← België

Arrest 208673 - Milieuvergunningen - 04/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.673 Rolnummer: A. 196668/VII-37814 Zaak: Arrest 208673 - Milieuvergunningen - 04/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-08 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.673 van 4 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 208.673 van 4 november 2010 in de zaak A. 196.668/VII-37.814. In zake: Gert LAURIJSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Dockx kantoor houdend te Turnhout Gemeentestraat 4, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 2 juni 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 26 maart 2010 waarbij het beroep van de BVBA Bruvarko tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 23 april 2009, houdende weigering van de vergunning voor de verandering van een varkensbedrijf, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA Bruvarko de gevraagde vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. VII-37.814-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Dockx, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De BVBA Bruvarko exploiteert een varkensbedrijf, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels. De inrichting werd op 15 april 2008 vergund voor het houden van 400 varkens. 3.2. Op 24 oktober 2008 dient de BVBA Bruvarko een aanvraag in voor het verkrijgen van een milieuvergunning om de varkenshouderij te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding. Het voorwerp van de beoogde verande- ring bestaat concreet uit : - de toevoeging van het kadastraal perceel nr. 1-B-273m; - de wijziging door omvorming van plaatsen voor 180 zeugen naar plaatsen voor andere varkens; - de uitbreiding met : - bijkomende plaatsen voor andere varkens zodat er voortaan plaatsen zijn voor 2.880 andere varkens in 1 nieuwe stal; - de opslag van 27.600 kg zwavelzuur in een bovengrondse tank; - een grondwaterwinning op een diepte van 228 meter met een maximaal opgepompt debiet van 21 m³ per dag en 7.733 m³ per jaar. VII-37.814-2/14 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek worden 551 individuele en 58 collectieve bezwaarschriften ingediend. 3.4. Bij besluit van 23 april 2009 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen de gevraagde milieuvergunning en verklaart zij de melding van een aantal klasse 3-inrichtingen zonder voorwerp. 3.5. Tegen voormeld weigeringsbesluit stelt de aanvrager van de vergunning administratief beroep in bij de Vlaamse regering. 3.6. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht :

  1. a)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid verleent een gunstig advies;
  2. b)de afdeling Milieuvergunningen brengt een ongunstig advies uit, waarin onder meer te lezen staat wat volgt : "Overwegende dat wordt verwacht dat de potentiële hinder door het bedrijf zich zal manifesteren in de vorm van geurhinder en een gebrekkige ontsluiting naar het omliggend gebied; dat voor deze 2 parameters de draagkracht van het gebied dreigt overschrijden te worden; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek op 22 juli 2009 door een vertegenwoordiger van de afdeling milieuvergunningen werd vastgesteld dat er in het gebied van de betreffende inrichting met de naburige landbouwbedrij- ven een zeer penetrante mestgeur aanwezig was; dat deze geur zich uitstrekte tot de eerste woonstraten op circa 300 meter afstand; dat deze geurhinder werd vastgesteld in de situatie voor de uitbreiding met voor het betreffende bedrijf slechts 400 vergunde varkens; dat hier na de uitbreiding 5430 varkens aanwezig zullen zijn, waarvan 2880 vleesvarkens van meer dan 20 kilogram; dat deze vleesvarkens zullen ondergebracht worden in een nieuwe stal die uitgerust zal worden met een chemische luchtwasser waaraan de exploitant bereid is eventueel nog een biologische luchtwasser te koppelen; dat volgens het BBT rapport inzake veeteelt 30% geurreductie gehaald kan worden met een chemische gaswasser en 40-50% met een biologische gaswasser; dat dit een significante reductie betreft maar dat gezien de uitbreiding ook aanzienlijk is (van 400 varkens naar 2880) het risico op geurhinder reeël is en dit in een gebied dat nu al overmatige geurhinder kent door de hoge concentratie aan veeteeltbedrijven; dat bovendien de 2550 biggen zullen ondergebracht worden in de oude stal die niet kan aangesloten worden op een luchtwasser omdat de lucht er niet gecentraliseerd is; dat de geuremissie door biggen weliswaar lager ligt dan die door vleesvarkens maar dat ze volgens het BBT rapport inzake veeteelt nog altijd aanzienlijk is (3, 3-17 geureenheden per dierplaats in vergelijking met 9, 6-22, 4 voor vleesvarkens); dat op basis van het bovenstaan- de kan gesteld worden dat de geurhinder voor de omringende omgeving niet tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat gezien de enorme omvang van de uitbreiding blijkt dat het risico op hinder op de mens buiten de inrichting VII-37.814-3/14 niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde milieuvergunning te weigeren";
  3. c)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 11 augustus 2009 voor om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen; in dit advies wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat de voornaamste bezwaren geuit door de beroepsindieners betrekking hebben op geurhinder; dat door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen ter plaatste significante geurhinder werd vastgesteld; dat dit de situatie voor de uitbreiding betrof; dat deze geurhinder kan verklaard worden door de hierboven beschreven hoge concentratie aan landbouwbedrijven; dat na de uitbreiding hier nog 2480 vleesvarkens en 2550 biggen bijkomen; dat dit een zeer significante uitbreiding betreft; dat de stal voor de vleesvarkens zal uitgerust worden met een chemische luchtwasser eventueel gekoppeld aan een biologische luchtwasser; dat de stal voor de 2550 biggen niet op een luchtwasser kan aangesloten worden en dus enkel natuurlijke ventilatie kent; dat door de exploitant nergens wordt aangetoond dat de geurhinder na de uitbreiding tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen beperkt worden; dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde milieuvergunning te weigeren". 3.7. In een brief van 27 november 2009, gericht aan Michiel Boodts op het adres Koolstraat 35 te Brussel, brengt de aanvrager een aantal bijkomende argumenten bij om toch de gevraagde vergunning te verlenen. 3.8. Met een besluit van 26 maart 2010 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het beroep van de BVBA Bruvarko tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 23 april 2009 gegrond; de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA Bruvarko wordt de gevraagde vergunning verleend. Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende motieven van de bestreden beslissing van belang : "Overwegende dat de voornaamste bezwaren geuit door de beroepsindieners betrekking hebben op geurhinder; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek op 22 juli 2009 door een vertegenwoordiger van de afdeling milieuvergunningen werd vastgesteld dat er in het gebied van de betreffende inrichting met de naburige landbouwbedrij- ven een zeer penetrante mestgeur aanwezig was; dat deze geur zich uitstrekte tot de eerste woonstraten op circa 300 meter afstand; dat deze geurhinder werd vastgesteld in de situatie voor de uitbreiding met voor het betreffende bedrijf slechts 400 vergunde varkens; dat deze geurhinder niet uitsluitend kan toegeschreven worden aan het bedrijf zelf; dat er zich immers in een straal van 300 meter nog 6 andere landbouwbedrijven bevinden die momenteel in totaal vergund zijn voor circa 1100 mestvarkens, 368 runderen, 62.200 slachtkuikens, VII-37.814-4/14 39.500 opfokpoeljen en 17 paarden; dat de nieuwe stal bovendien zal uitgerust worden met een gecombineerde luchtwasser die zorgt voor een geurreductie van 70%; dat volgens de aanvraag de 2550 biggen ondergebracht zullen worden in een oude stal die niet kan aangesloten worden op een luchtwasser; dat de exploitant wel bereid is om de biggenstal uit te voeren met een ammoniak- emissiearmsysteem, meer bepaald het water-mestkanaal V 1.5.; dat met dit systeem de geur geproduceerd door de biggen met 30 % gereduceerd zal worden; dat het installeren van dit systeem als bijzondere voorwaarde zal opgelegd worden; dat de exploitant een geursimulatie heeft laten uitvoeren om het effect van de uitbreiding te kunnen inschatten; dat daaruit kan besloten worden dat de geurpluim quasi gelijk blijft; dat in de nieuwe situatie met V l.5. er slechts 16 woningen (geen in de huidige situatie) worden teruggevonden in de zone waar er 1-1, 5 ouE/m³ wordt waargenomen; dat wil zeggen dat zij af en toe hinder kunnen ondervinden en deze zone wordt in woongebied met landelijk karakter als gering negatief omschreven; dat voor woningen in agrarisch gebied alle geur tot 1,5 ouE/m³ als verwaarloosbaar wordt aanzien; dat in de nieuwe situatie 27 woningen zich in deze zone zullen bevinden; dat 35 woningen zich zullen bevinden in de zone waar men af en toe geur kan waarnemen en 17 woningen in een zone die als matig negatief kan omschreven worden (stijging met 8 woningen); dat geen enkele woning zich bevindt in de negatieve zone waarbij men constant hinder ondervindt van deze exploitatie; dat dus kan gesteld worden dat de uitbreiding quasi geen bijkomende hinder met zich zal meebrengen". IV. Onderzoek van de vordering 4. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 5. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheidsbeginsel. VII-37.814-5/14 De verzoeker vindt het onbegrijpelijk dat in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van de inrichting "quasi geen bijkomende hinder met zich zal brengen", en voorts stelt hij dat een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen tijdens een plaatsbezoek een penetrante mestgeur heeft vastgesteld op een ogenblik dat op de inrichting slechts 400 varkens aanwezig waren, dat na de vergunde uitbreiding de hinder alleen maar zal toenemen ondanks de geurreductie die bereikt wordt door de voorziene luchtwasser in de nieuwe stal en de ammoniakemissiearme uitvoering van de bestaande stal, dat de minister niet in redelijkheid tot het besluit kon komen dat "de geurpluim quasi gelijk blijft" en zij de bijkomende hinder kennelijk en op onwetenschappelijke wijze heeft onderschat, dat de geurhindersimulatie waar de motivering van het bestreden besluit naar verwijst oncontroleerbaar is, dat in de beslissing sprake is van een gecombineerde luchtwasser, dat in de vergunningsaanvraag evenwel slechts een chemische luchtwasser vermeld wordt, dat de afdeling Milieuvergunningen ongunstig advies heeft verleend wegens het risico op onaanvaardbare geurhinder, dat de minister op een niet-gemotiveerde wijze van voormeld advies is afgeweken en dat in de bestreden beslissing bovendien niet wordt ingegaan op de andere bezwaren die hebben geleid tot de weigering van de vergunning in eerste aanleg. 6. In haar nota repliceert de verwerende partij als volgt : "(...) Ter weerlegging van het middel dient te worden gewezen op het volgende tekstfragment uit de aanhef van het bestreden Besluit: 'Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek op 22 juli 2009 door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen werd vastgesteld dat er in het gebied van de betreffende inrichting met de naburige landbouwbedrijven een zeer penetrante mestgeur aanwezig was: dat deze geur zich uitstrekte tot de eerste woonstraten op circa 300 meter afstand; dat deze geurhinder werd vastgesteld in de situatie voor de uitbreiding met voor het betreffende bedrijf slechts 400 vergunde varkens; dat deze geurhinder niet uitsluitend kan toegeschreven worden aan het bedrijf zelf; dat er zich immers in een straal van 300 meter nog 6 andere landbouwbe- drijven bevinden die momenteel in totaal vergund zijn voor circa 1100 mestvarkens, 368 runderen, 62.200 slachtkuikens, 39.500 opfokpoeljen en 17 paarden; dat de nieuwe stal bovendien zal uitgerust worden met een gecombineerde luchtwasser die zorgt voor een geurreductie van 70 %; dat volgens de aanvraag de 2550 biggen ondergebracht zullen worden in een oude stal die niet kan aangesloten worden op een luchtwasser; dat de exploitant wel bereid is om de biggenstal uit te voeren met een am- moniakemissiearmsysteem meer bepaald het water-mestkanaal V 1.5.; dat met dit systeem de geur geproduceerd door de biggen met 30 % geredu- ceerd zal worden; dat het installeren van dit systeem als bijzondere voorwaarde zal opgelegd worden; dat de exploitant een geursimulatie heeft laten uitvoeren om het effect van de uitbreiding te kunnen inschat- ten; dat daaruit kan besloten worden dat de geurpluim quasi gelijk blijft; dat in de nieuwe situatie met V 1.5. er slechts 16 woningen (geen in de VII-37.814-6/14 huidige situatie) worden teruggevonden in de zone waar er 1-1,5 ouE/m³ wordt waargenomen; dat wil zeggen dat zij af en toe hinder kunnen ondervinden en deze zone wordt in woongebied met landelijk karakter als gering negatief omschreven; dat voor woningen in agrarisch gebied alle geur tot 1,5 ouE/m³ als verwaarloosbaar wordt aanzien; dat in de nieuwe situatie 27 woningen zich in deze zone waar men af en toe geur kan waarnemen en 17 woningen in de zone die als matig negatief kan omschreven worden (stijging met 8 woningen); dat geen enkele woning zich bevindt in de negatieve zone waarbij men constant hinder ondervindt van deze exploitatie; dat dus kan gesteld worden dat de uitbreiding quasi geen bijkomende hinder met zich zal meebrengen'. (...) Uit geciteerd tekstfragment blijkt dat het bestreden besluit uitdrukkelijk de overwegingen vermeld op grond waarvan kon worden gekomen tot de vaststelling dat er quasi geen bijkomende hinder zal worden veroorzaakt door de uitbreiding van de inrichting. Wanneer wordt rekening gehouden met de vereiste minimumafstand van het VLAREM (verbod- en afstandsregels), waaraan de inrichting beantwoordt; versterkt met de geurhindersimulatie die werd uitgevoerd en waarvan niet zomaar kan worden aangenomen dat deze zonder waarde is (of oncontroleerbaar) en aangevuld met de overwogen bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, kon het bestreden Besluit in alle redelijkheid komen tot de vaststelling dat de bijkomende hinder als gevolg van de gevraagde uitbreiding quasi nihil zal zijn. Met deze overwegingen werden tevens de op dit punt andersluidende adviezen afdoende weerlegd in het bestreden besluit. Om de milieuvergunningsplichtige inrichting te kunnen vergunnen, is het niet vereist dat deze inrichting geen hinder zou teweeg- brengen, maar dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, zoals in casu het geval zal zijn. (...) Als bijzondere milieuvoorwaarde wordt in het bestreden besluit ondermeer het volgende opgelegd: '- het chemisch luchtwassysteem (S-2) moet geïmplementeerd worden; de uitvoering en het gebruik van het luchtwassysteem moet volledig conform het Ministerieel Besluit van 19 maart 2004 ...gebeuren - het chemisch luchtwassysteem moet een ammoniakverwijderingsrende- ment hebben van minimaal 70 %; er moet een rendementsmeting uitgevoerd worden ten laatste 6 maanden na ingebruikname van de installatie (...) - de oude stal waarin de biggen zullen worden ondergebracht, wordt uitgevoerd met een V-1.5. ammoniak-emissiearm-systeem; - het transport moet gebeuren via de Arendonksesteenweg'; Hieruit blijkt dat er geen tegenstrijdigheid is tussen de motieven die zijn opgenomen in de aanhef van het bestreden Besluit en de bijzondere milieuvoor- waarden. (...) Ter weerlegging van het eerste middel dient tot slot te worden vastgesteld dat in het bestreden besluit een afdoende antwoord wordt gevonden op de eerder in de beroepsprocedure verleende andersluidende adviezen en de bezwaren en aanspraken die door de indiener van het beroep werden gesteld, zodat het besluit in overeenstemming met artikel 52, 3/, b VLAREM werd genomen. In de aanhef van het bestreden Besluit wordt uitdrukkelijk verwezen naar de bezwaarschriften die terloops het openbaar onderzoek werden ingediend. Uit het motief betreffende de verkeersproblematiek blijkt duidelijk dat de bezwaren op het gebied van mobiliteit wel degelijk werden onderzocht en beantwoord en aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een bijzondere voorwaarde. Verzoekende partij toont niet aan dat dit motief onjuist is. Dat verder de vaststellingen dat de exploitatie vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk VII-37.814-7/14 oogpunt verenigbaar is met de toepasselijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften en dat de risico's op nadelige milieueffecten tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, blijkt dat ook deze punten werden onderzocht en hiermee de bezwaren werden beantwoord". Beoordeling 7. Met het bestreden besluit wordt vergunning verleend voor het houden van maximaal 2.880 vleesvarkens. Daarmee wordt het bestaande varkensbe- drijf, omvattende 400 vleesvarkens, toegelaten uit te breiden tot het zevenvoudige van het voorheen bestaande aantal stalplaatsen. Daarnaast zullen op de inrichting ook nog 2.550 biggen, die op zich niet vergunningsplichtig zijn, gehouden worden. In het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de vergunde uitbreiding "quasi geen bijkomende hinder met zich zal meebrengen". Die conclusie steunt op de overwegingen waarin gesteld wordt dat de ter plaatse gedane vaststelling van een "zeer penetrante mestgeur" door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen niet uitsluitend kan worden toegeschreven aan het varkensbedrijf van de BVBA Bruvarko maar deels ook aan zes andere landbouwbe- drijven in de omgeving, dat de nieuwe varkensstal uitgerust zal worden met een gecombineerde luchtwasser die de geuremissie met 70 % zal verminderen, dat de bestaande stal waarin voortaan de biggen zullen worden ondergebracht ammoniak- emissiearm zal worden uitgevoerd met een water-mestkanaal waardoor de geur met 30% gereduceerd zal worden en, ten slotte, dat uit een geursimulatie die de exploitant heeft laten uitvoeren besloten moet worden dat "de geurpluim quasi gelijk blijft". Geen van de opgegeven motieven kan de bestreden beslissing afdoende schragen. Dat de vastgestelde "zeer penetrante mestgeur" niet uitsluitend toegeschreven kan worden aan de inrichting van de BVBA Bruvarko, wettigt geenszins de gevolgtrekking dat de gevoelige uitbreiding van die inrichting quasi geen bijkomende geurhinder veroorzaakt. Het uitrusten van de nieuwe stal met een gecombineerde luchtwasser (chemische luchtwasser met een biologische naschakelingstechniek) is op het eerste gezicht niet als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. De met VII-37.814-8/14 het bestreden besluit opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden spreken in dat verband enkel van de implementatie van een "chemisch luchtwassysteem" waarvan de uitvoering en het gebruik "volledig conform het Ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen" moet gebeuren. Zelfs indien het door de bestreden milieuvergunning bedoelde "chemisch luchtwassysteem" effectief een verwijderingsrendement zou halen van 70 % van de door 2.880 varkens geproduceerde ammoniak, valt niet meteen in te zien hoe de 30 % niet-verwijderde ammoniak geen bijkomende hinder betekent ten opzichte van de bestaande toestand met maximaal 400 varkens, die in alle gevallen instaan voor een lagere ammoniakproductie, met inbegrip van de hypothese dat geen enkele ammoniakbeperkende techniek wordt toegepast. De geursimulatie waar het bestreden besluit naar verwijst, werd uitgevoerd in opdracht van de exploitant. De gespecialiseerde adviesverlenende instanties hebben die geursimulatie niet aan een kritisch onderzoek kunnen onderwerpen. De geursimulatie is immers pas in extremis aan het beroepsdossier toegevoegd op een ogenblik dat alle adviezen reeds waren uitgebracht. In de huidige stand van het geding kan de Raad van State niet kritiekloos aanvaarden dat de "geurpluim quasi gelijk blijft", zoals uit de betrokken geursimulatie zou blijken. De overweging in het bestreden besluit dat in de "nieuwe situatie" zich "slechts" 16 woningen zullen situeren in de zone waar er 1-1,5 ouE/m³ wordt waargenomen - terwijl de bestaande toestand geen dergelijke woningen omvat - spreekt op het eerste gezicht immers tegen dat de vergunde verandering in wezen neutraal is op het vlak van de verspreiding van geurhinder. Het middel is ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 8. In zijn verzoekschrift zet de verzoeker het volgende uiteen ter staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel : VII-37.814-9/14 "(...)Verzoeker woont vlak bij de geplande exploitatie en is de meest nabije buur ervan. Waar door de gewestelijke milieuvergunningscommissie wordt gesteld dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, is dit vooreerst het geval voor verzoeker. Vooral de geurhinder zal na de uitbreiding niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt kunnen worden, zo werd geadviseerd. Bij het beoordelen van het aanvaardbaar niveau werd door de milieuvergun- ningscommissie rekening gehouden met het feit dat de gevraagde exploitatie in agrarisch gebied zou worden vergund. De ernst van de veroorzaakte hinder zal de tolerantiedrempel - ook voor agrarisch gebied - overtreffen, zo blijkt uit betreffend advies. Verzoeker verwijst naar hetgeen hoger werd uiteengezet over de bijkomende hinder die ten gevolge van de geplande uitbreiding door hem zal dienen ondergaan te worden, waardoor de leef- en woonkwaliteit van verzoeker ernstig zal verstoord worden. Hem zou op constante wijze belet worden om buiten te zijn of zijn woning te verluchten zonder geconfronteerd te worden met de geurhinder. (...) Verzoeker zou overigens niet enkel ernstige geurhinder dienen te ondergaan. Hij zou tevens stof-, lawaai-, en verkeershinder dienen te ondergaan. (...) Daarbij zullen varkens overwegend voor zonsopgang worden opgeladen, aangezien deze om 6.00 uur bij het slachthuis dienen afgeleverd te worden. Zo heeft verzoeker op 31/05/2010 laten noteren door de politie dat varkens werden opgeladen om 5.45 uur, waardoor zijn nachtrust ernstig verstoord werd. Door de omvang van de geplande exploitatie zou de nachtrust van verzoeker zeer regelmatig worden verstoord. Ook zullen een dergelijke hoeveelheid varkens alleszins geluidshinder veroorzaken, aangezien deze schreeuwen in allerlei omstandigheden. Louter omwille van het gevoederd willen worden, schreeuwen varkens immers al, in casu dus 5.430 varkens, meermaals daags, op 20 meter afstand van de woning van verzoeker. Door de aanvrager werd in zijn vergunningsaanvraag aangegeven dat biggen zullen worden aangevoerd tijdens de kantooruren, waardoor deze zelf te kennen geeft dat die aanvoer geluidsoverlast zal teweeg brengen. De stallen zullen uitgerust worden met ventilatoren, die dag en nacht zullen dienen te draaien om de inrichting voldoende te verluchten, waardoor eveneens geluidshinder zal veroorzaakt worden. (...) Verzoeker zal verkeershinder dienen te ondergaan ten gevolge van de vele transporten die zullen plaatsvinden voor aan- en afvoer van biggen, varkens en krengen, voor aanvoer van voeder en afvoer van mest. De industriële omvang van de geplande exploitatie zal met zich brengen dat er een overmatig aantal transporten zal plaatsvinden door zwaar vrachtverkeer, en dit over een verkeersinfrastructuur die daaraan niet is aangepast. (...) De infrastructuur van de geplande exploitatie is overigens evenmin aangepast aan frequent laden en lossen, zodat zich steevast hinderlijke situaties zullen voordoen door manoeuvrerende vrachtwagens, ook ter hoogte van de woning van verzoeker. Daarbij is er reeds een zware belasting van de onaangepaste verkeersinfra- structuur ten gevolge van de aanwezigheid van een industrieel akkerbouwbe- drijf ter plaatse, zodat de door verzoeker te ondergane hinder overmatig zal zijn en de tolerantiedrempel zal overschreden worden. VII-37.814-10/14 (...) Verder zal er een voortdurend gevaar zijn voor verzoeker door de onbewaak- te opslag van 15 m³ onverdund zwavelzuur vlak bij zijn woning, waardoor deze niet meer onbezorgd kan zijn. VII-37.814-11/14 (...) De hinder die verzoeker te beurt zal vallen indien de geplande exploitatie operationeel zou worden, kan niet gecompenseerd worden met een schadever- goeding. Deze zal immers op constante wijze inwerken op de fysieke en psychische gesteldheid van verzoeker, hetgeen onomkeerbare kwalijke gevolgen met zich zal brengen. In hoofde van verzoeker zal derhalve een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ontstaan indien de vergunde exploitatie operationeel zou worden. De schorsing van de bestreden vergunning is derhalve noodzakelijk". 9. In haar nota wijst de verwerende partij op het volgende : "(...) Uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de uitgebreide inrichting quasi geen bijkomende hinder, dus ook geen bijkomende geurhinder zal meebrengen, mede als gevolg van de opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden. De toestand waarin verzoekende partij als gevolg van de uitbreiding zal verkeren, zal dus niet slechter zijn als zonder uitbreiding. M.a.w. de toestand zal voor verzoekende partij niet wijzigen. Het weze hierbij opgemerkt dat de woning van verzoekende partij zonevreemd is. Wanneer het aangevoerde nadeel niet wordt verzwaard voor verzoekende partij kan dit nadeel ook niet ernstig zijn. In agrarisch gebied geldt nu immers een hogere tolerantiedrempel zodat zone-eigen inrichtingen nog kunnen worden geëxploiteerd. Het aangevoerde nadeel is niet (het) gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestreden Besluit en derhalve niet ernstig. (...) Verzoekende partij vreest dat zij bijkomende stof-, lawaai-, en verkeershin- der zal dienen te ondergaan die niet tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen worden beperkt. Het betoog van verzoekende partij is weinig aannemelijk en nogal gratuit. De omstandigheid dat verzoekende partij op 31 mei 2010 werd gewekt om 5.45 uur als gevolg van het opladen van varkens, kan bezwaarlijk als bewijs dienen dat verzoekende partij vanaf nu geen goede nachtrust meer zal hebben. De aanwezigheid in een agrarisch gebied waar in de omgeving meer dan 1100 varkens, 368 runderen, 62.200 slachtkuikens, 39.500 opfokpoel- jen en 17 paarden zijn vergund, zal - spijts de inspanningen van hun eigenaars of houders - soms wel eens geluidshinder veroorzaken, zelfs op minder gepaste momenten, gezien dieren zich nog steeds niet gehouden weten aan het verbod op nachtlawaai. Ook hier dient rekening te worden gehouden met de verhoogde tolerantiedrempel in agrarisch gebied. Het nadeel is niet ernstig. (...) Voor wat de stofhinder betreft, voert verzoekende partij geen concrete elementen aan. Derhalve dient ook dit nadeel als niet ernstig te worden beschouwd. (...) De aangevoerde verkeershinder is geheel niet ernstig, gezien het (gaat) om 2 vrachten per werkdag, die worden afgevoerd via de gewestwegen. (...) Tot slot dient opgemerkt dat de vergunde uitgebreide inrichting conform alle decretale en reglementaire bepalingen, aangevuld met bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden dient te worden geëxploiteerd. Wanneer dat het geval zal zijn, mag worden aangenomen dat de hinder als gevolg hiervan de tolerantiedrempel niet zal overschrijden". VII-37.814-12/14 Beoordeling 10. De verzoeker woont op nauwelijks twintig meter van de nieuw op te richten stal die zal dienen voor het onderbrengen van de vleesvarkens. Rekening houdend met deze geringe afstand tot de plaats van exploitatie, is het aannemelijk dat de verzoeker zeer ernstige geurhinder zal ondervinden, of is op zijn minst dat risico van ernstige geurhinder reëel. De hogere tolerantiedrempel voor landbouwgerelateerde activi- teiten in een agrarisch gebied, wordt begrensd door de draagkracht van de onmiddellijke omgeving. In het kader van de aan de bestreden beslissing vooraf- gaande adviesprocedure hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen als de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie overwogen dat voor de parameters "geurhinder" en "ontsluiting naar het omliggend gebied", de draagkracht van het gebied dreigt te worden overschreden. In dezelfde adviezen is er op gewezen dat na uitbreiding de geurhinder voor de omringende omgeving niet tot een aanvaard- baar niveau kan worden beperkt. Op grond van wat voorafgaat wordt aangenomen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in hoofde van de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, zoals dit is bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 11. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 26 maart 2010 waarbij het beroep van de BVBA Bruvarko tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 23 april 2009, houdende weigering van de vergunning voor de verandering van een varkensbedrijf, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA Bruvarko de gevraagde vergun- ning wordt verleend. VII-37.814-13/14 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samen- gesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-37.814-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.673 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.