id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.648 Rolnummer: A. 196299/XII-6178 Zaak: Arrest 208648 - O.C.M.W. - 03/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.648 van 3 november 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.648 van 3 november 2010 in de zaak A. 196.299/XII-6178 In zake: Dirk DEWIN woonplaats kiezend te Humbeek Kerkveldweg 4 tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Lagasse en Stephan Wyckaert kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 26 april 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 februari 2010 van de raad voor maatschappelijk welzijn van de stad Brussel om Dirk Dewin de tuchtstraf op te leggen van ontslag van ambtswege. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6178-1\11 Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stephan Wyckaert, die in eigen naam en loco advocaat Dominique Lagasse verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tot aan de bestreden beslissing in dienst bij verwerende partij als schrijnwerker-meubelmaker. 3.
- Nadat in een verder verleden reeds enkele opmerkingen zijn gegeven aan verzoeker om de werktijden te respecteren of het rendement te verbeteren, geeft een cafébezoek tijdens de werkuren op 27 juni 2007 aanleiding tot een beoordelingsfiche als “laatste waarschuwing”. Op 5 maart 2008 stelt een diensthoofd van verzoeker een fiche op omtrent agressief taalgebruik van verzoeker. Op 29 april 2008 deelt de secretaris- generaal aan verzoeker mee dat geen tuchtprocedure zal worden opgestart ten einde verzoeker (nogmaals) één laatste kans te bieden om zijn meerderen te tonen dat hij bereid is om zijn gedrag aan te passen. Op 22 april 2009 wordt aan verzoeker een tuchtschorsing van acht dagen opgelegd wegens het bezit van kogelhulzen op de werkvloer. 3.
- Aan de hand van drie concrete voorvallen -de uitvoering van een houten bekisting buiten termijn en met hogere kosten, de realisatie van een werf niet volgens de regels der kunst en een gebrek aan rendement bij het plaatsen van een voorzetwand- verwijt een beoordelingsfiche van 10 december 2009 aan verzoeker dat hij “geen inspanningen schijnt te doen”, wat men ziet “zowel in zijn houding als in de kwaliteit van het verrichte werk”. XII-6178-2\11 Verzoeker verweert zich schriftelijk, wat dan weer aanleiding geeft tot een bijkomende nota van de kant van het bestuur, die over verzoeker vaststelt dat hij “niet de verantwoordelijkheid neemt voor zijn fouten en telkens opnieuw de fout op andere collega’s en op zijn hiërarchische oversten steekt”, zonder dat verzoeker “in de mogelijkheid [is] om zichzelf in vraag te stellen en de opmerkingen te aanvaarden”. De nota besluit dat het in die omstandigheden zeer moeilijk is om goede werkrelaties te onderhouden en dat men hem constant moet bijstaan en regelmatig het werk herdoen omdat dit niet gebeurt volgens de regels van de kunst. Op 20 januari 2010 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om de tuchtprocedure op te starten en verzoeker te horen, wat ook gebeurt op 17 februari
- Tijdens het verhoor merkt verzoeker op reeds meer dan twintig jaar bij verwerende partij te werken en steeds klaar te staan voor iedereen. Zijn raadsman merkt op, onder meer, dat op een latere leeftijd en na wat wrijvingen allicht frustraties naar boven komen en dat dit geen reden is om iemand zo gemakkelijk aan de deur te zetten. Hij vraagt of er geen andere mogelijkheden zijn dan het ontslag; hij beantwoordt vervolgens zo zelf die vraag : “volgens mij wel, ik ben therapeut en werk in de psychiatrie”. 3.
- Op 17 februari 2010 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om verzoeker de tuchtstraf op te leggen van ontslag van ambtswege. Dat is het hier bestreden besluit, dat de strafmaat stoelt op de volgende grondslagen: “Overwegende dat de Raad uit het bovenstaande concludeert dat de Heer DE WIN de bekwaamheid van zijn oversten herhaaldelijk openlijk in vraag stelt; dat de Heer DE WIN weigert zich aan het gezag van zijn oversten te onderwer- pen. Overwegende dat de Heer DE WIN tijdens het verhoor van 17 februari 2010 zelf meermaals zijn opvliegend karakter bevestigt; dat dit daden van insubordi- natie met zich meebrengt; dat hij geen blijk geeft hieraan te willen werken; dat hij steeds een rechtvaardiging hiervan zoekt in het handelen van anderen dat aan de oorzaak ervan zou liggen, zonder zichzelf in vraag te stellen, hetgeen elke hoop op verbetering van zijn gedrag in de toekomst onmogelijk maakt. Overwegende dat uit zijn schrijven van 19 december 2009 en de reactie hierop van de Regie een gebrek aan stiptheid, vlijt en nauwgezetheid blijkt; dat de Raad dit afleidt uit zijn verklaringen betreffende de tijd, besteed aan de verschillende tussenstappen in de opdrachten en aan de opdrachten in het algemeen, die zwaar overdreven en buiten verhouding is tot de hem toever- trouwde taken. Overwegende dat de kwaliteit van het door de Heer DE WIN afgeleverde werk herhaaldelijk volledig onbevredigend en onaanvaardbaar is voor een gekwalifi- ceerd arbeider; dat de Heer DE WIN hiervoor pertinent weigert zijn verant- woordelijkheid op te nemen; dat het repetitief karakter van het gebrekkig XII-6178-3\11 presteren in hoofde van de Heer DE WIN niet toelaat zijn verschillende pogingen tot rechtvaardiging enige waarde toe te dichten. Overwegende dat er reeds een beoordelingsfiche werd opgesteld voor ongunstige feiten op 02/07/2007 (probleem van attitude). Dit leidde niet tot een tuchtprocedure, daar de fiche niet onderworpen werd aan de Secreta- ris-generaal. Overwegende dat op 5/03/2008 terug een beoordelingsfiche werd opgesteld. Volgend hierop werd betrokkene op 29 april 2008 verwittigd door de Secretaris-generaal voor zijn gedrag. Deze besliste om geen tuchtprocedure op te starten. Betrokkene ontving wel een schrijven van de Secretaris-generaal met de vermelding dat het om een laatste verwittiging ging. Overwegende dat de betrokkene reeds werd geschorst gedurende een periode van 8 dagen, wegens het bezit van kogelhulzen en intimiderend gedrag naar zijn overste (beoordelingsfiche 29 februari 2009, beslissing Raad van 22 april 2009). Gezien deze ernstige en veelvuldige tekortkomingen aan de beroepsplichten in hoofde van de Heer DE WIN. Gezien het herhaaldelijk karakter van de tekortkomingen. Gezien de verscheidene verwittigingen die tevergeefs tot de betrokkene gericht werden. Gezien de totale afwezigheid van het vermogen zichzelf in vraag te stellen bij de betrokkene en bijgevolg van elke kans op verbetering. Gezien het feit dat de betrokkene reeds een sanctie onderging; dat dit zonder positief gevolg is gebleven. Op basis van bovengenoemde elementen, bij geheime stemming, met negen stemmen voor en één blanco stem, beslist de Raad voor maatschappelijk welzijn de Heer Dirk DEWIN de tuchtstraf op te leggen ontslag van ambtswe- ge.” 3.
- Overeenkomstig artikel 53 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt de beslissing ter goedkeuring toegezonden aan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op 15 maart 2010 verzoekt de toezichthoudende overheid om bijkomende inlichtingen, die door verwerende partij worden gegeven op 29 maart
- Op 30 april 2010 wordt de beslissing van 17 februari 2010 goedgekeurd, waarbij de bevoegde leden van het Verenigd College overwegen “dat de aan de betrokkene ten laste gelegde feiten zoals ze uit het dossier blijken zoals een agressieve houding tegenover zijn overste, het niet respecteren van de instructies, insubordinatie, een te vaak afgeroffeld werken, gebrek aan professioneel rendement; dienen te worden beschouwd als tekortkomingen aan de beroepsplicht [;] dat ook uit het dossier blijkt dat de betrokkene eigenlijk meer het gezag en de bekwaamheid tot evalueren van zijn oversten in vraag stelt dan de feiten op zich [en] XII-6178-4\11 dat gelijkaardige feiten reeds vroeger gebeurd zijn en dat betrokkene hiervoor reeds bestraft werd; dat de toegemeten straf derhalve gerechtvaardigd is”. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De ernst van het enig middel Uiteenzetting van het enig middel
- Verzoeker voert als enig middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Hij betoogt : “10.Verzoeker is van mening dat de opgelegde tuchtsanctie in kennelijke wanverhouding staat met de ten laste gelegde feiten, hetgeen een schending inhoudt van het redelijkheidsbeginsel.
- De aanleiding tot onderhavige tuchtbeslissing ligt in de beoordelingsfiche die lastens verzoeker op 10 december 2009 werd opgesteld en waarvan verzoeker de inhoud integraal heeft opgenomen onder punt 2 van huidig annulatieberoep. Drie vermeende professionele tekortkomingen worden aangehaald. Men is verbolgen over het feit dat verzoeker nogal heftig heeft gereageerd op de kritiek die ten aanzien van hem werd geuit. Verzoeker was echter evenzeer verbolgen over het feit dat er werd geëist dat er een tuchtsanctie zou worden opgelegd. De geijkte weg voor het controleren, evalueren en bijsturen van de professionele vaardigheden van een personeelslid is via de evaluatieprocedure. Daarvan werd echter nooit gebruik gemaakt.
- Tot 2007 (de eerste 19 jaar! van zijn tewerkstelling bij het OCMW) zijn er nooit opmerkingen geweest over verzoekers functioneren, integendeel. In 2007 werd zelfs nog een positieve beoordeling opgesteld in het kader van een mogelijke bevordering naar de graad D4 waarbij verzoekers presteren als goed of zeer goed werd bestempeld (bijlage 3). Vanaf toen is men verzoeker echter gaan viseren, niet in het kader van een formele evaluatie maar wel via beoordelingsfiches d.d. 02/07/2007 en 05/03/2008 waarbij telkens met tuchtsancties werd gedreigd. Op 29/02/2009 werd een derde beoordelingsfiche opgemaakt wegens het bezit van kogelhulzen en intimiderend gedrag. Dit heeft geleid tot een tuchtschorsing van 8 dagen (beslissing Raad van 22 april 2009). Wanneer men de motivering van de tuchtbeslissing leest (bijlage 4) dan kan men niet anders dan vaststellen dat de uitgesproken straf zéér zwaar in verhouding tot de feiten nl. overtreding van ‘het verbod om in de lokalen eender welk voorwerp, stukken of zaken binnen XII-6178-5\11 te brengen evenals onbetamelijke afbeeldingen en publicaties, enz., zijnde het bezit van hulzen en een kogel in de vestiaires’ 13 De huidige tuchtbeslissing dient dan ook gelezen te worden als de kroniek van een aangekondigde dood. De overheid heeft verzoeker sedert 2007 systematisch geviseerd. Door op 10/12/2009 opnieuw een negatieve beoorde- lingsfiche op te stellen en een tuchtsanctie te vorderen, heeft men bij verzoeker zeer heftige reacties losgeweekt die geleid hebben tot het schrijven van zijn verweerschrift van 19/12/
- Het is deze reactie die men vervolgens heeft aangegrepen om de zwaarst mogelijk tuchtsanctie voor te stellen, nl. het ontslag van ambtswege. In wezen draait dit dossier over drie vermeende professionele tekortkomingen die, door opnieuw te dreigen met een tucht[s]anctie als een lap op een rode stier hebben gewerkt bij verzoeker waardoor hij zich heeft laten verleiden om nogal hevig te reageren in zijn verweerschrift. Dit gedrag kan als laakbaar worden bestempeld en het is niet onbegrijpelijk dat de overheid van oordeel is dat hiertegen opgetreden dient te worden met een tuchtstraf. In die omstandigheden grijpen naar de zwaarst mogelijke tuchtsanctie, nl. het ontslag van ambtswege is echter wel onredelijk, in de ogen van verzoeker zelfs kennelijk onredelijk. Verzoeker is van mening dat een andere overheid dergelijke zware beslissing, die niet alleen het verlies van zijn baan maar ook het verlies van zijn pension- rechten in de publieke sector tot gevolg zou hebben, nooit zou hebben genomen.” Beoordeling
- Een tuchtoverheid beschikt bij het opleggen van een tuchtstraf voor feiten die zij als tuchtrechtelijk te beteugelen beschouwt, over een grote beleidsvrijheid. Haar discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheids- beginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. Een middel dat het ontbreken van die vereiste proportionaliteit aanvoert, vooronderstelt dat de feiten bewezen zijn en in rechte correct als tuchtvergrijp werden gekwalificeerd, maar dat in volkomen wanverhouding tot die feiten tot de opgelegde straf is besloten. De Raad van State is geen beroepsinstantie die, opnieuw oordelend in de plaats van het bestuur, de naar zijn oordeel meest passende tuchtsanctie oplegt. Als wettigheidsrechter mag de Raad van State zelfs niet de door het bestuur opgelegde straf toetsen aan zijn eigen opvattingen terzake. Dat zou de Raad doen als hij de opgelegde tuchtstraf zou afmeten aan wat hij zelf als de éne meest evenredige straf beschouwt en ze zou vernietigen indien ze daarvan afwijkt. Enkel mag de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole nagaan of XII-6178-6\11 het oordeel van het bestuur binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Onwettig is de opgelegde straf pas wanneer de overheid niet binnen de redelijkheidsmarges van haar appreciatiebevoegdheid is gebleven.
- Wanneer verzoeker erop hamert dat het dossier in wezen handelt “over drie vermeende professionele tekortkomingen” en dat het grijpen naar de zwaarst mogelijke tuchtstraf “in kennelijke wanverhouding staat” met de ten laste gelegde feiten, dan blijken deze drie tuchtfeiten slechts de laatste oorzaak te zijn van een reeks misdragingen waartegen de verwerende partij van langsom strenger optrad in wat verzoeker zélf een “kroniek van een aangekondigde dood” noemt. Dat er over hem “nooit opmerkingen geweest [zijn]” wordt tegengesproken door de stukken van het administratief dossier. Reeds vóór het jaar 2007 werden opmerkingen over zijn inzet gemaakt, maar van belang voor de thans bestreden beslissing is, naar de motivering ervan weergeeft, dat het bestuur niet enkel de drie tenlasteleggingen in de beoordeling betrekt, maar met verwijzing naar voorgaanden vanaf 2007 verzoeker voorts verwijt de bekwaamheid van zijn oversten herhaaldelijk openlijk in vraag te stellen, dat hij weigert zich aan het gezag van zijn oversten te onderwerpen, dat hij een opvliegend karakter heeft dat zich uit in daden van subordinatie en de weigering om hieraan te willen werken, dat elke hoop op verbetering in de toekomst onmogelijk is gemaakt, dat hem gebrek aan stiptheid, vlijt en nauwgezetheid wordt verweten, dat de kwaliteit van het door hem afgeleverde werk herhaaldelijk onbevredigend en onaanvaardbaar is, dat het gebrekkig presteren een repetitief karakter heeft, dat hij reeds van de secretaris- generaal een laatste verwittiging kreeg en dat hem reeds een tuchtsanctie was opgelegd van acht dagen schorsing. Kortom betreft het zowel een algemeen en persistent laakbaar presteren als een herhaald algemeen laakbare attitude op de werkvloer jegens hiërarchisch oversten.
- De vraag of de vorige tuchtsanctie disproportioneel was, gaat op het eerste gezicht de grenzen van het voorliggende beroep te buiten; verzoeker heeft die sanctie destijds immers niet in rechte bestreden.
- Dat de eerdere misstappen van verzoeker werden genoteerd op een beoordelingsfiche maar verder geen gevolg kregen in een “geijkte” evaluatieproce- dure is niet van aard om de onevenredigheid van de opgelegde sanctie aan te tonen. Alleszins heeft verzoeker steeds de fiches ontvangen en er zijn opmerkingen aan XII-6178-7\11 kunnen toevoegen. Verzoeker wijst geen bepaling in de rechtspositieregeling aan, die de strafmaat afhankelijk zou maken van het vooraf toepassen van de evaluatie- procedure. Overigens hebben de tuchtfeiten niet louter betrekking op de professione- le vaardigheden van verzoeker die hij middels een evaluatieprocedure bijgesteld wou zien.
- Voorwaar is het bestuur te dezen jegens verzoeker streng geweest, nu het hem een maximumstraf heeft opgelegd. Streng en onwettig, dan wel wettig en goedertieren zijn evenwel geen synoniemenparen. Andere besturen zouden mogelijk een grotere mildheid aan de dag hebben gelegd, maar dit wijst niet ipso facto uit dat verwerende partij “kennelijk onredelijk” heeft gehandeld door naar de zwaarst mogelijke tuchtstraf te grijpen. De straftoemeting is een kwestie van appreciatie en appreciatie houdt nu eenmaal de mogelijkheid in van uiteenlopende meningen die elk geacht kunnen worden bínnen de redelijkheidsgrenzen van de appreciatievrijheid te blijven. Verzoeker is achtereenvolgens voorwerp geweest van beoordelingsfiches, een uitdrukkelijke schriftelijke waarschuwing, een zware tuchtstraf en thans de zwaarste tuchtsanctie. Het bestuur heeft, zo lijkt, dan ook niet onverhoeds en zonder waarschuwing naar het ontslag gegrepen. In het licht van de beschreven feitelijke context van deze zaak en in het bijzonder haar voorgeschiedenis waarin de ten laste gelegde feiten zijn ingebed, kan verzoeker de Raad van State vooralsnog niet overtuigen om aan te nemen dat het categorisch uitgesloten is dat enig zorgvuldig handelend bestuur tot de slotsom komt dat elke kans op verbetering afwezig is en dat met een personeels- lid dat het besproken gedrag vertoont geen verdere professionele samenwerking meer mogelijk is, zodat enkel de verbreking van die relatie nog openstaat. Te dezen kan op het eerste gezicht dan ook niet worden gesteld dat de opgelegde straf, streng als ze is, niet in voldoende verhouding is tot de feiten en kan niet worden gesteld dat de tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelings- bevoegdheid te buiten is gegaan.
- Op de terechtzitting argumenteert verzoeker nog dat het bestuur, zoals moet blijken uit de nota met opmerkingen, onbewust is van het feit dat hij door deze sanctie krachtens artikel 50 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen zijn pensioenrechten verliest. Immers betwist verwerende partij in de nota dat de opgelegde tuchtstraf hem van zijn pensioenrechten berooft, XII-6178-8\11 terwijl zulks wel degelijk het geval is ingevolge de schrapping van de “afzetting” als zwaarst mogelijke tuchtsanctie bij ordonnantie van 12 juni 2008 tot wijziging van artikel 283, 3°, van de nieuwe gemeentewet. De nota met opmerkingen levert volgens verzoeker het bewijs dat verwerende partij de gevolgen van de opgelegde straf niet correct heeft ingeschat, wat dan weer het onevenredig karakter ervan aantoont.
- In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker weliswaar op zijn pensioenrechten gealludeerd, maar dit slechts als een bijgedachte aan het einde van zijn toelichting van het middel én in de voorwaardelijke vorm (“zou hebben”). Het is een loutere bewering, die hij in de schriftelijke procedure niet nader onderbouwt en waarvan hij dan, op de terechtzitting, het kroonstuk van zijn pleidooi maakt. Dit strookt niet met de eigenheid van de schorsingsprocedure, waar mede omwille van de rechten van de verdediging en wegens het spoedeisend karakter van de procedure wordt vereist dat in het inleidend verzoekschrift het middel exhaustief wordt toegelicht. Daarbij komt dat verwerende partij inderdaad betwist of de sanctie wel het door verzoeker beweerde gevolg heeft. Een gevolg, overigens, dat dan alleszins niet rechtstreeks lijkt toegeschreven te mogen worden aan de toepasselijke tuchtregeling zelf. Integendeel blijkt uit de parlementaire bespreking van de ordonnantie van 12 juni 2008 precies de bedoeling om komaf te maken met de zwaarste tuchtsanctie wegens haar maatschappelijk ongewenste impact op de pensioenrechten (Parl. St. Parl. B.H.G. 2007-2008, nr. A/427-1 en A/427-2) : “Men kan begrijpen dat de overheid zich in ernstige omstandigheden moet kunnen ontdoen van een personeelslid, maar het gaat niet op dat men hem de pensioenbijdragen afneemt die gedurende de uitoefening van zijn functie met terugwerking zijn ingehouden op zijn wedde. [...] De afzetting moet dan ook uit het arsenaal van sancties worden geschrapt. Het ontslag van ambtswege waarvan sprake in artikel 283, 3° is voldoende om het statutair verband te verbreken”. Hoe de wijziging van artikel 283 van de nieuwe gemeentewet en artikel 50 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen zich dan verhouden tot het recht op pensioen van verzoeker, is overigens een kwestie die de rechtsmacht van de Raad van State te buiten lijkt te gaan, nu dit een geschil over een burgerlijk recht lijkt te betreffen. XII-6178-9\11 In de huidige stand van de procedure neemt de Raad van State dan ook aan, zoals hij het zich steunend op het arrest L. t./België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2006 eerder deed in onder meer zijn arrest nr. 181.466 van 25 maart 2008 inzake Blondeel en zijn arrest nr. 197.009 van 19 oktober 2009 inzake Peeters, dat aan het betrokken personeelslid hoe dan ook niet élk pensioen is ontzegd, nu vooralsnog door verzoeker niet is aangetoond, hetzij dat artikel 50 van de wet van 21 juli 1844 op zijn geval onverkort toepassing krijgt, hetzij dat hij zijn dienstjaren bij de overheid niet met toepassing van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, in aanmerking zou kunnen laten nemen in het algemeen pensioenstelsel van de privé-sector, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het wezen van zijn pensioenrechten. Om die reden kan op het eerste gezicht niet worden aangenomen dat de opgelegde tuchtstraf onredelijk is door het enkele doch vooralsnog niet vaststaande feit dat ze tot gevolg zou hebben dat de verzoeker het recht op een overheidspensioen verliest.
- De ernst van het enig middel is niet aangetoond. V. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter XII-6178-10\11 Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6178-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.648 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.897 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.