id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.699 Rolnummer: A. 186571/VII-37743 Zaak: Arrest 208699 - Bevolkingsregister - 04/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.699 van 4 november 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bevolkingsregister Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.699 van 4 november 2010 in de zaak A. 186.571/VII-37.
- In zake:
- Nora CALMEYN
- Suzanne DE COCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Van Den Noortgate kantoor houdend te Oudenaarde Einestraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2007 (III.21/723/137/07) waarbij de ambtshalve inschrijving van Nora Calmeyn en Suzanne De Cock van 11 december 2006 in het bevolkingsregister van Avelgem, O.L. Vrouwstraat 9, als één gezin, wordt behouden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeksters hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De verzoeksters hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober
- VII-37.743-1/8 Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nele Crombez, die loco advocaat Jan Van Den Noortgate verschijnt voor de verzoeksters, en attaché Frank Verduyn, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Naar aanleiding van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Avelgem van 11 december 2006 om de verzoeksters ambtshalve in te schrijven op het adres O.L. Vrouwstraat 9 te Avelgem, als een gezin, hebben de verzoeksters de Algemene Directie Instellingen en Bevolking van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken (hierna : FOD Binnenlandse Zaken) op 4 januari 2007 verzocht het gebruikelijke inspectie-onderzoek te verrichten en deze beslissing te vernietigen. 3.
- In zijn verslag van 11 mei 2007 stelt de bevolkingsinspecteur van de FOD Binnenlandse Zaken voor om de ambtshalve inschrijving van de verzoeksters op datum van 11 december 2006 in het bevolkingsregister van de gemeente Avelgem, O.L. Vrouwstraat 9, als een gezin, te behouden. De verzoeksters, hun raadsman en de burgemeesters van de stad Oostende en de gemeente Avelgem worden ingelicht van het resultaat van het bevolkingsonderzoek. Een aanvullend verslag van de bevolkingsinspecteur van 25 juni 2007 leidt tot dezelfde conclusie. 3.
- De verzoeksters maken bij schrijven van 6 augustus 2007 hun opmerkingen over. De burgemeesters van de gemeente Avelgem en de stad Oostende maken geen opmerkingen over de voorgestelde beslissing. VII-37.743-2/8 3.
- Op 29 augustus 2007 worden de verzoeksters gehoord. Tijdens dit verhoor leggen zij een document neer met een overzicht van het telefoon- en internetgebruik van de tweede verzoekster. 3.
- Op 18 september 2007 maken de verzoeksters hun bijkomende opmerkingen en stukken over aan de FOD Binnenlandse Zaken. 3.
- Op 11 oktober 2007 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken het thans bestreden besluit overeenkomstig het voorstel van de bevolkingsinspecteur. IV. Onderzoek van de middelen Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen 4.
- De verzoeksters voeren in een eerste middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. Zij stellen dat de verwerende partij niet als een diligente overheid is opgetreden bij het nemen van het bestreden besluit doordat alleen rekening zou zijn gehouden met argumenten die voor hen negatief zijn en er niet met alle relevante factoren en elementen rekening is gehouden. Zij wijzen er in dat verband op dat het bestreden besluit enkel verwijst naar een politieonderzoek van 26 januari 2006 en niet naar de onverwachte bezoeken door de politie op 19 januari 2007 en 9 februari 2007 toen zij wel aanwezig waren in Oostende, dat het door hen gevraagde gsm- en Belgacomonderzoek niet is uitgevoerd, terwijl volgens hen hieruit zou blijken dat de rekening van het internetgebruik groter is in Oostende dan in Avelgem en dat geen rekening is gehouden met de opmerkingen geformuleerd in het schrijven van hun raadsman van 6 augustus 2007 en dat van henzelf van 18 september
- Zij stellen voorts dat de verwerende partij niet is uitgegaan van correcte informatie doordat verwezen wordt naar een elektriciteitsfactuur van 4 euro in plaats van 10 euro en zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele toestand van de eerste verzoekster, terwijl zij een zelfstandige vrouw is met eigen activiteiten te Oostende, namelijk de verhuur van haar diverse eigendommen daar. Ten slotte stellen zij dat het centrum van hun belangen zich in Oostende situeert. VII-37.743-3/8 4.
- In een tweede middel voeren de verzoeksters de schending aan van het motiveringsbeginsel doordat volgens hen geen rekening is gehouden met alle door hen opgeworpen argumenten en dat niet wordt gemotiveerd waarom bepaalde argumenten niet zijn weerhouden. 5.
- De verwerende partij antwoordt dat zij als een diligente overheid is opgetreden. Zij brengt het van toepassing zijnde recht in herinnering en licht vervolgens de elementen toe waarop het bestreden besluit steunt en die moeten aantonen dat de verzoeksters hun hoofdverblijf niet hebben te Oostende. Zij wijst op het verslag van de bevolkingsinspecteur van 11 mei 2007 dat verwijst naar het politieverslag van 15 februari 2007 en dat een onderdeel is van het dossier. De vastgestelde aanwezigheid van de verzoeksters te Oostende moet gesitueerd worden tegen de achtergrond van een door hen gedane nieuwe adresaanvraag in het kader waarvan een woonstcontrole mocht worden verwacht. Het verslag is minder positief dan de verzoeksters laten uitschijnen, aangezien dat verslag vermeldt dat zij op 22 januari 2007 aangaven gekomen te zijn om een beetje op te ruimen en dat de toestand ter plaatse op het eerste gezicht niet veel was veranderd. Zij antwoordt voorts dat een onderzoek van de kosten van het gsm-gebruik en van het internetgebruik geen indicatie oplevert omtrent de plaats van het hoofdverblijf. De tegenspraak omtrent de hoogte van de elektriciteitsfactuur is te wijten aan de verschillende bronnen, wat geen afbreuk zou doen aan het feit dat het verbruik te Oostende miniem is. Het beweerdelijk bezitten van eigendommen in de regio vormt geen indicatief element van hoofdverblijf. De brieven van 6 augustus 2007 en 18 september 2007 ontkennen enkel het hoofdverblijf te Avelgem en trekken de bevindingen van het bevolkingsonderzoek in twijfel. De verwerende partij verwijst voorts naar verscheidene verklaringen van de tweede verzoekster waaruit blijkt dat de eerste verzoekster in hoge mate afhankelijk is van de zorgen van haar dochter en dat het bijgevolg onmogelijk is dat de eerste verzoekster een zelfstandige vrouw is met eigen activiteiten. De verwerende partij stelt dat de elementen uit het dossier, die erop wijzen dat de eerste verzoekster het centrum van haar belangen te Avelgem heeft, erin bestaan dat zij zich na een val in 2003 medisch liet begeleiden in de dichte omgeving van Avelgem en dat zij voordien aldaar ook medische onderzoeken onderging en dat in de woning in Avelgem een traplift werd geïnstalleerd om de eerste verzoekster naar de eerste verdieping te kunnen brengen. 5.
- Op het tweede middel antwoordt de verwerende partij dat het duidelijk is dat het bestreden besluit beantwoordt aan de vereisten van de materiële motiveringsplicht en dat de verzoeksters waarschijnlijk bedoelen dat er niet zou zijn VII-37.743-4/8 voldaan aan de vereisten inzake de formele motiveringsplicht. Zij stelt dat het bestreden besluit zowel in rechte als in feite op afdoende wijze is gestaafd en de redenen om tot de beslissing te komen vermeldt. Zij argumenteert ten slotte dat de verzoeksters niet aantonen dat de verwerende partij met de gegevens waarop zij acht heeft geslagen, niet tot het bestreden besluit kon komen. 6.
- De verzoeksters breiden in hun memorie van wederantwoord de in hun verzoekschrift aangevoerde onzorgvuldigheid uit met een schending van artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. Zij repliceren dat de verwerende partij niet onbetwistbaar aantoont dat de inschrijving te Oostende niet overeenstemt met de werkelijke verblijfplaats noch dat hun argumenten niet van die aard waren om de uiteindelijke conclusie van het bestreden besluit te weerleggen, terwijl indien de verwerende partij wel rekening had gehouden met deze argumentatie, volgens hen had vastgestaan dat een aantal argumenten niet meer "weerhouden" konden worden. Wat het internetgebruik betreft, wijzen zij erop dat het internetgebruik in 2006 en 2007 duidelijk hoger lag te Oostende, dat het internetgebruik via vaste telefoon wel gecontroleerd had kunnen worden en dat de vaststelling dat dit niet gebeurde zou aantonen dat op die manier elementen à décharge worden geweerd om enkel argumenten ten laste over te houden. Wat de situatie van de eerste verzoekster betreft, benadrukken zij dat haar denkvermogen geenszins is aangetast, dat de onzorgvuldigheid erin gelegen is dat niets werd onderzocht omtrent haar activiteiten, dat het centrum van haar activiteiten zich situeert in het regelen van het verhuren van haar diverse eigendommen en dat zij enkel mee naar Avelgem komt om niet alleen in Oostende te moeten achterblijven. Ten slotte wijzen zij er ook op dat de traplift niet kon worden geïnstalleerd te Oostende, wegens de aanwezigheid van een marmeren trap en dat er een plausibele uitleg werd gegeven voor de medische behandeling van de eerste verzoekster in de dichte omgeving van Avelgem. 6.
- Wat het tweede middel betreft, stellen de verzoeksters in hun memorie van wederantwoord dat zowel de materiële als de formele motiveringsplicht is geschonden. Zij stellen dat het bestreden besluit uitgaat van feitelijke gegevens die volgens hen niet juist zijn, waardoor niet voldaan is aan de draagkrachtvereiste. Zij stellen voorts dat de verwerende partij niet heeft aangegeven waarom zij geen rekening heeft gehouden met hun argumentatie uiteengezet in de brieven van 6 augustus 2007 en 18 september 2007 en dat pas in de memorie van antwoord is aangegeven dat hun argumentatie slechts een ontkenning vormde van VII-37.743-5/8 het gevoerde onderzoek en bepaalde argumenten volgens de verwerende partij gratuit waren. Beoordeling
- De verzoeksters voeren laattijdig, pas in de memorie van wederantwoord, de schending aan van artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister en van de formele motiveringsplicht, zodat de middelen in die mate onontvankelijk zijn.
- De vaststelling van de hoofdverblijfplaats van een persoon is een louter feitelijke aangelegenheid. De Raad van State gaat bijgevolg alleen na of het bevolkingsonderzoek voldoende zorgvuldig verzamelde gegevens heeft opgeleverd die aantonen dat de verzoeksters hoofdverblijfplaats houden aan de O.L.Vrouwstraat 9 te Avelgem. Met betrekking tot de aangevoerde vereenzelviging van de eerste verzoekster met de tweede verzoekster wordt vastgesteld dat in het betoog van de verzoeksters verscheidene aanwijzingen zijn dat de eerste verzoekster beperkt mobiel is en zwaar afhankelijk van de tweede verzoekster. Uit de enkele omstandigheid dat de eerste verzoekster dagelijks door de tweede verzoekster 200 km met de wagen wordt vervoerd tussen een gelijkvloers te Oostende en een eerste verdieping te Avelgem, blijkt afdoende dat er geen onzorgvuldigheid werd begaan en dat er geen probleem van materiële motivering is in de mate het bestreden besluit van oordeel is, dat wat - op het vlak van de inschrijving in de bevolkingsregisters - geldt voor de ene, eveneens geldt voor de andere. Met betrekking tot de gebeurlijke eigen verhuuractiviteiten van de eerste verzoekster stelt de Raad van State vast dat de verzoeksters op geen enkel moment meer concrete omschrijvingen en voorbeelden geven van deze beweerde dagelijkse activiteiten, dat zij ook niet ter sprake zijn gebracht in de gesprekken met de bevolkingsinspecteur, tijdens het verhoor van 29 augustus 2007 of in het schrijven van 18 september 2007, en dat deze activiteiten derhalve in het geheel niet aannemelijk worden gemaakt zodat de beweringen hieromtrent moeten worden gezien als niet dienend om een onzorgvuldigheid of een probleem van materiële motivering vast te stellen bij het bepalen van het hoofdverblijf van de verzoeksters. VII-37.743-6/8 Voorts blijkt uit het administratief dossier dat het bestreden besluit steunt op het bevolkingsonderzoek en op een politieverslag van 26 januari 2006 wat de aanwezigheden te Avelgem en Oostende betreft. Het vermeldt ook dat de nutsverbruiken te Avelgem veel hoger liggen dan te Oostende. De verzoeksters betwisten ook niet het aanvullend verslag van de bevolkingsinspecteur waar deze stelt dat het verbruik te Avelgem tot twintig maal hoger ligt dan het verbruik te Oostende. Wat het gebrek aan gsm- en internetonderzoek betreft, wordt vastgesteld dat het hoe dan ook om een relatief beperkt internetgebruik gaat dat niet opweegt tegen het geheel van de elementen uit het onderzoek van de politie en de bevolkingsinspectiedienst. De Raad van State neemt bijgevolg geen onzorgvuldigheid waar of enige schending van de materiële motiveringsplicht. Met betrekking tot de argumentatie van de verzoeksters in het schrijven van 6 augustus 2007, kan bezwaarlijk aangenomen worden dat het doorbrengen van de nacht op een in een woning geplaatst veldbed een comfortabele slaapsituatie zou zijn voor een dame van bijna negentig jaar oud. De situatie van overmacht ten gevolge van waterschade en medische problemen was de verwerende partij reeds bekend vóór ontvangst van de brieven van 6 augustus 2007 en 18 september 2007, die bovendien geen nieuwe elementen hieromtrent aanbrengen. Aan de getuigenissen van de buren te Avelgem wordt geen overdreven belang gehecht en deze kaderen in de bevindingen van de politie en van de bevolkingsinspectiedienst. Het argument betreffende de aanleiding om de post naar Avelgem door te sturen, bevestigt veeleer het verblijf te Avelgem en het argument dat wijst op de toestand van beide woningen en waarbij te Oostende een volledige huishouding en voldoende voeding aanwezig is, wordt eveneens grondig onderzocht door de politie en door de bevolkingsinspectiedienst. Voorts blijkt niet dat de inschrijving van het voertuig van de tweede verzoekster heeft doorgewogen in het onderzoek en bevat het administratief dossier veel aanwijzingen over de professionele noodzaak om veel te Avelgem aanwezig te zijn. Deze argumenten uit het schrijven van 6 augustus 2007 zijn bijgevolg niet van aard een schending van de zorgvuldigheidsplicht of van de materiële motiveringsplicht aan te tonen. De verwijzing van de verzoeksters naar hun opmerkingen uiteengezet in het schrijven van 18 september 2007 is te vaag en derhalve onontvankelijk. VII-37.743-7/8
- Het bestreden besluit vermocht zich bijgevolg te baseren op de aangehaalde feitelijke en juridische elementen, geput uit relevante gegevens en blijkende uit de verschillende stappen van het onderzoek naar de verblijfstoestand van de verzoeksters. Het eerste en tweede middel zijn in de aangegeven mate niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.743-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.699 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div