad van State, op vordering van de verzoeker, het voormelde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 houdende de benoeming van Liane Deweghe tot eerste attaché en de daaraan voorafgaande voordracht en rangschikking van de kandidaten, opgemaakt door de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 21 november
- Het middel waarin de verzoeker onder meer aanvoert dat geen deugdelijke vergelijking van zijn titels en verdiensten met deze van Liane Deweghe heeft plaatsgevonden, wordt gegrond bevonden. 3.
- Op 1 maart 2009 maant de verzoeker de bevoegde staatssecretaris aan, met toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om over te gaan tot de uitvoering van het genoemde vernietigingsarrest. Meer bepaald vraagt hij om de aangevatte bevorderingsprocedure af te sluiten door de twee vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen. Op die aanmaning volgt geen reactie. 3.
- Op 6 april 2009 dient de verzoeker bij de Raad van State een vordering in om: - aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een dwangsom op te leggen van 3.000 euro per dag dat het verder in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 187.957 van 17 november 2008 en deze dwangsom verbeurd te verklaren met ingang van de dertigste kalenderdag te rekenen vanaf de dag waarop het tussen te komen arrest aan de verwerende partij zal worden IX-6860-3/10 betekend; - deze dwangsom te verhogen tot 30.000 euro per dag indien het nieuwe te nemen besluit wordt vernietigd door de Raad van State en dit vanaf de datum dat het nieuwe besluit werd genomen; - de dwangsom te verhogen tot 300.000 euro per dag indien het volgende nieuwe besluit wordt vernietigd door de Raad van State en deze dwangsom te behouden tot op de dag dat een rechtsgeldig besluit zal worden genomen. Deze vordering wordt bij arrest nr. 195.266 van 15 juli 2009 van de Raad van State gedeeltelijk ingewilligd. Aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een dwangsom opgelegd van 3.000 euro voor elke dag dat het in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 187.957 van 17 november
- De dwangsom kan echter pas worden verbeurd vanaf 1 maart
- De Raad van State steunt zijn beslissing tot het opleggen van een dwangsom op de volgende overwegingen: - hoewel de bevoegde overheid na een vernietigingsarrest en ter verwezenlijking van het rechtsherstel de mogelijkheid heeft, niet alleen om de procedure te hernemen vanaf het ogenblik waarop de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, maar ook, althans indien zij daarvoor wettige redenen heeft, om de bevorderingsprocedure van meet af aan te hernemen of zelfs ervan af te zien, is zij wel verplicht één van deze wegen te bewandelen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ter uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 187.957 van 17 november 2008 evenwel nog niets gedaan. - het is juist dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij ontstentenis van taalkaders geen regelmatige benoemingen kan doen, maar dat kan zijn stilzitten niet verantwoorden, nu niet blijkt dat het sinds de vernietiging redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om de wettigheid te herstellen, wat onder meer veronderstelt dat het al het nodige doet om nieuwe taalkaders uit te vaardigen. Aangezien het zelf bevoegd is om de taalkaders vast te stellen, kan het zich niet verschuilen achter het ontbreken ervan om het voormelde vernietigingsarrest niet IX-6860-4/10 uit te voeren. - aangezien voorts niet blijkt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een andere, wettige reden zou hebben om van de aangevatte bevorderingsprocedure af te zien, moet worden geconcludeerd dat het in gebreke is gebleven uitvoering te geven aan het voormelde vernietigingsarrest. Met betrekking tot de datum vanaf dewelke de dwangsom kan worden verbeurd, overweegt de Raad van State dat de bevorderingsprocedure pas kan worden hernomen nadat nieuwe taalkaders zullen zijn vastgesteld en dat daartoe aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een redelijke termijn moet worden gelaten. Voor het bepalen van die termijn wordt rekening gehouden met de tijd die de huidige verzoekende partij in het verleden nodig heeft gehad om na een vernietiging van taalkaders door de Raad van State nieuwe taalkaders vast te stellen en met de tijd die reeds is verstreken sinds de vernietiging van de taalkaders bij arrest nr. 183.473 van 27 mei 2008, maar ook met het feit dat op 7 juni 2009 verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement hebben plaatsgehad en sindsdien nog geen nieuwe regering is gevormd. Aldus wordt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een termijn van ongeveer één jaar en negen maanden gelaten om nieuwe taalkaders vast te stellen. 3.
- Op 25 januari 2010 stelt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de Raad van State een vordering in, die in hoofdorde strekt tot de opheffing van de dwangsom die aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd opgelegd bij arrest nr. 195.266 van 15 juli 2009, in ondergeschikte orde tot de opschorting van deze dwangsom tot 1 juli
- Bij arrest nr. 202.728 van 1 april 2010 verwerpt de Raad van State de vordering tot opheffing of opschorting van de dwangsom opgelegd bij arrest nr. 195.266 van 15 juli
- De Raad van State overweegt in dit arrest dat de procedure tot vaststelling van nieuwe taalkaders nog aan de gang is en IX-6860-5/10 onafgewerkt en dat het rechtsherstel dat moet worden verleend ingevolge het vernietigingsarrest nr. 187.957 van 17 november 2008 nog verre van verwezenlijkt is, ook al heeft de directieraad ondertussen op 25 februari 2010 een nieuwe rangschikking van de kandidaten vastgesteld (zie hierna randnummer 3.9). Dienvolgens besluit de Raad van State dat de bij arrest nr. 195.266 van 15 juli 2009 aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgelegde dwangsom haar voorwerp niet heeft verloren en alsnog haar zin als dwangmiddel tot rechtsherstel behoudt. De Raad van State verwerpt eveneens de vordering tot opschorting van de dwangsom, nu het feit dat de toegekende termijn voor het vaststellen van nieuwe taalkaders niet heeft volstaan, slechts te wijten is aan het langdurig stilzitten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- Met een aangetekende brief van 24 februari 2010 maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan, met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om de aangevatte bevorderingsprocedure af te sluiten. 3.
- Op 25 februari 2010 hervat de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise van het bestuur Economie en Werkgelegenheid. Na bespreking van de titels en verdiensten van de kandidaten, rangschikt de directieraad Liane Deweghe en de verzoeker ex aequo. De verzoeker dient tegen deze rangschikking bezwaar in. 3.
- Met een brief van 24 maart 2010 antwoordt de kabinetsdirecteur van de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het openbaar ambt, als volgt op verzoekers aanmaning van 24 februari 2010: “[…] Ik verwijs hierbij naar uw aangetekend schrijven van 24 februari 2010 […]. Het is u niet onbekend dat de leden van de Directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 25 februari vergaderd hebben en dat IX-6860-6/10 ze, overeenkomstig met het Regeringsbesluit van diezelfde dag, de bevorderingsprocedure van 2001 hervat hebben, vanaf de vergelijking van de diploma’s en de verdiensten van de kandidaten. U werd ex aequo geklasseerd. De kennisgeving van uw rangschikking werd u persoonlijk overgemaakt op 8 maart laatstleden. Uw ingebrekestelling is bijgevolg niet gerechtvaardigd en het vervolg van de bevorderingsprocedure hangt af van de invoering van een nieuw taalkader dat momenteel wordt opgesteld. […]” Op 1 juli 2010 stelt de verzoeker vervolgens de voorliggende vordering in. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoeker heeft met een aangetekende brief van 22 september 2010 een pleitnota ingediend. De verwerende partij vraagt ter terechtzitting om deze nota uit de debatten te weren, omdat het algemeen procedurereglement niet in een dergelijk processtuk voorziet.
- Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorziet inderdaad niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk in te dienen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IX-6860-7/10 V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verzoeker vordert de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure” en van “de daaruit blijkende weigering om [hem] te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise”. De verzoeker meent het bestaan van de bestreden beslissingen met toepassing van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te kunnen afleiden uit het stilzwijgen van de verwerende partij gedurende vier maanden na zijn aanmaning van 24 februari
- Artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden”.
- Te dezen lijkt geen stilzwijgen zoals bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de verwerende partij te kunnen worden toegeschreven. Op 25 februari 2010 heeft de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest immers de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise van het bestuur Economie en Werkgelegenheid hervat. Na bespreking van de titels en verdiensten van de kandidaten, heeft de directieraad Liane Deweghe en de verzoeker ex aequo gerangschikt. De verzoeker IX-6860-8/10 werd daarvan in kennis gesteld en heeft bezwaar ingediend. De verwerende partij heeft middels een brief van 24 maart 2010 van de kabinetsdirecteur van de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het openbaar ambt, in antwoord op verzoekers aanmaning van 24 februari 2010 gewezen op dit begin van uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 187.957 van 17 november 2008 van de Raad van State. Zij heeft eraan toegevoegd dat het vervolg van de bevorderingsprocedure afhangt van de invoering van een nieuw taalkader dat momenteel wordt opgesteld. Zij heeft aldus uitdrukkelijk geoordeeld dat een juridisch-technisch probleem -de afwezigheid van een taalkader- haar vooralsnog verhindert om een eindbeslissing over de bevorderingsprocedure te nemen. De verzoeker lijkt derhalve niet te kunnen steunen op artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om te besluiten tot het bestaan van een stilzwijgende afwijzende beslissing om de bevorderingsprocedure af te ronden en van de weigering die hij daarin vervat ziet om hem te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Brussels Centrum voor Voedingsmiddelenexpertise. Bovendien blijkt uit niets dat de verwerende partij weigert om een eindbeslissing over de bevorderingsprocedure te nemen, noch dat zij dit zal weigeren te doen na de vaststelling van een nieuw taalkader. Dat die eindbeslissing zo spoedig mogelijk zal kunnen worden genomen, is het verhoopte gevolg van het arrest nr. 195.266 van 15 juli 2009 waarmee de Raad van State, op vordering van de verzoeker, daartoe een dwangsom aan de verwerende partij heeft opgelegd. In de huidige stand van de rechtspleging besluit de Raad van State dan ook dat de beslissingen die door de verzoeker met de thans voorliggende vordering worden bestreden, niet bestaan. De voorliggende vordering is dienvolgens niet ontvankelijk. IX-6860-9/10 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 oktober 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-6860-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.547 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.