id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.710 Rolnummer: A. 190163/X-13945 Zaak: Arrest 208710 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-17 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.710 van 5 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.710 van 5 november 2010 in de zaak A. 190.163/X-13.945. In zake : 1. de n.v. ZON EN ZEE 2. de v.z.w. FEDERATIE VAN PROJECTONTWIKKELAARS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de gemeente MIDDELKERKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Ampe kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Kerkstraat 8, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2008, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 8 juli 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Middelkerke houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake het oprichten van meergezinswoningen, en (…) het besluit van 31 juli 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende goedkeuring van het voormelde besluit van 8 juli 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Middelkerke houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake het oprichten van meergezinswoningen, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 2 september 2008”. X-13.945-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Vincent Christiaens, die loco advocaat Geert Ampe verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 15 april 2008 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke principieel een ontwerp van nieuwe gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake het oprichten van X-13.945-2/13 meergezinswoningen goed. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke motiveert het besluit als volgt: “Overwegende dat er momenteel een trend bestaat om de oppervlakte van appartementen systematisch te reduceren waardoor appartementen met een oppervlakte van 30 à 40m² geen uitzondering meer vormen; Overwegende dat er tegenwoordig wordt vastgesteld dat projectontwikkelaars steeds meer de mogelijkheid overwegen om in het hinterland meergezinswoningen te realiseren; (...) Overwegende dat de gemeente via stedenbouwkundige verordeningen eisen kan stellen naar de bouwheer toe inzake enerzijds ‘de gezondheid, fraaiheid en esthetische waarde van de bouwwerken en hun omgeving’ en anderzijds ‘de bewoonbaarheid van de woningen’; (...)”. 4. Op 21 mei 2008 geeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een gunstig advies, waarbij hij stelt dat “het ontwerp van stedenbouwkundige verordening (…) niet in strijd (
- is)met de vigerende gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen”. 5. Op 21 mei 2008 geeft GECORO een voorwaardelijk gunstig advies dat luidt als volgt: “- De omschrijving van de toeristische zone bestaat uit een opsomming van straten van oost naar west. Niet zoals in de omschrijving staat van west naar oost. - De term ‘zorgbehoevend’ dient geschrapt te worden uit de definitie van kangoeroewoning. Het al dan niet zorgbehoevend zijn van de oudere mag geen belemmering vormen om een kangoeroewoning te betrekken”. 6. Met het eerste bestreden besluit van 8 juli 2008 stelt de gemeenteraad van de gemeente Middelkerke de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake het oprichten van meergezinswoningen definitief vast. 7. Met het tweede bestreden besluit van 31 juli 2008 keurt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het voormelde gemeenteraadsbesluit goed. Dit besluit overweegt onder meer wat volgt: X-13.945-3/13 “Gelet op de gemeenteraadsbeslissing dd. 08.07.2008 van de gemeente Middelkerke houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening inzake het oprichten van meergezinswoningen; Gelet op artikel 55 § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening; De stedenbouwkundige verordening kadert in art. 55 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dat bepaalt dat gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen voorschriften kunnen opleggen met betrekking tot de gezondheid, de fraaiheid en esthetische waarde van de bouwwerken, installaties en hun omgeving en anderzijds de bewoonbaarheid van de woningen. De stedenbouwkundige verordening heeft in casu tot doel de woonkwaliteit te garanderen door binnen de toeristische zone een gemiddelde netto-vloeroppervlakte te hanteren van minstens 40m² met een minimum van 30m² netto-vloeroppervlakte per woongelegenheid en buiten de toeristische zone resp. 60m² met een minimum van 40m². Overwegende dat deze beslissing naar de bestendige deputatie gestuurd werd samen met het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening dd. 20.05.2008. Dit advies is gunstig, mits: - De omschrijving van de toeristische zone bestaat uit een opsomming van straten van oost naar west; - De term ‘zorgbehoevend’ geschrapt wordt uit de definitieve kangoeroewoning. Het al dan niet zorgbehoevend zijn van de oudere mag geen belemmering vormen om een kangoeroewoning te betrekken. Gelet op het advies van de Dienst Vergunningen: De verordening is het resultaat van een ontwerp dat herwerkt werd na overleg tussen het gemeentebestuur en de Dienst Vergunningen. De verordening probeert de trend om appartementsgebouwen op te richten in het hinterland tegen te gaan alsook de trend naar steeds kleinere appartementsoppervlakten. Het gemeentebestuur kan gesteund worden in zijn streven”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 8. De eerste verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen. Zij stelt dat de eerste verzoekende partij haar belang ontleent aan een eerdere weigering van een stedenbouwkundige vergunning, terwijl de bestreden verordening niet van toepassing is op de aanvraag die tot die weigeringsbeslissing heeft geleid. De eerste verzoekende partij toont haar rechtstreeks belang bij de nietigverklaring van deze stedenbouwkundige verordening niet aan. Het door de eerste verzoekende partij gelaakte onderscheid dat door de bestreden verordening wordt gemaakt tussen verscheidene deelgebieden van de gemeente Middelkerke, bestaat al veel langer, met name in X-13.945-4/13 een eerdere stedenbouwkundige verordening. De tweede verzoekende partij is een federatie van projectontwikkelaars die “uitsluitend private belangen (nastreven), ten behoeve van hun eigen economische ontwikkeling en persoonlijk winstbejag”, dit in tegenstelling tot de eerste verwerende partij, die een stedenbouwkundig beleid voert met oog voor het openbaar belang. Voorts strekt de bestreden verordening er uitsluitend toe de kwaliteit van het woongebied te verstevigen en gelden de voorschriften ervan in gelijke mate voor alle projectontwikkelaars. 9. De eerste verzoekende partij beschikt als eigenaar van een perceel dat gelegen is binnen het gebied van de bestreden verordening over een voldoende belang bij de nietigverklaring van deze verordening, die, zoals de eerste verzoekende partij in het verzoekschrift uiteenzet, de gebruiksmogelijkheden van het betrokken perceel negatief kan beïnvloeden, aangezien bijkomende voorwaarden worden opgelegd inzake de gemiddelde en de minimale oppervlakte van in meergezinswoningen in te richten woongelegenheden. De door de eerste verwerende partij aangevoerde weigeringsbeslissing doet geen afbreuk aan die vaststelling, evenmin als het onderscheid dat de bestreden verordening dienaangaande al dan niet voor het eerst hanteert tussen verscheidene deelgebieden onderling. Volgens artikel 4 van de statuten van de tweede verzoekende partij heeft zij onder meer tot doel “publiekelijk de belangen van de sector en de leden-projectontwikkelaars (
- te)verdedigen”. Hieruit blijkt dat de tweede verzoekende partij in rechte is getreden ter behartiging van het eigen collectief belang. Het nastreven van winst door de individuele leden van de tweede verzoekende partij ontneemt haar nog niet dit belang. De stelling dat de bestreden verordening ertoe strekt de kwaliteit van het woongebied te verstevigen neemt niet weg dat de verzoekende partijen door deze verordening specifiek benadeeld kunnen worden. De omstandigheid dat deze verordening in gelijke mate geldt voor alle projectontwikkelaars, doet hieraan geen afbreuk. X-13.945-5/13 V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 10. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 18, 19, 31, 33, 37, 38, 48, 49 en 55, gelezen in samenhang met artikel 54 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van de bindende bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen, van het gelijkheidsbeginsel, de motiveringsplicht, de materiële en formele zorgvuldigheidsnorm en het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens wordt machtsafwending aangevoerd, alsook het ontbreken van een rechtens vereiste feitelijke grondslag. De verzoekende partijen betogen dat artikel 55 DRO, gelezen in samenhang met artikel 54 DRO, de aangelegenheden opsomt waarop de voorschriften van een stedenbouwkundige verordening betrekking kunnen hebben. Voorschriften inzake woonkwaliteit kunnen enkel betrekking hebben op de woonkwaliteit van de betrokken woongelegenheden en moeten berusten op objectieve gegevens en vergelijkingspunten, niet op een doelstelling die vreemd is aan deze woonkwaliteit. In werkelijkheid beoogt de bestreden verordening de bestemming van een gebied vast te leggen door een toeristische en een niet- toeristische zone aan te wijzen. Een dergelijke doelstelling moet evenwel gerealiseerd worden middels een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in uitvoering van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Aldus probeert de eerste verwerende partij te ontkomen aan de door het decreet opgelegde procedures voor het opstellen en herzien van deze plannen, met inbegrip van een openbaar onderzoek, waarbij bezwaren kunnen worden ingediend. Het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen deelt Middelkerke en ook het deelgebied Westende-Bad met inbegrip van Westende-dorp en Lombardsijde in onder de categorie “kusthoofddorpen” en deelt tevens het hele grondgebied in bij de “toeristisch-recreatieve knooppunten” van primair belang. Aangezien de bestreden verordening een uiterst beperkt deel van het kusthoofddorp Westende-dorp afbakent als “toeristische zone”, schendt het de bindende bepalingen van het aangevoerde structuurplan, alsook de X-13.945-6/13 artikelen 54 en 55 DRO. Er wordt niet eens een motivering verstrekt voor het gehanteerde onderscheid tussen een toeristische en een niet-toeristische zone in het licht van de in dit middel aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur. Het terrein van de eerste verzoekende partij is immers gelegen in gebied dat door het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen wordt aangemerkt als toeristisch-recreatief knooppunt. Tevens is het gelegen in de onmiddellijke nabijheid van toeristische recreatie- en verblijfsinfrastructuur en van algemene toeristische bedrijvigheden, maar toch valt het terrein volgens de bestreden stedenbouwkundige verordening buiten de toeristische zone. Overeenkomstig artikel 55 DRO, gelezen in samenhang met artikel 54 DRO, kunnen stedenbouwkundige verordeningen alleen de “nodige” stedenbouwkundige verordeningen bevatten. Uit de bestreden beslissingen blijkt evenwel niet waarom de indeling in een toeristische en een niet-toeristische zone nodig is met het oog op het waarborgen van de woonkwaliteit en waarom verschillende normen zouden moeten gelden inzake de minimale en gemiddelde netto-vloeroppervlakten van woongelegenheden. Een beperkte vloeroppervlakte betekent immers nog niet dat de woning laagkwalitatief zou zijn, zoals ook kan worden opgemaakt uit de reglementering voor sociale woningen. De norm inzake netto-vloeroppervlakte geldt bovendien ongeacht de gezinssamenstelling en enkel omwille van de ligging van het terrein. Dit geldt eveneens voor de norm inzake gemiddelde netto-vloeroppervlakte voor alle woongelegenheden samen beschouwd. Tevens is er een interne tegenstrijdigheid tussen de vermelde normen onderling, aangezien de minimale netto-vloeroppervlakte 40 m² bedraagt, terwijl de gemiddelde netto-vloeroppervlakte 60 m² bedraagt. Voorts wordt als verantwoording aangevoerd dat de gemeente Middelkerke tegen de trend van appartementen met een oppervlakte van 30 à 40 m² wil ingaan, terwijl in de toeristische zone een minimale netto-vloeroppervlakte van 30 m² en een gemiddelde netto-vloeroppervlakte van 40 m² net worden toegelaten. De bestreden verordening leidt er toe dat personen en gezinnen met beperkte financiële middelen juist geen nieuwe woning meer zullen kunnen aanschaffen en op oudere woongelegenheden zullen zijn aangewezen, wat een vorm van sociale uitsluiting inhoudt. Bovendien zullen eigenaars buiten de toeristische zone, alsook projectontwikkelaars getroffen worden nu zij niet kunnen voldoen aan de vraag naar nieuw gebouwde kleinere woongelegenheden. De gevolgen van de X-13.945-7/13 bestreden verordening zijn bijgevolg niet nodig om de doelstelling van het waarborgen van de woonkwaliteit te bereiken. De bepaling in de bestreden verordening dat op gemotiveerd voorstel kan worden afgeweken van deze verordening door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke, rekening houdend met de perceelsconfiguratie, is niet voldoende rechtszeker en kan niet worden gecontroleerd of gesanctioneerd. Het oordeel om af te wijken van de verordening kan niet worden overgelaten aan de vergunningverlenende overheid, aangezien de voorwaarden “op gemotiveerd voorstel” en “in functie van de perceelsconfiguratie” inhoudsloos zijn. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat de tweede bestreden beslissing niet verduidelijkt of de door de eerste bestreden beslissing definitief vastgestelde stedenbouwkundige verordening al dan niet wordt goedgekeurd, hetgeen strijdt met het rechtszekerheidsbeginsel. Beoordeling 11. In de eerste bestreden beslissing wordt de doelstelling van de bestreden stedenbouwkundige verordening als volgt weergegeven: “Overwegende dat er momenteel een trend bestaat om de oppervlakte van appartementen systematisch te reduceren waardoor appartementen met een oppervlakte van 30 à 40m² geen uitzondering meer vormen; Overwegende dat er tegenwoordig wordt vastgesteld dat projectontwikkelaars steeds meer de mogelijkheid overwegen om in het hinterland meergezinswoningen te realiseren; (...) Overwegende dat de gemeente via stedenbouwkundige verordeningen eisen kan stellen naar de bouwheer toe inzake enerzijds ‘de gezondheid, fraaiheid en esthetische waarde van de bouwwerken en hun omgeving’ en anderzijds ‘de bewoonbaarheid van de woningen’; (...)”. In de tweede bestreden beslissing wordt dienaangaande het volgende overwogen: “De stedenbouwkundige verordening heeft in casu tot doel de woonkwaliteit te garanderen door binnen de toeristische zone een X-13.945-8/13 gemiddelde netto-vloeroppervlakte te hanteren van minstens 40m² met een minimum van 30m² netto-vloeroppervlakte per woongelegenheid en buiten de toeristische zone resp. 60m² met een minimum van 40m². (...) De verordening probeert de trend om appartementsgebouwen op te richten in het hinterland tegen te gaan alsook de trend naar steeds kleinere appartementsoppervlakten. Het gemeentebestuur kan gesteund worden in zijn streven”. 12. Door te bepalen dat in de door de bestreden verordening afgebakende toeristische zone de gemiddelde netto-vloeroppervlakte van alle woongelegenheden van nieuwe meergezinswoningen ten minste 40 m² moet bedragen met een minimum van 30 m² netto-vloeroppervlakte per woongelegenheid, terwijl de gemiddelde netto-vloeroppervlakte 60 m² en de minimum netto-vloeroppervlakte per woongelegenheid 40 m² moeten bedragen buiten de toeristische zone, streeft de betrokken verordening een doelstelling na die kan worden ingepast in artikel 54, eerste lid, 1° en 5° DRO, met name de gezondheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de betrokken woningen, alsook hun bewoonbaarheid. De Raad van State ziet niet in hoe het opleggen van een minimale netto-vloeroppervlakte vreemd kan zijn aan de woonkwaliteit en de bewoonbaarheid van woningen. Evenmin valt in te zien hoe een dergelijke maatregel niet zou zijn gebaseerd op objectieve gegevens en vergelijkingspunten. 13. De aangelegenheden die overeenkomstig artikel 54 DRO aan bod kunnen komen in de stedenbouwkundige voorschriften van een stedenbouwkundige verordening, overlappen tot op zekere hoogte de stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming, inrichting en/of beheer die overeenkomstig artikel 38, § 1, eerste lid, 2° DRO kunnen voorkomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het feit dat een maatregel van een stedenbouwkundige verordening ook zou kunnen worden opgenomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan, leidt op zich niet tot de onwettigheid van de verordening. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord aanvoeren, verhindert de kwestieuze verordening de volledige realisatie van het bestaande bestemmingsvoorschrift inzake woongebieden, niet. X-13.945-9/13 Uit het loutere feit dat de bestreden verordening de minimale netto-vloeroppervlakte differentieert naargelang de nieuwe meergezinswoning al dan niet gelegen is in de in die verordening omschreven toeristische zone, kan evenmin worden afgeleid dat de bestreden verordening strijdig is met de aangevoerde decretale bepalingen. Uit de mogelijkheid die artikel 55, § 2 DRO biedt om gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen vast te stellen voor een deel van het grondgebied van een gemeente, kan ook de mogelijkheid worden afgeleid om een stedenbouwkundig voorschrift in een dergelijke verordening territoriaal te differentiëren. Uit de in randnummer 11 aangehaalde motivering blijkt op afdoende wijze de reden voor deze territoriale differentiatie, met name het keren van de trend om ook in het “hinterland” appartementsgebouwen met een beperkte woonruimte op te richten. Deze territoriale differentiatie van het bestemmingsvoorschrift met betrekking tot de minimale netto-vloeroppervlakte voor nieuwe meergezinswoningen kan niet worden gelijkgesteld met het vastleggen van de bestemming van een gebied, zoals dit in een ruimtelijk uitvoeringsplan aan bod kan komen. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen geen bestaand ruimtelijk uitvoeringsplan aan waarmee de bestreden verordening in strijd zou zijn. 14. Uit het loutere feit dat de bestreden verordening verschillende criteria hanteert inzake de minimale netto-vloeroppervlakte voor nieuwe meergezinswoningen naargelang ze al dan niet gelegen zijn in hetgeen in de verordening wordt omschreven als “toeristische zone”, kan nog niet worden afgeleid dat een strijdigheid voorligt met de door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen van het bij besluit van de Vlaamse regering van 6 maart 2002 goedgekeurde provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen. De verzoekende partijen tonen ook niet aan hoe de bestreden verordening afbreuk zou doen aan de bepalingen in het betrokken plan voor toeristisch-recreatieve knooppunten. Uit de argumentatie in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen dat het betrokken plan het bestaan van tweede verblijven in deze knooppunten nastreeft, kan evenmin worden opgemaakt dat de bestreden verordening hiermee strijdig zou zijn. X-13.945-10/13 15. Anders dan de verzoekende partijen lijken aan te nemen, kan uit de term “nodige” stedenbouwkundige voorschriften in de inleidende zin van artikel 54, eerste lid DRO niet worden afgeleid dat een strikt verband van noodzakelijkheid moet voorliggen tussen de stedenbouwkundige voorschriften van een stedenbouwkundige verordening en het door die verordening nagestreefd doel. Uit de door de verzoekende partijen gemaakte vergelijking met de reglementering voor sociale woningen kan evenmin als uit het feit dat het betrokken voorschrift niet is gebaseerd op een wisselend en onzeker gegeven als de gezinssamenstelling, worden opgemaakt dat de door de bestreden verordening gehanteerde minimale netto-vloeroppervlakte niet adequaat zou zijn om de in randnummer 12 aangevoerde doelstelling te bereiken. De verzoekende partijen tonen ook niet aan om welke reden de bestreden verordening dienaangaande niet strenger zou mogen zijn dan de reglementering in de Vlaamse Wooncode, zoals zij betogen in de memorie van wederantwoord. De Raad van State ziet niet in waarom de combinatie van een minimale netto-vloeroppervlakte per woongelegenheid enerzijds met een gemiddelde netto-vloeroppervlakte voor alle woongelegenheden van eenzelfde nieuwe meergezinswoning samen anderzijds, onderling tegenstrijdig zou zijn, nu uit het betrokken voorschrift duidelijk naar voren komt dat aan beide vereisten samen moet zijn voldaan. In de in randnummer 11 aangehaalde motivering wordt op afdoende wijze uiteengezet dat “appartementen met een oppervlakte van 30 à 40m² geen uitzondering meer vormen” en dat de opmars van dit soort appartementen in nieuwbouwwoningen buiten de zogenaamde toeristische zone tegengegaan moet worden, hetgeen alleen kan door strengere normen op te leggen. De overheid vermocht redelijkerwijze te oordelen dat dit fenomeen in de toeristische zone reeds algemeen verspreid was en dat het niet wenselijk was de bestaande situatie aldaar om te keren. De veeleer speculatieve stelling van de verzoekende partijen inzake de sociale uitsluiting waartoe de bestreden verordening zou leiden, doet geen afbreuk aan de legitimiteit van de doelstelling van deze verordening. De verzoekende partijen tonen voorts niet aan dat de eigenaars van percelen buiten X-13.945-11/13 de toeristische zone, alsook projectontwikkelaars, kennelijk onevenredig worden benadeeld door de bestreden verordening. 16. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, houdt de bepaling in de bestreden verordening die voorziet in afwijkingen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke “op gemotiveerd voorstel” en “in functie van de perceelsconfiguratie” geen schending in van het rechtszekerheidsbeginsel. Enerzijds moet de vergunningverlenende overheid in het licht van de voorschriften van de bestreden verordening kunnen motiveren waarom een afwijking wordt toegestaan. Anderzijds moet een dergelijke afwijking verband houden met de configuratie van het perceel, hetgeen alleszins een objectief gegeven is. 17. Artikel 1 van het tweede bestreden besluit verwijst naar het eerste bestreden besluit, maar voegt er niet aan toe dat het laatstgenoemde besluit wordt goedgekeurd. Mede gelet op de motivering van het tweede bestreden besluit, waarin wordt gesteld dat “het gemeentebestuur kan (worden) gesteund (...) in zijn streven”, kan evenwel worden vastgesteld dat deze vergetelheid een materiële vergissing is die geen redelijke twijfel kan doen ontstaan aangaande de strekking van het tweede bestreden besluit. 18. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. X-13.945-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.945-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div