DRO impliceert dat eerst een RUP moet worden opgemaakt vooraleer een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag kan worden ingediend. Milieuvergunningen Het bedrijf beschikt over een milieuvergunning (melding) voor de exploitatie van een klasse III inrichting (11/06/1996). Op 27/08/1996 werd de milieuvergunning voor ‘regularisatie van een bestaande stalplaats-onderhoudswerkplaats’ (klasse II) geweigerd. Op 30/01/1997 werd het beroep tegen deze beslissing door de Bestendige Deputatie ongegrond verklaard. Volgens het plan toekomstige toestand in de aanvraag tot planologisch attest is het bedrijf omwille van de opslag van meer dan 1000m³ steenpuin milieuvergunningsplichtig, klasse
geen korte termijn vergunning verleend worden. Dit heeft als gevolg dat het college van burgemeester en schepenen het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Grondbewerkingsbedrijf Heylen’ opmaakt in navolging van dit gedeeltelijk positief planologisch attest, vooraleer er stedenbouwkundige vergunningen kunnen afgeleverd worden. ▪ Beide exploitantenwoningen moeten conform de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd op 25 januari 2002 en 25 oktober 2002, integrerend deel uitmaken van het bedrijf. ▪ In het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Grondbewerkingsbedrijf Heylen’ moet een grondige reorganisatie van het terrein uitgewerkt worden in kader van een integratie van beide exploitantenwoningen in het bedrijf en in kader van een compactere bedrijfsvoering. ▪ Er mag slechts één bedrijfstoegang naar de Mechelbaan ingericht worden. Beide woningen dienen langs deze toegangsweg naar de Mechelbaan te ontsluiten. Het bedrijfsRUP doet uitspraak over de ligging van deze weg in het kader van de gevraagde reorganisatie van het terrein. ▪ Alle niet functionele verhardingen dienen op termijn te verdwijnen. ▪ Er dient rondom het bedrijf, een groenbuffer bestaande uit streekeigen en standplaatsgeschikte soorten aangeplant te worden van minstens 5 meter breed. Indien een waterbuffer noodzakelijk is, dan dient deze aangelegd te worden buiten de groenbuffer. ▪ In de stedenbouwkundige vergunning van 03/05/1993 werd een loods vergund met inplanting op 10 meter van de achterste perceelsgrens. Een reorganisatie, die zal uitgewerkt worden in kader van een bedrijfsRUP, zal uitspraken doen over opportuniteit van inplanting van deze loods. In het meest ideale scenario dient de loods qua achtergrens voldoende naar voor gebracht te worden zodat het streekeigen groenscherm op het bedrijfsterrein kan aangelegd worden. In het RUP kan in functie van zuinig ruimtegebruik de mogelijkheid tot clustering van beide loodsen op het bedrijf onderzocht worden. ▪ De gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater is van toepassing. ▪ Er dient ter integratie in de landelijke omgeving aandacht te gaan naar een kwalitatieve materiaalkeuze voor nieuwe gebouwen”. 3.
DRO impliceert dat eerst een RUP moet worden opgemaakt vooraleer een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag kan worden ingediend. Het RUP is nog niet opgemaakt op 3 januari 2008, zodat deze stedenbouwkundige aanvraag moet geweigerd worden. (...) X-13.867-6/19 De voorgelegde aanvraag is niet in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Het RUP werd nog niet opgemaakt. Dit is de basis voor het weigeren van de stedenbouwkundige vergunning”. 3.
, § 1, 3°, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals blijkt uit het formulier van de aanvraag in combinatie met de beschrijvende nota dd. 14 december 2007, p. 12, punt 3.2.3., en zoals bevestigd met huidig verzoekschrift, p. 4, punt 4, alinea 1 en p. 10-
DRO (…). Er kan derhalve niet ingezien worden op welke wijze het bekomen van de gevraagde vergunning strijdig zou zijn met verzoekers’ belang in de zin van de Gecoördineerde Wetten”. X-13.867-9/19 4.
van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht, van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, en het vertrouwensbeginsel, en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, “Doordat, verwerende partij de door verzoekende partij aangevraagde vergunning ten onrechte weigert omdat deze strijdig zou zijn met de voorwaarden bepaald in voormeld artikel
DRO; dat inzonderheid wordt gesteld in de bestreden beslissing dat de site waarvoor een vergunning wordt aangevraagd niet vergund zou kunnen geacht worden, omdat van de loods en de woning op nr. 264 geen vergunningsgegevens bekend zouden zijn, omdat de loods achter de woning op nr. 266 vergund zou zijn als landbouwloods, en omdat verzoekende partij evenmin zou beschikken over de nodige vergunningen voor de opslag van zand e.d.; dat evenzeer ten onrechte wordt aangevoerd dat de aanvraag onvoldoende zicht zou bieden op de niet- vergunde aspecten van de inrichting, en dat het planologisch attest dat werd afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier geen perspectieven zou bieden voor het afleveren van vergunningen voor korte termijnbehoeftes bij wijze van voorafname op het op te maken RUP; Terwijl, artikel
DRO bepaalt dat voor werken, handelingen en wijzigingen in een gebied waarvoor, blijkens een overeenkomstig artikel 145ter, § 1 afgeleverd planologisch attest, het maken van een ruimtelijk uitvoeringsplan of het maken of wijzigen van een plan van aanleg overwogen wordt, kan worden afgeweken van de voorschriften van een X-13.867-10/19 gewestplan of een algemeen plan van aanleg wanneer voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden,
DRO; Dat vooreerst ten onrechte wordt gesteld dat wat betreft de ‘bouwsels op het perceelnr. 171 z’ (t.t.z. een woning aan de voorzijde van het perceel en een achtergelegen magazijn) geen gegevens bekend zouden zijn; dat immers als bijlage bij het administratief bouwberoep kopie werd gevoegd van het planologisch attest waarop de aanvraag gesteund is, waarin wordt bevestigd dat beide gebouwen werden opgericht ingevolge een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd op 28 september 1974: dat dit planologisch attest weliswaar stelt dat het magazijn qua inplanting niet conform de vergunde plannen zou zijn - hetgeen verzoekende partij ten stelligste betwist - maar dat er geen discussie over bestaat dat beide bouwsels wel degelijk werden opgericht op grond van een stedenbouwkundige vergunning; dat de deputatie blijkbaar heeft nagelaten kennis te nemen van de ter beschikking gestelde dossiergegevens, en dit met betrekking tot een nochtans essentieel element in het licht van de voorwaarden uit het decreet voor vergunningsaanvragen gesteund op een planologisch attest, nl. het vergund karakter van de constructies van de site; dat het bestreden besluit niet alleen is gesteund op een gebrekkig inzicht in de feitelijke context, hetgeen een schending uitmaakt van het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook door een gebrekkige motivering; Dat verder evenzeer ten onrechte wordt gewag gemaakt van een onvergunde functie voor wat betreft de loods gesitueerd ‘achter de woning op nr. 266’, i.e. dus op het perceelnr. 171 f2; dat verzoekende partij dit motief immers reeds anticipatief had weerlegd in het administratief beroepschrift, hier hernomen: ‘Verder zijn de bemerkingen aangaande het zgn. verkeerd gebruik eenvoudig irrelevant. Volgens artikel
DRO kan er op grond van een gunstig planologisch attest worden afgeweken van de gewestplanbestemming bij de afgifte van een bouw- en milieuvergunning onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het bedrijf ‘hoofdzakelijk vergund’ is of geacht moet worden te zijn. Vraag is dan uiteraard of ‘hoofdzakelijk vergund’ ook inhoudt dat de functie van het vergunde bouwwerk vergund moet zijn, aangezien het decreet dit alleszins niet uitdrukkelijk vereist. Dit is bijvoorbeeld wel X-13.867-11/19 het geval in artikel 145bis DRO inzake zonevreemde bouwvergunningen, waar uitdrukkelijk vereist wordt dat de woning of het gebouw ‘hoofdzakelijk vergund is of wordt geacht te zijn, ook wat de functie betreft’. Dit wordt niet vereist in artikel
DRO, zodat a contrario moet aangenomen worden dat dergelijke voorwaarde niet speelt in het kader van de aanvraag planologisch attest. Daarenboven is het zo dat het oneigenlijke gebruik van de landbouwloods voor aannemingsdoeleinden eigen is aan de problematiek van zonevreemdheid waarvoor met toepassing van het planologisch attest een oplossing wordt gezocht. Indien men dan van deze zonevreemdheid een probleem zou maken om vergunningen af te leveren op grond van het planologisch attest, dan is dit attest niets meer dan een lege doos en wordt artikel
volledig zinloos gemaakt’. Dat van de argumentatie van verzoekende partij omtrent de draagwijdte van het vereiste van hoofdzakelijk vergund zijn uit art.
de functie, nl. dat in het kader van deze bepaling geen rekening mag worden gehouden een eventueel onvergund gebruik, zelfs geen melding wordt gemaakt in het aangevochten deputatiebesluit, laat staan dat er een adequaat antwoord zou worden op gegeven; Dat artikel
DRO, in tegenstelling tot artikel 145bis DRO, d.i. de ‘reguliere’ grondslag voor zonevreemde vergunningsaanvragen, uitdrukkelijk niet vereist dat de in het geding zijnde constructie hoofdzakelijk vergund is ook wat de functie betreft, dat de ratio legis van de voorwaarde opgenomen in art.
26 oktober 2002) trouwens als volgt werd toegelicht in de parlementaire voorbereiding: ‘De eerste grendel wordt ingevoerd om te vermijden dat volledig wederrechtelijk opgerichte of verkrotte bedrijven hiervan gebruik zouden maken’ (Parl. St. Vl. Parl. 2001-2002, 1203/1, 9); dat de voorwaarde derhalve enkel beoogt bedrijven uit te sluiten die wederrechtelijk werden opgericht, hetgeen verklaart waarom een niet-vergunde functiewijziging die eventueel achteraf werd doorgevoerd niet wordt in aanmerking genomen om het vergund karakter te beoordelen volgens de tekst van het decreet; dat derhalve dient aangenomen te worden dat het bestreden besluit op een verkeerde manier toepassing heeft gemaakt van voormeld decreetsartikel, hetgeen de wettigheid van het besluit aantast; Overwegende dat het zgn. hoofdzakelijk onvergund karakter van de site van verzoekende partij het determinerend weigeringsmotief uitmaakte zowel voor het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Lier (in eerste aanleg), als voor verwerende partij (in graad van administratief beroep); dat uit het voorgaande blijkt dat minstens op twee essentiële punten de aangevochten beslissing is gebaseerd op een apert gebrek aan inzicht in de feitelijke gegevens van het dossier (nl. in zoverre eenvoudigweg wordt gesteld dat over bepaalde bouwsels geen gegevens voorhanden zouden zijn, terwijl uit de dossiergegevens blijkt dat het vergunde constructies betreft) en op een manifest foute visie aangaande de draagwijdte van de voorwaarde gesteld in art.
1° DRO (waarop verzoekende partij nochtans anticipatief had gewezen in haar X-13.867-12/19 beroepschrift); dat deze vaststelling alleen al volstaat om het bestreden besluit te vernietigen; dat verwerende partij op grond van een correct en volledig inzicht in de dossierstukken immers met stellige zekerheid tot een ander besluit zou zijn gekomen; Overwegende verder dat het planologisch attest afgeleverd door de stad Lier op 17 april 2007, in tegenstelling tot hetgeen verwerende partij voorhoudt in de bestreden beslissing, niet elke vergunning voor korte termijnbehoeften uitsluit; dat het attest immers volledig gunstig is, met dien verstande dat het perceel 172 dat achteraan de site is gelegen, uit het attest wordt uitgesloten; dat verder uitdrukkelijk wordt gesteld: ‘De regularisatie van de bestaande activiteiten en verhardingen zijn ruimtelijk aanvaardbaar, evenals de beperkte uitbreiding van verharding en parking’; dat enkel wordt gesteld dat in het kader van het RUP reorganisatie van de bedrijfssite zal worden doorgevoerd die niet mag worden gehypothekeerd door vergunningen afgeleverd voor korte termijnbehoeftes; dat het de attestopmakende overheid toekomt om vast te stellen welke korte termijnbehoeften vanuit ruimtelijk standpunt aanvaardbaar zijn; dat uitdrukkelijk werd geoordeeld dat de regularisatie en beperkte uitbreiding van verhardingen vanuit ruimtelijk standpunt aanvaardbaar zijn; dat het attest dus alleszins genuanceerder is dan verwerende partij laat uitschijnen; dat de overwegingen uit het attest waarin gesteld wordt dat anticipatieve vergunningen (op grond dus van art.
) niet zouden kunnen worden verleend omdat niet kan voldaan worden aan de vereisten van deze bepaling, buiten de bevoegdheid van de attestopmakende overheid valt; dat in het attest enkel dient te worden geschetst welke ontwikkelingsmogelijkheden het bedrijf heeft, terwijl de effectieve vergunningverlening (en dus ook de toetsing aan de vergunbaarheidsvoorwaarden) de taak is van de ter zake door het DRO bevoegd verklaarde overheden; dat de deputatie dus geenszins gebonden kan zijn door dergelijke overwegingen en er ook niet eenvoudig naar kan verwijzen om een vergunning te weigeren; Dat te dezen dient vastgesteld dat verzoekende partij haar stedenbouwkundige vergunningsaanvraag volledig heeft afgestemd op het genuanceerd gunstig planologisch attest, zoals blijkt uit de verklarende nota gevoegd bij de aanvraag, waarin inzonderheid wordt gesteld: ‘Onderhavige stedenbouwkundige vergunningsaanvraag heeft betrekking op de Werken op korte termijn uit het planologisch attest van 17/04/
. Artikel
van het DRO bepaalt ondermeer dat de aanvraag zich moet beperken tot de regelingen en voorwaarden voor de invulling van de korte termijnbehoeften zoals aangegeven in het Planologisch attest. In de aanvraag van het planologisch attest voor het terrein van de firma Heylen P. Grondwerken BVBA werden verschillende kleinere werken beschreven als werken op korte termijn: • Regularisatie van de bestaande verhardingen • Uitbreiding van de bestaande verharding in betonstraatstenen • Aanleggen van een parkeerruimte voor de werknemers • Omvormen van het bestaande groenscherm • Regularisatie van onvergunde gebouwen en constructies. Tijdens het vooronderzoek in het kader van het planologisch attest concludeerde de stad Lier dat de stedenbouwkundige vergunning van de bestaande stalplaats/onderhoudswerkplaats ontoereikend is. De stad Lier redeneerde dat de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning voor deze loods betrekking heeft op het oprichten van een loods voor landbouwvoertuigen terwijl de loods momenteel in gebruik is voor het stallen en sporadisch onderhouden van voertuigen welke ingezet worden voor het uitvoeren van grondwerken. In navolging van het gedeeltelijk positief planologisch attest zal de gemeente het Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Grondbewerkingsbedrijf Heylen’ opmaken, In dit RUP zal eveneens de reorganisatie van de site uitgewerkt worden in het kader van een integratie van de beide exploitantenwoningen in het bedrijf en in het kader van een compactere bedrijfsvoering. In dit RUP dienen er conform de overwegingen uit het planologisch attest ondermeer uitspraken gedaan te worden over de opportuniteit van de inplanting van de bestaande stalplaats-onderhoudswerkplaats. Om de opmaak en de visievorming van het op te maken RUP niet te hypothekeren is de regularisatie van de bestaande stalplaats-onderhoudswerkplaats dan X-13.867-14/19 ook niet opgenomen in deze stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Ook de omvorming van het bestaande groenscherm rond perceel 172 is niet opgenomen in de voorliggende stedenbouwkundige vergunningsaanvraag aangezien dit perceel uit het planologisch attest uitgesloten wordt. In het Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Grondbewerkingsbedrijf Heylen’ zal ook de ligging van de toegangsweg onderzocht worden. Om de opmaak en de visievorming van het op te maken RUP niet te hypothekeren is de regularisatie van de huidige toegangsweg vanaf de Mechelbaan naar de achterliggende percelen niet opgenomen in deze stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Deze stedenbouwkundige vergunningsaanvraag heeft bijgevolg betrekking op: • de regularisatie van de bestaande verharding in betonstraatstenen op het bedrijfsterrein • het uitbreiden van de bestaande verharding in betonstraatstenen • de aanleg van een parkeerruimte voor de werknemers • de omvorming van het bestaande groenscherm langs de grenzen van perceel 171a2 en 171f2. Voor deze werken dient een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd te worden. Voor deze werken is een stedenbouwkundige vergunning voor technische- en terreinaanlegwerken nodig’. Dat derhalve de regularisatie van de bestaande gebouwen en constructies uitdrukkelijk werd uitgesloten van het voorwerp van de vergunningsaanvraag teneinde geen hypotheek te leggen op een nadere ordening, waarmee wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren geformuleerd in het attest; dat ten onrechte wordt gesteld in het bestreden besluit dat de aanvraag geen duidelijk beeld zou geven over de niet- vergunde delen van de inrichting; dat verzoekende partij enkel in navolging van het attest het voorwerp van haar aanvraag heeft beperkt tot de ruimtelijk aanvaardbare componenten (zoals aangeduid in de geciteerde passage uit het planologisch attest), met uitsluiting van de overige constructies waar slechts duidelijkheid over zal bestaan eens het RUP werd vastgesteld; Dat in het licht van het voorgaande de aanvraag perfect kon worden vergund overeenkomstig de voorwaarden van art.
DRO; dat verwerende partij op grond van verkeerde feitelijke en juridische premissen tot de foutieve conclusie is gekomen dat de site niet hoofdzakelijk vergund zou zijn; dat deze conclusie met zekerheid anders zou geluid hebben wanneer verwerende partij zou vertrokken zijn van juiste premissen; dat tevens blijkt dat aan de overige voorwaarden van voormelde bepaling is voldaan, nu de aanvraag tijdig werd ingediend (binnen het jaar na afgifte van het planologisch attest), en het attest zeker niet ongenuanceerd elke vorm van tussentijdse vergunningverlening in afwachting van de definitieve vaststelling van het RUP uitsluit; Zodat, het bestreden besluit is aangetast door de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen”. X-13.867-15/19 Beoordeling 5.2. Het toentertijd geldende artikel
DRO, bepaalt wat volgt: “§
van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaald o.a. het volgende: §
, § 1, 3° DRO bepaalde. 5.5. Het planologisch attest van 17 april 2007 vormt de noodzakelijke grondslag voor de inwilliging van haar op voornoemd artikel
DRO gesteunde aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. 5.6. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt is dit planologisch attest niet “volledig gunstig”. Immers, hoewel dit attest stelt dat “op de betrokken percelen (…) als nieuwe bestemming enkel ‘zone voor grondbewerkingsbedrijf’ aanvaardbaar (is)”, bepaalt het tevens dat “omdat het bedrijf niet als X-13.867-17/19 hoofdzakelijk vergund (kan) beschouwd worden, (…) in toepassing van art.
geen korte termijn vergunning (kan) verleend worden. Dit heeft als gevolg dat het college van burgemeester en schepenen het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Grondbewerkingsbedrijf Heylen’ opmaakt in navolging van dit gedeeltelijk positief planologisch attest, vooraleer er stedenbouwkundige vergunningen kunnen afgeleverd worden”. Uit de voormelde bewoordingen van het planologisch attest blijkt onmiskenbaar dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, “elke vergunning voor korte termijnbehoeften” wordt uitgesloten, dus ook de werken, die als “perspectieven op korte termijn” zijn vermeld in de aanvraag voor het bekomen van het planologisch attest, met name de regularisatie van “verhardingen” en de “uitbreiding van de bestaande verharding, de aanleg van een parking en een uitbreiding van het bestaande groenscherm”, zijnde de werken welke het voorwerp uitmaken van het bestreden weigeringsbesluit. 5.7. Dienaangaande voert de verzoekende partij evenwel aan dat het “buiten de bevoegdheid van de attestopmakende overheid valt” om in dit attest te bepalen dat “anticipatieve vergunningen (op grond (…) van art.
) niet zouden kunnen worden verleend omdat niet kan voldaan worden aan de vereisten van deze bepaling”, dat “de effectieve vergunningverlening (en dus ook de toetsing aan de vergunbaarheidsvoorwaarden) de taak is van de ter zake door het DRO bevoegd verklaarde overheden” en dat “de deputatie dus geenszins gebonden kan zijn door dergelijke overwegingen en er ook niet eenvoudig naar kan verwijzen om een vergunning te weigeren”. 5.8. Er dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij het door haar verkregen planologisch attest niet heeft betwist en dat dit definitief is geworden. Een planologisch attest is een akte met individuele strekking. Een exceptie van illegaliteit kan ertegen niet worden ingeroepen. De verwerende partij kon derhalve uit het bepaalde in het planologisch attest terecht besluiten dat de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning niet voldeed aan de voorwaarden gesteld door artikel
DRO. Dit motief volstaat om de bestreden weigering te dragen. X-13.867-18/19 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.