id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.788 Rolnummer: A. 184976/VII-37742 Zaak: Arrest 208788 - Wegenwezen - 09/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-18 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:24 Fiche Arrest nr 208.788 van 9 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.788 van 9 november 2010 in de zaak A. 184.976/VII-37.742. In zake: 1. Wilfried VANLUYTEN 2. Caroline KNAPEN 3. Paula KNAPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anja Celis kantoor houdend te Leuven Vital Decosterstraat 46, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te Brussel Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te Leuven J.P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van : 1) de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 houdende de niet-afschaffing van voetweg nr. 53 van de gemeente Holsbeek, en 2) het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 27 juni 2007 waarbij de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 houdende de niet-afschaffing van voetweg nr. 53 van de gemeente Holsbeek, wordt bevestigd. VII-37.742-1/17 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben verzoeken tot voortzetting van het geding en laatste memories ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine De Hantsetters, die loco advocaat Anja Celis verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het geding heeft betrekking op het al dan niet gedeeltelijk afschaffen van voetweg nr. 53 te Holsbeek. 3.2. In een advies van 10 december 2001 stelt de begeleidingscommissie kerkwegels met betrekking tot het behoud van pad nr. 53 en pad nr. 54, deel tussen weg 20 en pad 55, te Holsbeek (Sint-Pieters-Rode) : VII-37.742-2/17 "Beide delen van bedoelde paden maken de verbinding tussen weg 20 (Putstraat) en pad 55. Deze verbinding wordt evenzeer gerealiseerd door de onverharde weg 25, en pad 55, terwijl de verbindingen via paden 53 en 54 reeds jarenlang in onbruik zijn. Bovendien zou bij een openstelling meerdere percelen worden doorsneden. Ze kunnen niet op een aanvaardbare wijze langs enige perceelsgrens worden heropend zonder hinder te veroorzaken voor de bestaande landbouwexploitatie, terwijl het openstellen op zich niet zondermeer zou aanvaard worden omwille van de onmiskenbare verjaring. De buurtwegencommissie stelt daarom het afschaffen van beide trajecten voor". 3.3. In het verslag van de vergadering van 9 juli 2002 van de begeleidingscommissie kerkwegels staat onder meer het volgende te lezen : "Pad 49, 69 te Kortrijk-Dutsel - pad 53, 54 te Sint-Pieters-Rode. De paden dienen te worden bekeken in het licht van een verbinding tussen Sint-Pieters-Rode en Kortrijk-Dutsel (zie ook de bespreking van de paden 53 en 54 te Sint-Pieters-Rode). De vergadering bekwam een overzichtskaart van beide deelgemeenten, en bracht een aanvullend plaatsbezoek. Het zou spijtig zijn te moeten vaststellen dat een mogelijke verbinding struikelt over het feit dat op één deelgemeente een pad wordt geschrapt, dat via het verlengde in een andere deelgemeente een waardevolle verbinding oplevert. De geformuleerde adviezen aangaande de paden 53 en 54 zoals deze eerder werden geformuleerd in de vergadering van 10 december 2001 blijven behouden m.a.v. voorstelling tot afschaffing tussen de Putstraat (weg 20) en het verlengde van de Rodeberg richting Leempoelstraat (pad 55). Er wordt aan het College voorgesteld om te onderzoeken of een verlenging van pad 55 tot aan de Leempoelstraat (via grondaankoop) haalbaar is om een nood-zuid verbinding uit te bouwen". 3.4. Op 30 april 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek tot het organiseren van een openbaar onderzoek over de gedeeltelijke afschaffing van voetweg nr. 53. 3.5. Het openbaar onderzoek vindt plaats tussen 6 mei 2003 en 23 mei 2003. Er worden geen mondelinge of schriftelijke bezwaren ingediend. 3.6. Met een gemeenteraadsbeslissing van 3 juni 2003 wordt aan de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant voorgesteld het pad nr. 53 gedeeltelijk af te schaffen. Tevens wordt beslist dat de door de gedeeltelijke afschaffing ontstane vergoedingen en/of meerwaarden worden opgeheven, gezien de gedeeltelijke afschaffing uitgaat op vraag van het gemeentebestuur in consensus met de aanpalende eigenaars. VII-37.742-3/17 In de aanhef van het gemeenteraadsbesluit wordt onder meer overwogen dat de tijdelijke begeleidingsgroep voet- en buurtwegen heeft voorgesteld het pad nr. 53 gedeeltelijk af te schaffen en dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek met dat voorstel heeft ingestemd. Voorts wordt er op gewezen dat het openbaar onderzoek geen bezwaren heeft opgeleverd en dat er een degelijk alternatief is tussen de Putstraat en pad nr. 55. Ten slotte zou het tracé van het af te schaffen gedeelte van de voetweg niet meer zichtbaar zijn en zouden er geen bewijzen van gebruik sedert tientallen jaren terug te vinden zijn. 3.7. Vervolgens worden een aantal adviezen uitgebracht :
- a)de dienst Wegen van de provincie Vlaams-Brabant adviseert op 28 november 2003 ongunstig over de gevraagde afschaffing;
- b)het advies van de dienst Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit van 13 januari 2004 is eveneens ongunstig;
- c)de dienst Mobiliteit stelt op 17 juni 2004 voor om de voetweg nr. 53 niet gedeeltelijk af te schaffen. 3.8. In een brief van 13 september 2004, gericht aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek, wijst de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant erop dat het vragen van een meerwaarde bij afschaffing of verlegging en het schriftelijk akkoord van alle betrokken eigenaars noodzakelijk zijn. Voorts wordt meegedeeld dat de gemeente in een bijkomende nota duidelijke argumenten en een ondubbelzinnige motivering dient te verstrekken waarop zij haar verzoek tot wijziging baseert. 3.9. Op 20 december 2005 heft de gemeenteraad zijn eerdere gemeenteraadsbeslissing van 3 juni 2003 op en beslist hij dat de door de afschaffing van de voetweg ontstane meerwaarden zullen worden verrekend na goedkeuring van het dossier door de provincie. 3.10. Met een brief van 23 januari 2006 stuurt de gemeente aan de provincie Vlaams-Brabant de notulen van de gemeenteraadszitting van 20 december 2005, samen met de akkoordverklaringen van de betrokken eigenaars en de betreffende schattingsverslagen. 3.11. Op 26 oktober 2006 wordt het eerste bestreden besluit genomen. De deputatie van de provincie Vlaams-Brabant beslist niet in te gaan op de vraag tot VII-37.742-4/17 gedeeltelijke afschaffing van voetweg nr. 53. Die beslissing steunt in wezen op de volgende motieven : "De gemeente verwijst in haar motivering naar de hinder voor de bestaande landbouwexploitatie en naar de onmiskenbare verjaring. Pad nr. 53 loopt al langs de perceelsgrenzen. Over de verjaring bestaat helemaal geen zekerheid. Anderzijds gaf de dienst ruimtelijke ordening, vanuit stedenbouwkundig oogpunt een negatief advies omdat de kwaliteit van de verbindingsfunctie voor de zwakke weggebruiker sterk vermindert. Bovendien diende de gemeente een vraag in tot afschaffing van voetweg nr. 54, die eveneens de Houwaartsesteenweg en voetweg nr. 72 verbindt. De afschaffing van zowel voetweg 53 als voetweg 54 leidt hierdoor tot een onaanvaardbaar kwaliteitsverlies". 3.12. Tegen voormelde beslissing stellen de verzoekende partijen op 5 december 2006 beroep in bij de Vlaamse regering. In het beroepschrift wordt onder meer gewezen op het verval van de voetweg door verjaring. In dat verband brengen de beroepsindieners een reeks stavingsstukken bij. Tevens beklemtonen zij de enorme schade aan hun eigendom, het gebrek aan meerwaarde van voetweg nr. 53 en het voorhanden zijn van voldoende alternatieven. 3.13. Met een besluit van 27 juni 2007 bevestigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006. Dit is de tweede bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt : "Overwegende dat volgens het gewestplan Leuven de voetweg nr. 53 gelegen is in het agrarisch gebied tussen de kernen Kortrijk-Dutsel en Sint-Pieters-Rode; dat de voetweg een nuttige schakel vormt in het netwerk van voetwegen tussen de kern van Kortrijk-Dutsel en de bebouwing langsheen de Langestraat; Overwegende dat de bestendige deputatie haar beslissing tot niet afschaffing van voetweg nr. 53 gekaderd heeft in een ruimere afweging ten aanzien van de iets noordelijker gelegen voetweg nr. 54 die de gemeente ook wenst af te schaffen; dat de afschaffing van beide voetwegen leidt tot een onaanvaardbaar kwaliteitsverlies van de verbindingsfunctie voor de zachte weggebruiker; dat werd beslist om voetweg nr. 54 wel af te schaffen maar voetweg nr. 53 niet; dat deze beslissing werd genomen op grond van ruimtelijke redenen; dat voetweg nr. 53 een veel logischer verloop kent langsheen bestaande perceelsgrenzen, terwijl voetweg nr. 54 de aanwezige percelen dwars doorsnijdt; dat het verlies van voetweg nr. 54 bovendien deels gecompenseerd kan worden door de nog meer noordelijk gelegen voetweg nr. 25, terwijl dit voor voetweg nr. 53 veel minder het geval is gelet op de grotere afstand die moet afgelegd worden; dat vanuit ruimtelijk oogpunt de bestendige deputatie in deze dossiers de meest voor de hand liggende oplossingspiste naar voor heeft geschoven; VII-37.742-5/17 Overwegende dat artikel 12 van de wet op de buurtwegen stelt dat buurtwegen niet door verjaring kunnen verkregen worden zolang zij dienen voor het openbaar gebruik; dat als de weg vandaag niet meer zou gebruikt worden dit eerder het gevolg is van het in gebreke blijven van de gemeente om in het onderhoud van de weg te voorzien en door het op privaat initiatief afsluiten van de weg, wat in strijd is met voornoemde wet op de buurtwegen; dat men zich moeilijk kan beroepen op het niet respecteren van de wet op de buurtwegen om, conform diezelfde wet, de afschaffing van een buurtweg te bepleiten; Overwegende dat volgens de provinciale dienst wegen de weg over de ganse lijn ter beschikking ligt en de openbaarheid alleen ter hoogte van de Putstraat belemmerd wordt door een grote haag; dat de weg loopt over de hofstede van een boerderij en langs enkele landbouwkavels; dat de officiële ligging met weinig kosten en middelen terug openbaar en begaanbaar kan gemaakt worden; dat het argument dat de weg gelegen is op privaat eigendom niet ter zake is; dat het afschaffen ervan leidt tot een kwaliteitsverlies voor de zachte weggebruikers in het algemeen en enkel voordeel biedt voor de eigenaars van de omliggende percelen; dat een buurtweg echter een publiek goed is dat ter beschikking staat van de gehele bevolking; Overwegende dat de voorgestelde afschaffing geen weerslag heeft op de structuurbepalende elementen van Vlaams niveau; dat het een lokale keuze betreft zonder invloed op de opties van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen". IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Eerste exceptie 4. De eerste verwerende partij werpt op dat artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen een goedkeuringsberoep instelt waarbij de bevoegde Vlaamse minister optreedt als orgaan van het actief bestuur, dat de tweede bestreden beslissing van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 27 juni 2007 in de plaats is gekomen van de beslissing van 26 oktober 2006, dat voormelde beslissing zijn materiële rechtskracht heeft verloren en onwerkzaam is geworden door de devolutieve werking van het administratief beroep dat de verzoekende partijen bij de bevoegde Vlaamse minister hebben ingesteld en dat het annulatieberoep in de mate dat het gericht is tegen het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 derhalve geen voorwerp heeft. 5. In haar laatste memorie sluit de eerste verwerende partij zich aan bij de conclusies van het auditoraatsverslag met betrekking tot de beoordeling van de gegrondheid van de betrokken exceptie, maar betwist ze de gevolgtrekking dat ook haar beslissing vatbaar is voor vernietiging. VII-37.742-6/17 Beoordeling 6. De artikelen 27 en 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen - artikel 28 gewijzigd door de wet van 20 mei 1863 - luiden als volgt : "Art. 27 De gemeenteraden zijn gehouden om, ten verzoeke van de deputatie van de provinciale raad, te beraadslagen over de aanleg, de rechttrekking, de verbreding en de afschaffing der buurtwegen. In geval van weigering te beraadslagen of de nodige maatregelen te nemen, is de deputatie bevoegd om, behoudens 's Konings goedkeuring, van ambtswege de aanleg der werken en de aankopen te bevelen, en in de uitgaven te voorzien, mits inachtneming van de voorschriften van het voorgaande hoofdstuk. Art. 28 De aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg moeten voorafgegaan zijn van een onderzoek. De beraadslagingen der gemeenteraden worden onderworpen aan de bestendige deputatie van de provinciale raad, welke beslist behoudens beroep bij de Koning vanwege de gemeente of van de belanghebbende derden. De beslissingen van de deputatie worden bekendgemaakt door de colleges van burgemeester en schepenen, van de zondag af na dezelver ontvangst en blijven gedurende acht dagen aangeplakt. Het beroep bij de Koning schorst de beslissingen. Het moet uitgeoefend en aan de gouverneur overgemaakt worden, binnen de vijftien dagen volgende op de in vorige paragraaf vermelde bekendmaking". Uit de samenlezing van voormelde bepalingen volgt dat de respectieve bevoegdheden van de gemeenteraad, de deputatie en de regering als volgt begrepen dienen te worden : de gemeenteraad beoordeelt het nut van de afschaffing van een buurtweg, maar aan de deputatie komt de beslissing toe. De deputatie treedt daarbij niet op als toezichthoudende overheid maar oefent een beslissingsrecht uit. De Koning - met toepassing van artikel 6, §1, X, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, nu de gewestregering - oefent, zowel optredend op grond van artikel 28, tweede lid, van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen als optredend op grond van artikel 27, tweede lid, van de voornoemde wet een goedkeuringstoezicht uit ten aanzien van de beslissing genomen door de deputatie, weze het dat het goedkeuringstoezicht, ingesteld door artikel 27, tweede lid, van de voornoemde wet en dat van toepassing is op beslissingen die het gevolg zijn van een eigen initiatief van de deputatie, als een algemene verplichting opgevat is en dus uitgeoefend moet worden buiten elk beroep om terwijl het goedkeuringstoezicht, ingesteld door artikel 28, tweede lid, van de voornoemde wet en dat van toepassing is op beslissingen genomen door de deputatie na een initiatief van de gemeenteraad, slechts aan de orde komt in geval de gemeente of een belanghebbende derde het beroep bedoeld in artikel 28, tweede VII-37.742-7/17 en vierde lid, van de voornoemde wet instelt, in welk geval het besluit geen uitwerking krijgt totdat de regering uitspraak gedaan heeft over de goedkeuring. Het aan goedkeuring onderworpen besluit van de deputatie is niet uitvoerbaar zolang het niet is goedgekeurd door de bevoegde minister. Door de goedkeuring ervan stelt de bevoegde minister zijn beslissing niet in de plaats van deze van de deputatie. De goedgekeurde beslissing blijft in het rechtsverkeer aanwezig en is vatbaar voor vernietiging. De vraag of te dezen de eerste bestreden beslissing onwettig is en vernietigd dient te worden, betreft de grond van de zaak die hierna wordt onderzocht. De exceptie wordt verworpen. B. Tweede exceptie 7. In een tweede exceptie werpt de eerste verwerende partij op dat de derde verzoekster, Paula Knapen, handelingsonbekwaam is omdat zij valt onder het beschermingsregime van de verlengde minderjarigheid. Wat haar betreft is een annulatieberoep enkel ontvankelijk indien het door de bevoegde wettelijke vertegenwoordiger werd ingesteld. In casu is het beroep evenwel door de derde verzoekster zelf ingesteld, zodat het in haren hoofde onontvankelijk is. Beoordeling 8. De stukken van het administratief dossier tonen aan en het wordt ook niet betwist dat de derde verzoekster verkeert in staat van verlengde minderjarigheid. Artikel 487bis, vierde lid, van het burgerlijk wetboek bepaalt dat zij die in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, ten aanzien van haar persoon en haar goederen gelijkgesteld wordt met een minderjarige beneden de vijftien jaar. De derde verzoekster is derhalve onbekwaam om in persoon een annulatieberoep in te stellen, zoals te dezen is gebeurd. Het annulatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk in hoofde van de derde verzoekster. De exceptie is gegrond. VII-37.742-8/17 V. Onderzoek van de middelen Eerste middel (eerste onderdeel) Standpunt van de partijen 9. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Tevens stellen zij dat de rechtens vereiste feitelijke grondslag ontbreekt. In een eerste onderdeel van het middel betogen de verzoekende partijen wat volgt : "Overeenkomstig een vaststaande rechtspraak en rechtsleer kunnen buurtwegen verjaren door onbruik gedurende 30 jaar. In hun beroepschrift dd. 05.12.2006 ingediend bij de Vlaamse regering, hebben verzoekende partijen reeds aangehaald dat het in casu vast staat dat van voetweg nr. 53 alleszins reeds meer dan 30 jaar geen openbaar gebruik meer wordt gemaakt. Om dit onbruik aan te tonen kunnen ondermeer de volgende elementen worden aangevoerd: - de Begeleidingscommissie Kerkwegels (tijdelijke begeleidingsgroep Voet- en Buurtwegen) heeft vastgesteld dat voetweg nr. 53 reeds jarenlang in onbruik is en er sprake is van onmiskenbare verjaring; (...) - de Gemeenteraad van de gemeente Holsbeek heeft bij besluit van 03.06.2003 verklaard dat pad 53 niet meer zichtbaar is en er geen bewijzen van gebruik sinds tientallen jaren terug te vinden zijn; (...) - zeven omwonenden hebben verklaard dat voetweg nr. 53 reeds sedert meer dan 30 jaar nooit meer openbaar gebruikt werd en trouwens niet meer zichtbaar was; (...) - bovendien werden door verzoekende partijen als bijlage bij het verzoekschrift dd. 05.12.2006 eveneens een aantal kaarten gevoegd waarop geen voetweg nr. 53 te bespeuren is, hetgeen eveneens een onmiskenbaar bewijs van onbruik is; • een militaire stafkaart van 1891 (...); • een wegenplan van de gemeente Holsbeek van 1978 (...); • een overzichtskaart van de openbare wegen dd. 2005 uitgegeven door 'De Holsbekenaar'; (...) • een topografische kaart dd. 1968 uitgegeven door het Militair Geografisch Instituut; (...) • een topografische kaart dd. 2001 uitgegeven door het Nationaal Geografisch Instituut (...); • een kadastrale kaart van rond 1850 uitgegeven door de heer P.C. Popp (...); VII-37.742-9/17 • een reeks foto’s van de toestand ter plaatse (originelen bevinden zich in het dossier van de Deputatie) waaruit blijkt dat de voetweg nr. 53 niet meer zichtbaar en niet meer begaanbaar is; (...) • een luchtfoto genomen in 1971, beschikbaar bij het Nationaal Geografisch Instituut, meer een uitvergroting van de percelen in kwestie (...); • een afdruk van satellietbeelden beschikbaar op www.geovlaanderen.be. (...) Uit al deze elementen en de bijgebrachte stukken blijkt overduidelijk en onmiskenbaar dat van voetweg nr. 53 reeds sinds meer dan 30 jaar geen openbaar gebruik meer wordt gemaakt. Bijgevolg is deze voetweg, ondermeer overeenkomstig artikel 12 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen vervallen door verjaring. Aangezien de familie van verzoekende partijen reeds sinds 1925 gevestigd is op deze plaats, nu Putstraat 45, en in 1943 werd de eigendom uitgebreid naar naastliggende percelen en achterliggende landbouwgronden. Sinds deze eigendomsuitbreiding van 1943 kwam voetweg nr. 53 in het midden van de eigendom van de familie te liggen en minstens vanaf die datum (wellicht reeds vroeger) werd de voetweg niet meer gebruikt en bijgevolg ingepalmd door de rechtsvoorgangers van verzoekende partijen. De achterliggende landbouwgronden werden en worden als één geheel gebruikt en van een voetweg is ter plaatse reeds sinds ruim meer dan 30 jaar niets meer te zien. Uit de bijgevoegde plannen, foto's en verklaringen blijkt overduidelijk dat de voetweg in kwestie minstens reeds sinds 1943 (wellicht reeds vroeger) niet meer dient tot openbaar gebruik en niet meer zichtbaar was op het terrein. Er is geen enkele aanwijzing van openbaar gebruik, ook niet van toevallig of sporadisch gebruik, zodat er minstens reeds sinds 1943 sprake is van volledig onbruik. Bovendien heeft de gemeente of enig ander bestuur de voetweg nooit onderhouden. De voetweg in kwestie werd door de gemeente nooit verhard of vrijgemaakt, de hagen of houtkanten werden niet gesnoeid en de bedding werd niet gemaaid. Op geen enkel moment heeft de gemeente of de provincie enige vorm van onderhoud toegepast, hetgeen eveneens wijst op de manifeste verjaring van voetweg nr. 53. Bovendien werd noch door de gemeente noch door de provincie ooit een proces-verbaal van vaststelling van onrechtmatige inbezitneming opgesteld, terwijl de beweerde voetweg nochtans reeds sedert minstens 1943 werd ingenomen door de rechtsvoorgangers van verzoekende partijen. De rechtsvoorgangers van verzoekende partijen en verzoekende partijen zelf hebben de beweerde voetweg ingepalmd en hebben zich (minstens) de afgelopen 60 jaar voortdurend, onafgebroken, ongestoord en ondubbelzinnig als eigenaar gedragen. Aangezien de Deputatie in haar besluit van 26.10.2006 dan ook volkomen ten onrechte heeft gesteld dat over de verjaring geen zekerheid zou bestaan, zonder verdere motivering. Nochtans wijzen alle feitelijke elementen van het dossier, zoals hierboven aangehaald, op een manifeste verjaring van de voetweg. (...) Zowel de buurtwegencommissie (...) als de gemeenteraad (...) hebben het jarenlange onbruik en de onmiskenbare verjaring vastgesteld. Door in het bestreden besluit van 26.10.2006, zonder verdere motivering en zonder enige steun in de feitelijke elementen van het dossier, voor te houden dat over de verjaring 'helemaal geen zekerheid' zou bestaan, heeft de Deputatie voormelde formele en de materiële motiveringsplicht en algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. De beslissing dd. 26.10.2006 van de Deputatie dient te worden vernietigd. VII-37.742-10/17 Aangezien ook het Ministerieel Besluit dd. 27.06.2007 waarin wordt beslist om de beslissing van de deputatie van Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 houdende de niet afschaffing van voetweg nr. 53 van de gemeente Holsbeek te bevestigen, om dezelfde redenen dient te worden vernietigd. Het jarenlange onbruik (en bijgevolg de verjaring) wordt als dusdanig in het besluit van 27.06.2007 niet betwist. In het Ministerieel Besluit dd. 27.06.2007 wordt enkel voorgehouden dat het onbruik te wijten is aan het in gebreke blijven van de gemeente om in het onderhoud van de weg te voorzien en aan het op privaat initiatief afsluiten van de weg, hetgeen in strijd zou zijn met de wet op de buurtwegen en bijgevolg de afschaffing van de buurtweg niet zou kunnen meebrengen. Dergelijke argumentatie houdt uiteraard geen steek. Vooreerst wordt geen enkel bewijs geleverd van de bewering dat het onbruik te wijten is aan het in gebreke blijven van de gemeente en het privaat afsluiten van de weg. Vraag is of niet eerder omgekeerd, het jarenlange onbruik ertoe heeft geleid dat de voetweg werd afgesloten en niet langer werd onderhouden door de gemeente. Bovendien bestaat de enige manier om het volledige onbruik van de voetweg gedurende meer dan 30 jaar (en bijgevolg de verjaring) te bewijzen, er precies in om aan te tonen dat de voetweg volledig werd ingepalmd door een aangelande en niet meer werd onderhouden door de gemeente. In de redenering van het ministerieel besluit van 27.06.2007 zou een voetweg bijgevolg nooit kunnen verjaren, hetgeen duidelijk in strijd is met artikel 12 van de Wet op de buurtwegen. In een arrest van 13.11.1996 heeft de Raad van State overigens volkomen terecht beslist dat: 'de bevoegde overheid geen onwettigheid begaat wanneer zij, na te hebben vastgesteld dat een openbare weg als zodanig niet meer door het publiek wordt gebruikt, die weg afschaft, ook al is het beëindigen van dat openbaar gebruik te wijten aan het optreden van de aangelanden, voor zover zij de belangen van hen die voordeel hebben bij en hen die nadeel ondervinden van de afschaffing correct afweegt;' (R.v.St. De Schouwer e.a., nr. 63.030, 13.11.1996) Bijgevolg kan en moet de bevoegde overheid wel degelijk besluiten tot de afschaffing van de voetweg indien zij vaststelt dat de voetweg reeds gedurende meer dan 60 (jaar) niet meer wordt gebruikt, ook al zou dit te wijten zijn aan het optreden van de aangelanden en het gebrek aan onderhoud door de gemeente. In casu kan niet ernstig worden betwist dat voetweg nr. 53 reeds meer dan 60 jaar in onbruik is en ter plaatse niet meer zichtbaar is, zodat een afschaffing van deze weg zich opdringt. Het bestreden ministerieel besluit biedt bovendien geen antwoord op de uitgebreide argumentatie aangaande de verjaring van de voetweg, zoals opgenomen in het beroepschrift van verzoekende partijen dd. 05.12.2006. Het ministerieel besluit van 27.06.2007 houdt een schending in van voormelde formele en materiële motiveringsplicht en algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dient te worden vernietigd. Aangezien bovendien moet benadrukt worden dat het Vlaamse Gewest in casu alleen een goedkeuringstoezicht toekomt, op grond waarvan zij de beslissing van de Deputatie slechts kan goedkeuren of niet goedkeuren. (R.v.St. De Braekeleer, nr. 83.411, 09.11.1999; R.v.St. VZW Durme e.a., nr. 126.447, 16.12.2003) Het Vlaamse Gewest mag de beslissing van de Deputatie bijgevolg niet corrigeren of aanvullen en zou ook niet vermogen het eventueel gebrek aan een behoorlijke belangenafweging door de Deputatie goed te maken in het goedkeuringsbesluit. (R.v.St. VZW Durme e.a., nr. 126.447, 16.12.2003) VII-37.742-11/17 In het voorliggende dossier heeft de Deputatie in haar besluit van 26.10.2006 zonder verdere motivering en zonder enige steun in de feitelijke elementen van het dossier, voorgehouden dat over de verjaring 'helemaal geen zekerheid' zou bestaan. Het Ministerieel Besluit van 27.06.2007 is volkomen in tegenstrijd met het besluit van de Deputatie, vermits het onbruik (en bijgevolg de verjaring) van de voetweg als dusdanig niet wordt betwist, maar enkel wordt voorgehouden dat het onbruik te wijten is aan het in gebreke blijven van de gemeente om in het onderhoud van de weg te voorzien en aan het op privaat initiatief afsluiten van de weg. Bijgevolg is er sprake van een tegenstrijdigheid tussen de motivering van de Deputatie en de motivering van het Ministerieel Besluit. Nochtans kon de Minister de motivering van de Deputatie niet rechtsgeldig aanvullen. (R.v.St. VZW Durme e.a., nr. 126.447, 16.12.2003)". 10. De eerste verwerende partij antwoordt, in navolging van de eerste ontvankelijkheidsexceptie, dat het middel onontvankelijk is in de mate dat het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 die door de uitkomst van het goedkeuringsberoep heeft opgehouden te bestaan. Voorts merkt de eerste verwerende partij op dat beslissingen die genomen worden in het kader van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen slechts beogen het publiekrechtelijk statuut van een weg te regelen en derhalve niet raken aan het eigendomsrecht, dat de Raad van State zich om voormelde redenen niet kan uitspreken over de verkrijgende verjaring van de vestiging van de voetweg ten gevolge van onbruik, dat een betwisting omtrent de erkenning of ontkenning van het publiek karakter van de weg en het recht op doorgang betrekking heeft op een subjectief recht, dat de vraag tot afschaffing van een buurtweg noopt tot een belangenafweging waarbij in de eerste plaats aandacht moet worden besteed aan het algemeen belang en slechts in ondergeschikte orde aan het particuliere belang, dat zij in het kader van die belangenafweging beschikt over een discretionaire bevoegdheid, dat het niet aan de Raad van State toekomt om zijn beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van deze van de bevoegde administratieve overheid, dat de beslissing tot behoud van de voetweg, op grond van de in de memorie van antwoord nader becommentarieerde argumenten, niet onredelijk is en dat aan de verzoekende partijen als aangelanden de volledige bewijslast toekomt van het beweerde verlies van de openbare bestemming van de voetweg gedurende meer dan dertig jaar. 11. De tweede verwerende partij stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 90.570 van 26 oktober 2000, inzake Thonnart, dat de motivering van de tweede bestreden beslissing "volkomen terecht" is, dat zij in het kader van de uitoefening van een bijzonder goedkeuringstoezicht beschikt over een VII-37.742-12/17 ruime discretionaire bevoegdheid, dat zij als toezichthoudende overheid zelf vermag te motiveren waarom zij al dan niet de goedkeuring geeft aan de beslissing waartegen in beroep werd gekomen en dat zij te dezen de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant heeft getoetst aan de wet en "op haar mogelijke schending van de belangen van de toezichthoudende overheid". 12. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen wat zij reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring hebben uiteengezet. Beoordeling 13. Artikel 12 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen bepaalt wat volgt : "De buurtwegen, zoals zij worden erkend en gehandhaafd ingevolge de algemene rooi- en afpalingsplannen, kunnen door geen verjaring verkregen worden zolang zij dienen tot het openbaar gebruik, behoudens de vóór onderhavige wet verkregen rechten". Die bepaling verzet er zich niet tegen dat het statuut van buurtweg teloor kan gaan wanneer de buurtweg volledig en ononderbroken in onbruik is geraakt en daardoor elk publiek nut heeft verloren. Te dezen blijkt dat de begeleidingscommissie kerkwegels reeds in een advies van 10 december 2001 heeft gesteld dat er ten aanzien van het pad nr. 53 sprake is van "onmiskenbare verjaring". Ook in de notulen van de gemeenteraadszitting van 3 juni 2003, waarop is beslist de gedeeltelijke afschaffing van het pad nr. 53 aan de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant voor te stellen, wordt overwogen dat het tracé van het af te schaffen weggedeelte niet meer zichtbaar is en er geen bewijzen van gebruik sinds "tientallen jaren" zijn terug te vinden. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant op 23 januari 2006 door de gemeente Holsbeek in kennis is gesteld van de gemeenteraadsbeslissing van 20 december 2005 met in bijlage een nota met een "ondubbelzinnige motivering" waarin wordt gewezen op de verjaring van de betrokken voetweg. In haar beslissing van 26 oktober 2006 tot afwijzing van het verzoek tot gedeeltelijke afschaffing van voetweg nr. 53, beperkt de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant zich tot de overweging dat over de verjaring "helemaal VII-37.742-13/17 geen zekerheid" bestaat. Met dat lapidaire motief komt de deputatie geenszins tegemoet aan de concrete aanspraken van de verzoekende partijen. Zulks klemt nog meer nu de deputatie in haar beslissing zelf aangeeft dat de openbaarheid van de voetweg actueel belemmerd is door een haag en de voetweg niet meer zichtbaar is, elementen die wijzen op een toestand van onbruik die kan leiden tot het verval van de buurtweg. In het beroepschrift tegen de eerste bestreden beslissing hebben de verzoekende partijen omstandig en op concreet onderbouwde wijze uiteengezet waarom er sprake is van verjaring. Met betrekking tot het onbruik van de voetweg gedurende een periode van meer dan dertig jaar, wordt in de eerste plaats verwezen naar het advies van de begeleidingscommissie kerkwegels, de gemeenteraads- beslissing van 3 juni 2003 en de verklaringen van zeven omwonenden. Tot staving van hun standpunt voegen de verzoekende partijen bij het beroepschrift verscheidene stukken, waaronder een wegenplan van de gemeente Holsbeek van 1978, een overzichtskaart van de openbare wegen van 2005, twee topografische kaarten van 1968 en 2001 respectievelijk uitgegeven door het Militair Geografisch Instituut en het Nationaal Geografisch Instituut, een luchtfoto uit 1971, een afdruk van satellietbeelden en een reeks foto’s die een beeld geven van de bestaande toestand ter plaatse. Bovendien merkt de raadsman van de verzoekende partijen nog het volgende op : "De familie van mijn kliënten is reeds sinds 1925 gevestigd op deze plaats, nu Putstraat 45, en in 1943 werd de eigendom uitgebreid naar naastliggende percelen en achterliggende landbouwgronden. Sinds deze eigendomsuitbreiding van 1943 kwam voetweg nr. 53 in het midden van de eigendom van de familie te liggen en minstens vanaf die datum (wellicht reeds vroeger) werd de voetweg afgesloten en ingepalmd door de rechtsvoorgangers van mijn kliënten. De achterliggende landbouwgronden werden en worden als één geheel gebruikt en van een voetweg is ter plaatse reeds sinds meer dan 30 jaar niets meer te zien. Uit de bijgevoegde plannen, foto's en verklaring blijkt overduidelijk dat de kwestieuze voetweg minstens reeds sinds 1943 (wellicht reeds vroeger) niet meer dient tot openbaar gebruik. Er is geen enkele aanwijzing van openbaar gebruik, ook niet van toevallig of sporadisch gebruik, zodat er minstens reeds sinds 1943 sprake is van volledig onbruik. Bovendien heeft de gemeente of enig ander bestuur de voetweg nooit onderhouden. De kwestieuze voetweg werd door de gemeente nooit verhard of vrijgemaakt, de hagen of houtkanten werden niet gesnoeid en de bedding werd niet gemaaid. Op geen enkel moment heeft de gemeente of de provincie enige vorm van onderhoud toegepast, hetgeen eveneens wijst op de manifeste verjaring van voetweg nr. 53. Bovendien werd noch door de gemeente noch door de provincie ooit een proces-verbaal van vaststelling van onrechtmatige inbezitneming opgesteld, terwijl de beweerde voetweg nochtans reeds sedert minstens 1943 werd afgesloten en werd ingenomen door de rechtsvoorgangers van mijn kliënten. VII-37.742-14/17 De rechtsvoorgangers van mijn kliënten en mijn kliënten zelf hebben de beweerde voetweg afgesloten en ingepalmd en hebben zich (minstens) de afgelopen 60 jaar voortdurend, onafgebroken, ongestoord en ondubbelzinnig als eigenaar gedragen". De argumenten van de verzoekende partijen worden met de tweede bestreden beslissing afgewezen op grond van de volgende motivering : "Overwegende dat artikel 12 van de wet op de buurtwegen stelt dat buurtwegen niet door verjaring kunnen verkregen worden zolang zij dienen voor het openbaar gebruik; dat als de weg vandaag niet meer zou gebruikt worden dit eerder het gevolg is van het in gebreke blijven van de gemeente om in het onderhoud van de weg te voorzien en door het op privaat initiatief afsluiten van de weg, wat in strijd is met voornoemde wet op de buurtwegen; dat men zich moeilijk kan beroepen op het niet respecteren van de wet op de buurtwegen om, conform diezelfde wet, de afschaffing van een buurtweg te bepleiten". In de aangehaalde motivering wordt niet ingegaan op de periode van onbruik van de voetweg, maar worden twee redenen opgegeven waarom de verjaring hoe dan ook niet is kunnen intreden, namelijk het op eigen initiatief afsluiten van de weg en het gebrek aan onderhoud ervan door de gemeente. Het motief betreffende het gebrekkig onderhoud van de weg is in rechte niet aanvaardbaar aangezien daarmee artikel 12 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen buiten werking wordt gesteld in de mate dat buurtwegen die niet meer tot het openbaar gebruik dienen hun statuut kunnen verliezen. Het onderhoud van de weg veronderstelt immers noodzakelijkerwijze het gebruik ervan, zodat de vereiste van de tweede verwerende partij er eigenlijk op neerkomt dat de verjaring van in onbruik geraakte buurtwegen nooit kan intreden. Bovendien kan het gebrek aan onderhoud door de gemeente precies het gevolg, en niet de oorzaak, zijn van een langdurige periode van onbruik. Wat betreft het motief dat een particulier initiatief het onbruik van de weg heeft bewerkstelligd, negeert de tweede verwerende partij het beroepschrift waarin wordt uiteengezet dat de betrokken weg vanaf 1943, en wellicht reeds vroeger, werd "afgesloten en ingepalmd" door de rechtsvoorgangers van de verzoekende partijen, zodat de gelaakte handelwijze alleszins niet aan de verzoekende partijen kan worden toegeschreven. De tweede verwerende partij toont in haar beslissing niet aan dat de weg op het ogenblik van het afsluiten ervan nog openbaar werd gebruikt en evenmin dat de bevoegde overheden de in de wet VII-37.742-15/17 voorziene rechtsmiddelen hebben aangewend om de publieke toegankelijkheid ervan te herstellen. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. 14. De beide bestreden beslissingen zijn aangetast door onregelmatigheden met betrekking tot de verjaring van de buurtweg. Het past zowel de aan goedkeuring onderworpen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006, alsmede het goedkeurende ministerieel besluit van 27 juni 2007 te vernietigen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep in hoofde van de derde verzoekster. 2. De Raad van State vernietigt de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 houdende de niet-afschaffing van voetweg nr. 53 van de gemeente Holsbeek en het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 27 juni 2007 waarbij de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 houdende de niet-afschaffing van voetweg nr. 53 van de gemeente Holsbeek, wordt bevestigd. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissingen. 4. De derde verzoekster wordt verwezen in de kosten van haar beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de overige kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. VII-37.742-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.742-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.788 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div