id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.670 Rolnummer: A. 138378/VII-37730 Zaak: Arrest 208670 - Kansspelen - 04/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.670 van 4 november 2010 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.670 van 4 november 2010 in de zaak A. 138.378/VII-37.730. In zake: de BVBA SLOTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Smet kantoor houdend te Waregem Westerlaan 37, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2003, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de stad Hasselt van 22 april 2003 om geen convenant te sluiten met betrekking tot de uitbating van een kansspelinrichting klasse II, gelegen aan de Crutzenstraat 6 te Hasselt. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 126.479 van 16 december 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.730-1/12 Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris De Smet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Luidens artikel 4 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : wet van 7 mei 1999) is het verboden kansspelinrichtingen te exploiteren zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de kansspelcommissie. Artikel 25, 2, van de wet van 7 mei 1999 vereist voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal, een vergunning klasse B, welke, overeenkomstig artikel 21 van de wet van 7 mei 1999, door de kansspelcommissie wordt verleend. 3.2. De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater (artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999). Luidens artikel 36, 5, van de wet van 7 mei 1999 moet, om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, de aanvrager het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse II en de gemeente waar die inrichting gevestigd is. VII-37.730-2/12 3.3. Met een brief van 14 oktober 2002 vraagt de verzoekende partij aan de stad Hasselt om een convenant te sluiten met betrekking tot de opening van een nieuwe kansspelinrichting klasse II, gelegen aan de Crutzenstraat 6 te Hasselt. 3.4. Op 22 april 2003 beslist de gemeenteraad van de stad Hasselt niet in te gaan op de vraag omdat de voorgestelde locatie niet verenigbaar is met de voorschriften van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999. Dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat de vestigingsplaats van bovenvernoemde aanvraag van de BVBA SLOTS, nl. Crutzenstraat 6 te Hasselt, zoals uit het hierbijgevoegde plan van 5.11.2002 van meetkundige-schatter O.G., dhr. Bart CLEUREN blijkt, gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de volgende inrichtingen: - op minder dan l00m van het winkelcentrum Carrefour, Pizzahut, Brico, Herckenrodesingel 2 (wandelafstand: straat oversteken) - op ongeveer 200m van het sportcentrum Olympia, Kuringersteenweg 242 (wandelafstand 284m) - op ongeveer 400m van de stedelijke sporthal Alverberg, Herckenrodesingel 33 (wandelafstand 670m), de Tennishal Excelsior, Oude Kuringerbaan 125 (wandelafstand: 470m) en het voetbalstadion van Sporting Hasselt, Oude Kuringerbaan 123 (wandelafstand: 521m) - op ongeveer 450m van de Technische School H. Hart, Kuringersteenweg/ Kleine Breemstraat 5 (wandelafstand: 522m) - op ongeveer 500m van de snookerhal Playbal, Kuringersteenweg 332 (wandelafstand: 640m) - op ongeveer 600m van het ontmoetingscentrum Crutzenhof, Oude Kuringerbaan 93 en de scoutslokalen aan de Alverbergstraat - op ongeveer 750m van de H. Hartkerk, H. Hartplein en een afdeling van de stedelijke basisschool Kuringen met sporthal, Joris Van Oostenrijkstraat/Van Groesbeeklaan 21 - op ongeveer 900m van de stedelijke basisschool Kuringen, Joris Van Oostenrijkstraat 55, de stedelijke bibliotheek, Joris Van Oostenrijkstraat 55, het Ontmoetingscentrum en de kerk Kuringen-Centrum, Joris Van Oostenrijkstraat, een speelplein, jeugdlokalen en een skate-piste aan de Overdemerstraat; Overwegende dat aldus een hele reeks van inrichtingen, zoals bedoeld in de wet zich bevinden in de nabijheid van de voorgestelde locatie voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II; Dat deze nabijheid bovendien in concreto nog versterkt wordt door het Hasselts mobiliteitsbeleid met het gratis-bussensysteem, de uitgebreide inplanting van bushalten over het ganse grondgebied en de aanwezigheid van twee bushalten, één aan en één pal tegenover de voorgestelde locatie. De drempel van de afstand wordt in de praktijk dan ook aanzienlijk verkleind, bijvoorbeeld door de overbrugging van de afstand Station (met bussenverzamelplaats) - Crutzenstraat in enkele minuten en gratis; Overwegende tenslotte dat in een straal van 700 - 800m de H. Hartwijk in volle ontwikkeling is en er zich vele nieuwe, jonge gezinnen komen vestigen; Overwegende dat de voorgestelde locatie dan ook niet verenigbaar is met de voorschriften van voornoemd artikel 36.4 van de wet, zodat ons Bestuur geen convenant met de aanvrager kan afsluiten". VII-37.730-3/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 34, 35 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en van de formele en de materiële motiveringsverplichting. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 op limitatieve wijze de plaatsen opsomt waarvan de nabijheid prohibitief is voor de vestiging van een kansspelinrichting klasse II en dat tal van plaatsen die in de bestreden beslissing zijn opgenomen - met name winkelcentra, ontmoetingscentra, een voetbalstadion, een sporthal en bushaltes - niet vermeld worden in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, dat het begrip "nabijheid" daarenboven niet herleid kan worden tot een meetkundig vertalen van de afstand van de aangeduide plaatsen tot het geplande exploitatieadres, terwijl de verwerende partij zich in de bestreden beslissing heeft beperkt tot het vermelden van de afstand van bepaalde plaatsen tot de locatie van de voorgenomen kansspelinrichting. In een tweede onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de motieven van het bestreden besluit gesteund zijn op bepaalde aspecten die niet tot de beoordelingsbevoegdheid van de gemeente behoren en die zowel in rechte niet aanvaardbaar als in feite onjuist zijn, dat de bestreden beslissing niet in concreto motiveert waarom de gemeenteraad van oordeel is dat bepaalde locaties die op bepaalde afstand van de geplande exploitatie verwijderd zijn hinderlijk zouden zijn, dat het louter aangeven van de wandelafstanden tot bepaalde plaatsen geen voldoende concrete individuele beoordeling is van de notie "in de nabijheid van", dat de dichtstbijzijnde kerk op 750 meter gelegen is en dat niet valt in te zien hoe en op welke wijze sprake zou kunnen zijn van het creëren van een "frivole omgeving" in de buurt van plaatsen waar erediensten worden gehouden, dat, wat betreft de verwijzing in de bestreden beslissing naar scholen en andere plaatsen waar vooral jongeren samenkomen, rekening houdend met de concrete configuratie van straten en pleinen, niet valt op te maken hoe en op welke wijze jongeren ertoe zouden kunnen worden aangezet de speelautomatenhal te bezoeken, vermits deze op VII-37.730-4/12 ruim voldoende afstand ligt en helemaal aan het oog van deze jongeren is onttrokken gelet op de tussenliggende kruispunten, bochten en bebouwingen en dat in dat verband mede rekening gehouden moet worden met het feit dat de toegang tot een speelautomatenhal voor min 21-jarigen verboden is overeenkomstig artikel 54, § 1, van de wet van 7 mei 1999. 5. De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat de begrippen "onderwijsinstellingen", "gevangenissen", "plaatsen waar erediensten worden gehouden" en "ziekenhuizen" weinig ruimte laten voor interpretatie en dat het duidelijk is wat onder dergelijke instellingen moet worden verstaan, dat door de wetgever geen nadere omschrijving werd gegeven van het begrip "plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht", dat de wetgever zich zodoende heeft willen onthouden om in de wet zelf een restrictieve limitatieve opsomming te geven van een aantal plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en het aan de gemeente en de kansspelcommissie heeft overgelaten om dit begrip op basis van de concrete omstandigheden nader in te vullen en in concreto te toetsen aan de aanvraag tot vestiging van een kansspelinrichting, dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de door de verzoekende partij voorgestelde inplanting van een kansspelinrichting klasse II zich in de nabijheid bevindt van een aantal scholen, sportcentra, ontmoetingscentra, een speelplein en een skatepiste, wat locaties zijn die vooral door jongeren worden bezocht, dat bij ontstentenis van een restrictieve begripsomschrijving in de wet zij op grond van haar discretionaire bevoegdheid voormelde plaatsen mocht betrekken in haar beoordeling om al dan niet met de verzoekende partij een convenant te sluiten. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel stelt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing niet louter een wandelafstand wordt vermeld, doch dat de aanvraag in concreto getoetst werd aan de door de wet vastgestelde criteria rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de zaak, dat inzonderheid werd onderzocht of de voorgestelde inplanting van de kansspelinrichting klasse II niet in de nabijheid gelegen was van plaatsen en instellingen die vooral door jongeren worden bezocht en dat, zoals blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing, er een reëel gevaar bestaat dat er heel wat jongeren in de verleiding zouden kunnen worden gebracht om hun kansen te gaan wagen op de speelautomaten. 6. In haar memorie van wederantwoord volhardt de verzoekende partij in de argumentatie zoals ontwikkeld in het verzoekschrift. VII-37.730-5/12 Beoordeling 7. Artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 luidt als volgt : "De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt". Initieel nam de Senaat een tekst aan die er in voorzag enerzijds, dat tussen de gemeente en de uitbater een convenant "wordt" gesloten en anderzijds, dat het convenant "bepaalt waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt". De uiteindelijke redactie van het artikel 34, derde lid, is het resultaat van twee amendementen, in de Kamer, die ertoe strekten, het ene, de verplichting voor de gemeente om een convenant te sluiten ongedaan te maken en "haar een zekere beleidsvrijheid toe te staan" (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, p. 12; Kamer, Hand., 31 maart 1999, p. 11.702) en, het andere, de woorden "waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal" te doen vervangen door de woorden "waar de kansspelinrichting wordt gevestigd" (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, pp. 3 en 4). Het laatstgenoemde amendement werd aldus verantwoord dat "het beter (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.