← België

Arrest 208579 - Plannen van aanleg - 29/10/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.579 Rolnummer: A. 190352/X-13961 Zaak: Arrest 208579 - Plannen van aanleg - 29/10/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-10 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-30 05:21 Fiche Arrest nr 208.579 van 29 oktober 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.579 van 29 oktober 2010 in de zaak A. 190.352/X-13.961. In zake : 1. Jacques VANNIEUWENHUYSE 2. André VANNIEUWENHUYSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland Mittenaere kantoor houdend te 8500 KORTRIJK Peter Benoitstraat 7, bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de gemeente BEERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 BRUSSEL Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 1 september 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van de gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Centrum Uitbreiding” van de gemeente Beersel. X-13.961-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de eerste verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Roland Mittenaere, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Valéry Schalenbourg, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Het wordt niet betwist dat de verzoekers onder meer eigenaar zijn van de percelen met gebouwen gelegen te Beersel, Torleylaan, kadastraal X-13.961-2/14 bekend sectie A, nrs. 240/a, 243/a, 245/a, 247, 248/c, 248/v, 248/x, 250/a3, 250/b3, 250/c3, 250/m3, 251/d, 254/c, 254/d, 255/p2, 255/y2, 237/k2, 237/l2 en 272, waarop zij de kartonfabriek “Henri Goossens” exploiteren. De bedrijfsgebouwen bevinden zich op de percelen nrs. 248/v, 248/x, 250/b3, 250/c3 en 251/d. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse zijn de percelen nrs. 240/a, 243/a, 245/a, 247 en 272 gelegen in natuurgebied, de percelen nrs. 248/c, 248/v, 248/x, 250/b3, 250/c3, 251/d (deel), 254/c (deel) en 254/d (deel) in gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, de percelen nrs. 250/a3 en 255/p2 in woongebied en het perceel nr. 255/y2 in reservegebied voor woonwijken. De betrokken percelen zijn eveneens gelegen binnen het gebied van het bij koninklijk besluit van 19 november 1965 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Centrum Uitbreiding (Huizingen)” (hierna: BPA) van de toenmalige gemeente Huizingen. 4. De gemeente Beersel is door middel van het wijzigen van het BPA willen komen tot het inkrimpen van het gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Op 1 maart 1984 heeft de gemeenteraad van de gemeente Beersel een wijzigend plan definitief goedgekeurd. Bij besluit van 7 juli 1992 keurt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden dit wijzigend plan goed “met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde delen van het bestemmingsplan (blad 2)”. Bij arrest nr. 41.580 van 14 januari 1993 heeft de Raad van State de tenuitvoerlegging van het voormelde besluit van 7 juli 1992 geschorst op verzoek van onder meer de huidige verzoekers. Bij besluit van 25 mei 1993 van de bevoegde minister wordt het geschorste besluit ingetrokken. Bij arrest nr. 43.559 van 30 juni 1993 stelt de Raad van State vast dat het beroep ingesteld tegen het voormelde besluit van 7 juli 1992 zonder voorwerp is geworden. X-13.961-3/14 5. Bij besluit van 25 mei 1993 keurt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het plan tot wijziging van het bij koninklijk besluit van 19 november 1965 goedgekeurde BPA goed, “met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde delen van het bestemmingsplan (blad 1 en 2)”. In het uitgesloten gedeelte bevinden zich onder meer de percelen van de verzoekers waarop de kartonfabriek “Henri Goossens” is gelegen. Bij arrest nr. 170.860 van 7 mei 2007 verwerpt de Raad van State het annulatieberoep van onder meer de verzoekers tegen dit wijzigingsbesluit. 6. Blijkens een uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 26 april 2001 bepaalt het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 onder meer het volgende: “de volgende bijzondere plannen van aanleg, of delen van bijzondere plannen van aanleg, worden niet behouden in het plannenregister van de gemeente Beersel: (...) het bijzonder plan van aanleg nr. 1 ‘Centrum uitbreiding’ (Huizingen), goedgekeurd bij koninklijk besluit van 19 november 1965, met uitsluiting van het deel gewijzigd bij ministerieel besluit van 25 mei 1993”. Bij besluit van 18 februari 2005 van de bevoegde minister wordt de gedeeltelijke herziening van het niet vervallen deel van het voormelde BPA goedgekeurd. 7. Op 31 mei 2006 beslist de gemeenteraad van de gemeente Beersel het volgende: “Er wordt beslist het bijzonder plan van aanleg nr. 1 ‘Centrum Uitbreiding’, vastgesteld bij ministerieel besluit van 25 mei 1993, met de gedeeltelijke herziening vastgesteld bij ministerieel besluit van 18 februari 2005, opnieuw gedeeltelijk in herziening te stellen, om werken van algemeen nut mogelijk te maken binnen alle bestemmingszones, indien noodzakelijk om technische of sociale redenen, door middel van de wijziging van de stedenbouwkundige voorschriften”. X-13.961-4/14 8. Op 13 december 2007 beslist de gemeenteraad van de gemeente Beersel de gedeeltelijke herziening nr. 2 van het BPA voorlopig goed te keuren. Het besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “De BPA-wijziging dat tot doel heeft de werken van algemeen nut mogelijk te maken binnen alle bestemmingszones, indien noodzakelijk om technische of sociale redenen. De gedeeltelijke herziening dat enkel betrekking heeft op de wijziging van de stedenbouwkundige voorschriften”. In de toelichtingsnota wordt het volgende gesteld aangaande de “redenen voor het opmaken van de herziening en de nagestreefde doeleinden”: “De aanleiding hiertoe is de realisatie van de collector van Aquafin - traject nr. 92.503 Halle-Lot en het traject nr. 94.242 Dworp-Huizingen. Om deze niet in het gedrang te brengen en in de toekomst constructies en voorzieningen voor openbaar nut toe te laten in het hele BPA, wordt de voorgestelde gedeeltelijke herziening 2 van BPA Centrum Uitbreiding (MB. dd. 25 mei 1993 en 18 februari 2005) opgemaakt. De gedeeltelijke herziening 2 betreft enkel de toepassingsmodaliteiten bij de voorschriften en streeft een minimale bijsturing na door een herformulering van het laatste artikel, als volgt: ‘Het oprichten van constructies en voorzieningen voor openbaar nut en het uitvoeren van verbouwingen, mits akkoord van het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenschapsminister van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw (of zijn vertegenwoordiger), is toegelaten in alle zones, zonder rekening te houden met de voorschriften van kracht in deze laatste, op voorwaarde dat ze om redenen van openbaar nut noodzakelijk zijn en dit aangetoond kan worden door een omstandige verklarende verantwoordingsnota’”. 9. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 27 december 2007 tot en met 28 januari 2008, worden vijf bezwaarschriften ingediend, onder meer door de tweede verzoeker. 10. De GECORO verleent op 16 april 2008 een gunstig advies waarin de ingediende bezwaren worden weerlegd. 11. Op 23 april 2008 neemt de gemeenteraad van de gemeente Beersel de gedeeltelijke herziening nr. 2 van het BPA definitief aan. X-13.961-5/14 Artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften luidt als volgt: “Het oprichten van constructies en voorzieningen voor openbaar nut en het uitvoeren van verbouwingen, mits akkoord van het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenschapsminister van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw (of zijn vertegenwoordiger), is toegelaten in alle zones, zonder rekening te houden met de voorschriften van kracht in deze laatste, op voorwaarde dat ze om redenen van openbaar nut noodzakelijk zijn en dit aangetoond kan worden door een omstandige verklarende verantwoordingsnota”. 12. Op 1 september 2008 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening “de gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 ‘Centrum-Uitbreiding’ genaamd van de gemeente Beersel bestaande uit een gecoördineerde versie van de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften” goed. Het betrokken besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 september 2008. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 13. De verzoekers stellen in hun verzoekschrift aangaande hun belang dat “de percelen kadastraal bekend onder gemeente Beersel, Vierde Afdeling (Huizingen) Sectie A, nrs. 237/k2, 237/l2 en 255/p2 (...) in het gebied (liggen) dat getroffen wordt door het betwiste M.B. waarbij het B.P.A. voor de derde maal wordt herzien”. 14. De eerste verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij meent dat het belang van de verzoekers “uitsluitend (steunt) op hun hoedanigheid van eigenaar van de percelen 273k, 273l en 255p2” waardoor “hun belang (...) dan ook enkel (dient) te worden beoordeeld vanuit die hoedanigheid”. X-13.961-6/14 Zij stelt dat “voor de percelen van de verzoekende partijen (...) deze (bestreden) wijziging enkel tot gevolg (heeft) dat de bebouwingsmogelijkheden worden uitgebreid, en niet dat ze worden ingekrompen”. Zij ziet niet in “wat het belang is dat de verzoekende partijen zouden kunnen hebben bij de vernietiging van deze wijziging, (want) als eigenaar hebben zij immers controle over de werken die op de percelen worden uitgevoerd”. 15. De verzoekers repliceren in de memorie van wederantwoord: “12. De percelen kadastraal bekend onder GEMEENTE BEERSEL, Vierde Afdeling (HUIZINGEN) Sectie A, nrs. 237k2, 23712 en 255p2 liggen in het gebied dat getroffen wordt door het betwiste M.B. waarbij het B.P.A. voor de derde maal wordt herzien. 13. De verwerende partij heeft trouwens geen opmerkingen m.b.t. het belang van verzoekers. 14. De tussenkomende partij daarentegen betwist wel het belang van verzoekers door te stellen dat ‘het bestreden B.P.A. als enige doelstelling en als enige gevolg heeft dat de voorschriften die gelden voor gemeenschapsvoorzieningen en voorziening van openbaar nut worden uitgebreid, waardoor de bebouwingsmogelijkheden voor verzoekers worden uitgebreid’, zodat verzoekers geen belang hebben bij de vernietiging. Minstens vraagt de tussenkomende partij dat de eventuele vernietiging beperkt wordt tot de bewuste percelen 273k, 2731 en 255p2 van verzoekers. 15. De vooropgestelde doelstelling van de herziening beoogt constructies die zich niet beperken tot één gelimiteerde oppervlakte, doch zich uitstrekken over een aanzienlijk gebied. De beperking van de vernietiging tot de terreinen van verzoekers heeft geen enkele zin. Zo kan worden vastgesteld uit de administratieve stukken dat de collectoren van Aquafin (plan uit stuk 05 van de tussenkomende partij) niet beperkt is tot een wel bepaald perceel. Het BPA dient zich te richten naar het hoger plan, nl. het gewestplan, en mag in geen geval de visie en economie van dit hoger plan in het gedrang brengen. Het natuurgebied op gronden van verzoekers (in het met blauw omrande deel dat uitgesloten is uit het BPA en aldus onder de voorschriften van het gewestplan valt) kan niet onderscheiden worden van het natuurgebied dat verder doorloopt in het BPA. Het kan dan ook niet ontkend worden dat het toelaten van constructies van openbaar nut in het natuurgebied gelegen binnen de grenzen van het BPA doch onmiddellijk aansluitend met het natuurgebied in het gewestplan een nefaste weerslag (heeft) voor het natuurgebied gelegen in het gewestplan. De tussenkomende partij heeft zelf in haar stuk 19 X-13.961-7/14 aangegeven waar de eigendommen van verzoekers gelegen zijn zodat hierover niet de minste twijfel kan bestaan dat verzoekers ook een eigendom (hebben) grenzend aan het BPA met o.a. de bestemming natuurgebied. 1 6. De vraag stelt zich overigens waarom de tussenkomende partij die al twee herzieningen van het BPA heeft doorgevoerd, telkens nalaat het deel dat in 1992 uit de toenmalige herziening werd gelicht te ordenen. De plannen van aanleg dienen om de ruimte op een consistente manier te ordenen. Dit kan niet betekenen dat telkens wanneer iemand een bezwaar oppert de overheid zijn stuk grond eruit wipt louter omdat hij een gefundeerd bezwaar heeft opgeworpen. Het plan mag niet beginnen te gelijken op een stuk kaas vol met gaten, zoals (verwerende) partij thans zou willen. Deze werkwijze is totaal in strijd met een duurzaam ruimtebeheer. 17. Met deze herziening wordt onder meer gepoogd om een collector in natuurgebied te regulariseren. Uit de feiten en retroacten blijkt duidelijk dat verzoekers meer dan voldoende belang hebben bij de pogingen die ondernomen worden om de illegale collector te kunnen regulariseren. 18. De ‘bebouwingsmogelijkheden’ die uitgebreid worden, zoals de (verwerende) partij laat gelden, (hebben) enkel betrekking op gemeenschapsvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut en (hebben) totaal geen uitstaans met uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden voor verzoekers zelf. In tegenstelling met wat (verwerende) partij stelt wordt een verdere beperking opgelegd aan de eigendom daar de gronden te allen tijde kunnen benut worden voor openbare nutsvoorzieningen waar dit voor de herziening niet mogelijk was. 19. De tussenkomende partij is slecht geplaatst om te stellen dat verzoekers controle hebben over de werken die op hun percelen worden uitgevoerd. Hierbij verwijzen verzoekers naar de collector AQUAFIN die manu militari op hun terrein is aangelegd ondanks hun verzet. Naderhand is dat verzet door Uw Raad tot tweemaal toe gegrond verklaard”. 16. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden besluit enerzijds “de herformulering en verruiming van het voorschrift (dat) betrekking heeft op de afwijkingen ten voordele van werken van openbaar nut” tot gevolg heeft en anderzijds “het opstellen van een gecoördineerde versie van de stedenbouwkundige voorschriften (die) de hanteerbaarheid van het plan en (

  1. de)bijhorende voorschriften verbetert”. X-13.961-8/14 17. Het wordt niet betwist dat de percelen 273/k, 273/l en 255/p2 eigendom zijn van de verzoekers en dat ze gelegen zijn in het beheersingsgebied van het bestreden besluit. Het komt niet aan de verwerende partijen toe om in de plaats van de verzoekers te beoordelen of de bestreden voorschriften deze laatsten grieven. Het feit dat de verzoekers “controle (hebben) over de werken die op de percelen worden uitgevoerd”, ontneemt hen niet het vereiste belang om een planvoorschrift dat op hun percelen betrekking heeft, te bestrijden. 18. Uit het feitenrelaas en de aangevoerde middelen kan worden afgeleid dat de bezwaren van de verzoekers in wezen enkel en alleen gericht zijn tegen het voormalige artikel 33, thans het hoger weergegeven gewijzigde artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften. Bijgevolg dient het belang van de verzoekers bij de nietigverklaring van het bestreden besluit te worden beperkt tot die bepaling. De eerste verwerende partij brengt immers geen enkel argument naar voor, waaruit zou kunnen blijken dat te dezen zou moeten worden afgeweken van het principe van de geografische ondeelbaarheid van een bijzonder plan van aanleg, terwijl de verzoekers in de memorie van wederantwoord omstandig en concreet motiveren waarom volgens hen de gevraagde nietigverklaring, geografisch niet mag worden beperkt tot hun percelen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 19. De verzoekers voeren in een vierde middel de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel. Meer bepaald stellen zij dat de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg “verordenende kracht” hebben en bijgevolg “op voldoende duidelijke wijze dienen te worden geformuleerd”. Het bestreden stedenbouwkundig voorschrift is volgens hen “zodanig geformuleerd dat de ligging van werken en constructies X-13.961-9/14 van openbaar nut volledig wordt overgelaten aan de willekeur van de overheid die het bijzonder plan van aanleg uitvoert”. Zij vinden nergens “welke criteria (aftoetsingskader) zullen gehanteerd worden door het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenschapsminister van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw (of zijn vertegenwoordiger) om toelating te geven om af te wijken van de normale vastgelegde bestemming van de betrokken zone”. Voorts stellen zij dat deze formulering tot gevolg zou kunnen hebben “dat louter om financiële motieven (bv. de opbraakkosten van het wegdek en het weer aanbrengen van het wegdek) een werk van openbaar nut op grond van dit nieuw voorschrift buiten de daartoe geëigende bestemmingszone (woonzone en woonuitbreidingsgebied) kan worden gerealiseerd” of “dat werken van openbaar nut voornamelijk in kwetsbare gebieden (o.a. natuurgebied) zullen worden uitgevoerd daar de aanlegkosten (zoals bv onteigening, vergoeding van wettelijke erfdienstbaarheden enz) veel lager liggen dan in de geëigende zones”. Zij besluiten dat “het litigieuze art. 34 (...) zeker niet in voldoende nauwkeurige duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen (
  2. is)opgesteld opdat verzoekers in redelijk mate de gevolgen van dat voorschrift kunnen voorzien”. Ze achten het “niet mogelijk om de naleving van de bestreden bepaling te controleren of te sanctioneren”. 20. De eerste verwerende partij repliceert dat “de mogelijkheid tot afwijking (zoals voorzien in het bestreden voorschrift van het BPA) (...) geen recht (is), maar wel een mogelijkheid” en verwijst hiervoor naar de “twee duidelijke voorwaarden”, meer bepaald dat “het moet gaan om constructies en voorzieningen of verbouwingen die om redenen van openbaar nut noodzakelijk zijn” en dat “het karakter van openbaar nut moet worden aangetoond door een omstandige verklarende verantwoordingsnota”. Deze “discretionaire beoordelingsmarge” van de vergunningverlenende overheid is “op zich niet strijdig met het redelijkheidsbeginsel”. Voorts repliceert zij dat de afwijkingsbepaling “vergelijkbaar (
  3. is)met de afwijkingsbepaling die geldt voor gewestplannen (artikel 20 Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) en aan de bepaling die op grond van het DORO zelf geldt voor RUP’s (artikel 103)”. X-13.961-10/14 21. De tweede verwerende partij repliceert dat “artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden BPA weldegelijk (bepaalt) welke criteria zullen worden gehanteerd door het College van Burgemeester en Schepenen en de Gemeenschapsminister van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw (of zijn vertegenwoordiger) om het oprichten van constructies en voorzieningen van openbaar nut en het uitvoeren van verbouwingen in een bepaalde zone toe te laten”. Voorts stelt zij dat “het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften (...) trouwens niet (verhindert) dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning (...)”. 22. De verzoekers dupliceren in de memorie van wederantwoord dat de voorwaarden in de afwijkingsbepaling “alleen betrekking hebben op het maatschappelijk doel van de constructie” en dat zij niets bepalen “over de relatie met de ruimtelijke ordening, wat toch het doel is van een B.P.A.”. Zij stellen dat “om willekeur van de bevoegde overheid te voorkomen (...) er in het voorschrift een aftoetsingskader (dient) te worden vooropgesteld dat minstens in relatie staat met het beoogde doel, nl. de ordening van het gebied”. Voorts verwijzen zij naar artikel 14, eerste lid, 2° en 4° van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) om te stellen dat “de vaststelling van de stedenbouwkundige voorschriften van een B.P.A. dient te steunen op de goede plaatselijke ordening”. Tot slot gaat volgens hen “de vergelijking met art 20 van het K.B. van 28 december 1972 (...) evenmin op daar dit artikel wel degelijk expliciet als vereiste stelt dat de constructies ‘verenigbaar moeten zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied’”. 23. In de laatste memorie stelt de eerste verwerende partij nog dat “aangezien er evenwel nog steeds voldoende controlemaatregelen en procedurele maatregelen worden geboden, (...) één en ander wel degelijk in overeenstemming (
  4. is)met het rechtzekerheidsbeginsel”. Meer bepaald rust volgens haar op de X-13.961-11/14 vergunningverlenende overheid een strengere motiveringsplicht “van de concrete omstandigheden die een dergelijke afwijking wettigen” omwille van het “vager voorschrift” en is de beslissing nadien “vatbaar voor rechterlijke toetsing, onder meer op het vlak van de overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel”. Beoordeling 24. Volgens het grondbeginsel van de rechtszekerheid moet de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Uit het voorgaande volgt dat stedenbouwkundige voorschriften, ter wille van de rechtszekerheid, op voldoende duidelijke wijze dienen te worden geformuleerd. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert evenwel niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunning- verlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. 25. Het betrokken artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA houdt een afwijkingsbepaling in, vermits deze bepaling het mogelijk maakt in eender welke bestemmingszone van het betrokken BPA om het even welke constructie en voorziening voor openbaar nut op te richten of te verbouwen, zonder daarbij ook maar enigszins rekening te moeten houden met de van toepassing zijnde voorschriften in de betrokken zone. Terecht wijzen de verzoekers er op dat de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg “op voldoende duidelijke wijze dienen te worden geformuleerd”. Artikel 14, eerste lid, 2° en 4° van het gecoördineerde decreet vereist immers een gedetailleerde bestemming van de verschillende gebiedsdelen van het plangebied, met inbegrip van de voorschriften X-13.961-12/14 betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen. De verplichting een en ander aan te tonen door “een omstandige verklarende verantwoordingsnota” doet aan die vaststelling geen afbreuk. 26. In tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij voorhoudt, is de bestreden afwijkingsbepaling niet “vergelijkbaar met de afwijkingsbepaling die geldt voor gewestplannen (artikel 20 Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) en aan de bepaling die op grond van het DORO zelf geldt voor RUP’s (artikel 103)”. Met de verzoekers dient te worden vastgesteld dat “bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen” met toepassing van artikel 20 van het voormelde besluit “ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden (kunnen) worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Met toepassing van artikel 103, §1, derde lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening “mag (...) worden afgeweken van de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan voorzover het gaat om kleine werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, die de algemene bestemming en het architectonische en landschappelijke karakter van het gebied in kwestie niet in het gedrang brengen”. Anders dan de voormelde bepalingen bevat artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften dergelijke restricties niet voor het oprichten en verbouwen van constructies en voorzieningen voor openbaar nut in om het even welke zone van het beheersingsgebied van het BPA. Het vierde middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 1 september 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening X-13.961-13/14 houdende goedkeuring van de gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Centrum Uitbreiding” van de gemeente Beersel, in zoverre het betrekking heeft op artikel 34 van de stedenbouwkundige voorschriften. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. 3. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.961-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.