id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.731 Rolnummer: A. 189489/IX-6035 Zaak: Arrest 208731 - Wegverkeer van goederen - 08/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-18 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-02 05:52 Fiche Arrest nr 208.731 van 8 november 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.731 van 8 november 2010 in de zaak A. 189.489/IX-6035 In zake : Jacques DEBAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij het Agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 2 juli 2008 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Jacques DEBAES een administratieve geldboete wordt opgelegd van 4.125 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. Beide partijen hebben een laatste memorie ingediend. IX-6035-1/31 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Poppe, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoeker, en adjunct van de directeur, jurist Koenraad Vanschoren, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 7 september 2007 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de verzoeker, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnel- weg E40 te Boutersem. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 30 % op de tweede as van de trekker. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna: Aslastendecreet). 3.2. Op 26 september 2007 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Leuven met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt medegedeeld dat het parket geen vervolging zal instellen. 3.3. Op 7 januari 2008 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen. Met een brief van dezelfde datum wordt de verzoeker in kennis gesteld van die beslissing. 3.4. Op 11 januari 2008 tekent de verzoeker verzet aan tegen die beslissing van de wegeninspecteur-controleur. IX-6035-2/31 3.5. Op 19 februari 2008 wordt de verzoeker, vertegenwoordigd door zijn raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Hij dient ook een nota in. 3.6. Op 4 maart 2008 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.7. Met een aangetekende brief van 17 maart 2008 wordt namens de verzoeker beroep ingesteld tegen die beslissing bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 28 april 2008 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoeker een verweernota wordt ingediend. 3.8. Op 2 juli 2008 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur aan de verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 3 juli 2008 aan de verzoeker toegezonden. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. De verzoeker is van mening, wat de regelmatigheid van de procedure betreft, dat de memorie van antwoord uit de debatten moet worden geweerd, omdat ze ondertekend is door K. Vanschoren, adjunct van de directeur bij het Agentschap Infrastructuur, die niet bevoegd is om het Vlaamse Gewest te vertegenwoordigen. Deze exceptie berust klaarblijkelijk op een vergissing. De memorie van antwoord werd immers ondertekend door T. Roelants, afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur (thans het Agentschap Wegen en Verkeer). De verzoeker betwist niet dat aan laatstgenoemde rechtsgeldig delegatie was verleend om namens de verwerende partij een memorie van antwoord in te dienen. IX-6035-3/31 Inderdaad wordt in artikel 18bis van het besluit van 26 juni 2006 van het hoofd van het Agentschap Infrastructuur van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken tot subdelegatie van sommige beslissingsbevoegd- heden aan personeelsleden van het agentschap, ingevoegd bij besluit van 30 mei 2007, machtiging verleend aan het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie van het Agentschap Infrastructuur tot het voeren van rechtsgedingen als verweerder voor de Raad van State betreffende het Aslastendecreet, inzonderheid hoofdstuk XIV. Bijgevolg is er geen reden om de memorie van antwoord uit de debatten te weren. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5. In een eerste middel voert de verzoeker de onbevoegdheid aan van de wegeninspecteur-controleur die de administratieve geldboete in eerste aanleg heeft opgelegd. De verwerende partij kan immers geen ministerieel besluit voorleggen waaruit diens aanstelling blijkt. In ondergeschikte orde stelt hij dat, indien er toch een geldig ministerieel besluit zou worden voorgelegd, dat besluit ten onrechte niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het betreft immers een ministerieel besluit waarvan de bekendmaking een openbaar nut heeft. Het publiek dient te weten door wie de bijzondere bevoegdheden die het Aslastendecreet aan de wegeninspecteurs-controleurs verleent, worden uitgeoefend. Dat die bekendmaking een openbaar nut heeft, wordt volgens de verzoeker trouwens aangetoond door het feit dat de aanstelling van de ambtenaren die bevoegd zijn om de overtreder in beroep te horen wel in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Aangezien te dezen het ministerieel besluit waarbij de wegeninspecteur-controleur werd aangesteld niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, meent de verzoeker dat diens aanstelling en bijgevolg ook diens beslissingen en tussenkomsten in het dossier hem niet tegenstelbaar zijn. IX-6035-4/31 6. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het niet gericht is tegen de bestreden beslissing. Vervolgens betoogt zij dat artikel 60 van het Aslastendecreet een georganiseerd administratief beroep in het leven roept. Het instellen van een beroep bij de Vlaamse regering leidt tot een overdracht van de bevoegdheden van de wegeninspecteur-controleur naar de Vlaamse regering, waardoor de beslissing van de wegeninspecteur-controleur uit de rechtsorde verdwijnt en niet langer rechtsgevolgen sorteert. Volgens de verwerende partij moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept. Het gegeven dat overeenkomstig artikel 60, § 1, tweede lid, van het Aslastendecreet de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete vervalt wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig aan de overtreder meedeelt, doet volgens de verwerende partij daaraan geen afbreuk. Die bepaling vereist immers niet dat de wegeninspecteur-controleur een wettige beslissing neemt, maar wel dat zijn beslissing tijdig aan de overtreder wordt meegedeeld. De eventuele onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur kan er volgens de verwerende partij dus niet toe leiden dat de mogelijkheid om de administratieve geldboete op te leggen vervallen is. 7. Wat het argument betreft dat het middel niet tegen de bestreden beslissing gericht is, repliceert de verzoeker dat in de bestreden beslissing op een gebrekkig gemotiveerde wijze geantwoord wordt op hetgeen hij desbetreffend reeds in het kader van de beroepsprocedure had aangevoerd. Bovendien meent hij dat de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur de geldigheid van de administra- tieve procedure in haar geheel op de helling zet en dat door die onbevoegdheid ook de bestreden beslissing niet geldig tot stand kon komen. Verder stelt hij dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur in eerste aanleg geen rechtsgeldige beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete werd genomen, zodat overeenkomstig artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet, ingevolge het verstrijken van de beslissingstermijn van de wegeninspecteur-controleur, de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen was. De verzoeker betwist dat die bepaling enkel een tijdige, maar geen wettige beslissing van de wegeninspecteur- IX-6035-5/31 controleur vereist teneinde het verval van de administratieve geldboete te verhinderen. Beoordeling 8. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is de bestreden beslissing volledig in de plaats gekomen van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de wegeninspecteur-controleur, waardoor laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen sorteert. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatighe- den in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep. Verder stelt de verzoeker dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur, er in eerste aanleg geen tijdige beslissing genomen is, zodat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen was overeenkomstig artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet. Deze stelling kan niet worden bijgevallen. Overeenkomstig artikel 60, § 1, tweede lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig, dit wil zeggen binnen de negentig dagen na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, aan de overtreder meedeelt. Overeen- komstig artikel 60, § 2, laatste lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur- controleur zijn beslissing na verzet niet tijdig, dit wil zeggen binnen dertig dagen na de hoorzitting in verzet, aan de overtreder meedeelt. Deze bepalingen vereisen niet dat de wegeninspecteur-controleur een wettige beslissing neemt, enkel wordt vereist dat de beslissing tijdig aan de overtreder wordt meegedeeld. De eventuele onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur kan derhalve niet leiden tot de vaststelling dat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-6035-6/31 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 9. In een tweede middel voert de verzoeker aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). De verzoeker wijst erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegdekbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegdekbescha- diging veroorzaakt wordt door overlading in de zin van artikel 18, §§ 1 en 2, of artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: technisch reglement). Hij merkt op dat het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen, maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredig- heid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan het vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwets- conforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging ingesteld. Omdat, zo stelt de verzoeker, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005. In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadi- IX-6035-7/31 ging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegdekbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoeker besluit hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegdekbeschadiging helemaal niet opgaat, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegdekbeschadiging geformuleerd kan worden tussen overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegdekbe- schadiging. De verzoeker merkt op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdekbescha- diging. De verzoeker wijst er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegdekbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg van het wegdek. De verzoeker meent dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Aangezien ook andere factoren een rol spelen, is het mogelijk dat een overladen voertuig andere schade veroorzaakt, naargelang de aard van de ondergrond, de bandendruk of de banden van het voertuig, en toch dezelfde bestraffing wordt opgelegd. Bovendien kan men zich afvragen of een voertuig dat net boven de grens van 5 % overladen is, niet dezelfde schade kan toebrengen als een voertuig dat met 4,9 % overladen is. Volgens de verzoeker moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat bepaald wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 stelt de verzoeker dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet bepaald, het door het Grondwettelijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hem dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: IX-6035-8/31 “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadi- ging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?” De verzoeker vraagt dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundigenonderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadiging door overlading. 10. De verwerende partij werpt vooreerst op dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het niet gericht is tegen de bestreden beslissing, maar tegen het Aslastendecreet zelf en de Raad van State geen uitspraak kan doen over de grondwettigheid van decreten. Bovendien ontkent de verzoeker niet dat de overschrijding van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum leidt tot wegdekbeschadiging, doch hij meent dat ook andere factoren een rol spelen bij het ontstaan van deze schade. De verzoeker toont volgens de verwerende partij evenwel niet aan dat, rekening houdend met eventuele andere factoren, de vastgestelde overlading geen wegdekbeschadiging zou hebben veroorzaakt. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat wettelijke vermoe- dens tot doel hebben de taak van het openbaar ministerie te verlichten door de bewijslast om te keren. Uit het feit dat men overladen rijdt, leidt de decreetgever, behoudens tegenbewijs, af dat het wegdek beschadigd wordt. De verwerende partij voert aan dat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het instellen van dergelijk vermoeden in beginsel niet in strijd is met het vermoeden van onschuld, zolang er een redelijk verband van evenredigheid bestaat met het wettelijk nagestreefde doel. Het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie hebben geoordeeld dat het Aslastendecreet de overschrijding van de maximaal toegelaten massa onder de assen strafbaar stelt omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengt. Aan dit wettelijk vermoeden mag uiteraard geen onweerlegbaar karakter worden verleend, aangezien daardoor afbreuk zou worden gedaan aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld. Dit houdt volgens de verwerende partij niet in dat de overlading de enige oorzaak mag en moet zijn van de wegdekbeschadiging. Gelet op het feit dat overladingen volgens de wetenschap- IX-6035-9/31 pelijke literatuur evenwel de voornaamste oorzaak zijn van wegdekbeschadiging, is het volgens haar redelijk verantwoord dat de decreetgever, om te vermijden dat het openbaar ministerie bij elke afzonderlijke overlading zou moeten aantonen dat het wegdek beschadigd werd, een wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging in het leven heeft geroepen. Het wegdek is slechts berekend op een bepaalde maximum-belasting, zodat de overschrijding van deze belasting steeds schade met zich brengt. Het feit dat eventuele andere factoren, naast de overlading, een invloed hebben op de schade, doet hieraan geen afbreuk, aldus de verwerende partij. Volgens de verwerende partij is er geen noodzaak om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vraag gaat immers uit van de onjuiste hypothese dat bij het beoordelen van het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging rekening moet worden gehouden met de mate waarin het wegdek beschadigd werd. Het wettelijk vermoeden heeft enkel tot doel te bewijzen dat wegdekbeschadiging heeft plaatsgevonden, doch de grootte van de schade is hierbij niet relevant. Daarnaast moet de prejudiciële vraag aan de verzoekende partij een voordeel kunnen opleveren. Dit is volgens de verwerende partij hier niet het geval, aangezien het Grondwettelijk Hof, zich baserend op de wetenschappelijke litteratuur, reeds heeft vastgesteld dat gewichtsoverschrijding van een voertuig een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf is gepleegd. De verzoeker ontkent trouwens niet dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen aslastenoverschrijding en wegdekbeschadiging. Bijgevolg meent de verwerende partij dat zelfs wanneer andere factoren een invloed kunnen hebben op de mate van wegdekbeschadiging, in casu nog steeds moet worden vastgesteld dat ingevolge de asoverlading wegdekbeschadiging heeft plaatsgevonden, zodat het opleggen van een administratieve geldboete op basis van artikel 56 van het Aslastendecreet mogelijk was. 11. Wat de door de verwerende partij opgeworpen onontvankelijkheid van het middel betreft, repliceert de verzoeker dat de Raad van State bevoegd is om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Indien het Grond- wettelijk Hof zou vaststellen dat het Aslastendecreet ongrondwettig is, zou dit de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg hebben. Voorts voert de verzoeker aan dat de decreetgever een vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading heeft ingevoerd, omdat hij er zich van bewust was dat het onmogelijk is om zonder dit vermoeden wegdekbeschadiging te IX-6035-10/31 bewijzen. Indien dit vermoeden niet redelijk verantwoord zou zijn, onder meer gelet op de andere factoren die een rol spelen bij wegdekbeschadiging, dan kan dit vermoeden niet worden aangewend en kan de wegdekbeschadiging niet worden aangetoond. De verzoeker meent er dus wel degelijk belang bij te hebben dat desbetreffend een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld. Bovendien stelt hij dat de Raad van State slechts kan weigeren een prejudiciële vraag te stellen ofwel om redenen van onbevoegdheid of niet- ontvankelijkheid, ofwel omdat het Grondwettelijk Hof zich reeds over dezelfde vraag heeft uitgesproken. In zijn arresten van 11 juni 2003 en 13 december 2006 heeft het Hof zich volgens hem niet uitgesproken over de redelijkheid van het vermoeden van wegdekbeschadiging in zoverre het oorzakelijk verband tussen wegdekbeschadiging en overlading wordt beïnvloed door andere factoren. Dergelijke vraag zou nog niet aan het Hof zijn voorgelegd. Ten slotte betoogt de verzoeker dat het feit dat hij het oorzakelijk verband tussen de overlading en de wegdekbeschadiging niet betwist, niet volstaat opdat het wettelijk vermoeden redelijk zou zijn. Hij stelt vast dat de verwerende partij geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek om aangaande dit vermoeden bewijsstukken voor te leggen. Hij herhaalt zijn vraag om, in geval de verwerende partij niet op dit verzoek ingaat, een deskundigenonderzoek te bevelen. Beoordeling 12. De verzoeker betwist de grondwettigheid van artikel 56 van het Aslastendecreet en verzoekt de Raad van State desbetreffend een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Indien het Hof de door de verzoeker opgeworpen prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, zou dit tot de vaststelling leiden dat de bestreden beslissing geen rechtsgrond heeft. Het middel is dienvolgens ontvankelijk. 13. Een identieke prejudiciële vraag als door de verzoeker wordt geformuleerd, werd door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof gesteld in het arrest Lootens, nr. 196.325 van 24 september 2009 (de zaak A. 177.453/IX-5445). Die vraag, zoals in het arrest geherformuleerd, luidt als volgt: IX-6035-11/31 “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadi- ging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: “B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.1. Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.2. Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). B.4.1. Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. B.4.2. Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscen- IX-6035-12/31 trum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.1. Artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden ‘een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhang- wagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vervangen door de woorden ‘zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt’. B.5.2. Die wijziging werd als volgt verantwoord : ‘De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). B.6. Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.7. Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbe- IX-6035-13/31 schadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Gelet op het aangehaalde arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010, dient de prejudiciële vraag van de verzoeker niet te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Gelet op de inhoud van voornoemd arrest is er geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te bevelen en evenmin om aanvullende stukken te doen neerleggen door de verwerende partij. Als rechtscollege dat de prejudiciële vraag stelt is de Raad van State krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof gebonden door het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe bijkomende onderzoeksmaatregelen te bevelen, die finaliter beogen om de inhoud van voornoemd arrest van het Grondwettelijk Hof in vraag te stellen. Ten slotte stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading niet weerleggen. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 14. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM en machtsoverschrijding “ingevolge juridisch onaanvaard- bare motivatie”. Hij betoogt dat de asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de wet van 16 juni 1970 IX-6035-14/31 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het Aslastendecreet. Daartoe, zo stelt de verzoeker, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt automatische dan wel niet-automatische weegtoestellen zijn. Indien de asdrukweger een niet-automatisch weegtoestel is, kan deze immers bij gebrek aan ijking niet wettig worden gebruikt om controles op de naleving van het Aslastendecreet uit te voeren. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen wordt onder niet-automatisch weegwerktuig een weegwerktuig verstaan waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. De asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt zijn volgens de verzoeker niet-automatische weegtoestellen, aangezien bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Het voertuig dient immers te worden bestuurd en met constante snelheid over de asdrukweger te rijden. De wegeninspecteur dient het toestel aan te zetten en de nodige gegevens over het te wegen voertuig in de computer in te voeren. Hij beschikt daartoe over een lijvige handleiding die uiteraard niet nodig zou zijn indien alles automatisch zou gebeuren. Volgens de verzoeker kan dus niet betwist worden dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die geijkt dienen te worden om controles op de naleving van het Aslastendecreet te kunnen uitvoeren. Verder stelt de verzoeker dat zelfs indien de asdrukwegers van het Vlaamse Gewest automatische weegtoestellen zouden zijn, dan nog deze geijkt moeten worden wanneer zij worden aangewend om heffingen en restituties te berekenen. Een administratieve geldboete die wordt opgelegd op grond van het Aslastendecreet is volgens de verzoeker een heffing op wegdekbeschadiging, zodat de asdrukwegers die bij dergelijke procedure gebruikt worden, geijkt moeten zijn. In nog meer ondergeschikte orde stelt de verzoeker dat het onredelijk zou zijn om niet geijkte asdrukwegers te gebruiken. Hij merkt op dat het gebruik van geijkte toestellen wel vereist is in het economisch verkeer en dat grote vragen rijzen wanneer een ijking niet noodzakelijk zou zijn wanneer hetzelfde toestel voor gerechtelijke doeleinden wordt gebruikt. Op grond van het adagium “in dubio pro reo” kunnen in het strafrecht immers enkel de strengste standaarden IX-6035-15/31 gehanteerd worden. Toestellen die gebruikt worden bij snelheidscontroles en alcoholcontroles dienen aan de strengste normen te voldoen en het is volgens de verzoeker dan ook niet meer dan logisch dat voor de asdrukwegers die gebruikt worden voor de vaststellingen in het kader van het Aslastendecreet de strengste standaarden worden opgelegd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen automatische en niet-automatische weegtoestellen. Volgens de verzoeker is elke redelijkheid zoek wanneer inzake ijking een discriminatoir onderscheid wordt gemaakt tussen wegingen in het economisch verkeer en wegingen voor gerechtelijke doeleinden enerzijds en wegingen met automatische weegtoestellen en wegingen met niet-automatische weegtoestellen anderzijds. 15. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoeker niet omschrijft op welke wijze artikel 6.2 van het EVRM door de bestreden beslissing geschonden wordt. Voor zover de verzoeker in ondergeschikte orde aanvoert dat in het strafrecht enkel de strengste standaarden kunnen worden gehanteerd en vaststellingen in het kader van het Aslastendecreet enkel mogelijk zijn door middel van geijkte weegtoestellen, is het middel volgens de verwerende partij niet gericht tegen de bestreden beslissing, maar tegen het oordeel van de federale wetgever om strengere eisen te voorzien voor wegingen in het economisch verkeer en tegen het feit dat de Koning tot heden geen nadere regels inzake het gebruik van automatische weegwerktuigen heeft uitgevaar- digd. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat de wetgeving inzake ijking vervat is in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen. Artikel 12 van deze wet bepaalt dat “metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen”, evenals “metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties” moeten gebeuren aan de hand van geijkte meetwerktuigen. De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen is een voorbeeld waarbij de Koning de regeling inzake ijking heeft uitgebreid buiten het economisch verkeer. Het gebruik van weegwerktuigen voor het opmaken van processen-verbaal wegens inbreuken op het Aslastendecreet is volgens de IX-6035-16/31 verwerende partij een toepassing buiten het economisch verkeer. Zij meent dat de asdrukwegers die gebruikt worden door het Vlaamse Gewest evenwel geen niet- automatische weegwerktuigen zijn in de zin van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Er is immers geen enkele tussenkomst van de operator nodig bij het wegen van voertuigen door middel van dergelijke asdrukwegers. Het feit dat de chauffeur het voertuig over de asdrukweger moet rijden en dat de operator de technische gegevens van het voertuig in de computer moet ingeven om een proces- verbaal op te stellen, doet hieraan geen afbreuk. Het toestel is geclassificeerd als “automatisch weegwerktuig”, omdat het toestel automatisch detecteert wanneer de as van het voertuig over de weegplaat rijdt, en automatisch de massa onder de as registreert, zonder dat de operator hierbij dient tussen te komen. Eén en ander blijkt volgens de verwerende partij uit de “Handleiding bij de weegapplicaties voor de asdrukwegers van de Vlaamse Gemeenschap” die expliciet verwijst naar “automati- sche weging”. Ook uit de aanbeveling OIML R 134-1 “Automatic Instruments for weighing road vehicles in motion” van de Organisation Internationale de Métrologie Légale van november 2006 blijkt ontegensprekelijk dat de asdrukwegers, zoals gebruikt door het Vlaams Gewest, beschouwd worden als automatische weegwerk- tuigen. De bewering dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zouden zijn omdat de wegeninspecteurs over een handleiding beschikken, gaat volgens de verwerende partij dus niet op. Het feit dat de tussenkomst van de operator niet noodzakelijk is voor het wegen zelf, betekent immers niet dat de operator geen andere handelingen dient uit te voeren waarvoor een handleiding nuttig kan zijn. Ten aanzien van het in ondergeschikte orde aangevoerde argument dat de asdrukwegers aangewend worden ter berekening van heffingen en restituties, merkt de verwerende partij op dat een retributie een vergoeding is die de overheid verkrijgt voor het verstrekken van specifieke diensten aan de burgers waarvoor de overheid zich een juridisch of feitelijk monopolie heeft voorbehouden. Een retributie moet alleen betaald worden als men effectief van de dienst gebruik maakt. De administratieve geldboetes die worden opgelegd op grond van het Aslastendecreet kunnen volgens de verwerende partij niet beschouwd worden als een heffing of een restitutie, zodat de wet van 16 juni 1970 niet van toepassing is. De verwerende partij besluit dat nu het gebruik van automatisch werkende asdrukwegers buiten het economisch verkeer niet wettelijk geregeld is, het aan de rechter, of in casu aan de minister van Openbare Werken, toekomt om op soevereine wijze de bewijswaarde van de verkregen resultaten te beoordelen. De IX-6035-17/31 asdrukwegers worden trouwens om de twee jaar onderworpen aan een metrologische controle, wat de correctheid van het toestel in voldoende mate garandeert. 16. De verzoeker repliceert dat het middel wel degelijk ontvankelijk is, nu daarin uitdrukkelijk wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing op onjuiste en juridisch onaanvaardbare motieven berust. Ten gronde stelt hij dat een vrijwillige ijking van de asdrukwegers niet volstaat, aangezien dergelijke ijking niet dezelfde waarborgen inzake nauwkeurigheid verschaft als de wettelijke ijk. Beoordeling 17. De verzoeker voert in essentie aan dat de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist, aangezien de overlading van het voertuig niet wettig werd vastgesteld. Het middel is dienvolgens ontvankelijk. 18. Artikel 12 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenhe- den, de meetstandaarden en de meetwerktuigen luidt als volgt: “§ 1. Metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveel- heid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. § 2. Metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. § 3. De Koning kan de toepassing van § 1 verruimen tot andere metingen in het economisch verkeer. § 4. De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.” Hoofdstuk II van die wet bevat een afdeling 3 “Ijking van de meetwerktuigen”, die luidt als volgt: “Art. 16. Ijkverrichtingen van meetinstrumenten bestaan uit :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.