← België

Arrest 208651 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.651 Rolnummer: A. 196535/XII-6205 Zaak: Arrest 208651 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.651 van 3 november 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.651 van 3 november 2010 in de zaak A. 196.535/XII-6205 In zake: Jan VAN DYCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Georges Meeus kantoor houdend te Willebroek Mechelsesteenweg 26 tegen:

  1. de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de Juridische Cel van de afdeling Advies en Ondersteuning Onderwijspersoneel met zetel te 1210 Brussel Koning Albertlaan II-laan 15, kamer 1C24
  2. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 7 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Cauwenberghs kantoor houdend te Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 20 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 18 september 2009 van de raad van bestuur van de scholengroep 7 van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij Jan Van Dyck ter beschikking gesteld wordt wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en van de beslissing van 18 maart 2010 waarbij de raad van beroep voor personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. XII-6205-1\6 Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  5. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Geoges Meeuws, die verschijnt voor de verzoekende partij, adviseur Marleen Broucke, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Sofie Cauwenberghs, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 8 september 2009 nodigt de algemeen directeur van de scholengroep Kempen van het Gemeenschapsonderwijs verzoeker, vastbenoemd directeur MS Herentals, uit voor een hoorzitting op 18 september 2009 door de raad van bestuur, in het kader van de ordemaatregel terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Op 18 september 2009 beslist de raad van bestuur van de scholengroep om verzoeker met ingang van 21 september 2009 ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Bij schrijven van 9 oktober 2009 tekent verzoeker tegen de voormelde beslissing beroep aan bij de raad van beroep van het personeel van het gemeenschapsonderwijs. XII-6205-2\6 Op 18 maart 2010 beslist de raad van beroep dat hij, wegens de afwezigheid van regelmatige rechtsmacht, geen beslissing kan nemen omtrent het ingesteld beroep. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  8. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de tweede verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het moeilijk te herstellen, ernstig nadeel Standpunt van verzoeker
  10. In het inleidend verzoekschrift zet verzoeker omtrent het nadeel uiteen wat volgt : “Dat het uiterst moeilijk te herstellen nadeel voor verzoeker gelegen is [in] het feit dat hij zonder dat hij afdoende zijn rechten van verdediging heeft kunnen uitoefenen ter beschikking wordt gesteld tot ambtsontheffing in het belang van de dienst. Dat hem bijkomend elke mogelijkheid tot hoger beroep tegen voormelde beslissing van de Raad van Bestuur van Scholengroep 7 wordt ontnomen. Dat hem hierdoor de laatste jaren van een langdurige beroepscarrière in het onderwijs worden ontnomen. Dat dit niet zuiver van financiële aard is, maar vooral moreel vermits hij immers totaal oneervol uit zijn ambt wordt ontzet en dit met niets goed te maken is. Dat verzoeker de normale beroepsmogelijkheid heeft willen uitputten en bij een normale behandeling bij op dit ogenblik opnieuw in dienst zou zijn. XII-6205-3\6 Dat het volgende schooljaar nadert en hij er een groot belang bij heeft om zo snel mogelijk opnieuw aan de slag te gaan. Dat verzoeker ook zijn snelle procedure in beroep op die manier wordt ontnomen, waarbij hij zich op een korte termijn volledig zou kunnen rehabilite- ren. Dat hij graag nog tot pensioengerechtigde leeftijd actief was geweest, minstens zelf had kunnen kiezen om in een verlofsysteem over te stappen. Dat deze beslissing voor verzoeker verregaande gevolgen heeft gehad. Dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd nadert. Dat verzoeker om voorliggende reden de schorsing van voormelde beslissingen vordert”. Op de terechtzitting argumenteert zijn raadsman dat verzoeker kansen mist om benoemd te worden in scholen met een volledig secundair onderwijs. Hij volgt daartoe momenteel het laatste jaar van een aanvullende opleiding. Beoordeling
  11. Luidens artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bevat het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoeken- de partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en moeten daarbij alle stukken die het risico op dergelijk nadeel aantonen reeds bij dat verzoekschrift worden gevoegd. Met de bijkomende en nieuwe argumentatie ter terechtzitting, die reeds aangevoerd had moeten worden in het inleidend verzoekschrift, mag de Raad van State geen rekening houden.
  12. Door aan te voeren dat de rechten van verdediging geschonden werden, dat hem op onwettige wijze een beroepsinstantie ontzegd zou zijn en dat bij een “normale behandeling” door een administratieve beroepsinstantie hij alweer aan het werk zou zijn geweest, verwijst verzoeker naar de wettigheidskritiek die hij heeft ten aanzien van de bestreden beslissingen. Hij verliest uit het oog dat de voorwaarde van het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel en de voorwaarde van een ernstig middel, twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden zijn die vervuld moeten zijn en die in beginsel los van elkaar onderzocht moeten worden. De enkele herinnering aan zijn inhoudelijke grieven is niet dienstig om de Raad van State te overtuigen van het bestaan van de uitzonderlijke omstandigheden waaronder een zeldzame keer de ernst van de middelen mee in overweging wordt genomen om het karakter van het nadeel te evalueren. XII-6205-4\6
  13. Verzoeker gaat niet in op de geldelijke implicaties van de bestreden maatregel, en houdt het erbij dat die “niet zuiver van financiële aard is”. Zonder de minste becijfering en concretisering kan het financieel nadeel, voor zover het al aangevoerd is, evenmin overtuigen ernstig en moeilijk herstelbaar te zijn.
  14. Rest nog het morele nadeel. Verzoeker betoogt dat de terbeschik- kingstelling “oneervol” is en “met niets is goed te maken” en dat hij graag nog tot de pensioengerechtigde leeftijd, die hij nadert, actief was geweest. Verzoeker vergist zich in de aard van de hem opgelegde maatregel. De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst is geen tuchtmaatregel, maar een ordemaatregel, dit is een maatregel genomen in het belang van de dienst, niet om het betrokken personeelslid te sanctioneren voor schuldig gedrag. Ten overvloede stelt de Raad van State vast dat verzoeker in geen van de door hem aangevoerde middelen, zoals ze door hem zijn geformuleerd, uitdrukkelijk aanvoert dat het om een verkapte tuchtmaatregel zou gaan. Aangeno- men wordt dat een ordemaatregel die op zich geen aantasting inhoudt van de reputatie en de goede naam van verzoeker, in beginsel geen nadeel kan veroorzaken dat niet naar behoren hersteld kan worden door de morele genoegdoening van een vernietigingsarrest dat, met terugwerkende kracht, de terbeschikkingstelling onge- daan maakt. Voor zover het uitzonderlijk anders zou kunnen zijn wanneer gegevens eigen aan de zaak van het tegendeel zouden doen blijken, zet verzoeker tenzij door verwijzing naar zijn leeftijd waarop hierna wordt ingegaan, niets concreet en tastbaar uiteen om aan te geven waarom dat dit hier het geval zou zijn. Waar verzoeker tenslotte dan opmerkt dat hij graag tot de pensioengerechtigde leeftijd wil blijven werken, leidt eerste verwerende partij in haar nota hieruit af dat verzoeker, die momenteel 61 jaar is, de intentie heeft om tot zijn 65 jaar te blijven werken, dit is tot in het jaar
  15. Dit is niet tegengesproken ter terechtzitting, zodat ook de Raad van State zich die veronderstelling eigen maakt. Vooreerst moet dan worden opgemerkt dat een nadeel dat voortvloeit uit de duur van de procedures voor de Raad van State geen nadeel is dat uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voortvloeit. Daarenboven behoort de legendarische achterstand bij de Raad van State, alleszins in onderwijszaken, gelukkig tot het verleden en valt te verwachten dat de Raad zich ruim vóór die datum over het annulatieberoep zal hebben uitgesproken. XII-6205-5\6
  16. Tenminste de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing is niet vervuld. Deze vaststelling brengt de verwerping van de vordering mee. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6205-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.651 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.