id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.711 Rolnummer: A. 188753/X-13823 Zaak: Arrest 208711 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-17 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-30 05:22 Fiche Arrest nr 208.711 van 5 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.711 van 5 november 2010 in de zaak A. 188.753/X-13.
(1)meter, in die zin dat het perceel nr 255 y 2 duidelijk lager ligt dan de voorliggende tuin. (...). 19 Het grote reliëfverval ter hoogte van de bouwplaats laat geenszins toe de voorliggende tuinen uit te breiden. Verzoekster verwijst in dat verband naar het opmetingsplan dd. 25 april 2002 van landmeters-experten René VAN DAELE en Hugo TAELEMANS waaruit blijkt dat zowel in de lengte- als in de breedterichting van de bouwplaats het reliëf zeer grillig is (...). Wanneer de kwestieuze bouwplaats bij de voorliggende tuinen zou gevoegd worden, zoals in het bestreden besluit wordt voorgesteld, zou - op gelijke afstand vanaf de straat - de ene tuin hoger liggen dan de andere tuin ...!!!??? De Minister had zeker kennis van voormeld opmetingsplan vermits dat plan overhandigd werd tijdens de procedure voor de Bestendige Deputatie. Hetzelfde plan was tevens gevoegd als bijlage bij stuk nr.03.7 in het eerste annulatie- en schorsingsberoep van 21 november 2007 in deze zaak. B.1.f. Schending van het eigendomsrecht. X-13.823-15/32 20 De Minister kan verder helemaal niet gevolgd worden waar hij stelt ‘dat er mogelijks kan geopteerd worden om de tuinzones van voorliggende woningen met betrokken terrein uit te breiden en zodoende een evenwichtiger afwerking van de woonzone kan gerealiseerd worden’ . De bouwgrond van verzoekster kan niet zomaar gevoegd worden bij de voorliggende tuinen die toebehoren aan derden zonder het eigendomsrecht van verzoekster te miskennen. De Minister steunt zijn bestreden besluit derhalve op totaal onrealistische en zelfs onwettige hypothesen vermits ‘niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling’ (art. 16 G.W.). B.1.g. Lengte van de tuinen. 21 Het bestreden besluit is bovendien gesteund op volstrekt onjuiste gegevens m.b.t. de omgeving waar de Minister durft stellen dat : ‘de woningen palend aan de Torleylaan en gesitueerd aan de linker- en rechterzijde van betrokken perceel over een tuinzone met een diepte gaande van 35 m tot 50 m beschikken; dat de voorliggende woningen, waarvan de tuinen palen aan het terrein in kwestie gemiddeld 18 m diep zijn’. Na verificatie door verzoekster aan de hand van het uittreksel uit het kadastraal plan (...) blijkt dat de door de Minister beweerde diepten van de tuinen totaal uit de lucht gegrepen zijn zoals moge blijken uit de hierna volgende drie tabellen : 1/ de gronden gelegen ten westen van de bouwplaats : (...) 2/ de gronden gelegen ten oosten van de bouwplaats : (...) 3/ de gronden gelegen voor de bouwplaats : (...) Uit het eigen onderzoek van verzoekster blijkt dat : 1/ er nergens, noch ten oosten, noch ten westen, een tuin is met een diepte van 35 tot 50 m; 2/ de tuinen van de voorliggende woningen dieper zijn dan de tuinen van de woningen ten oosten van de bouwplaats; 3/ de tuinen van de voorliggende woningen dieper zijn dan de eerste twee tuinen van de woningen ten westen van de bouwplaats (zijnde de tuinen liggende op de percelen 250 d 2 en 250 h 3); B.1.h. Het woonreservegebied. 22 Het bestreden besluit stelt op blz. 3 in fine : ‘dat de voorliggende woningen gesitueerd in woongebied en het reservegebied voor woonwijken ook binnen de omschrijving van het bijzonder plan van aanleg liggen: dat in het bijzonder plan van aanleg het reservegebied voor woonwijken is ingekleurd als zone voor sport en spel met daaromheen een zone voor buffergroen; dat dit gebied als zone voor sport en spel in gebruik is; dat er nog een strook reservegebied voor woonwijken in eigendom van de aanvrager overblijft die uit het bijzonder plan van aanleg werd gesloten; dat de gemeente geen plannen heeft om bewust reservegebied voor woonwijken als dusdanig aan te snijden; ....’ De bouwaanvraag van verzoekster voorziet, in geval het woonreservegebied ooit zou worden aangesneden, een voldoende ruimte om een toegang te verschaffen. Ook al heeft de gemeente geen plannen om het woonreservegebied aan te snijden, toch laat dit niet toe om de ontsluiting van het terrein als irrelevant te beschouwen. X-13.823-16/32 Noch de herziening van het BPA noch de herziening van het gewestplan van 2000 heeft te kennen gegeven dat de bestemming woonreservegebied achterhaald zou zijn. De bestemming ‘reserve’ verwijst trouwens naar een potentieel voor de toekomst. In tegenstelling met wat in het bestreden besluit wordt gezegd is het reservegebied voor woonwijken (in het bijzonder plan van aanleg) momenteel helemaal niet in gebruik voor sport en spel, maar is het een echte woestenij, zoals uit de voorgelegde foto’s blijkt (...). B.1.i. Gebrek aan parkeerplaatsen. 23 De Torleylaan is gekenmerkt door gesloten bebouwing waarbij slechts enkele huizen beschikken over een garage. Er is een grote plaatselijke nood aan parkeerruimte en garages. De verwerende partij houdt met deze concrete nood helemaal geen rekening, die zij uiteindelijk verwerpt op grond van een nietszeggende algemene beschouwing ‘dat er in het algemeen geen of weinig overschot is aan bedrijvenzones’. B.1.j. Motivatie van provincie. 24 Nergens wordt in de bestreden beslissing een reden uitgedrukt die het standpunt van de bestendigde deputatie met betrekking tot de goede plaatselijke aanleg als ongegrond of onjuist beschouwd (...). De concrete aangehaalde feiten ter staving in de beslissing van de deputatie worden niet eens onderzocht. B.2. Verkeerde voorstelling van de feiten in het bestreden besluit. B.2.a. Het College van Burgemeester en Schepenen heeft geen besluit genomen : 25 In de preambule van het bestreden besluit is er uitdrukkelijk sprake van de initiële weigering van de vergunning door het College van Burgemeester en Schepenen, nl. ‘Gelet op de beslissing van 15 maart 2007 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep door NV Hof ter Motte op 12 juni 2006 ingesteld tegen de beslissing van 29 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van Beersel tot weigering van de vergunning voor de afbraak van een woning en de oprichting van 16 garages voor particulier gebruik aan de H. Torleylaan te Beersel, kadastraal bekend afdeling 1, sectie A, nrs. 251d, 254c, 255y2, ingewilligd wordt;’, terwijl het College van Burgemeester en Schepenen de vergunning nooit geweigerd heeft, doch gewoon heeft nagelaten een beslissing te treffen vooraleer verzoekster beroep had aangetekend bij de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams- Brabant (...). B.2.b. Het College van Burgemeester en Schepenen kon geen regelmatige vergunning afleveren. 26 Verder stelt het bestreden besluit vast dat er een vergunning werd afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen, nl. : ‘Overwegende dat de aanvraag het slopen van een oude woning met schuur en de oprichting van 16 garages, met afmetingen van 50,64 m bij 5,75 m en een porfierverharde weg van circa 55,00 m bij 10,00 m betreft; dat het college op 28 juni 2006 een vergunning heeft verleend voor de afbraak van de woning; dat het geplande garage gebouw zal opgericht worden in grijze betonsteen en afgedekt ...’, terwijl het College van Burgemeester en Schepenen geen rechtsgeldige vergunning meer kon afleveren op 28 juni 2006 gezien verzoekster reeds op 12 juni 2006 beroep had aangetekend hij de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant (...). Aldus is het bestreden besluit gesteund op een volstrekt verkeerde voorstelling van de feiten die ongetwijfeld een decisieve rol heeft gespeeld bij X-13.823-17/32 de verwerende partij om de vergunning uiteindelijk te weigeren vermits deze zogezegd reeds door het College van Burgemeester en Schepenen geweigerd was - wat geenszins het geval was. B.2.c. Strijdigheid tussen het dispositief en de motivering van het bestreden besluit m.b.t. de sloping van de woning. 27 Ook de beslissing van de verwerende partij om de vergunning tot sloping te weigeren strookt niet met de overwegingen van het bestreden besluit waar de Minister stelt : ‘dat door de afbraak van de oude woning er weer wat waardevolle ruimte vrijkomt in dit relatief kleine KMO-gebied;’ (...). Ondanks deze overweging wordt de eerder in de beslissing van Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 15 maart 2007 toegestane sloping toch verworpen; De bestreden beslissing wordt dus niet gedragen door de motivering. De strijdigheid tussen motivering en beslissing staat gelijk met een gebrek aan motivering”. 4.9. De verwerende partij antwoordt: “In wat volgt zal verweerster deze beweringen één voor één weerleggen. In het algemeen dient te worden opgemerkt dat de bestreden beslissing geen rekening dient te houden met alle elementen die door verzoekster (via e-mail en tijdens de hoorzitting) naar voor werden geschoven temeer daar enkel de Bestendige Deputatie en de Minister als partijen betrokken in de beroepsprocedure dienen te worden aangemerkt. A) Wat betreft de miskenning van de plaatselijke aanleg - miskenning van de bestaande toestand
- a)Bestaande garages Verzoekster stelt dat er reeds negen vergunde garages staan in de tweede en derde bouworde aan de overzijde van de betonverharde erfweg. De bestaande garages waarnaar verzoekster verwijst betreffen evenwel oude gebouwen die als een historisch gegroeide situatie beschouwd dienen te worden. Het betreft immers vergunningen verleend in 1972, 1973 en 1974 en de percelen waarop zij betrekking hebben waren opgenomen in het bij K.B. van 19 november 1965 goedgekeurde BPA ‘Centrumuitbreiding’ (...). Deze garages zijn immers gesitueerd in de tuinzone van voorliggende woningen gelegen aan de Torleylaan, tussen deze woningen en een bestaand bedrijfsgebouw in KMO-gebied en ze zijn rechtstreeks bereikbaar via de bestaande ontsluitingsweg. De aanvraag van de huidige garages betreft een volledig ander concept en is niet vergelijkbaar met de inplanting van de bestaande garages. Het bestreden besluit heeft wel degelijk rekening gehouden met de betrokken garages waar het stelt dat ‘het terrein en de omliggende percelen ontsloten worden langs een betonverharde erfweg, waarlangs zich aan de zuidzijde enkele garages bevinden (...)’.
- b)Erfdienstbaarheid Wat betreft de erfdienstbaarheid van doorgang die door de tuinen van de voorliggende woningen loopt, en die, bij een eventuele uitbreiding van deze tuinen, te midden van de tuinen zou komen te liggen, dient te worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel belang heeft bij het ingeroepen middel. Bovendien dient te worden vastgesteld dat, zoals eerder besproken, de uitbreiding van deze tuinen louter een optie uitmaakt die voortvloeit uit de vaststelling dat de huidige aanvraag van verzoekster niet in overeenstemming is met de plaatselijke aanleg.
- c)Groenscherm X-13.823-18/32 Verder zou het feit dat het bestreden besluit geen melding maakt van de aanwezige groenaanplanting aantonen dat de Minister de plaatselijke toestand helemaal niet in rekening heeft gebracht bij de beoordeling van de aanvraag. Nochtans overweegt het bestreden besluit ‘dat de bomenrij langs de grens zal worden behouden’, zodat hier wel degelijk rekening mee werd gehouden in het bestreden besluit (...).
- d)Inrichting van de voorliggende tuinen/plaatselijk reliëf/schending van het eigendomsrecht/lengte van de tuinen Opnieuw dient te worden vastgesteld dat, zoals eerder besproken, de uitbreiding van deze tuinen louter een optie/mogelijkheid uitmaakt die voortvloeit uit de vaststelling dat de huidige aanvraag van verzoekster niet in overeenstemming is met de plaatselijke aanleg. Wat betreft de lengte van de tuinen moet worden opgemerkt dat, zo de berekeningen van de verzoekende partij juist blijken te zijn, deze cijfers geenszins hebben gediend als grondslag voor de bestreden beslissing.
- e)Woonreservegebied Aangezien het woonreservegebied niet het voorwerp uitmaakt van de gevraagde vergunning, dient andermaal te worden vastgesteld dat verzoekster geen belang heeft bij het inroepen van dit middel. Het bestreden besluit gaat trouwens op geen enkele wijze in op hoe het woonreservegebied dient te worden ontsloten of te worden aangesneden.
- f)Gebrek aan parkeerplaatsen Uiteraard is het niet zo omdat verzoekster beweert dat er een plaatselijke nood is aan parkeerruimtes dat dit moet leiden tot de toekenning van een vergunning, indien deze in strijd blijkt te zijn met de goede plaatselijke ordening B) Wat betreft de verkeerde voorstelling van de feiten Verzoekster stelt dat de preambule van de bestreden beslissing overweegt dat het beroep van verzoekster dd. 12 juni 2006 bij de Bestendige Deputatie werd ingesteld tegen de beslissing dd. 29 juni 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Beersel tot weigering van de vergunning, terwijl verzoekster reeds op 12 juni 2006 beroep heeft aangetekend tegen de beslissingsomissie van de gemeente Beersel. Uiteraard is het zo dat de gemeente die niet tijdig een beslissing neemt geacht wordt deze vergunning te weigeren, zodat geen enkele verkeerde voorstelling wordt weergegeven in de bestreden beslissing. Verder kan er niet omheen worden gegaan dat het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Beersel op 28 juni 2006 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor de afbraak van een woning, zij het dan laattijdig (...). Nergens beweert het besluit evenwel dat deze vergunning rechtsgeldig zou zijn afgeleverd, zodat het feit dat het bestreden besluit stelt dat ‘het college op 28 juni 2006 een vergunning heeft verleend voor de afbraak van de woning (...)’ geenszins een verkeerde voorstelling van de feiten weergeeft”. 4.10. De verzoekende partij dupliceert in de memorie van wederantwoord: “06. In haar verzoekschrift heeft verzoekster omstandig aangetoond met verwijzing naar de stukken van het dossier dat de verwerende partij de toetsing van de plaatselijke ordening geschonden heeft door onder meer geen rekening te houden met de onmiddellijke omgeving en dat zij tevens een verkeerde voorstelling van de feiten heeft gegeven, waardoor zij de materiële motiveringsplicht geschonden heeft. X-13.823-19/32 Voor meer bijzonderheden m.b.t. het hier besproken middel verwijst verzoekster vooreerst naar de randnr. 12 t.e.m. 27 op blz. 8 en 17 van het verzoekschrift, uiteenzetting die verzoekster hier integraal herneemt. In haar memorie stelt verweerster dat zij een en ander weerlegt, doch niets is minder waar : B.1. De goede plaatselijke aanleg - miskenning van de bestaande toestand. Verzoekster verwijst vooreerst naar randnr. 05 hierboven waar zij reeds gedeeltelijk heeft ingegaan op dit aspect. B.1.a. Bestaande garages 07.1. Het bestreden besluit stelt vooreerst dat er in de onmiddellijke omgeving geen degelijke inplanting in tweede bouworde voorkomt en vervolgens dat er zich aan de zuidzijde enkele garages bevinden. Deze motivering is niet alleen onderling in se tegenstrijdig, maar bovendien miskent ze duidelijk de plaatsgesteldheid op het terrein, vermits er reeds negen vergunde garages staan in tweede en derde bouworde aan de overzijde van de betonverharde ontsluitingsweg (...). Het bestreden besluit toont ten slotte nergens aan dat bouwen in een tweede bouworde op zich strijdig is met de goede plaatselijke ordening of onredelijk zou zijn, temeer omdat in casu langs beide zijden er reeds gebouwen in een tweede, derde, vierde en zelfs vijfde bouworde staan. Verder toont verweerster nergens in concreto aan dat de garages en toegangsweg gericht naar de KMO-zone die van de voorliggende woningen geïsoleerd zijn, vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar zijn en de plaatselijke aanleg niet ten goede zullen komen. Voor meer bijzonderheden m.b.t. dit middel verwijst verzoekster naar randnr. 11 op blz. 9 en 10 van het verzoekschrift, uiteenzetting die verzoekster hier integraal herneemt. 07.2.
- a)Verweerster stelt dat de bestaande garages waarnaar verzoekster verwijst oude gebouwen zijn die als een historisch gegroeide situatie dienen te worden beschouwd; immers de verleende vergunningen zijn gebaseerd op het B.P.A. van 19 november 1965.
- b)Verweerster vervolgt in haar memorie dat de garages gesitueerd zijn in de tuinzone van de voorliggende woningen en rechtstreeks bereikbaar zijn via de bestaande ontsluitingsweg.
- c)Ten slotte beweert verweerster ook nog dat de huidige garages een volledig ander concept is dat niet vergelijkbaar is met de inplanting van de bestaande garages. Het verweer gaat niet op zoals verzoekster hierna zal aantonen. 07.3.
- a)De bestemming vastgelegd in het B.P.A. van 1965 (...) m.b.t. de reeds bestaande en vergunde garages komt nog steeds overeen met de bestemming vastgelegd in het Gewestplan van 1979 en het B.P.A. Huizingen - Centrum Nr. 1, dat laatst nog herzien werd in 2008. Verweerster kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat het om een historisch gegroeide situatie gaat die vreemd is aan de huidige plannen van aanleg. Of de garages nu oud of recent zijn doet niets ter zake wat betreft de goede plaatselijke aanleg Noch in het bestreden besluit noch in de memorie toont verweerster aan dat de bedoelde gebouwen een afbreuk doen aan de plaatselijke aanleg. De verwerende partij had derhalve wel met inplanting van deze garages rekening moeten houden. X-13.823-20/32
- b)De garages gesitueerd in de tuinzone van de voorliggende woningen zijn, in tegenstelling tot wat verweerster in haar memorie stelt, niet rechtstreeks bereikbaar via de bestaande betonnen ontsluitingsweg. Zij zijn immers voorzien van een eigen toegangsweg in steenslag die loodrecht staat op de ontsluitingsweg. De verworpen bouwaanvraag voorzag in een identieke ontsluiting, doch aan de andere kant van de betonnen ontsluitingsweg. Deze bestaande garages en hun toegangsweg zijn eveneens gericht naar de K.M.O.-zone, zoals dat ook het geval is in de litigieuze bouwaanvraag. Ook deze garages staan in tweede bouworde en volkomen geïsoleerd van de voorliggende woningen, net zoals de nieuwe bijkomende garages die verzoekster heeft willen oprichten. Verweerster toont dan ook op geen enkele wijze in concreto aan dat de oriëntatie van de geplande garages en de toegangsweg naar de K.M.O.-zone, de tweede bouworde alsook het geïsoleerd zijn van de voorliggende woningen, de goede plaatselijke aanleg schaadt. Ten overvloede herinnert verzoekster eraan dat Uw Raad in meerdere van zijn arresten reeds bevestigd heeft dat bouwen in een tweede bouwstrook op zich niet strijdig is met de goede plaatselijke ordening (...).
- c)Het bestreden Ministerieel Besluit stelt nergens dat het concept en de afmeting van de garages een factor is die de plaatselijke aanleg schaden. De overwegingen die verwerende partij in haar memorie aanvoert staan als dusdanig niet in het bestreden Ministerieel Besluit. Welnu bij de beoordeling mag ‘enkel rekening gehouden worden met de in de bestreden beslissing vermelde redengeving’ (...). Ook op dat punt faalt de verwerende partij volkomen in haar betwiste memorie. Ten overvloede wijst verzoekster er nog op dat er in de onmiddellijke omgeving een loods staat waarvan de afmetingen veel groter zijn dan de door verzoekster geplande garages. 07.4. Conclusie : het geplande garagecomplex is in geen enkel opzicht strijdig met de goede plaatselijke aanleg en vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt wel aanvaardbaar. B.1.b. Erfdienstbaarheid van doorgang in de tuinen van de voorliggende woningen. 08. Verwerende partij kan geen enkel zinnig argument aanvoeren ter weerlegging van het door verzoekster op dat punt geformuleerde middel. Verweerster kan alvast niet gevolgd worden waar zij stelt dat verzoekster geen enkel belang heeft bij het ingeroepen middel. Het vergt zeker geen uitvoerig betoog dat verzoekster belang heeft bij elk middel dat tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. (...). Verzoekster stel(
- t)zich terecht de vraag waarom het bestreden besluit vrij uitgebreide overwegingen maakt omtrent mogelijke initiatieven/opties wanneer deze motiveringen geen invloed hebben bij de beoordeling van de bouwaanvraag. Hoger heeft verzoekster omstandig aangetoond dat de inplanting van de garages de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt, en er dus helemaal geen behoefte is aan een nieuwe mogelijke ordening zoals verweerster zomaar poneert met miskenning van de bestaande erfdienstbaarheid van doorgang. B.1.c. Groenscherm X-13.823-21/32 09. Hoe verwerende partij het ook moge draaien ze kan niet ernstig betwisten dat ze bij de beoordeling helemaal geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van het groenscherm dat er o.m. toe leidt dat het bouwwerk geen impact van betekenis heeft op de woonomgeving, zoals de Bestendige Deputatie expressis verbis heeft gesteld, doch waarvan het besluit niet in het dossier zat op het ogenblik van de hoorzitting.... B.1.d. Inrichting van de voorliggende tuinen 10. Mutatis mutandis herneemt verzoekster hier uitdrukkelijk haar uiteenzetting hoger onder littera B.1.b. m.b.t. de erfdienstbaarheid van doorgang ter weerlegging van de argumentatie van verweerster dat het hier opnieuw maar om een mogelijke optie gaat. B.1.e. Plaatselijk reliëf B.1.f. Schending van het eigendomsrecht. B.1.g. Lengte van de tuinen. B.1.h. Het woonreservegebied. B.1.i. Gebrek aan parkeerplaatsen. B.1.j. Motivatie van provincie. 11. Zoals Uw Raad kan vaststellen heeft verwerende partij al deze middelen onder een hoofding samengetrokken zonder deze middelen evenwel te bespreken en te weerleggen. Op de verschillende door verzoekster aangevoerde middelen met verwijzing naar de stukken van het dossier antwoordt de verwerende partij niet eens. B.2. Verkeerde voorstelling van de feiten in het bestreden besluit. 12. Verzoekster verwijst Uw Raad naar de uiteenzetting van het middel onder randnr. 25 en 26 op blz. 16 van haar verzoekschrift. Eens te meer zal Uw Raad met verzoekster moeten vaststellen dat verweerster niet eens antwoordt op het door verzoekster accuraat geformuleerde middel m.b.t. de verkeerde voorstelling van de feiten inzonderheid m.b.t. het besluit van de Gemeente voor de afbraak van de woning. B.3. Strijdigheid tussen het dispositief en de motivering van het bestreden besluit m.b.t. de sloping van de woning. 13. In dat verband heeft verzoekster onder randnr. 27 op blz. 17 van haar verzoekschrift het volgende aangevoerd : ‘Ook de beslissing van de verwerende partij om de vergunning tot sloping te weigeren strookt niet met de overwegingen van het bestreden besluit waar de Minister stelt : ‘dat door de afbraak van de oude woning er weer wat waardevolle ruimte vrijkomt in dit relatief kleine KMO-gebied;’ (...). ‘Ondanks deze overweging wordt de eerder in de beslissing van Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 15 maart 2007 toegestane sloping toch verworpen; ‘De bestreden beslissing wordt dus niet gedragen door de motivering. ‘De strijdigheid tussen motivering en beslissing staat gelijk met een gebrek aan motivering. Verwerende partij heeft hier niets weten tegen in te brengen, en wel om de eenvoudige reden dat het middel volstrekt gegrond is en tegenpartij hier zeker vast zit.... Verzoekster wenst verder nog op te merken dat de bouwaanvraag tweeledig was, nl. 1. de sloping van een bouwvallige woning en 2. het bouwen van de garages. X-13.823-22/32 De Stedenbouwwet schrijft nergens voor dat er voor de sloping en het optrekken van een constructie het voorwerp moeten zijn van twee afzonderlijke aanvragen en vergunningen. In casu heeft verzoekster de sloping van de woning gevraagd om leegstaandsheffing te vermijden en waarbij tezelfdertijd de bestemming van K.M.O.-zone en woongebied vastgelegd in het gewestplan kan gerealiseerd worden; de woning was immers in strijd met de bestemming vastgelegd in het gewestplan. Ter staving van de leegstandsheffing verwijst verzoekster naar het schrijven van de Vlaamse Overheid dd. 17 oktober 2008 waarbij een schorsing wordt toegestaan wegens renovatie (in casu sloping) (...). De weigering van de sloopvergunning betekent meteen dat verzoekster voor een voldongen feit komt te staan m.b.t. de leegstandsheffing. Temeer daar het een bouwvallige en zonevreemde woning betreft. Het bestreden besluit legt niet eens uit op welke wijze het slopen van de woning de goede plaatselijke aanleg schaadt. Deze weigering is des te onbegrijpelijker vermits verwerende partij in het dispositief van het bestreden besluit stelt dat het slopen van de woning waardevol K.M.O.-gebied vrij maakt. Kortom het bestreden besluit raakt kant noch wal en het middel gesteund op de strijdigheid tussen motivering en dispositief is volstrekt gegrond”. 4.11. In de laatste memorie doet de verzoekende partij nog gelden wat volgt: “05. De Heer eerste auditeur-afdelingshoofd stelt dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord niet ingaat op de beoordeling in het voormelde schorsingsarrest. Om niet in herhaling te vallen herneemt verzoekster hier vooreerst hetgeen zij hoger onder randnr. 02 reeds heeft betoogd bij de uiteenzetting nopens het eerste middel. 06. De Heer eerste auditeur-afdelingshoofd kan zeker niet gevolgd worden waar hij stelt dat verzoekster niet ingaat op de in het schorsingsarrest vervatte beoordeling van het middel, m.n. dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat : ‘in de onmiddellijke omgeving geen dergelijke inplanting in tweede bouworde voorkomt’, meer bepaald ‘een constructie bestaande uit ‘16 garages met afmeting van 50, 64m bij 5,75m’, ingeplant evenwijdig met de tuinen van de woningen gelegen aan de H.Torleylaan’. Verzoekster verwijst naar randnummers 07.1 - 07.4 op blz. 7 t.e.m. 9 van haar memorie van wederantwoord dd. 17 juni 2009 waar zij het volgende heeft uiteengezet : ‘07.1. Het bestreden besluit stelt vooreerst dat er in de onmiddellijke omgeving geen degelijke inplanting in tweede bouworde voorkomt en vervolgens dat er zich aan de zuidzijde enkele garages bevinden. Deze motivering is niet alleen onderling in se tegenstrijdig, maar bovendien miskent ze duidelijk de plaatsgesteldheid op het terrein, vermits er reeds negen vergunde garages staan in tweede en derde bouworde aan de overzijde van de betonverharde ontsluitingsweg (...). X-13.823-23/32 Het bestreden besluit toont ten slotte nergens aan dat bouwen in een tweede bouworde op zich strijdig is met de goede plaatselijke ordening of onredelijk zou zijn, temeer omdat in casu langs beide zijden er reeds gebouwen in een tweede, derde, vierde en zelfs vijfde bouworde staan. Verder toont verweerster nergens in concreto aan dat de garages en toegangsweg gericht naar de KMO-zone die van de voorliggende woningen geïsoleerd zijn, vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar zijn en de plaatselijke aanleg niet ten goede zullen komen. Voor meer bijzonderheden m.b.t. dit middel verwijst verzoekster naar de randnr. 11 op blz. 9 en 10 van het verzoekschrift, uiteenzetting die verzoekster hier integraal herneemt. ‘07.2.
- a)Verweerster stelt dat de bestaande garages waarnaar verzoekster verwijst oude gebouwen zijn die als een historisch gegroeide situatie dienen te worden beschouwd; immers de verleende vergunningen zijn gebaseerd op het B.P.A. van 19 november 1965.
- b)Verweerster vervolgt in haar memorie dat de garages gesitueerd zijn in de tuinzone van de voorliggende woningen en rechtstreeks bereikbaar zijn via de bestaande ontsluitingsweg.
- c)Ten slotte beweert verweerster ook nog dat de huidige garages een volledig ander concept is dat niet vergelijkbaar is met de inplanting van de bestaande garages. Het verweer gaat niet op zoals verzoekster hierna zal aantonen. ‘07.3.
- a)De bestemming vastgelegd in het B.P.A. van 1965 (...) m.b.t. de reeds bestaande en vergunde garages komt nog steeds overeen met de bestemming vastgelegd in het Gewestplan van 1979 en het B.P.A. Huizingen - Centrum Nr. 1, dat laatst nog herzien werd in 2008. Verweerster kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat het om een historisch gegroeide situatie gaat die vreemd is aan de huidige plannen van aanleg. Of de garages nu oud of recent zijn doet niets ter zake wat betreft de goede plaatselijke aanleg Noch in het bestreden besluit noch in de memorie toont verweerster aan dat de bedoelde gebouwen een afbreuk doen aan de plaatselijke aanleg. De verwerende partij had derhalve wel met inplanting van deze garages rekening moeten houden.
- b)De garages gesitueerd in de tuinzone van de voorliggende woningen zijn, in tegenstelling tot wat verweerster in haar memorie stelt, niet rechtstreeks bereikbaar via de bestaande betonnen ontsluitingsweg. Zij zijn immers voorzien van een eigen toegangsweg in steenslag die loodrecht staat op de ontsluitingsweg. De verworpen bouwaanvraag voorzag in een identieke ontsluiting, doch aan de andere kant van de betonnen ontsluitingsweg. Deze bestaande garages en hun toegangsweg zijn eveneens gericht naar de K.M.O.-zone, zoals dat ook het geval is in de litigieuze bouwaanvraag. X-13.823-24/32 Ook deze garages staan in tweede bouworde en volkomen geïsoleerd van de voorliggende woningen, net zoals de nieuwe bijkomende garages die verzoekster heeft willen oprichten. Verweerster toont dan ook op geen enkele wijze in concreto aan dat de oriëntatie van de geplande garages en de toegangsweg naar de K.M.O.-zone, de tweede bouworde alsook het geïsoleerd zijn van de voorliggende woningen, de goede plaatselijke aanleg schaadt. Ten overvloede herinnert verzoekster eraan dat Uw Raad in meerdere van zijn arresten reeds bevestigd heeft dat bouwen in een tweede bouwstrook op zich niet strijdig is met de goede plaatselijke ordening (...).
- c)Het bestreden Ministerieel Besluit stelt nergens dat het concept en de afmeting van de garages een factor is die de plaatselijke aanleg schaden. De overwegingen die verwerende partij in haar memorie aanvoert staan als dusdanig niet in het bestreden Ministerieel Besluit. Welnu hij de beoordeling mag ‘enkel rekening gehouden worden met de in de bestreden beslissing vermelde redengeving’ (...). Ook op dat punt faalt de verwerende partij volkomen in haar betwiste memorie. Ten overvloede wijst verzoekster er nog op dat er in de onmiddellijke omgeving een loods staat waarvan de afmetingen veel groter zijn dan de door verzoekster geplande garages. ‘07.4. Conclusie : het geplande garagecomplex is in geen enkel opzicht strijdig met de goede plaatselijke aanleg en vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt wel aanvaardbaar. Verzoekster merkt op dat de auditeur het woord ‘dergelijke’ heeft benadrukt door onderlijning. Volgens de Heer eerste auditeur-afdelingshoofd had er reeds een dergelijke constructie moeten bestaan om de goede plaatselijke aanleg niet te schaden. Dit zou betekenen dat enkel constructies gelijkaardig aan bestaande constructies nog mogelijk zijn, hetgeen iedere vernieuwing in de kiem smoort. Een dergelijke opvatting stemt niet overeen met een materiële motivering, zoals in randnr. 12 van het verzoekschrift is omschreven, nl. : ‘12 Materiële motiveringsplicht’ is een beginsel van behoorlijk bestuur, dat betekent dat beslissingen van de uitvoerende macht gedragen moeten worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn, en die daarom, naar aanleiding van het legaliteitstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd. Dit heeft drie onlosmakelijk met elkaar verbonden verplichtingen tot gevolg : de motieven van de rechtshandeling moeten kenbaar zijn, zij moeten beantwoorden aan de realiteit, ten slotte moeten zij ‘draagkrachtig’ zijn, d.i. de beslissing effectief verantwoorden’, (...).’ De bestreden beslissing moet dus effectief en draagkrachtig verantwoorden waarom de inplanting van de nog op te trekken constructie de goede plaatselijke aanleg schaadt. X-13.823-25/32 De motivering ‘dat er nog geen ‘dergelijke’ constructie in de omgeving is’ verantwoordt echter geenszins waarom de door verzoekster voorgenomen constructie de goede plaatselijke aanleg zou schaden. Noch het schorsingsarrest, noch de bestreden beslissing, noch de memorie van antwoord van verweerster tonen immers aan dat de goede plaatselijke aanleg geschaad is door het concept, de afmetingen en de oriëntatie van de aanvraag. Verzoekster moet zeker niet aantonen dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad wordt door de inplanting van de constructie, maar het is aan de Minister om in het bestreden besluit aan te tonen dat de constructie de goede plaatselijke aanleg schaadt, hetgeen hij absoluut niet heeft gedaan. M.a.w. van verzoekster kan geen negatieve bewijslevering verwacht worden. Het is trouwens aan de Minister om het positieve bewijs te leveren. 07. De overwegingen in het schorsingsarrest m.b.t. de erfdienstbaarheid t.e.m. de motivatie van provincie zouden weeral op het eerste zicht niet aangemerkt kunnen worden als zijnde de motieven op grond waarvan de Minister tot het besluit is gekomen dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg. De beoordeling in het schorsingsarrest onder punt 2.2.2.2.2 laatste alinea stelt verder dat verzoekster niet betwist dat ‘de goede plaatselijke aanleg in het gedrang komt doordat de gevraagde constructie die in tweede bouworde achter de werkelijke bouwbestemming zijn voorzien, die van de voorliggende woongebouwen geïsoleerd zullen ingeplant worden, met de garagepoorten en toegangswegen gericht naar de KMO-zone, vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar zijn en de plaatselijke aanleg niet ten goede zullen komen’. De Heer eerste auditeur-afdelingshoofd is van mening dat verzoekster hierop niet is ingegaan. Verzoekster heeft zowel in haar verzoekschrift als in haar memorie van wederantwoord in het lang én in het breed betwist dat ‘de gevraagde constructie die in tweede bouworde achter de werkelijke bouwbestemming zijn voorzien, die van de voorliggende woongebouwen geïsoleerd zullen ingeplant worden, met de garagepoorten en toegangswegen gericht naar de KMO-zone, vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar zijn en de plaatselijke aanleg niet ten goede zullen komen’. Verzoekster verwijst naar het eerste middel waar zij in extenso het ‘ruimtelijk ordenend oogpunt’ - achter werkelijke bouwbestemming, geïsoleerd van de voorliggende woongebouwen - heeft weerlegd (...) en het tweede middel m.b.t. de goede plaatselijke aanleg, - de gevraagde constructie (concept, afmeting,..), richting en toegangsweg, tweede bouworde - (...) heeft besproken. Het bestreden besluit heeft nergens effectief en draagkrachtig verantwoord waarom de gevraagde constructie, de tweede bouworde, de isolatie van de voorgelegen woongebouwen, de garagepoorten, de toegangsweg gericht naar de KMO-zone en de afmetingen de goede plaatselijke aanleg zou schaden. Het bestreden besluit schendt aldus de materiële motiveringsplicht, beginsel van behoorlijk bestuur zoals letterlijk verwoord onder randnummer 12 op blz. 8 van het verzoekschrift. Het middel is dan ook wel degelijk gegrond. X-13.823-26/32 Verzoekster kan begrijpen dat Uw Raad in de schorsingsprocedure zijn oordeel velt ‘op het eerste zicht’. Dit neemt niet weg dat in de annulatieprocedure de zaak grondiger wordt aangepakt zodat besluiten die op het eerste zicht plausibel kunnen overkomen, na grondiger analyse toch nog vernietigd moeten worden. 08. De Heer eerste auditeur-afdelingshoofd is niet ernstig waar hij stelt dat het laatste onderdeel van het tweede middel, meer bepaald de ‘strijdigheid tussen het dispositief en de motivering van het bestreden besluit m.b.t. de sloping van de woning’ een nieuwe en dus niet ontvankelijke grondslag poogt te geven. Deze visie kan niet gevolgd worden. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift op blz. 17 gesteld dat : ‘27 Ook de beslissing van de verwerende partij om de vergunning tot sloping te weigeren strookt niet met de overwegingen van het bestreden besluit waar de Minister stelt : ‘dat door de afbraak van de oude woning er weer wat waardevolle ruimte vrijkomt in dit relatief kleine KMO-gebied;’ (...). Ondanks deze overweging wordt de eerder in de beslissing van Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 15 maart 2007 toegestane sloping toch verworpen; De bestreden beslissing wordt dus niet gedragen door de motivering. De strijdigheid tussen motivering en beslissing staat gelijk met een gebrek aan motivering.’ In haar memorie van wederwoord stelt verzoekster onder randnr. 13 op blz. 11 dat : ‘Verwerende partij heeft hier niets weten tegen in te brengen, en wel om de eenvoudige reden dat het middel volstrekt gegrond is en tegenpartij hier zeker vast zit.... Verzoekster wenst verder nog op te merken dat de bouwaanvraag tweeledig was, nl. 1. de sloping van een bouwvallige woning en 2. het bouwen van de garages. De Stedenbouwwet schrijft nergens voor dat er voor de sloping en het optrekken van een constructie het voorwerp moeten zijn van twee afzonderlijke aanvragen en vergunningen. In casu heeft verzoekster de sloping van de woning gevraagd om leegstandsheffing te vermijden en waarbij tezelfdertijd de bestemming van K.M.O.-zone en woongebied vastgelegd in het gewestplan kan gerealiseerd worden; de woning was immers in strijd met de bestemming vastgelegd in het gewestplan. Ter staving van de leegstandsheffing verwijst verzoekster naar het schrijven van de Vlaamse Overheid dd. 17 oktober 2008 waarbij een schorsing wordt toegestaan wegens renovatie (in casu sloping) (...). De weigering van de sloopvergunning betekent meteen dat verzoekster voor een voldongen feit komt te staan m.b.t. de leegstandsheffing. Temeer daar het een bouwvallige en zonevreemde woning betreft. Het bestreden besluit legt niet eens uit op welke wijze het slopen van de woning de goede plaatselijke aanleg schaadt. Deze weigering is des te onbegrijpelijker vermits verwerende partij in het dispositief van het bestreden besluit stelt dat het slopen van de woning waardevol K.M.O.-gebied vrij maakt. Kortom het bestreden besluit raakt kant noch wal en het middel gesteund op de strijdigheid tussen motivering en dispositief is volstrekt gegrond.’ X-13.823-27/32 Er is door verzoekster in haar verzoekschrift duidelijk aangevoerd dat het slopen van de woning ook werd geweigerd, hetgeen ondubbelzinnig wijst op de tweeledigheid van de bouwaanvraag. Meer nog, verzoekster heeft erop gewezen dat de sloopweigering niet eens gemotiveerd is. De Heer eerste auditeur-afdelingshoofd kan dan ook niet gevolgd worden waar hij op blz. 27 van zijn verslag stelt dat verzoekster zodoende een nieuwe grondslag aan haar middel poogt te geven, aangezien verzoekster een en ander van meetaf aan duidelijk in haar verzoekschrift heeft gesteld.
- a)In haar memorie van wederantwoord in de annulatieprocedure heeft verzoekster de kwestie van de leegstandsheffing enkel aangevoerd als een bijkomend argument, en geen middel. Trouwens volgens vaste rechtspraak van Uw Raad kan de leegstandsheffing in de schorsingsprocedure nooit in aanmerking komen voor het MTHEN gezien het om een louter financiële schade gaat.
- b)Uit de stukken van het dossier - o.a. de nota afgegeven op de hoorzitting (...) - blijkt duidelijk dat het gebouw niet enkel gesloopt werd om ruimte te maken voor de garages, maar ook om de KMO-zone te kunnen ontwikkelen door het verwijdering van de zonevreemde vervallen woning. Dit onderdeel van het tweede middel werd bijgevolg wel degelijk in het verzoekschrift aangevoerd en is zeker geen nieuw middel zoals de Heer eerste auditeur-afdelingshoofd in zijn verslag betoogt. Het tweede middel is derhalve wel gegrond. In het bestreden besluit vindt verzoekster immers nergens de draagkrachtig motivatie waarom de sloop van de vervallen woning, waarop leegstandsheffing valt, de goede plaatselijke aanleg schaadt”. Beoordeling 4.12. Het bestreden besluit omschrijft de aanvraag van de verzoekende partij als “het slopen van een oude woning met schuur en de oprichting van 16 garages, met afmetingen van 50,64 m bij 5,75 m en een porfierverharde weg van circa 55,00 m bij 10,00 m”. 4.13. In het bestreden besluit wordt overwogen “dat het geplande garagegebouw op 3,50 m evenwijdig met de zuidwestelijke perceelsgrens zal worden ingeplant, achter de tuinen van de woningen gelegen aan de H. Torleylaan; dat deze constructie in tweede bouworde zal gesitueerd worden; dat in de onmiddellijke omgeving er geen dergelijke inplanting in tweede bouworde voorkomt”. Uit het inplantingsplan dat bij de aanvraag van de verzoekende partij is gevoegd blijkt dat er in de onmiddellijke omgeving geen dergelijke inplanting in tweede bouworde voorkomt, te weten een constructie bestaande uit X-13.823-28/32 “16 garages, met afmetingen van 50,64 m bij 5,75 m”, ingeplant evenwijdig met de tuinen achter de woningen gelegen aan de H. Torleylaan. De enkele andere garages waarvan in het bestreden besluit melding wordt gemaakt blijken geenszins de afmetingen te bezitten van deze van de aanvraag en zijn bovendien, althans zes ervan, gericht naar de op het voormelde plan aangegeven “buurtweg in betonverharding”, daar waar de geplande garages naar de KMO-zone zijn gericht. 4.14. Wat betreft de “erfdienstbaarheid van doorgang in de tuinen van de voorliggende woningen”, dient te worden vastgesteld dat hetgeen de verzoekende partij aanvoert betrekking heeft op “mogelijke initiatieven/opties”, waarvan sprake bij het onderzoek van het eerste middel, die niet kunnen worden aangemerkt als zijnde de motieven op grond waarvan de bevoegde minister tot het besluit is gekomen dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De argumentatie hieromtrent kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen. Dezelfde vaststelling geldt ten aanzien van hetgeen de verzoekende partij aanvoert inzake de “inrichting van de voorliggende tuinen”, het “plaatselijk reliëf”, de “schending van het eigendomsrecht”, de “lengte van de tuinen” en “het woonreservegebied”. Nu de verzoekende partij de overweging dat “de gevraagde constructies die in tweede bouworde achter de werkelijke woonbestemming zijn voorzien, die van de voorliggende woongebouwen geïsoleerd zullen ingeplant worden, met de garagepoorten en de toegangsweg gericht naar de KMO-zone, vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar zijn en de plaatselijke aanleg niet ten goede zullen komen” niet betwist, is de vraag of het behoud van de “bestaande groenaanplanting” en de “grote plaatselijke nood aan parkeerruimte en garages” bij het beoordelen van de aanvraag dienden te worden betrokken, hoe dan ook niet relevant. 4.15. Om de beslissing te motiveren waarin hij uitspraak doet over het beroep dat door het college van burgemeester en schepenen is ingesteld tegen het besluit waarbij de deputatie een vergunning verleent, is de betrokken minister, als orgaan van het actief bestuur, er niet toe gehouden te antwoorden op alle argumenten waarop het besluit waartegen beroep is ingesteld, is gesteund. Het volstaat dat hij de redenen aangeeft die zijn beslissing verantwoorden. 4.16. Wat betreft de door de verzoekende partij gewraakte “verkeerde voorstelling van de feiten in het bestreden besluit”, dient te worden vastgesteld dat X-13.823-29/32 het te dezen gaat om vermeldingen in de preambule van het bestreden besluit waarvan niet blijkt dat zij van doorslaggevende betekenis zijn geweest bij het beoordelen van het beroep en dat het bestreden besluit erop is gesteund. 4.17. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat, om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het eerste middel, er geen “strijdigheid” is “tussen het dispositief en de motivering van het bestreden besluit m.b.t. de sloping van de woning”. 4.18. In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog aanvoert dat “de Stedenbouwwet (...) nergens voor(schrijft) dat (...) de sloping en het optrekken van een constructie het voorwerp moeten zijn van twee afzonderlijke aanvragen en vergunningen”, dat “in casu (...) verzoekster de sloping van de woning (heeft) gevraagd om leegstandsheffing te vermijden en waarbij tezelfdertijd de bestemming van K.M.O.-zone en woongebied vastgelegd in het gewestplan kan gerealiseerd worden” en dat “het bestreden besluit (...) niet eens uit(legt) op welke wijze het slopen van de woning de goede plaatselijke aanleg schaadt”, geeft zij aan het middel een nieuwe en aldus niet ontvankelijke grondslag. 4.19. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 4.20. In een derde middel voert de verzoekende partij de “miskenning van de rechten van de verdediging” aan. Zij zet dit middel uiteen als volgt: “28 Bij schrijven van 20 december 2007 heeft de verwerende partij verzoekster uitgenodigd voor de hoorzitting met gelegenheid om het dossier voorafgaandelijk in te zien (...). Verzoeker heeft vastgesteld dat in het dossier zowel de stukken van de Gemeente BEERSEL alsook de stukken van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant niet in het dossier zaten. Verzoekster heeft dat tekort op de dag van de hoorzitting zelf onmiddellijk mondeling gemeld en tezelfdertijd heeft zij een schriftelijke nota in die zin ingediend tegen ontvangstbewijs (...). Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw - nadien artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 X-13.823-30/32 - grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen, en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep ‘de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak’, waarbij genoemde partijen ‘op gelijke voet worden gesteld’; dat wil de door de wetgever beoogde objectieve rechtsbedeling bereikt worden, de gelijke behandeling van de partijen een onmisbare vereiste is; dat dienvolgens de bouwaanvrager, ten aanzien van de aanzegging van het beroep, op gelijke voet moet worden gesteld met de minister; (...). Door het onthouden van inzagerecht van de stukken van de beroepsindiener zijn de rechten van verdediging van verzoekster geschonden. De verwerende partij repliceert het volgende: ‘Nochtans moet worden vastgesteld dat deze nota ingediend tijdens de hoorzitting enkel melding maakt van het feit dat het aanvraagdossier van verzoekster niet in het bundel aanwezig was. Uiteraard had verzoekster kennis van haar eigen aanvraagdossier, zodat dit nooit een schending van haar rechten van verdediging kan uitmaken’”. 4.21. De verwerende partij antwoordt: “Nochtans moet worden vastgesteld dat deze nota ingediend tijdens de hoorzitting enkel melding maakt van het feit dat het aanvraagdossier van verzoekster niet in het bundel aanwezig was. Uiteraard had verzoekster kennis van haar eigen aanvraagdossier, zodat dit nooit een schending van haar rechten van verdediging kan uitmaken. Ook het derde middel is niet gegrond”. 4.22. De verzoekende partij dupliceert in de memorie van wederantwoord: “14. Verwerende partij kan niet ernstig betwisten dat de stukken van de Gemeente BEERSEL alsook de stukken van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant niet in het dossier zaten. In het bestreden besluit laat verweerster onder meer gelden dat de gemeente niet van plan is het reservegebied voor woonwijken te ontwikkelen. Om de redenen uiteengezet onder nr. 28 op blz. 17 van het verzoekschrift kon verzoekster uiteraard niet op de hoogte zijn van het feit dat ‘de gemeente geen plannen heeft om bewust reservegebied voor woonwijken als dusdanig aan te snijden’ ofschoon deze kwestie determinerend is m.b.t. de plaatselijke aanleg van de onmiddellijke omgeving inzonderheid met de toegangsweg. Bijgevolg zijn de rechten van verdediging in casu wel geschonden”. Beoordeling 4.23. Het beginsel van de rechten van verdediging geldt niet in een administratieve beroepsprocedure. X-13.823-31/32 In zoverre de door de verzoekende partij aangevoerde schending van de rechten van verdediging moet worden begrepen als een schending van de hoorplicht, dient te worden vastgesteld dat, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, de verzoekende partij in de nota van 11 januari 2008, neergelegd naar aanleiding van de hoorzitting, enkel heeft opgemerkt dat “bij de inzage van het dossier werd vastgesteld dat het volledig ingediende aanvraagdossier (met o.a. plannen, foto’s, toelichtingsnota, andere informatieve stukken) NIET in de bundel aanwezig is”. 4.24. Te dezen dient vooreerst te worden vastgesteld dat de verzoekende partij van die stukken uiteraard niet onkundig kan zijn geweest. Daarenboven blijft de verzoekende partij in gebreke aan te geven op welke wijze en in welke mate het ontbreken van die stukken haar in haar belangen heeft geschaad. 4.25. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.823-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.711 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div