← België

Arrest 208670 - Kansspelen - 04/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.670 Rolnummer: A. 138378/VII-37730 Zaak: Arrest 208670 - Kansspelen - 04/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.670 van 4 november 2010 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.670 van 4 november 2010 in de zaak A. 138.378/VII-37.730. In zake: de BVBA SLOTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Smet kantoor houdend te Waregem Westerlaan 37, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2003, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de stad Hasselt van 22 april 2003 om geen convenant te sluiten met betrekking tot de uitbating van een kansspelinrichting klasse II, gelegen aan de Crutzenstraat 6 te Hasselt. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 126.479 van 16 december 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.730-1/12 Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris De Smet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Luidens artikel 4 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : wet van 7 mei 1999) is het verboden kansspelinrichtingen te exploiteren zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de kansspelcommissie. Artikel 25, 2, van de wet van 7 mei 1999 vereist voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal, een vergunning klasse B, welke, overeenkomstig artikel 21 van de wet van 7 mei 1999, door de kansspelcommissie wordt verleend. 3.2. De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater (artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999). Luidens artikel 36, 5, van de wet van 7 mei 1999 moet, om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, de aanvrager het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse II en de gemeente waar die inrichting gevestigd is. VII-37.730-2/12 3.3. Met een brief van 14 oktober 2002 vraagt de verzoekende partij aan de stad Hasselt om een convenant te sluiten met betrekking tot de opening van een nieuwe kansspelinrichting klasse II, gelegen aan de Crutzenstraat 6 te Hasselt. 3.4. Op 22 april 2003 beslist de gemeenteraad van de stad Hasselt niet in te gaan op de vraag omdat de voorgestelde locatie niet verenigbaar is met de voorschriften van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999. Dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat de vestigingsplaats van bovenvernoemde aanvraag van de BVBA SLOTS, nl. Crutzenstraat 6 te Hasselt, zoals uit het hierbijgevoegde plan van 5.11.2002 van meetkundige-schatter O.G., dhr. Bart CLEUREN blijkt, gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de volgende inrichtingen: - op minder dan l00m van het winkelcentrum Carrefour, Pizzahut, Brico, Herckenrodesingel 2 (wandelafstand: straat oversteken) - op ongeveer 200m van het sportcentrum Olympia, Kuringersteenweg 242 (wandelafstand 284m) - op ongeveer 400m van de stedelijke sporthal Alverberg, Herckenrodesingel 33 (wandelafstand 670m), de Tennishal Excelsior, Oude Kuringerbaan 125 (wandelafstand: 470m) en het voetbalstadion van Sporting Hasselt, Oude Kuringerbaan 123 (wandelafstand: 521m) - op ongeveer 450m van de Technische School H. Hart, Kuringersteenweg/ Kleine Breemstraat 5 (wandelafstand: 522m) - op ongeveer 500m van de snookerhal Playbal, Kuringersteenweg 332 (wandelafstand: 640m) - op ongeveer 600m van het ontmoetingscentrum Crutzenhof, Oude Kuringerbaan 93 en de scoutslokalen aan de Alverbergstraat - op ongeveer 750m van de H. Hartkerk, H. Hartplein en een afdeling van de stedelijke basisschool Kuringen met sporthal, Joris Van Oostenrijkstraat/Van Groesbeeklaan 21 - op ongeveer 900m van de stedelijke basisschool Kuringen, Joris Van Oostenrijkstraat 55, de stedelijke bibliotheek, Joris Van Oostenrijkstraat 55, het Ontmoetingscentrum en de kerk Kuringen-Centrum, Joris Van Oostenrijkstraat, een speelplein, jeugdlokalen en een skate-piste aan de Overdemerstraat; Overwegende dat aldus een hele reeks van inrichtingen, zoals bedoeld in de wet zich bevinden in de nabijheid van de voorgestelde locatie voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II; Dat deze nabijheid bovendien in concreto nog versterkt wordt door het Hasselts mobiliteitsbeleid met het gratis-bussensysteem, de uitgebreide inplanting van bushalten over het ganse grondgebied en de aanwezigheid van twee bushalten, één aan en één pal tegenover de voorgestelde locatie. De drempel van de afstand wordt in de praktijk dan ook aanzienlijk verkleind, bijvoorbeeld door de overbrugging van de afstand Station (met bussenverzamelplaats) - Crutzenstraat in enkele minuten en gratis; Overwegende tenslotte dat in een straal van 700 - 800m de H. Hartwijk in volle ontwikkeling is en er zich vele nieuwe, jonge gezinnen komen vestigen; Overwegende dat de voorgestelde locatie dan ook niet verenigbaar is met de voorschriften van voornoemd artikel 36.4 van de wet, zodat ons Bestuur geen convenant met de aanvrager kan afsluiten". VII-37.730-3/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 34, 35 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en van de formele en de materiële motiveringsverplichting. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 op limitatieve wijze de plaatsen opsomt waarvan de nabijheid prohibitief is voor de vestiging van een kansspelinrichting klasse II en dat tal van plaatsen die in de bestreden beslissing zijn opgenomen - met name winkelcentra, ontmoetingscentra, een voetbalstadion, een sporthal en bushaltes - niet vermeld worden in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, dat het begrip "nabijheid" daarenboven niet herleid kan worden tot een meetkundig vertalen van de afstand van de aangeduide plaatsen tot het geplande exploitatieadres, terwijl de verwerende partij zich in de bestreden beslissing heeft beperkt tot het vermelden van de afstand van bepaalde plaatsen tot de locatie van de voorgenomen kansspelinrichting. In een tweede onderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de motieven van het bestreden besluit gesteund zijn op bepaalde aspecten die niet tot de beoordelingsbevoegdheid van de gemeente behoren en die zowel in rechte niet aanvaardbaar als in feite onjuist zijn, dat de bestreden beslissing niet in concreto motiveert waarom de gemeenteraad van oordeel is dat bepaalde locaties die op bepaalde afstand van de geplande exploitatie verwijderd zijn hinderlijk zouden zijn, dat het louter aangeven van de wandelafstanden tot bepaalde plaatsen geen voldoende concrete individuele beoordeling is van de notie "in de nabijheid van", dat de dichtstbijzijnde kerk op 750 meter gelegen is en dat niet valt in te zien hoe en op welke wijze sprake zou kunnen zijn van het creëren van een "frivole omgeving" in de buurt van plaatsen waar erediensten worden gehouden, dat, wat betreft de verwijzing in de bestreden beslissing naar scholen en andere plaatsen waar vooral jongeren samenkomen, rekening houdend met de concrete configuratie van straten en pleinen, niet valt op te maken hoe en op welke wijze jongeren ertoe zouden kunnen worden aangezet de speelautomatenhal te bezoeken, vermits deze op VII-37.730-4/12 ruim voldoende afstand ligt en helemaal aan het oog van deze jongeren is onttrokken gelet op de tussenliggende kruispunten, bochten en bebouwingen en dat in dat verband mede rekening gehouden moet worden met het feit dat de toegang tot een speelautomatenhal voor min 21-jarigen verboden is overeenkomstig artikel 54, § 1, van de wet van 7 mei 1999. 5. De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat de begrippen "onderwijsinstellingen", "gevangenissen", "plaatsen waar erediensten worden gehouden" en "ziekenhuizen" weinig ruimte laten voor interpretatie en dat het duidelijk is wat onder dergelijke instellingen moet worden verstaan, dat door de wetgever geen nadere omschrijving werd gegeven van het begrip "plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht", dat de wetgever zich zodoende heeft willen onthouden om in de wet zelf een restrictieve limitatieve opsomming te geven van een aantal plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en het aan de gemeente en de kansspelcommissie heeft overgelaten om dit begrip op basis van de concrete omstandigheden nader in te vullen en in concreto te toetsen aan de aanvraag tot vestiging van een kansspelinrichting, dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de door de verzoekende partij voorgestelde inplanting van een kansspelinrichting klasse II zich in de nabijheid bevindt van een aantal scholen, sportcentra, ontmoetingscentra, een speelplein en een skatepiste, wat locaties zijn die vooral door jongeren worden bezocht, dat bij ontstentenis van een restrictieve begripsomschrijving in de wet zij op grond van haar discretionaire bevoegdheid voormelde plaatsen mocht betrekken in haar beoordeling om al dan niet met de verzoekende partij een convenant te sluiten. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel stelt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing niet louter een wandelafstand wordt vermeld, doch dat de aanvraag in concreto getoetst werd aan de door de wet vastgestelde criteria rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de zaak, dat inzonderheid werd onderzocht of de voorgestelde inplanting van de kansspelinrichting klasse II niet in de nabijheid gelegen was van plaatsen en instellingen die vooral door jongeren worden bezocht en dat, zoals blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing, er een reëel gevaar bestaat dat er heel wat jongeren in de verleiding zouden kunnen worden gebracht om hun kansen te gaan wagen op de speelautomaten. 6. In haar memorie van wederantwoord volhardt de verzoekende partij in de argumentatie zoals ontwikkeld in het verzoekschrift. VII-37.730-5/12 Beoordeling 7. Artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 luidt als volgt : "De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt". Initieel nam de Senaat een tekst aan die er in voorzag enerzijds, dat tussen de gemeente en de uitbater een convenant "wordt" gesloten en anderzijds, dat het convenant "bepaalt waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt". De uiteindelijke redactie van het artikel 34, derde lid, is het resultaat van twee amendementen, in de Kamer, die ertoe strekten, het ene, de verplichting voor de gemeente om een convenant te sluiten ongedaan te maken en "haar een zekere beleidsvrijheid toe te staan" (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, p. 12; Kamer, Hand., 31 maart 1999, p. 11.702) en, het andere, de woorden "waar automaten mogen worden opgesteld, wie toegang krijgt tot welk gedeelte van de automatenhal" te doen vervangen door de woorden "waar de kansspelinrichting wordt gevestigd" (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, pp. 3 en 4). Het laatstgenoemde amendement werd aldus verantwoord dat "het beter (

  1. is)dat betrokken partijen vooraf akkoord gaan over de plaats van de vestiging mits uiteraard de andere bestaande wettelijke vereisten onder meer inzake stedenbouw en milieuwetgeving worden gerespecteerd". Blijkens de toelichting tijdens de plenaire vergadering, houdt de tekstwijziging verband met de wil om de gemeenten een rol te laten spelen inzake "de zorg voor gokverslaving" (Kamer, Hand., 31 maart 1999, pp. 11.701 en 11.702). Uit de parlementaire ontstaansgeschiedenis van artikel 34, derde lid, blijkt dat de wet van 7 mei 1999 een discretionaire bevoegdheid toekent aan de gemeente die onder meer slaat op de vestigingsplaats van de kansspelinrichting klasse II. De appreciatiebevoegdheid van de gemeente houdt in wezen in dat op grond van een concreet onderzoek van de eigen en particuliere omstandigheden van VII-37.730-6/12 elke zaak, geval per geval wordt uitgemaakt of al dan niet een convenant kan worden gesloten. Artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 verplicht de gemeente van vestiging dan ook geenszins met elke aanvrager een convenant te sluiten, maar laat haar tevens toe een convenant te weigeren. Naar luid van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 moet de aanvrager, om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, "ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen". Uit het geheel van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om het begrip "in de nabijheid van" niet te vervangen door de aanduiding van een precieze afstand en om aan (onder andere) de gemeente over te laten de notie in te vullen, weliswaar onder controle van de rechter (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-419/17, pp. 139 en 140; Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, pp. 55 en 56). Het is de gemeente derhalve niet verboden de nabijheid van de in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde instellingen en plaatsen te beoordelen en te betrekken bij de uitoefening van de bevoegdheid die artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 haar toekent om al dan niet een convenant te sluiten. Wat betreft het argument van de verzoekende partij dat een aantal locaties die in de bestreden beslissing zijn opgenomen - te weten winkelcentra, ontmoetingscentra, een voetbalstadion, een sporthal en bushaltes - niet uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, wordt vastgesteld dat het plaatsen betreft die in belangrijke mate door jongeren worden bezocht. Artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 draagt de zorg op om een kansspelinrichting niet te vestigen op plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Dit vestigingsverbod beoogt te vermijden dat jongeren - zijnde één van de categorieën van personen die de wetgever in het bijzonder heeft willen beschermen - ertoe worden aangezet om speelautomatenhallen te bezoeken. De verwerende partij is haar discretionaire bevoegdheid niet te buiten gegaan door bedoelde instellingen en plaatsen te beschouwen als "plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht" in de zin van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 en de ligging ervan ten opzichte van de voorgenomen kansspelinrichting bij haar beoordeling te betrekken. VII-37.730-7/12 De weigering om een convenant te sluiten wegens de nabijheid van plaatsen en inrichtingen zoals bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, komt aan de vereisten inzake formele motivering tegemoet wanneer de beslissing uitdrukkelijk aangeeft op grond van welke gegevens de gemeente, na een in concreto onderzoek en afweging, tot de prohibitieve nabijheid heeft besloten. De bestreden beslissing vermeldt in hoofdzaak de afstand van de kansspelinrichting tot scholen en diverse plaatsen die door jongeren worden bezocht. Het nabijheidsverbod voor onderwijsinstellingen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, houdt direct verband met de betrachting om scholieren en jongeren te behoeden voor de verleiding om een speelautomatenhal op te zoeken omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten of omdat het slechts een minimale inspanning vergt om ze te bereiken. De concrete beoordeling van de nabijheid betreft ipso facto de aantrekkingskracht van de kansspelinrichting en van de inspanning om er te geraken. De opgave in de bestreden beslissing van een afstand van minder dan 100 meter, ongeveer 200 meter, ongeveer 400 meter, ongeveer 450 meter, ongeveer 500 meter, ongeveer 600 meter, ongeveer 750 meter en ongeveer 900 meter van de kansspelinrichting tot respectievelijk het winkelcentrum "Carrefour, Pizzahut, Brico", het sportcentrum Olympia, de "stedelijke sporthal Alverberg, (...) de Tennishal Excelsior (...) en het voetbalstadion van Sporting Hasselt", de Technische School H. Hart, de snookerhal Playbal, het "ontmoetingscentrum Crutzenhof (...) en de scoutslokalen aan de Alverbergstraat", een "afdeling van de stedelijke basisschool Kuringen met sporthal", de "stedelijke basisschool Kuringen, (...) de stedelijke bibliotheek, (...) het Ontmoetingscentrum (...), een speelplein, jeugdlokalen en een skate-piste", volstaat om te gewagen van de aantrekkingskracht die van de kansspelinrichting uitgaat op scholieren en jongeren. De verzoekende partij betwist de in het bestreden besluit opgegeven afstanden niet. Met het argument dat de kansspelinrichting, gelet op de concrete configuratie van straten en pleinen en gelet op de tussenliggende kruispunten, bochten en bebouwingen, aan het directe oog van de scholieren en jongeren is onttrokken, slaagt de verzoekende partij er niet in de intrinsieke aantrekkingskracht van een kansspelinrichting in de onmiddellijke nabijheid van jongeren en scholieren te minimaliseren. In de mate dat de verzoekende partij opmerkt dat de dichtstbijzijnde kerk gelegen is op 750 meter van de inrichting en er niet valt in te VII-37.730-8/12 zien hoe er sprake zou kunnen zijn van het creëren van een "frivole omgeving", wordt vastgesteld dat de ligging van de kansspelinrichting ten opzichte van de overige in de bestreden beslissing vermelde instellingen en plaatsen de weigering van het sluiten van een convenant afdoende kan verantwoorden, zodat de eventuele gegrondheid van de kritiek van de verzoekende partij de wettigheid van het bestreden besluit niet in het gedrang kan brengen. Het door artikel 54, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ingestelde toegangsverbod voor personen onder de 21 jaar, doet op geen enkele wijze afbreuk aan de in artikel 36, 4, van dezelfde wet vastgestelde vestigingsvoorwaarde ten opzichte van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Het eerste middel is in al zijn onderdelen ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. In een tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van de hoorplicht en van de rechten van verdediging. De verzoekende partij betoogt dat de bestreden beslissing genomen werd zonder haar voorafgaandelijk te horen, zodat zij zich niet heeft kunnen verdedigen en ook niet de kans heeft gekregen de feitelijke omstandigheden die tot de gelaakte beslissing hebben geleid te onderzoeken en te weerleggen en dat de gemeenteraad van de stad Hasselt bij haar beslissing diverse omstandigheden heeft betrokken waaromtrent zij totaal onwetend was zodat zij zich niet terdege heeft kunnen informeren en verdedigen. 9. De verwerende partij antwoordt dat in de wet van 7 mei 1999 geen bepaling is opgenomen die de gemeente verplicht de aanvrager van een convenant te horen en dat de verzoekende partij de kans heeft gekregen voorafgaandelijk aan het nemen van de bestreden beslissing het verzoek tot het afsluiten van een convenant op een uitgebreide wijze toe te lichten, zodat niet kan worden gesteld dat haar rechten van verdediging zijn geschonden. 10. In de memorie van wederantwoord volhardt de verzoekende partij in de argumentatie zoals ontwikkeld in het verzoekschrift. VII-37.730-9/12 Beoordeling 11. De bestreden beslissing kwam tot stand op aanvraag van de verzoekende partij. Met het oog op de inwilliging ervan, kon en mocht zij in de aanvraag alle mogelijke informatie en toelichting aanbrengen die zij maar wenste. De verzoekende partij toont niet aan dat de afwijzing van de aanvraag steunt op gegevens die betrekking hebben op feiten en belangen nopens haar die zouden afwijken van wat zij daaromtrent zelf heeft meegedeeld. Overigens wordt het recht van de aanvrager van een vergunning klasse B om te worden gehoord expliciet geregeld door artikel 35, derde lid, van de wet van 7 mei 1999. In die bepaling is niet voorzien in het horen van de aanvrager door de gemeente. Voormelde bepaling schrijft alleen voor dat de aanvrager, die kan worden bijgestaan door zijn raadsman, op verzoek vooraf door de kansspelcommissie moet worden gehoord. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel 12. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij voor het eerst aan dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De verzoekende partij betoogt dat de stad Hasselt wel een convenant heeft gesloten met de NV Lerus Centers Hasselt voor de vestiging van een kansspelinrichting op een locatie die zich situeert in het volle stadscentrum, op afstanden van de in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde plaatsen en instellingen die veel korter zijn in vergelijking met de door haar beoogde vestigingsplaats. Beoordeling 13. De discretionaire bevoegdheid van een gemeente om al dan niet een convenant te sluiten wordt onder meer begrensd door de manier waarop die gemeente de bevoegdheid in andere, haast identieke gevallen uitoefent. Er kan te dezen slechts sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer er een ongelijke behandeling is van exploitanten van kansspelinrichtingen die zich in eenzelfde of soortgelijke toestand bevinden. Wanneer de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, komt het aan VII-37.730-10/12 de verzoekende partij toe voldoende concrete elementen aan te brengen die het mogelijk maken te onderzoeken of zij inderdaad ongelijk is behandeld ten aanzien van andere exploitanten van een kansspelinrichting die in een gelijke of minstens gelijkaardige situatie verkeren en tevens om aan te tonen dat voor die ongelijke behandeling geen deugdelijke verantwoording voorhanden is. Op basis van de in de laatste memorie bijgebrachte elementen wordt niet aangenomen dat de kansspelinrichting van de verzoekende partij aan de Crutzenstraat 6 te Hasselt zich laat vergelijken met die van de NV Lerus Centers Hasselt aan de Maastrichterstraat 49 te Hasselt, waarvoor de gemeenteraad van de stad Hasselt op 22 juni 2004 heeft beslist een convenant te sluiten. Geen van de door de verzoekende partij aangehaalde plaatsen en inrichtingen in de nabijheid van de kansspelinrichting aan de Maastrichterstraat is immers identiek aan de plaatsen en inrichtingen die opgesomd worden in de bestreden beslissing. Derhalve toont de verzoekende partij niet aan dat de NV Lerus Centers Hasselt een kansspelinrichting heeft mogen vestigen in dezelfde nabijheid als deze waarvoor de vraag van de verzoekende partij tot het sluiten van een convenant werd afgewezen. Bij gebrek aan adequaat vergelijkingsmateriaal - in casu wordt niet aangetoond dat de andere kansspelinrichting in vergelijkbare mate hinderlijk is - kan niet besloten worden tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. VII-37.730-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.730-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.670 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.