← België

Arrest 208782 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 08/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.782 Rolnummer: A. 197148/IX-6884 Zaak: Arrest 208782 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 08/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 05:23 Fiche Arrest nr 208.782 van 8 november 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 208.782 van 8 november 2010 in de zaak A. 197.148/IX-6884 In zake : Yoeri FRESON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 april 2010 waarbij Yoeri Freson bij tuchtmaatregel de zware straf van het ontslag van ambtswege krijgt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-6884-1/26 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is als inspecteur van politie tewerkgesteld bij de federale politie te Zaventem, dienst politiezorg. Op 6 maart 2009 wordt de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie (hierna: DGA) ervan in kennis gesteld dat de verzoeker de dag voordien aangehouden en voorgeleid werd voor de onderzoeksrechter te Leuven wegens “bezit, gebruik en te koop aanbieden van verdovende middelen”. 3.
  6. Dezelfde dag schrijft de directeur-generaal DGA de procureur des Konings bij het parket te Leuven aan: “Vandaag 06-03-2009 nam ik kennis van het feit dat uw ambt een opsporingsonderzoek voert lastens Inspecteur Yoeri Freson, in dienst bij de federale politie, in mijn algemene directie bestuurlijke politie. IX-6884-2/26 Het betreft mogelijke feiten van bezit, gebruik en te koop aanbieden van verdovende middelen, notitienummer LE.60.L3.000806/2009, dossiernummer 23/09 bij onderzoeksrechter Van Impe te Leuven. Ik besliste om voor deze feiten een tuchtdossier samen te stellen en dit dossier op mijn niveau van hogere tuchtoverheid te behandelen. Ik heb geen andere informatie dan voormeld, waardoor ik niet met kennis van zaken kan oordelen of ik al dan niet een tuchtprocedure lastens INP Freson moet opstarten. Bijgevolg heb ik beslist, op basis van artikel 56 tweede lid van de tuchtwet, het eventueel opstarten van een tuchtprocedure uit te stellen tot nadat de gerechtelijke overheid mij in kennis stelt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen. Ik vraag u dan ook om mij de stand van zaken in dit dossier mee te delen, met het oog op het nemen van desgevallend passende tuchtmaatregelen. Tevens vraag ik u om desgevallend een kopie van het gerechtelijk bundel over te maken, vergezeld van uw toestemming om de stukken ervan in tuchtzaken te mogen gebruiken. Ik kan tevens niet met kennis van zaken oordelen of, in afwachting van een eventuele tuchtprocedure, zich desgevallend een ordemaatregel van voorlopige schorsing opdringt. Graag verneem ik, zo snel mogelijk gelet de aard van de desgevallende maatregel, uw mening dienaangaande.” Op 11 maart 2009 antwoordt de procureur des Konings het volgende: “Met verwijzing naar uw faxbericht van 6 maart 2009 heb ik de eer u, met het oog op gebeurlijk tuchtrechtelijk gevolg, ter kennis te brengen dat een gerechtelijk onderzoek gevoerd wordt ten laste van onder meer inspecteur Yoeri FRESON wegens inbreuken op de drugswetgeving. De volgende feiten worden hem ten laste gelegd. Ingevolge een gerechtelijk onderzoek ten laste van Geert VANEETVELDE wegens handel in verdovende middelen, kwam naar voor dat inspecteur FRESON één van de personen was die behoorde tot een groep die gezamenlijk speed bestelde bij of via VANEETVELDE. Zo zou FRESON voor het laatst 33 g speed hebben afgenomen. Inspecteur FRESON werd op 5 maart 2009 verhoord door de politie en nadien werd hij voor de onderzoeksrechter geleid die hem in vrijheid stelde onder voorwaarden. Inspecteur FRESON gaf toe al enkele jaren drugs te gebruiken, doch enkel in het weekend. Hij benadrukte dat hij uitsluitend een gebruiker was en geen dealer. Aanvankelijk gebruikte hij enkel cannabis. Later evolueerde zijn gebruik naar speed, XTC en GHB. Meestal schafte hij zich kleine hoeveelheden aan. Enkele keren legde hij samen met vrienden, waardoor IX-6884-3/26 een lagere prijs kon bekomen worden. De speed was bestemd voor gebruik door hemzelf en zijn vriendin. Ik houd u op de hoogte van de voortgang in deze zaak.” 3.
  7. In afwachting van een gerechtelijke eindbeslissing wordt verzoeker voorlopig geschorst bij ordemaatregel. Deze schorsing wordt meer- maals verlengd. 3.
  8. Op 17 augustus 2009 schrijft de directeur-generaal DGA de procureur des Konings opnieuw aan. In die brief stelt hij onder meer het volgende: “Ik heb onvoldoende concrete informatie, onder andere met betrekking tot de context, de rol van INP Freson, en de volledige tenlastelegging tav INP Freson, om met kennis van zaken een tuchtprocedure lastens betrokkene op te starten. Uit de inhoud van uw antwoord waarvan sprake supra kan worden afgeleid enerzijds dat administratief voorafgaand onderzoek zal interfereren op het gerechtelijk onderzoek, en anderzijds dat het gevolg dat aan het gerechtelijk onderzoek zal worden gegeven belangrijk zal zijn bij het beoordelen van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden in dit dossier. Tenslotte kan in beginsel niet worden uitgesloten dat tuchtrechtelijk samenhangende feiten worden vastgesteld, wat aanleiding zou moeten zijn tot het inleiden van één tuchtprocedure. Om die reden meen ik dat aan het gerechtelijk onderzoek voorrang moet worden gegeven, alvorens desgevallend verder te gaan met intern administratief onderzoek, tenzij uzelf of de geadieerde heer onderzoeksrechter geen bezwaar formuleren tegen het aanvangen van intern administratief onderzoek. Bijgevolg handhaaf ik vooralsnog mijn beslissing om, op basis van artikel 56 tweede lid van de tuchtwet, het opstarten van een tuchtprocedure uit te stellen tot nadat de gerechtelijke overheid mij in kennis stelt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen. Ik verwijs tevens naar mijn brief van 23-04-2009 met referentie [...] met betrekking tot de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken om Inspecteur Yoeri Freson voorlopig te schorsen bij ordemaatregel met een inhouding van de brutowedde ten belope van 10 percent. Deze schorsing nam een aanvang op 24-04-
  9. IX-6884-4/26 Gelet op deze lopende schorsing bij ordemaatregel en met het oog op het zo snel mogelijk nemen van passende tuchtmaatregelen, vraag ik u om mij zo spoedig mogelijk de stand van zaken in dit dossier mee te delen, om in de mate van het mogelijke te elaboreren over de feiten ten laste van INP Freson, en indien mogelijk een kopie van het gerechtelijk bundel of van de relevante elementen uit het gerechtelijk bundel over te maken, vergezeld van uw toestemming om de stukken ervan in tuchtzaken te mogen gebruiken.” Deze brief bleef onbeantwoord zodat de directeur-generaal DGA bij brief van 25 november 2009 zijn vraag herhaald heeft. 3.
  10. Bij brief van 26 november 2009 heeft de procureur des Konings geantwoord dat bij beschikking van de raadkamer van 16 oktober 2009 aan de verzoeker de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een duur van vijf jaar is toegekend en dat deze beschikking in kracht van gewijsde is getreden. Met dezelfde brief worden de relevante stukken van het gerechtelijk dossier overgemaakt en wordt de toestemming verleend om ze in tuchtzaken te gebruiken. Blijkens de beschikking van de raadkamer van 16 oktober 2009 werd de verzoeker in verdenking gesteld van: “Tussen 1 maart 2006 en 5 maart 2009 A. bezit/aanschaf van cannabis, speed, XTC en GHB zoals onder meer blijkt uit zijn verklaring d.d. 5 maart 2009 in aanwezigheid van meerderjarigen, alsook uit de in beslag genomen overtuigingsstukken [...], waaronder [...]. B. invoer van cannabis vanuit Nederland. C. verkoop/aflevering van cannabis, speed, XTC en GHB aan meerderjarigen waaronder [...].” Deze feiten worden door de beschikking naar recht voor bewezen verklaard. 3.
  11. Op 8 december 2009 stelt de directeur-generaal DGA voor deze feiten een inleidend verslag lastens de verzoeker op. Met verwijzing naar de IX-6884-5/26 beschikking van de raadkamer van 16 oktober 2009 acht hij de feiten bewezen, meent hij dat ze aan de verzoeker kunnen toegerekend worden en dat ze als een tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden. Rekening houdend met het blanco tuchtverleden en de relatief jonge leeftijd van de verzoeker stelt hij voor om hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De verzoeker ondertekent op 9 december 2009 het inleidend verslag voor kennisneming en ontvangst. 3.
  12. Op 8 januari 2010 dient de verzoeker een verweerschrift in. Op 12 januari 2010 wordt hij, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord. Zowel in het verweerschrift als tijdens de hoorzitting wordt aangevoerd dat de tuchtvordering verjaard is omdat de feiten reeds in april 2009 “in hun volledige omvang” door de hogere tuchtoverheid gekend waren. 3.
  13. Op 13 januari 2010 formuleert de directeur-generaal DGA het voorstel om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Inzake het door de verzoeker aangevoerde argument dat de tuchtvordering verjaard zou zijn, wordt in deze beslissing het volgende gesteld: “Deze tuchtinbreuk is inderdaad bewezen, sinds de Procureur des Konings in zijn schrijven van 26-11-2009 meedeelde dat de raadkamer u de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een duur van vijf jaar heeft toegekend, en dat deze beschikking in kracht van gewijsde is getreden. Tot dan toe was ik geenszins op de hoogte van de volledige omvang van de feiten, en besliste ik op basis van artikel 56 tweede lid van de tuchtwet, om het opstarten van een tuchtprocedure uit te stellen tot nadat de gerechtelijke overheid mij in kennis stelde dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering vervallen was. Ik besliste dit, zoals ik ook schreef aan de Procureur des Konings, omdat ik onvoldoende concrete informatie bezat betreffende de juiste toedracht, onder andere met betrekking tot de context, uw rol en de volledige tenlastelegging tav uw persoon, om met kennis van zaken een tuchtprocedure lastens u te kunnen opstarten. Uit de inhoud van het schrijven van de Procureur des Konings (inventaris nummer 4) kon bovendien worden afgeleid enerzijds dat administratief voorafgaand onderzoek zou geïnterfereerd hebben op het gerechtelijk onderzoek, en anderzijds dat het gevolg dat aan het gerechtelijk onderzoek ging gegeven worden, belangrijk ging zijn bij het beoordelen van de IX-6884-6/26 tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden in dit dossier. Tenslotte kon ik in beginsel ook niet uitsluiten dat tuchtrechtelijk samenhangende feiten werden vastgesteld, wat ook gebeurd is, en wat aanleiding moet geven tot het inleiden van één tuchtprocedure. Om die redenen schreef ik aan de Procureur des Konings dat ik meende dat aan het gerechtelijk onderzoek voorrang moest gegeven worden, alvorens desgevallend verder te gaan met een intern administratief onderzoek, tenzij de Procureur des Konings of de geadieerde heer onderzoeksrechter geen bezwaar zouden geformuleerd hebben tegen het reeds aanvangen van intern administratief onderzoek, quod non. Ik hield in deze dus ook rekening met het belang van het gerechtelijk onderzoek en met de mening van de terzake geëngageerde magistraten. Betreffende uw eenvoudige stelling dat de feiten nooit ontkend werden, en mij in hun volle omvang zouden gekend zijn sinds april 2009, wens ik bijkomend op te merken dat u tot op de hoorzitting van 12-01-2009 [lees: 12-01-2010] volhield dat de feiten van korte duur waren (verweerschrift en hoorzitting), en dat u geen drugs gedeald heeft (verweerschrift en hoorzitting). Echter viel reeds uit het schrijven van de Procureur des Konings (inventaris nummer 4) op te maken dat u minstens gedurende enkele jaren drugs zou gebruikt hebben, vaststelling die thans deel uitmaakt van de bewezen feiten, en wat bezwaarlijk ‘van korte duur’ genoemd kan worden. Wat tevens deel uitmaakt van de thans bewezen feiten, is dat u effectief meerdere types drugs verkocht/afgeleverd heeft aan diverse meerderjarigen, waardoor u minstens naar de letter van de wet en naar de letter van de uitspraak van de rechtbank wel degelijk schuldig bent aan het verdelen van cannabis, speed, XTC en GHB. Ik was niet op de hoogte van de volledige omvang van de feiten. Tot op de dag van vandaag ontkent u ten dele de feiten en ziet u minstens deels de feiten niet volledig onder ogen, of representeert u de feiten verkeerd. De tuchtvordering is niet verjaard.” 3.
  14. De verzoeker dient op 28 januari 2010 bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging in. Op 23 april 2010 geeft de tuchtraad zijn advies. Hij is net als de vertegenwoordiger van de algemene inspectie, van oordeel dat de procedure regelmatig verlopen is, dat de feiten bewezen zijn en een tuchtvergrijp uitmaken dat aan de verzoeker toegerekend kan worden, en dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege gerechtvaardigd is. 3.
  15. Op 28 april 2010 beslist de directeur-generaal DGA aan de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-6884-7/26 Dit is de bestreden beslissing. Zij bevat volgende overwegingen: “[...]
  16. Ten laste gelegde feiten Op 09-12-2009 werd u het inleidend verslag (referentie 1.4) betekend, waarin ik u de volgende tuchtinbreuk ten laste leg: In uw hoedanigheid van politieambtenaar - cannabis, speed, XTC en GHB bezit en aangeschaft hebben; - cannabis ingevoerd hebben vanuit Nederland; - cannabis, speed. XTC en GHB verkocht/afgeleverd hebben aan meerderjarigen waaronder Els Tibau en Daisy Streignaerts; - gedurende minstens 3 à 4 jaar regelmatig deze verboden middelen gebruikt te hebben. Ik heb u meegedeeld dat ik de intentie heb om u voor dit tuchtvergrijp het ontslag van ambtswege op te leggen.
  17. Advies van de tuchtraad […] Ik treed de analyse van de tuchtraad bij en schaar mij ten volle achter dit advies.
  18. Bewijs en toerekening van de feiten 4.1 Bewijs van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier en het bewijs dat voortvloeit uit de definitieve uitspraak van de correctionele raadkamer te Leuven dd 16-10-2009, staan de feiten vast. 4.2 Toerekening van de feiten Gelet op de vermeldingen in punt 4.1; gelet u als politieambtenaar goed op de hoogte bent van de relevante wettelijke en deontologische bepalingen; gelet op uw veroordeling; dienen de feiten vermeld in punt 2 u te worden toegerekend.
  19. Kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp […] 5.2 Ernst van het tuchtvergrijp Gelet op de aard van uw functie bij de luchtvaartpolitie - afdeling politiezorg; Gelet op het feit dat uw vriendenkring uw functie als personeelslid van de federale luchtvaartpolitie onweerlegbaar kende en dat hierdoor de nodige ruchtbaarheid aan de feiten is gegeven; Gelet het des te meer ontoelaatbaar is dat een politieambtenaar die onder andere zou moeten instaan voor de opsporing van drugsdelicten zelf een pleger van inbreuken en gewoontegebruiker is; IX-6884-8/26 Gelet op de publieke plaatsen waar de feitelijkheden zich onder meer afspeelden; Gelet op het feit dat uw gedrag een manifest gebrek vertoont aan rudimentaire verantwoordelijkheidszin en gezond verstand; Gelet bijna alle personeelsleden van de afdeling politiezorg op de hoogte zijn van de feiten; gelet de weerslag van de feiten op de werking van de dienst, op het werkklimaat en op de houding van uw collega's; Gelet op de uitspraak van de correctionele raadkamer te Leuven; Gelet het onmogelijk is om nog vertrouwen te hebben in uw beroepsingesteldheid; Gelet op de volgende punten van de deontologische code van de politiediensten: […] Gelet u deze punten 3, 22, 28, 29, 41 en 44 van de deontologische code niet nageleefd hebt; Gelet op al deze elementen beschouw ik het u ten laste gelegde tuchtvergrijp als uiterst ernstig. Het is absoluut ontoelaatbaar en uiterst afkeurenswaardig, in gelijk welke omstandigheden, dat een politieambtenaar zich overgeeft aan het gedrag dat u minstens gedurende drie à vier jaren vertoond hebt. Gelet op al deze elementen oordeel ik tevens dat de feiten een bijzonder ernstige aantasting uitmaken van het algemeen belang.
  20. Gegevens omtrent de persoon [...]
  21. Beslissing Gelet op de bepalingen van de tuchtwet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 38 tot 38sexies; gelet op het inleidend verslag in referentie 1.4 waarin ik u de feiten in punt 2 ten laste leg; gelet op mijn voorstel van zware straf, u betekend op 19-01-2010; gelet op het advies van de tuchtraad; aangezien ik van oordeel ben: · dat de in punt 2 omschreven feiten bewezen zijn en u moeten worden toegerekend; · dat deze feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art 3 van de tuchtwet; · dat de feiten uiterst ernstig zijn, waarbij ik erg zwaar til aan de onmogelijkheid om nog vertrouwen te hebben in uw beroepsingesteldheid en aan de bijzonder ernstige aantasting van het algemeen belang; gelet op uw tuchtrechtelijk verleden; gelet op uw wijze van dienen; IX-6884-9/26 overwegende dat door het plegen van deze feiten en de definitieve uitspraak van de correctionele raadkamer te Leuven u niet meer beschikt over de nodige onafhankelijkheid en het nodige gezag tegenover de burger; overwegende dat het voor mij en voor uw collega's en chefs onmogelijk is om nog verder vertrouwen te hebben in uw beroepsingesteldheid; overwegende dat uw aanwezigheid binnen de politie dan ook onverenigbaar is met het belang van de dienst en dat in deze context een verder dienstverband binnen de politie niet langer verdedigbaar is; overwegende dat u in deze context sinds 24-04-2009 door de Minister van Binnenlandse Zaken voorlopig geschorst werd bij ordemaatregel; overwegende dat rekening dient gehouden te worden met uw blanco tuchtverleden en uw relatief jonge leeftijd; overwegende dat een ambtshalve ontslag minder ingrijpende gevolgen heeft voor uw pensioenrechten; in mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, leg ik u voor dit tuchtvergrijp het ontslag van ambtswege op.” IV. Onderzoek van de vordering
  22. Overeenkomstig artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6884-10/26 Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  23. De verzoeker voert de schending aan van artikel 56, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het beginsel van de redelijke termijn. Hij zet uiteen: - De tuchtoverheid kon ten laatste op 8 april 2009 oordelen of er een tuchtvordering ingesteld diende te worden zodat noch het strafonderzoek, noch de mededeling van de beslissing van de raadkamer de feiten, die de verzoeker nooit betwist heeft en ze ook nooit heeft tegengesproken, konden verduidelijken; de verwerende partij heeft bij het opleggen van de straf ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de raadkamer hem de gunst van de opschorting van de uitspraak verleend heeft. Daaruit volgt dat de tuchtstraf uitsluitend steunt op feiten die zeker op 8 april 2009 -zelfs vanaf 11 maart 2009- aan de tuchtoverheid bekend waren. In ieder geval had de tuchtoverheid de gerechtelijke overheid regelmatig moeten bevragen, maar hier heeft zij dit enkel gedaan in maart
  24. Een en ander heeft tot gevolg dat, op het ogenblik van het inleidend verslag, de tuchtvordering overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet verjaard was. - De redelijke termijn is overschreden want tussen april 2009 en december 2009 is er geen enkel initiatief genomen om de tuchtprocedure op te starten. Nochtans had hij op 6 maart en 8 april 2009 de feiten toegegeven en heeft hij tijdens de procedures van de voorlopige schorsing steeds loyaal meegewerkt, zonder de feiten ooit te betwisten. - Niets belette het bestuur om, in geval het zich niet voldoende geïnformeerd vond door de brief van 11 maart 2009, zelf een administratief onderzoek uit te voeren. Hier heeft zij de verzoeker gedurende meer dan een jaar in onzekerheid gelaten. Overeenkomstig het arrest Darville, nr. 190.728 van 20 februari 2009 IX-6884-11/26 had de verwerende partij met een eigen onderzoek de zaak, in zoverre zij sinds 11 maart 209 nog niet duidelijk was, moeten uitklaren. - Noch het strafdossier, noch de beslissing van de raadkamer zijn dienstig geweest voor de redactie van het inleidend verslag: dit verslag verschilt niet van de feiten vermeld in de voorstellen voor de voorlopige schorsing van de verzoeker, waarin reeds over de schuld van de verzoeker werd gesproken. Nooit heeft de verwerende partij uiteengezet waarom zij moest wachten op de uitslag van het gerechtelijk onderzoek. Beoordeling
  25. De verzoeker plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij met het mailbericht van 6 maart 2009 en zeker met de brief van de procureur des Konings van 11 maart 2009 voldoende kennis zou gekregen hebben van de feiten die een tuchtrechtelijk optreden rechtvaardigden en dat zulks ook blijkt uit het proces-verbaal van zijn verhoor van 8 april 2009 in het kader van de voorlopige schorsing. Dat standpunt kan niet gevolgd worden: In de mail van 6 maart 2009 wordt enkel medegedeeld dat de verzoeker daags voordien aangehouden werd en voorgeleid wegens “bezit, gebruik en te koop aanbieden van verdovende middelen”. De brief van 11 maart 2009 van de procureur des Konings verduidelijkt de aangelegenheid maar geeft het bestuur in ieder geval ook geen volledig beeld van de feiten. Ook uit de stukken die opgemaakt zijn naar aanleiding van de voorlopige schorsing van de verzoeker kan niet afgeleid worden dat de verwerende partij op dat ogenblik een volledig relaas van de feiten bezat: het schriftelijk verweer van de verzoeker bevat enkel het aanbod tot “vrijwillige medewerking aan de overheid” om met een urinestaal aan te tonen dat hij drugsvrij is; tijdens het verhoor geeft hij wel toe “dat hij een fout heeft begaan en dat hij de gevolgen daarvan zal moeten dragen” en hij wijst er ter zijner verontschuldiging op dat de feiten zich “uitsluitend in de privésfeer” hebben voorgedaan, maar ook daarin ligt, buiten de erkenning dat hij drugs bezat en in het weekend in vriendenkring IX-6884-12/26 gebruikte, geen bekentenis vervat die toelaat een zicht te krijgen op wat de verzoeker eigenlijk misdaan heeft.
  26. Het bestuur was op 8 april 2009 ingelicht over het feit dat de verzoeker betrokken was in een affaire van drugsgebruik, dat hij drugs aangekocht had en dat hij toegegeven had reeds enkele jaren drugs gebruikt te hebben -eerst cannabis, vervolgens speed, XTC en GHB-, maar enkel in het weekend en dat hij benadrukt had “uitsluitend een gebruiker (te zijn) en geen dealer”. Die gegevens volstonden voor het bestuur niet om, zonder nadere concrete informatie, de verantwoordelijkheid van de verzoeker in de zaak die door het gerecht onderzocht werd, te bepalen en de weerslag op de dienst te beoordelen. De verjaringstermijn, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, is op dat ogenblik niet aangevangen. Wat dat betreft mist het middel feitelijke grondslag.
  27. De feiten hebben het voorwerp uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet werd de verjaring geschorst tot aan de mededeling van de definitieve uitspraak van de gerechtelijke autoriteiten. In dit geval is dit de beschikking van de raadkamer van 16 oktober 2009, die op 1 december 2009 ter kennis van de directeur-generaal DGA is gebracht, waarna deze onmiddellijk het inleidend verslag heeft opgemaakt zodat het op 9 december 2009 ter kennis van de verzoeker was. De wettelijke verjaringstermijn is gerespecteerd.
  28. Terecht wijst de verzoeker erop dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet het bestuur niet vrijstelt van de verplichting om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen en om in functie daarvan alles in het werk te stellen om de tuchtprocedure voortgang te doen vinden. In het arrest Darville, nr. 190.728 van 20 februari 2009, waarop de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 inzake Van Haandel en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake Reners zich voor tuchtprocedures tegen politieambtenaren gealigneerd hebben, is aangenomen dat een wettelijke bepaling inzake de stuiting of de schorsing van de verjaringstermijn het bestuur niet vrijstelt van de verplichting om diligent te handelen en dat het IX-6884-13/26 bestaan van een gerechtelijk onderzoek op zich geen verontschuldiging mag zijn om een tuchtvordering te blijven uitstellen; het bestuur moet -evidenter met de nodige terughoudendheid om het gerechtelijk onderzoek in genen dele te hinderen- zelf initiatieven nemen om duidelijkheid te verkrijgen in de zaak en om op basis van eigen onderzoek de tuchtprocedure op te starten; het mag zich slechts verlaten op de uitkomst van het strafonderzoek wanneer het met het eigen onderzoek er niet in slaagt alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. De Raad van State doet dat standpunt gestand.
  29. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij niet de vereiste initiatieven genomen: zij heeft geen eigen onderzoek gevoerd, zij heeft de gerechtelijke overheden slechts eenmaal, in maart 2009, bevraagd en nochtans had hij, telkens zijn voorlopige schorsing werd behandeld gevraagd de onzekerheid waarin hij moest leven te beëindigen; hij stelt ook dat, post factum bekeken, noch het strafdossier, noch de beslissing van de raadkamer enig nut hebben gehad voor de redactie van het inleidend verslag.
  30. Dat de gerechtelijke overheid slechts één keer bevraagd zou geweest zijn is onjuist: binnen een tijdspanne van negen maanden heeft de hogere tuchtoverheid drie keer om uitleg gevraagd over de voortgang van het gerechtelijk onderzoek, met name met de brieven van 6 maart 2009, van 17 augustus 2009 en van 25 november
  31. In die brieven wordt telkens uiteengezet waarom nadere informatie nodig was en wordt toegelicht dat een eigen onderzoek zou interfereren met het gerechtelijk onderzoek.
  32. Dat de verzoeker aan de tuchtoverheid medegedeeld zou hebben dat het hem zwaar lag lange tijd in de onzekerheid te moeten blijven, blijkt niet uit de processen-verbaal van zijn verhoor in het kader van zijn voorlopige schorsing. Hij heeft wel aangedrongen om opnieuw aan het werk te mogen gaan in afwachting van de afloop van het gerechtelijk onderzoek, waaruit opgemaakt kan IX-6884-14/26 worden dat hij geen bezwaar had tegen het uitstel van de tuchtprocedure totdat de strafprocedure beëindigd was.
  33. Uit de beschikking van de raadkamer blijkt dat tegen de verzoeker volgende feiten aangehouden zijn: 1) bezit/aanschaf van cannabis, speed, XTC en GHB, 2) invoer van cannabis vanuit Nederland en 3) verkoop/aflevering van cannabis, speed, XTC en GHB. Op basis van dat gegeven en de bezorgde relevante stukken uit het strafdossier, heeft de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag opgesteld (punt 4.1 van het inleidend verslag). De verzoeker stelt dan ook ten onrechte dat de informatie van de gerechtelijke overheden geen rol heeft gespeeld bij de redactie van het inleidend verslag; het is integendeel precies op die gegevens dat het steunt.
  34. De vraag of de tuchtoverheid met een eigen onderzoek voldoende inzicht in de zaak had kunnen krijgen om buiten de gerechtelijke afhandeling van de zaak de tuchtprocedure op te starten is door de tuchtoverheid uitvoerig beantwoord in de motivering van het voorstel van zware tuchtstraf -zie punt 3.8 hierboven-. Tijdens de procedure voor de tuchtraad is het probleem vervolgens uitvoerig aan bod gekomen: - In zijn deskundigenverslag heeft de inspecteur-generaal de feitelijke gegevens van de zaak nauwkeurig onderzocht en als volgt toegelicht: “Op 6 maart 2009 werd de tuchtoverheid door de interveniërende politiedienst, in casu GFP Leuven, via een mailbericht in kennis gesteld van de aanhouding en in vrijheidstelling onder voorwaarden van inspecteur FRESON onder verdenking van bezit, gebruik en te koop aanbieden van verdovende middelen (zie stuk 1). Diezelfde dag vraagt de tuchtoverheid, in casu hoofdcommissaris Olivier LIBOIS aan de Procureur des Konings van Leuven om in kennis gesteld te worden van de stand van zaken in het dossier. De tuchtoverheid vraagt expliciet om mededeling van het gerechtelijke dossier en toestemming om deze stukken te gebruiken in een tuchtprocedure, Tevens vraagt de tuchtoverheid om een advies van de Procureur betreffende de opportuniteit van een ordemaatregel in afwachting van het opstarten van de tuchtprocedure (zie stuk 2/1). IX-6884-15/26 Op 23 maart 2009 ontvangt de tuchtoverheid de aangifte van de Procureur des Konings via de diensten van de Procureur-generaal te Brussel. Uit deze aangifte blijkt dat inspecteur FRESON het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek wegens inbreuken op de drugswetgeving. Het gerechtelijk onderzoek naar inspecteur FRESON werd opgestart naar aanleiding van een onderzoek naar een derde persoon die verdacht werd van verkoop van drugs. De Procureur des Konings deelt mee dat in het kader van dit onderzoek inspecteur FRESON het bezit en gebruik van drugs gedurende enkele jaren heeft toegegeven, niet de verkoop van drugs. Daarbij zou inspecteur FRESON enkele keren samen met vrienden drugs aangekocht hebben om een betere prijs te krijgen. De aangekochte drugs waren voor eigen gebruik en voor zijn vriendin bestemd (stuk 4/2). Uit de analyse van deze mededeling kan niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden van welke misdrijven inspecteur FRESON verdacht werd. Er blijkt wel dat hij heeft toegegeven samen met vrienden drugs aangekocht te hebben bij een derde persoon voor zichzelf en zijn vriendin en deze producten ook gebruikt te hebben gedurende enkele jaren, maar naar zijn zeggen enkel tijdens de weekends. Wat het bezit en gebruik van drugs betreft volstaat deze bekentenis om de feiten als bewezen te beschouwen. Tot op de hoorzitting van 12 januari 2010 blijft inspecteur FRESON echter volhouden dat hij enkel voor eigen gebruik aankocht en dit gedurende een korte periode (zie stuk 19/3). Hieruit blijkt ten overvloede dat inspecteur FRESON niet vanaf het begin de feiten in hun volledige omvang heeft toegegeven, vermits inspecteur FRESON ook schuldig werd geacht aan de invoer en de verkoop van drugs. De tuchtoverheid had bijgevolg niet voldoende informatie met de bekentenissen van inspecteur FRESON en de mededeling van het openbaar ministerie op 18 maart 2009, om een beslissing te nemen betreffende een eventuele tuchtrechtelijke procedure en bestraffing. Het kan de tuchtrechtelijke overheid bijgevolg niet ten kwade worden geduid dat zij met het uitoefenen van de tuchtvordering gewacht heeft op de afwikkeling van het gerechtelijk onderzoek. De verwachting van de tuchtoverheid dat het gerechtelijk onderzoek meer gegevens zou opleveren dienstig voor de uitoefening van de tuchtprocedure, is immers bewaarheid. Blijft de vraag of de tuchtoverheid zelf een administratief onderzoek kon opstarten. Op 17 augustus 2009, ruim voor het verstrijken van de termijn van 6 maanden voorzien door het art. 56, eerste lid Tuchtwet, stelt de tuchtoverheid vast dat ze over onvoldoende concrete informatie beschikt om met kennis van zaken de tuchtprocedure op te starten. Uit het dossier blijkt dus dat de overheid binnen de verjaringstermijn van art. 56, eerste lid Tuchtwet de mogelijkheid heeft onderzocht om zelf een administratief onderzoek op te starten. HCP LIBOIS stelt immers in zijn brief aan de procureur des Konings te Leuven dat het risico bestaat dat een eigen administratief onderzoek het gerechtelijke onderzoek ongunstig zou kunnen beïnvloeden en dat voorrang moet gegeven worden aan het gerechtelijk onderzoek (zie stuk 6). Deze overweging is niet onredelijk aangezien het maatschappelijke belang (dat behartigd wordt in het strafonderzoek) voorrang heeft op het belang van de politieorganisatie (doel IX-6884-16/26 nagestreefd door de tuchtvervolging). De tuchtoverheid toetst deze stelling en vraagt aan de Procureur des Konings op 8 augustus 2008 of de stand van het strafonderzoek toelaat om zelf een intern administratief onderzoek naar de feiten uit te voeren (zie stuk 6/1) en/ of kennis te mogen nemen van de strafbundel. De slotzin van de brief van HCP LIBOIS aan de Procureur des Konings waarbij het belang benadrukt om zo snel mogelijk passende tuchtmaatregelen te kunnen nemen, laat hierover geen twijfel bestaan (zie stuk 6/2). Het Parket heeft de gevraagde toestemming niet gegeven, de brief van HCP LIBOIS bleef immers onbeantwoord. Op 25 november 2009 herhaalt de tuchtoverheid haar vraag om de relevante stukken van de gerechtelijke bundel (zie stuk 11/1) te mogen gebruiken voor de afhandeling van het tuchtonderzoek. Op 26 november 2009 deelt de procureur des Konings van Leuven mee dat bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis van 16 oktober 2009 aan inspecteur FRESON opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een duur van vijf jaar werd verleend. Tevens worden de voor het tuchtonderzoek relevante stukken meegedeeld (zie stuk 12/1). Terecht vreesde de tuchtoverheid dat een eventueel administratief onderzoek met het gerechtelijk onderzoek zou interfereren. Toch vroeg ze meermaals aan de gerechtelijke diensten of deze hun toestemming aan een administratief onderzoek konden verlenen. Op deze vraag kwam geen bevestigend antwoord. Het lijkt bovendien zeer onwaarschijnlijk dat derde personen die geen lid zijn van een politiedienst, op een loyale manier zouden meewerken aan een administratief onderzoek waarbij voor hen strafbare feiten aan het licht zouden kunnen komen. De kans op een nuttig administratief onderzoek was bijgevolg vrijwel onbestaande, en het risico op een negatieve interferentie met het gerechtelijk onderzoek zeer groot. Er kan evenmin gesteld worden dat inspecteur FRESON onredelijk lang in het ongewisse bleef over zijn tuchtrechtelijk lot. Het bestaan van een gerechtelijk onderzoek naar inspecteur FRESON werd aan de tuchtoverheid meegedeeld op 6 maart 2009, het voorstel tot ontslag van ambtswege werd hem betekend op 18 en 19 januari 2010.” De deskundige besluit: “De beslissing van de tuchtoverheid om de uitkomst van het gerechtelijk onderzoek af te wachten, is redelijk en verantwoord, aangezien een eigen administratief onderzoek onmogelijk was door de mogelijke negatieve interferentie met het gerechtelijk onderzoek, en bovendien weinig succes tot slagen had wegens het gebrek aan concrete elementen en de betrokkenheid van derden niet-politieambtenaren. De bekentenis van inspecteur Freson betrof enkel de aanschaf, het bezit en het gewoontegebruik van drugs, niet het invoeren en het verkopen van drugs aan meerderjarigen. De tuchtoverheid heeft niet passief het einde van het gerechtelijk onderzoek afgewacht, doch heeft regelmatig aan de gerechtelijke overheid om meer informatie gevraagd.” IX-6884-17/26 - In zijn advies heeft de tuchtraad de redenering van de deskundige overgenomen en daaraan toegevoegd: “Betrokkene heeft zich nooit verzet tegen het wachten op de gerechtelijke eindbeslissing terwijl hem dit herhaaldelijk werd meegedeeld in het kader van de procedure van de voorlopige schorsing. Om die reden heeft hij het recht verbeurd om het middel dat gestoeld is op een schending van de termijn bepaald bij artikel 56, 1ste lid, TWP, in te roepen. Betrokkene heeft slechts gedeeltelijke bekentenissen afgelegd. Voor de tuchtoverheid heeft hij steeds de handel in verdovende middelen betwist terwijl dit, indien niet het zwaarste dan toch een zeer belangrijk onderdeel van de bewezen verklaarde tenlastelegging, is. De tuchtoverheid kon onmogelijk klaarheid brengen in de zaak zolang zij de toelating om inzage te krijgen in het strafdossier of minstens de goedkeuring om over te gaan tot een administratief onderzoek niet verkregen had van de gerechtelijke overheden. Er bestond een reëel gevaar dat het administratief onderzoek het strafonderzoek zou kunnen hinderen. De verplichting om naast een gerechtelijk onderzoek een administratief onderzoek te voeren voor strafrechtelijke feiten waarin samen met de politie- ambtenaar ook burgers betrokken zijn, zelfs zonder rekening te houden met de totaal onredelijke meerkost van mensen en middelen, is in deze zaak onredelijk omdat de administratieve overheden geen zekerheid hebben over de medewerking van deze burgers, die vermoedelijk niet geneigd zullen zijn verklaringen af te leggen die kunnen leiden tot hun eigen vervolging gelet op hun betrokkenheid bij de feiten. De politie heeft naar de burgers toe de plicht om de middelen die haar, gelet op de algemene budgettaire toestand, door de gemeenschap ter beschikking worden gesteld, redelijk te gebruiken. De overheid is niet onredelijk als zij overweegt dat het voeren van twee parallelle onderzoeken niet te verantwoorden is gelet op de middelen waarover zij beschikt. De onzekerheid over de goede afloop van het administratief onderzoek, gelet op de hoedanigheid van diegenen die bij de feiten betrokken zijn en de afwezigheid van dwangmiddelen en onderzoeksbevoegdheden tegen deze personen, kan de beslissing om de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten voldoende rechtvaardigen. De tuchtoverheid heeft aan de gerechtelijke overheid herhaaldelijk de mededeling gevraagd van de gerechtelijke eindbeslissing of van het gerechtelijk onderzoek. IX-6884-18/26 In deze zaak ontving de tuchtoverheid op 23 maart 2009 de aangifte van de Procureur des Konings via de diensten van de Procureur-generaal te Brussel waaruit bleek dat betrokkene het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek wegens inbreuken op de drugswetgeving. Deze mededeling maakte het haar niet mogelijk met voldoende zekerheid vast te stellen van welke misdrijven betrokkene juist verdacht werd. Betrokkene is steeds blijven volhouden, ondanks de bewezen verklaarde tenlasteleggingen, dat hij enkel voor eigen gebruik aankocht en dit gedurende een korte periode. Nooit gaf hij de feiten in hun volledige omvang toe, vermits hij ook schuldig werd geacht aan de invoer en de verkoop van drugs. Op 17 augustus 2009, ruim voor het verstrijken van de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn van 6 maanden, stelde de tuchtoverheid vast dat ze over onvoldoende concrete informatie beschikte om met kennis van zaken de tuchtprocedure op te starten. Directeur-generaal O. Libois stelde terecht in zijn brief aan de Procureur des Konings te Leuven dat het risico bestond dat een administratief onderzoek het gerechtelijke onderzoek ongunstig zou kunnen beïnvloeden en dat het gerechtelijk onderzoek voorrang had. Het maatschappelijke belang, dat behartigd wordt in het strafonderzoek, heeft voorrang op het belang van de politieorganisatie dat wordt nagestreefd door de tuchtvervolging. Terecht vreesde de tuchtoverheid dat een administratief onderzoek met het gerechtelijk onderzoek zou interfereren. Toch vroeg ze meermaals aan de gerechtelijke diensten of zij hun toestemming aan een administratief onderzoek konden verlenen. Op deze vraag kwam geen bevestigend antwoord. De kans op een nuttig administratief onderzoek was bijgevolg vrijwel onbestaande, en het risico op een negatieve interferentie met het gerechtelijk onderzoek zeer groot. Betrokkene bekende de feiten slechts gedeeltelijk en de tuchtoverheid beschikte niet op grond van een eigen onderzoek over voldoende gegevens om het bestaan en de ernst van de feiten in te schatten met het oog op een eventuele tuchtprocedure enerzijds en anderzijds heeft zij in deze zaak voldoende inspanningen geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen.” De Raad van State valt die redenering integraal bij. Er wordt aangenomen dat, in redelijkheid beoordeeld, het bestuur afdoende redenen had om geen parallel administratief onderzoek te voeren en dat het voldoende initiatief aan de dag gelegd heeft om de zaak voortgang te doen vinden.
  35. Het middel is niet ernstig. IX-6884-19/26 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  36. De verzoeker voert de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht, van de rechten van de verdediging, van artikel 34 van de tuchtwet en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de tuchtwet, doordat de tuchtoverheid de mail van 6 maart 2009 van de gerechtelijke diensten aan het bestuur waarbij de feiten werden aangebracht niet bij het dossier gevoegd heeft, terwijl het nochtans een essentieel element was om uit te maken wanneer het bestuur kennis kreeg van de feiten. Beoordeling
  37. Uit de inventaris van het tuchtdossier, op grond waarvan de tuchtraad zijn advies gegeven heeft, blijkt dat het genoemd stuk wel degelijk in het dossier was opgenomen. In ieder geval heeft de directeur-generaal DGA in zijn inleidend verslag uitdrukkelijk naar dit stuk verwezen en heeft de verzoeker zich er nooit over beklaagd dat hij er geen inzage van gekregen heeft, zodat hij nu niet ontvankelijk dat eventueel gebrek kan aanvoeren om de nietigverklaring van het bestreden besluit te bewerkstelligen. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  38. De verzoeker voert de schending aan van de formele en de materiële motiveringsverplichting. Hij stelt dat een beslissing, waarbij de zwaarste straf wordt opgelegd, nauwkeurig en precies gemotiveerd moet zijn en geen standaardredeneringen en algemene motieven mag bevatten. In dit geval steunt de IX-6884-20/26 opgelegde straf in het algemeen op de mening van de tuchtoverheid dat de verzoeker als ambtenaar zich moet onthouden van de gedragingen die de verzoeker tentoongespreid heeft. Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat hij sindsdien geen drugs meer gebruikt heeft en er wordt niet weerlegd dat de verzoeker het vertrouwen van zijn collega’s bewaard heeft. Zijn rechtstreekse overste heeft bevestigd dat hij nog altijd welkom is op de dienst. Voorts geeft het bestreden besluit ook niet aan waarom er moest gewacht worden op het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek, waarom het bestuur op 8 april 2009 nog onvoldoende kennis had van de feiten, welke elementen uit het strafonderzoek hebben gediend bij de totstandkoming van de bestreden beslissing en waarom er geen rekening gehouden kon worden met de beschikking van de raadkamer. Beoordeling
  39. De verzoeker stelt dat uitdrukkelijk gemotiveerd zou moeten worden waarom hij zich van de feiten die hem ten laste worden gelegd zou moeten onthouden hebben. Hij verliest daarbij uit het oog dat een politieambtenaar zich uiteraard moet afhouden van het plegen van strafbare feiten en dat strafbare feiten voor personen met dergelijke voorbeeldfunctie principieel een tuchtrechtelijk optreden kunnen genereren. Het volstaat overigens de rubriek “ernst van het tuchtvergrijp” uit de bestreden beslissing te lezen om onmiddellijk het standpunt van de verwerende partij te begrijpen.
  40. De verzoeker meent ten onrechte dat geen rekening gehouden werd met het feit dat hij sinds de vaststellingen geen drugs meer gebruikt. Uit het voorstel van zware tuchtstraf blijkt dat de directeur-generaal DGA wel degelijk akte genomen heeft van de testen waaruit zou moeten blijken dat de verzoeker drugsvrij is. Er is evenwel vastgesteld dat dit gegeven de bewezen feiten niet ongedaan kan maken en terecht wordt gesteld dat dit geen tegenbewijs vormt. Voorts kan de omstandigheid dat de verzoeker nu drugsvrij is, niet verhinderen dat de gepleegde feiten het vertrouwen van het bestuur definitief beschaamd hebben. IX-6884-21/26
  41. De omstandigheid dat de collega’s van de verzoeker geen bezwaar maken tegen zijn verder in dienst blijven en dat zijn directe chef ook nog het vertrouwen in hem bewaart, belet niet dat de hogere tuchtoverheid van oordeel kon zijn dat het vertrouwen onherstelbaar verstoord is. In het advies van de tuchtraad, dat de tuchtoverheid bijvalt, wordt voorts uiteengezet waarom de tuchtoverheid met reden kan stellen dat zij geen vertrouwen meer kan hebben in de verzoeker: “Betrokkene beroept zich eveneens tevergeefs op het vertrouwen dat zijn directe meerdere nog voorhoudt in hem te willen stellen. De vertrouwensband heeft betrekking met de inzetbaarheid van de betrokkene in het algemeen. Ten deze heeft de hogere tuchtoverheid in het voorstel tot zware tuchtstraf zeer redelijk overwogen dat betrokkene door het plegen van deze feiten niet meer beschikt over de nodige onafhankelijkheid en het nodige gezag tegenover de burgers en dat gelet op de duur van de feiten en de ernst van de gepleegde misdrijven het voor de overheid onmogelijk is om nog verder vertrouwen te hebben in de beroepsgesteldheid van betrokkene. Terecht heeft de HTO dan ook vastgesteld dat de aanwezigheid van betrokkene binnen de politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. De geloofwaardigheid van de politie bij de burgers zou ernstig aangetast zijn mochten de burgers weten dat een politieambtenaar die schuldig bevonden is aan het langdurig bezit en gebruik in groep van verschillende verboden verdovende middelen en het occasioneel verhandelen van deze middelen, bij de politie kan blijven terwijl het juist de taak van de politie is om de burgers tegen deze vorm van ernstige en maatschappijbedreigende criminaliteit te beschermen.” Die motivering is afdoende en niet kennelijk onredelijk.
  42. De verzoeker meent dat niet wordt uiteengezet waarom gewacht is op de strafrechtelijke eindbeslissing en dat ook niet wordt aangegeven welke elementen daaruit bij de bestreden beslissing betrokken zijn. In het voorstel van zware tuchtstraf en in het advies van de tuchtraad, waar de bestreden beslissing naar verwijst, worden evenwel de redenen uiteengezet waarom de strafrechtelijke eindbeslissing afgewacht werd. Die redenen verantwoorden terdege het uitstellen van de tuchtvordering. IX-6884-22/26
  43. De verzoeker meent dat ten onrechte niet verantwoord wordt waarom geen rekening gehouden wordt met de opschorting van de uitspraak door de strafrechter. Evenwel, in het advies van de tuchtraad is vermeld: “Eveneens tevergeefs beroept betrokkene zich op de motieven van de raadkamer om hieruit af te leiden dat de rechter impliciet maar zeker zou geoordeeld hebben dat betrokkene bij de politie kon blijven. De rechter heeft geoordeeld dat de openbaarheid der debatten voor het vonnisgerecht de declassering van betrokkene zou kunnen veroorzaken of zijn reclassering in gevaar zou kunnen brengen. Hieruit kan niet afgeleid worden dat de rechter ervan uitging dat betrokkene bij de politie kon of diende te blijven. De declassering of de reclassering kan evenzeer betrekking hebben op de mogelijkheid van betrokkene om op de arbeidsmarkt ander werk te vinden. Bovendien behoort de beoordeling of het vertrouwen in een politieambtenaar onherroepelijk verbroken is niet toe aan de rechter maar aan de politionele overheid die ermee moet werken.” Daarmee wordt de draagwijdte van de uitspraak van de strafrechter terdege uiteengezet en wordt verantwoord waarom deze uitspraak niet relevant is voor de tuchtstrafbeslissing. Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  44. De verzoeker voert aan dat de beslissing van 30 maart 2009 waarbij hij voorlopig geschorst werd en die doorgetrokken werd tot 28 april 2010, wegens de lange duur ervan een verkapte tuchtmaatregel is, zodat de bestreden beslissing het non bis in idem-beginsel schendt. Overigens heeft de tuchtoverheid zich reeds bij het uitspreken van de eerste voorlopige schorsing op het standpunt geplaatst dat hij schuldig is, dat hij ernstige beroepsfouten gemaakt heeft en dat IX-6884-23/26 zulks onverenigbaar is met de dienst, hetgeen typisch is voor een tuchtstrafbeslissing. Beoordeling
  45. De verzoeker heeft de preventieve schorsingen, die de verwerende partij hem heeft opgelegd niet bestreden. Die beslissingen hebben als zodanig definitief hun plaats in de rechtsorde verworven. Door nu aan te voeren dat het eigenlijk om verkapte tuchtstraffen gaat, betwist de verzoeker de wettigheid van die beslissingen, hetgeen niet meer kan. Het middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  46. De verzoeker voert de schending van het redelijkheidsbeginsel aan doordat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten en de beoordeling ervan door de strafrechter en ook geen rekening houdt met de omstandigheden van het ogenblik, het tuchtrechtelijk verleden van de betrokkene, de aard van de functie, de weerslag op de dienst en de kans op recidive. Beoordeling
  47. De tuchtoverheid beoordeelt discretionair de zwaarte van de tuchtstraf die zij wenst op te leggen. De Raad van State kan enkel een tuchtstraf vernietigen wanneer zij kennelijk in wanverhouding staat tot de bewezen feiten.
  48. De verwerping van het derde middel heeft tot gevolg dat de bestreden beslissing op deugdelijke en draagkrachtige motieven berust. Druggebruik en drugshandel zijn ernstige zaken en het is zeker niet onredelijk dat IX-6884-24/26 de politiediensten niet geneigd zijn daar tolerantie voor te betonen; het omgekeerde zou eerder verbazen. De kennelijke onredelijkheid van de bestreden beslissing wordt niet aangetoond. Die kennelijke onredelijkheid wordt ook niet bewezen door het feit dat de strafrechter aan de verzoeker het voordeel van de opschorting van de uitspraak toegekend heeft. Het middel is niet ernstig. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  49. De verzoeker voert de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht en de rechten van de verdediging doordat de tuchtoverheid haar beslissing is blijven steunen op de overweging dat de collega’s en de oversten geen vertrouwen meer hadden in de verzoeker, terwijl hij in de loop van de tuchtprocedure meermaals gevraagd heeft om zijn collega’s en zijn rechtstreekse chef te horen, waaruit zou blijken dat dit niet het geval was. Beoordeling
  50. De bestreden beslissing stelt nergens dat de collega’s van de verzoeker en zijn oversten geen vertrouwen meer in hem hebben en dat hij daarom uit de dienst verwijderd wordt. De vertrouwensbreuk wordt inzonderheid gesteund op de inzetbaarheid van de verzoeker ‘in het algemeen’, dit wil zeggen zowel tegenover de collega’s, het andere politiepersoneel, de hiërarchie en de burgers. In die omstandigheden was het van geen belang dat de directe collega’s van de verzoeker zouden komen getuigen dat zij met de verzoeker verder wilden werken. Het middel is niet ernstig. IX-6884-25/26
  51. Geen van de aangevoerde middelen zijn ernstig. De vordering wordt om die reden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6884-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.782 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.