← België

Arrest 208918 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.918 Rolnummer: A. 181600/X-13206 Zaak: Arrest 208918 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:24 Fiche Arrest nr 208.918 van 10 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 208.918 van 10 november 2010 in de zaak A. 181.600/X-13.206. In zake : de v.z.w. NATUUR EN LANDSCHAP MEETJESLAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 GENT Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de n.v. DRUKKERIJ VERSTRAETE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 december 2006 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare”. X-13.206-1/22 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 juli 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hendrik Schoukens, die loco advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.206-2/22 III. Feiten 3. Sinds 1974 exploiteert de familie Verstraete een drukkerij aan de Urselseweg 150 te Knesselare, in een gebied dat bestaat uit bossen en weilanden. Het bedrijf heeft daarvoor destijds de nodige bouw- en exploitatievergunningen verkregen. Het betrokken terrein en de omliggende terreinen zijn evenwel volgens het gewestplan Eeklo-Aalter, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, bestemd tot natuurgebied. 4. Het bijzonder plan van aanleg “Hellegat”, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 16 januari 1991, heeft de bedrijfsterreinen opgenomen in ambachtelijk gebied. Op grond van dit bijzonder plan van aanleg zijn nog verscheidene bouw- en milieuvergunningen verleend voor uitbreidingen van het bedrijf. Het voornoemde bijzonder plan van aanleg is door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 78.487 van 3 februari 1999, op grond van het feit dat niet voldaan was aan de voorwaarden om te kunnen afwijken van het geldende gewestplan. 5. Op 18 mei 2000 keurt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening het bijzonder plan van aanleg “Zonevreemde bedrijven” van de gemeente Knesselare gedeeltelijk goed. Het goedgekeurd deelplan 1/13 “Verstraete” van dit bijzonder plan van aanleg voorziet in aangepaste bestemmingen voor de bedrijfssite van de drukkerij, met name zone voor nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen, zone voor private parkeerplaatsen, toeritten en laad- en losplaatsen, bufferzone-groene zone, zone voor woonbebouwing, kantoren en gemeenschapsvoorzieningen op basis van de bestaande bedrijfsvoering en zone voor schermgroen. Onder meer de verzoekende partij vordert voor de Raad van State de nietigverklaring van het voormelde bijzonder plan van aanleg in zoverre het betrekking heeft op het deelplan 1/13 “Verstraete” (zaak A. 94.942/X-9744). 6. Een strook tegen de oostelijke grens van de bedrijfssite van de drukkerij wordt aangeduid als onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk in X-13.206-3/22 de zin van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De omliggende bossen, waaronder het perceel dat ten zuiden paalt aan de bedrijfssite, worden opgenomen in het habitatrichtlijngebied “Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel”. 7. Op grond van het laatstgenoemde bijzonder plan van aanleg verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knesselare op 28 februari 2001 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van het uitbreiden van een snijafdeling bij het bedrijf. De verzoekende partij vordert voor de Raad van State de nietigverklaring van deze stedenbouwkundige vergunning (zaak A. 109.419/X-10.527). 8. Op 3 februari 2006 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare” voorlopig vast. 9. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 6 maart 2006 tot 4 mei 2006 dient onder meer de verzoekende partij een bezwaarschrift in. 10. Op 19 april 2006 adviseert de provincieraad van Oost-Vlaanderen het ontwerp GRUP voorwaardelijk gunstig. 11. Op 12 september 2006 adviseert ook de VLACORO het ontwerp GRUP voorwaardelijk gunstig. 12. Op 30 oktober 2006 brengt de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies uit over het ontwerp GRUP. 13. Op 8 december 2006 wordt het GRUP “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare” definitief vastgesteld. Dit is het bestreden besluit. X-13.206-4/22 Het GRUP neemt de bedrijfssite op in “zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf” met aan de oostelijke, de zuidelijke en de zuidwestelijke rand een overdruk “buffer”. De vastgestelde voorschriften luiden als volgt: “Artikel 1. Zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf 1.1. Bestemming Deze zone is bestemd voor het behoud van de huidige historisch gegroeide bedrijfsactiviteiten (drukkerij verpakkingen) aan de Urselseweg 150, te Knesselare. Nevenactiviteiten zoals kantoren, een bedrijfswoning en parkeeroppervlakte zijn enkel toegelaten in zoverre deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf. Kleinhandel is niet toegelaten. Indien de huidige bedrijfsactiviteiten worden stopgezet, geldt de nabestemming reservegebied voor economische activiteiten. Op basis van een uitgewerkte visie wordt aan de hand van een ruimtelijk uitvoeringsplan op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau beslist over de mogelijke activiteiten en de inrichting van dit reservegebied. In afwachting van de goedkeuring van dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kunnen geen stedenbouwkundige vergunningen worden verleend na de stopzetting van de bedrijfsactiviteiten. 1.2. Inrichting De zone voor bedrijfsactiviteiten mag voor 50% volledig verhard worden en de bestaande bebouwde oppervlakte, zijnde 30% van de zone voor bedrijfsactiviteiten, dient behouden te blijven. Het waterbergend vermogen van het plangebied mag door de aanleg van het bedrijventerrein niet verminderd worden. Verhardingen, inclusief de verhardingen van de interne wegenis en van parkeeroppervlaktes op vaste grond, moeten waterdoorlatend zijn tenzij dit verboden wordt vanuit een andere regelgeving. Voor de gebouwen gelden volgende principes: - De maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter, gemeten vanaf het huidig vloerniveau van de productiehal. Afwijkingen van de bouwhoogte zijn enkel toegestaan in zoverre deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf. Bijv. silo’s, schouwen en afzuiginstallaties. - T.o.v. de aangrenzende residentiële functie aan de noordwestelijke hoekgrens van het plangebied, zijn in een strook van 50 meter vanaf de Urselseweg voor een breedte van 10 meter vanaf de westelijke plangrens gerekend enkel opslag van afgewerkte producten, parkeerplaatsen, kantoren en voorzieningen voor het personeel toegelaten; de bestaande woning kan behouden worden en verbouwd. Bij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning moet de aanvrager minstens aantonen dat voldaan is aan volgende vereisten: - Zuinig en compact ruimtegebruik; X-13.206-5/22 - Kwalitatief kleur- en materiaalgebruik; Artikel 1.2 Buffer De bestaande landschappelijke groene inpassing met streekeigen struiken en hoogstammige bomen dient in oppervlakteomvang, zijnde 50% van het bedrijfsperceel, behouden en onderhouden te worden op dusdanige wijze dat de natuurlijke kwaliteit van de omgeving kan ondersteund worden. Enkel werken en handelingen in functie van het onderhoud en aanleg van het groen en het plaatsen van afsluitingen zijn toegelaten”. In het bestreden besluit wordt overwogen dat het aannemen ervan met zich meebrengt dat het opnemen van de voornoemde strook van de bedrijfssite in het Vlaams Ecologisch Netwerk “van rechtswege wordt opgeheven”. 14. Bij arrest nr. 184.839 van 26 juni 2008 heropent de Raad van State onder meer in de voormelde zaken A. 94.942/X-9744 en A.109.419/X-10.527 de debatten opdat over de beroepen uitspraak zou kunnen worden gedaan nadat over de onderhavige zaak uitspraak is gedaan. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 15. De verwerende partij voert de volgende exceptie van onontvankelijkheid aan: “13. Conform artikel 2, §1 van de statuten van de verzoekende partij zijn de doelstellingen bepaald als volgt: ‘… De vereniging heeft tot doel: de bescherming, het behoud, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium in het Meetjesland, het in stand houden, het bevorderen en verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu. ...’ Hieronder valt volgens artikel 2, § 3 van de statuten ook het gebruik van alle wettige middelen waaronder de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg. Hieruit leidt de verzoekende partij af dat de bescherming van natuur en landschappelijke waarde één van de hoofddoelstellingen is waarbij de bestreden beslissing de realisatie daarvan ernstig in het gedrang brengt. 14. De verwerende partij meent dat de doelstellingen van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid zijn dat niet voldaan is aan de vereisten voor een vzw om in rechte op te treden voor uw Raad. De vzw beschikt niet over de nodige rechtsbekwaamheid. X-13.206-6/22 (…) 16. De vergelijking van de bijzonder algemene doelstelling van bescherming, behoud, valorisatie en herstel van het leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium in het Meetjesland meer het bevorderen, in stand houden en verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu, en dit binnen het bijzonder ruime toepassingsgebied van het ganse Meetjesland waarbij niet-limitatief een aantal gemeenten worden opgesomd, kan wegens zijn algemene absolute draagwijdte niet worden in aanmerking genomen als een voldoende rechtens vereiste belang als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen. Een dergelijk algemeen belang is gelijk te stellen met een actio popularis conform de voornoemde rechtspraak van uw Raad nu de bestreden beslissing een bijzonder beperkte draagwijdte heeft, met name een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan tot planning van een historisch gegroeid bedrijf, met name de N.V. Drukkerij Verstraete te Knesselare. 17. De doelstelling van de verzoekende partij heeft zoals uit het voorgaande blijkt een bijzonder algemene draagwijdte terwijl de bestreden beslissing in casu een zeer beperkt grondgebied betreft op een zeer beperkte plaats. De bestreden beslissing heeft geen verdere gevolgen dan de onmiddellijke omgeving zodat het geen algemene maatregel betreft die op het ganse grondgebied en zeer ruime werkingsgebied van de verzoekende partij met name het ganse Meetjesland, betrekking heeft. Bijgevolg dient te worden gesteld dat de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft die even breed is als de doelstelling waarop de verzoekende partij zich beroept, doch een zeer specifieke strekking heeft zodat het optreden van de vereniging in casu dient te worden gelijkgesteld met de actio popularis. De verzoekende partij beschikt niet over de rechtens vereiste bekwaamheid om de huidige vordering tot nietigverklaring in te stellen. De vordering is dan ook niet ontvankelijk”. 16. Verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met het behartigen van het algemeen X-13.206-7/22 belang en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 17. Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat zij tot doel heeft: “de bescherming, het behoud, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium in het Meetjesland, het instandhouden, het bevorderen en verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu”. Uit de statuten blijkt ook dat het werkgebied van de verzoekende partij zich uitstrekt over twaalf gemeenten gelegen in het Meetjesland, waaronder de gemeente Knesselare. Het bestreden uitvoeringsplan voorziet in een bestemming van het betrokken gebied, gelegen in een van de gemeenten van het Meetjesland, die het vestigen van een industrieel bedrijf als dat van de tussenkomende partij mogelijk maakt, ter vervanging van de bestemming natuurgebied die dat gebied volgens het geldende gewestplan had. Het blijkt dat de bedrijfssite paalt aan habitatrichtlijngebied en dat door het bestreden plan de aanwijzing van een deel van de bedrijfssite tot onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk wordt opgeheven. Uit een en ander volgt dat het bestreden plan aldus van aard is het instandhouden, het bevorderen en het verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu in het gedrang te brengen. Gelet op de omvang van het bedrijf van de tussenkomende partij en gelet op het belang van het habitatrichtlijngebied “Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel”, kan niet, zoals de verwerende partij doet, worden beweerd dat het bestreden plan slechts een “zeer specifieke strekking” zou hebben. Aangenomen moet worden dat er een voldoende band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij en de draagwijdte van de bestreden beslissing. In tegenstelling tot wat de verwerende partij betoogt, valt dit doel niet samen met het behartigen van het algemeen belang. 18. De exceptie wordt verworpen. X-13.206-8/22 V. Onderzoek van het zesde middel Uiteenzetting van het middel 19. In het zesde middel voert de verzoekende partij het volgende aan: “Schending van art. 3, art. 4, art. 13, Bijlage I en bijlage II van de richtlijn 2001/42 van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s Schending van hoofdstuk I en II van het Decreet van 18 mei 2002 tot aanvulling van het DABM van 18.12.2002 , in het bijzonder van art. 4.1.1. par. 1, 4°, van art. 4.2.2. par. 1 en par. 2, van art. 4.2.7 par. 1, van de bijlage I en bijlage II van het Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het DABM 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid... Schending van art. 36 ter van het Decreet natuurbehoud van 21 oktober 1997 en van art. 6 in het bijzonder art. 6.1, art. 6.2 en 6.3 en van art. 2 en van de bijlage II van de habitatrichtlijn in samenhang met het natura 2000 gebied zoals aangewezen bij BVLR 24 mei 2002 (B.S. 17.08.2002) Onvolledige informatie en inspraakmogelijkheden tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp RUP dd. 3 februari 2006 en dus schending van substantiële vormvereisten. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en schending van het materieel motiveringsbeginsel, minstens de verplichting tot degelijke motivering van iedere bestuurshandeling. Machtsoverschrijding A. Situering van het middel Volgens verzoekende partij diende er een plan-MER opgesteld worden. Alsook diende een passende beoordeling te gebeuren conform art. 36 ter van het Decreet Natuurbehoud. Het plangebied ligt immers in een qua natuurwaarden interessante en kwetsbare omgeving. Het bedrijf ligt nl. vlak naast het Habitatrichtlijngebied ‘bossen -en heiden van zandig Vlaanderen (oostelijk deel - BE2300005-1)’ zoals aangewezen bij BVLR 24 mei 2002. Binnen 100 meter zijn 5 poelen aanwezig, het biotoop van o.a. de Europees beschermde, zeer zeldzame Kamsalamander (habitatsoort volgens de bijlage II van de habitatrichtlijn (zie de soort ‘triturus cristatus’). * Wat de plan-Mer plicht betreft. Uit de bijlagen van zowel de richtlijn als het decreet blijkt dat rekening dient gehouden met onder meer de risico’s voor het milieu (bv. ongevallen), de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op o.a. de bijzondere natuurlijke kenmerken, … de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, .... (…). Artikel 3 van de richtlijn is van belang want bepaalt de werkingssfeer: ‘1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde X-13.206-9/22 plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s

  1. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlage I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  2. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 5. De lidstaten stellen vast, door een onderzoek per geval of door specificatie van soorten plannen en programma’s, of door combinatie van beide werkwijzen, of de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen of programma’s aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Hierbij houden zij voor alle gevallen rekening met de relevante criteria van bijlage II, om ervoor te zorgen dat plannen en programma’s met mogelijke aanzienlijke milieueffecten door deze richtlijn zijn gedekt. 6. (...) 7. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 5 bedoelde vaststellingen, inbegrepen de redenen waarom geen milieubeoordeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 wordt verlangd, voor het publiek beschikbaar worden gesteld.’ Volgens art. 8 van de richtlijn moet met het milieurapport rekening gehouden worden bij de voorbereiding en voorafgaandelijk de vaststelling of de onderwerping aan de wetgevingsprocedure van het plan of programma. * Wat aangaat art. 6 van de habitatrichtlijn. Rond het RUP gebied ligt dus een SBZ Habitatrichtlijn. Art. 6.1 verplicht tot de nodige instandhoudingsmaatregelen. Art. 6.2. verplicht de lid-Staten om passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. Art. 6.3. bepaalt dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan X-13.206-10/22 hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. Art. 2 van de habitatrichtlijn verplicht de lidstaten om te zorgen voor het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang. De habitatrichtlijn blijft toepasselijk ook nadat in het Vlaams gewest een behoorlijke implementatie gebeurde via art. 36 ter van het Decreet Natuurbehoud. Art. 36 ter §2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om
  3. a)elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden.
  4. b)(…) §3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma’s een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. (...) Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-Merrichtlijn of de plan-Merrichtlijn , geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage (...) §4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit ‘geen betekenisvolle aantasting’ van de natuurlijke kenmerken van de betrokken sociale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. N.B. Op dit punt is het decreet niet conform de habitatrichtlijn: * de HRL heeft het over ‘niet’ aantasten; * art. 36 ter heeft het over ‘niet betekenisvol’ aantasten. Art. 36 ter. par. 5 is ook van belang want bepaalt dat dient nagegaan of er geen alternatieve minder schadelijke oplossingen zijn... X-13.206-11/22 Indien dan toch een uitzondering kan worden gemaakt op de nodige bescherming, dan dienen minstens: 1° de nodige compenserende maatregelen genomen te zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. (....) Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed. §6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde milieueffectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. (...) Wat het openbaar onderzoek betreft en de kwaliteit van de inspraak zoals onder meer vastgelegd in het DORO en in het Verdrag van Aarhus, dient uiteraard het publiek kennis te hebben van het milieu(effecten)rapport/ de passende beoordeling. Ingeval van ontstentenis van deze milieuinformatie omschreven in onder meer art. 4.2.7 par. 1 DABM is er sprake van een onwettige besluitvorming, behept met machtsoverschrijding. B. Situering van het plangebied qua natuurwaarden en risico’s. Het gebied zelf was volgens het gewestplan een natuurgebied. Op de biologische waarderingskaart jaren ’80 is er sprake van een biologisch waardevol bos op een deel van de afgebakende percelen. Ook de omgeving was aangeduid als een natuurgebied (bossen van het Drongengoed en het Koningsbos); verderop (oost) als een landschappelijk waardevol landbouwgebied. De omgeving van het plangebied is een natura 2000 gebied, dus een SBZ volgens de habitatrichtlijn. De omgeving is ook een grote eenheid natuur, deel uitmakend van het VEN (Vlaams ecologisch netwerk). Zie BVLR 18 juli 2003 en de kaart in bundel. De SBZ habitatrichtlijn is er gekomen omwille van onder meer het habitattype zure eikenbossen, en om reden van de aanwezigheid van de kamsalamander, een bedreigde amfibiesoort. Deze komt voor in o.a. poelen (die voldoende diep moeten zijn) en bomputten, en verplaatst zich onder meer via grachtjes. Deze diersoort heeft en kan/ zal zeker te lijden hebben onder de door dit RUP toegestane ruimtebeslag, bedrijfsactiviteiten en bodemgebruik: * ong. 1,8 ha is behoudens een zekere interne bufferzone bestemd voor industriële en ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, verhardingen, ... zodat het gebied ongeschikt is als rustplaats, fourageergebied en voortplantingsbiotoop voor de kamsalamander; en evenmin als weide & bosbiotoop hersteld kan worden. X-13.206-12/22 * de hoge mate van verhardingen, de aaneenrijging van gebouwen, de parkings, enz. maakt van dit terrein een quasi onoverbrugbare hindernis voor een traag, ongevleugeld en kwetsbaar dier als de kamsalamander; * aan de westzijde is er een gracht die nog steeds fungeert als overloop van afvalwaters, minstens van de overloop van septische putten, klein RWZI van het bedrijf; er zijn reeds meerdere ernstige gevallen van waterverontreiniging geweest. * bovendien zijn er ook risico’s door het teveel aan regenwater van de daken dat naar de omgevende SBZ wegvloeit en behoudens een zekere vervuiling ook een overvloed aan waterstroming kan geven, waartegen larven van amfibieën niet bestand zijn (spoelen weg); * op de weide van de gebuur A. De Muynck bevindt zich een poel, een potentieel geschikt leefgebied voor de kamsalamander, en die niet meer mag verbonden worden met deze gracht, omwille van de vervuilingsrisico’s en die dus latent bedreigd blijft door bodem- en watervervuiling door de afvalwaters (o.a. met olie en productieresten vervuild water). De omliggende bossen met bijhorende open ruimtes (weilanden) zijn nog steeds een geschikt biotoop voor tal van vogelsoorten zoals de bosuil, de vink, de grote lijster, diverse spechten, goudhaantje, torenvalk, ... Dit RUP maakt de herbebossing van het meest zuidelijk gelegen deel van het RUP gebied onmogelijk: bos waarin tal van fauna-elementen hun toevlucht vonden, zoals nachtegaal, wielewaal,... en dit spijts de aanwezigheid van restanten in steen/beton van tijdens W.O. II. C. De verbindende werking van de ingeroepen Plan-Mer richtlijn en van het Decreet 18 december 2002. De directe werking van de Plan-Merrichtlijn. 1. De plan-Merrichtlijn heeft verbindende werking in de lidstaten vanaf 21 juli 2004 (zie art. 13 van de richtlijn). Volgens het decreet geldt de milieueffectenbeoordelingsplicht niet indien de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004 (art. 14). Verzoekende partij heeft geen kennis van een eerste dergelijke handeling daterend van voor de 21ste juli 2004. In het ontwerp van RUP is slechts sprake van de plenaire vergadering op 30 juni 2005. In elk geval kan geen rekening gehouden met formele handelingen van andere ruimtelijke plannen, zoals de eerder goedgekeurde BPA’s. Deze plannen zijn immers totstandgekomen via een eigen soort procedure. Bovendien is het nog bestaande BPA zonevreemde bedrijven (M.B. mei 2000) onwettig, onder meer nu de voorwaarden van het decreet ruimtelijke ordening niet vervuld waren: o.a. strijdigheid met het richtinggevend deel van het RS Vlaanderen, geen dwingende noodzaak, enz. 2. Mocht de Raad van State van oordeel zijn dat volgens het decreet 18.12.2002 geen MER vereist was, maar wel volgens de richtlijn, meent verzoekster dat de richtlijn toepasselijk is. Zie art. 10 en art. 249 van het EG verdrag. De richtlijn is immers voldoende duidelijk en precies om directe werking te hebben en de loyauteitsplicht geldt. D. Waarom de ingeroepen bepalingen en beginselen geschonden zijn. X-13.206-13/22 1. Omdat er geen plan-Mer werd opgemaakt, terwijl er wel één diende opgemaakt te worden gelet op de in hoofding en sub A van dit middel vermelde wettelijke bepalingen. 2. Omdat de adviezen opgemaakt voorafgaandelijk het ontwerp van dit RUP en de zgz. passende beoordeling waarvan sprake in de toelichtingsnota, niet voldoen aan de vereisten van een plan-Mer in de zin van art. 4.1.1. par. 1, 7° van het bedoeld decreet of in de zin van art. 2 en art. 5 en bijlage I van de richtlijn. De milieuinformatie ontbreekt zoals vermeld in art. 4.2.7 par. 1 DABM: * bv. waar is de schets van de beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan ? * bv. waar is de beschrijving van de bestaande toestand van het milieu en van de bestaande milieuproblemen; * bv. waar is de opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis, ...? Verzoekende partij heeft belang bij dit middel o.a. omdat uit de opmaak van een plan-Mer onder meer de zoektocht dient te gebeuren naar de alternatieven, die er redelijkerwijze zijn: in 2004 kocht NV Verstraete 3 of 4 ha in een industriegebied te Maldegem; er zijn nog tal van bedrijfsruimten op de inventaris van leegstaande gebouwen, enz. Zie trouwens haar bezwaarschrift punt 7 ingediend bij de Vlacoro: ‘Het bedrijf is sinds enkele jaren ook gevestigd op het industrieterrein van Maldegem op een bedrijfsruimte van 12.000 m². Bovendien mikt het bedrijf op een jaarlijkse groei van ongeveer 5 %. Dat betekent dat de ruimte in Maldegem goed is voor 20 jaar. Het bedrijf groeide uit van een kleine onderneming naar een fabriekscomplex met Europese allure. Omwille van de schaalgrootte en de aard van de activiteit hoort het bedrijf niet thuis in een ambachtelijke zone, maar wel op een economisch knooppunt zoals een regionaal bedrijventerrein.’ Er zijn milieuvriendelijkere oplossingen, dan het behoud van een bedrijf in een natuurkerngebied, het waardevolste boscomplex van Oost-Vlaanderen, minstens verdienen deze alternatieven een onderzoek. 3. Er is geen enkele motivering waarom er geen Plan-Mer werd opgemaakt (schending van de materiële motiveringsverplichting). 4. De motiveringsverplichting alsook art. 6 van de habitatrichtlijn zijn geschonden omdat in het BVLR 8.12.06 nergens sprake is van de habitatrichtlijn, noch van het betreffend uitvoeringsbesluit BVLR 24 mei 2002, noch van de vereiste passende beoordeling, noch van de verplichting art. 6.3 habitatrichtlijn, … Wel is er een zekere beoordeling m.b.t. het VEN. Het VEN staat niet gelijk met de SBZ habitatrichtlijn. In het stedenbouwkundig voorschrift art. 1.1 of in art. 1.2 (‘Buffer’) is evenmin sprake van deze beoordeling. Art. 1.2 bepaalt enkel: ‘De bestaande landschappelijke groene inpassing met streekeigen struiken en hoogstammige bomen dient in oppervlakteomvang, zijnde 50 % van het bedrijfsperceel, behouden en onderhouden te worden op dusdanige wijze dat de natuurlijke kwaliteit van de omgeving kan ondersteund worden. Enkel werken en handelingen in functie van het onderhoud en aanleg van het groen en het plaatsen van afsluitingen zijn toegelaten.’ X-13.206-14/22 Hetgeen zeer vaag en overigens deels onjuist is, bv. er is geen ‘bestaande’ landschappelijke groene inpassing. 5. Voormelde wordt niet weerlegd door de zgz. ‘passende beoordeling’ ‘ten aanzien van als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden’ in de toelichtingsnota. Dit is vooreerst een niet normatief deel van het RUP zodat de vraag rijst hoe eventuele maatregelen daarin voorgesteld, en dus niet vertaald (naar maatregelen, acties, desgevallend compensatie ...) in een normatief voorschrift van het RUP. Bovendien is deze zgz. passende beoordeling vooral ook louter beschrijvend en bevat zij onjuiste en onvolledige redengeving. * Zo bv. wordt gezegd welke soort vegetaties en soorten in het Natura 2000 gebied voorkomen (…) en wordt specifiek ivm de kamsalamander weliswaar gesteld: ‘Het gebied is tevens aangeduid omwille van de kamsalamander. Deze soort komt hier ook effectief voor met name ten zuiden van de Urselsesteenweg, dicht bij de Ganzenkleit. De kamsalamander is kwetsbaar voor vervuiling, verdroging en verdwijnen van een geschikt habitat die hij vindt in grote vegetatierijke poelen.’ Verder niets over wat de impact kan zijn van de bestemming en het bijhorend verordenend voorschrift op de waterhuishouding, het biotoop ,... van deze amfibiesoort. Evenmin wordt iets gezegd over de impact van het RUP op het habitat 9190 Oude zuurminnende bossen met quercus robur op zandvlakten: nabijheid ? mogelijkheid tot herstel (zie BWK met Qs type eikenbos), mogelijke invloed van overloop waterzuivering op grondwater en oppervlaktewater, wat de zuurtegraad van grondwater kan aantasten (eiken hebben eerder zure grond nodig), enz. * Enkele zinnen zouden als een beoordeling kunnen beschouwd worden nl. waar gesteld wordt dat door de herbestemming de bestaande toestand van het bedrijf en de bedrijfsactiviteiten bestendigd wordt. Dat het bedrijf de nodige milieuvergunningen heeft met o.a. voorwaarden voor waterzuivering ‘zodat de waterhuishouding in de omgeving niet wordt beïnvloed.’ Kritiek. de milieuvergunningen zijn allemaal onwettig afgeleverd want strijdig met de gewestplanbestemming, en steunend op onwettige BPA’s (art. 159 Gw); : de waterhuishouding heeft ook een kwantitatief aspect: bv. wat met het hemelwaterafvoer; : een accident van mei 2005 en eerdere veroordelingen/PV’s (…) tonen aan dat er spijts de milieuvergunningen reeds meermaals ernstige watervervuiling werd vastgesteld; En dan een algemene afsluiter: ‘In acht genomen de milieuvereisten van het vergunningenbeleid, worden er geen betekenisvolle effecten op bodem, oppervlakte- en grondwaterkwaliteit- en kwantiteit, noch inzake geluidshinder en rustverstoring verwacht’. en om te besluiten : ‘... van de herbestemming in voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan worden geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale X-13.206-15/22 beschermingszone Bossen en heiden van zandig Vlaanderen oostelijk deel verwacht.’ (…) Kritiek: er wordt niet eens gesteld dat er ‘geen’ aantasting is van de natuurlijke kenmerken, wat vereist is volgens art. 6.3 van de habitatrichtlijn. Het uitgangspunt is ook verkeerd. Men gaat nl. enkel na of er een betekenisvolle aantasting mogelijk is ten aanzien van wat bijkomend mogelijk wordt gemaakt ten aanzien van de situatie bij het instellen van de SBZ en besluit gewoonweg dat de wijzigingen miniem zijn en er dus geen probleem is. Men moet echter steeds concreet nagaan of de huidige situatie reeds niet dergelijke betekenisvolle aantasting met zich brengt, en dat dan combineren met wat bijkomend mogelijk gemaakt wordt. Dit kon nagegaan worden nu er reeds talrijke PV’s zijn opgemaakt voor inbreuken op de milieuregelgeving. Bovendien genereert het bedrijf heel wat verkeer (personeel, leveranciers, afnemers,...). Het is dus geen evident uitgangspunt dat er geen verstoring zou zijn voor de beschermde diersoorten. Bovendien wordt in de interpretatiegids van de Europese Commissie bij artikel 6 HRL op blz. 21 duidelijk gesteld dat indien een bestaande activiteit in een SBZ reeds verstoring van soorten waarvoor het gebied is aangewezen, met zich meebrengt, of afbreuk doet aan natuurlijke habitats, er maatregelen moeten genomen worden. Van belang hierbij is de vaststelling dat art. 2 HRL als maatregel ook een herstel mogelijk maakt. I.c. is dit zeker relevant omdat volgens de toelichtingsnota de kamsalamander reeds zou verdwenen zijn uit de directe omgeving van het RUP (want de locatie van deze populatie zou zich nu reeds aan de overkant van de Urselsesteenweg bevinden). Dit betekent dat in de directe omgeving met nochtans poelen en grachten het biotoop significant beschadigd is en dus niet in een gunstige staat van instandhouding. Besluit: hoewel er een passende beoordeling was vereist, is deze niet gebeurd, minstens niet afdoende en niet concreet genoeg. 6. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij de concrete invulling van de natuur- en habitattoets is uiteraard de inbreng van het agentschap Bos en Natuur (afdeling natuur) van belang, doch daarvan is in het dossier geen spoor, zelfs geen verwijzing. Ook het Instituut voor Natuurbehoud staat ten dienste van de Vlaamse Overheid, maar werd blijkbaar niet geconsulteerd. Zelfs blijkt er geen overleg geweest te zijn met de Minister bevoegd voor het leefmilieu en het natuurbehoud, de heer Kris Peeters. Aldus kan onmogelijk gesproken worden van een zorgvuldige en deskundige voorbereiding van dit RUP wat de natuuraspecten betreft in relatie tot de SBZ habitatrichtlijn. 7. De vereiste inspraakmogelijkheid, kwalitatief afhankelijk van o.a. degelijke milieuinformatie die tijdens het openbaar onderzoek diende aangereikt te worden was dan ook gebrekkig (geen MER, geen passende beoordeling). X-13.206-16/22 8. Het besluit is dan ook behept met miskenning van substantiële vereisten qua samenstelling en voorbereiding van dit RUP, alsook wat de vereiste motivering in feite en in rechte betreft”. Beoordeling 20. In het eerste middelonderdeel wordt de schending aangevoerd van de plicht tot het opmaken van een plan-milieueffectenrapport (hierna: plan- MER), opgelegd door artikel 3 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna: SEA-richtlijn). De verzoekende partij stelt dat de SEA-richtlijn “voldoende duidelijk en precies (
  5. is)om directe werking te hebben” en dat er “geen enkele motivering” blijkt te zijn waarom bij het aannemen van het bestreden plan geen plan-MER werd opgemaakt. Aangezien die uiteenzetting voldoende duidelijk is, kan de door de verwerende partij en de tussenkomende partij aangevoerde exceptio obscuri libelli niet worden aangenomen. Er dient te worden vastgesteld dat deze partijen er, zij het in ondergeschikte orde, in geslaagd zijn het middelonderdeel te beantwoorden. Hieruit blijkt dat deze partijen niet werden geschaad in hun rechten van verweer. 21. Artikel 3 SEA-richtlijn luidt als volgt: “1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
  6. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  7. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling X-13.206-17/22 alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. (...) 5. De lidstaten stellen vast, door een onderzoek per geval of door specificatie van soorten plannen en programma’s, of door combinatie van beide werkwijzen, of de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen of programma’s aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Hierbij houden zij voor alle gevallen rekening met de relevante criteria van bijlage II, om ervoor te zorgen dat plannen en programma’s met mogelijke aanzienlijke milieueffecten door deze richtlijn zijn gedekt. (...) 7. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 5 bedoelde vaststellingen, inbegrepen de redenen waarom geen milieubeoordeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 wordt verlangd, voor het publiek beschikbaar worden gesteld”. Artikel 13,1 SEA-richtlijn luidt als volgt: “De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen”. 22. Overeenkomstig artikel 13 SEA-richtlijn diende deze richtlijn aldus uiterlijk op 21 juli 2004 in de interne rechtsorde te zijn omgezet. Door middel van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, werd de SEA- richtlijn gedeeltelijk in de Belgische interne rechtsorde omgezet. Artikel 4.2.1 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt: “Voorgenomen plannen en programma’s worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. Artikel 4.2.2, §§ 1 tot 3 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt: “§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en X-13.206-18/22 programma’s aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. § 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma’s dan die vermeld in §§ 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffect-rapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. § 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma’s aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft”. Er werd door de Vlaamse regering geen uitvoeringsbesluit uitgevaardigd met betrekking tot het toepassingsgebied van de plannen en programma’s die in de Vlaamse regelgeving in aanmerking kunnen komen voor het uitvoeren van de planmilieueffectenrapportage, zodat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de omzetting van de SEA-richtlijn onvolledig was en de relevante bepalingen van het DABM aldus nog niet operationeel waren. Nu blijkt dat de SEA-richtlijn onvolledig in het interne recht is omgezet, dient vooreerst nagegaan te worden of de verzoekende partij wel degelijk de schending van artikel 3,2 SEA-richtlijn voor de Raad van State kan inroepen. Bijgevolg dient te worden onderzocht of artikel 3,2 SEA-richtlijn al dan niet directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. In beginsel hebben richtlijnen geen directe werking. Een richtlijn heeft wel directe werking in de Belgische rechtsorde wanneer de omzettingstermijn voor de betrokken richtlijn is verstreken en indien de richtlijn duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken. Er bestaat geen betwisting over dat de omzettingstermijn voor de SEA-richtlijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was verstreken. De plicht die artikel 3,2 SEA-richtlijn aan de lidstaten oplegt om (
  8. a)plannen die aanleiding geven tot MER-plichtige projecten en (
  9. b)plannen waarvoor een beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 6 of 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de habitatrichtlijn) te X-13.206-19/22 onderwerpen aan een milieubeoordeling, is voldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen aannemen dat deze bepaling directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. Hieruit volgt dat niet kan worden ingestemd met de stelling van de verwerende partij als zou de aangehaalde richtlijnbepaling “niet relevant (zijn) nu de betrokken richtlijn is omgezet in het nationale recht”. 23. Artikel 6,3 van de habitatrichtlijn legt de verplichting op een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een habitatrichtlijngebied te onderwerpen aan een passende beoordeling. Deze bepaling is in de Belgische interne rechtsorde omgezet door artikel 36ter, § 3, eerste lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: decreet natuurbehoud), waarin is bepaald dat een plan dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient te worden onderworpen aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. 24. Er bestaat geen betwisting over dat, gelet op het mogelijk effect op het aanpalende habitatrichtlijngebied, voor het betrokken plan een passende beoordeling vereist is in de zin van artikel 36ter, § 3, eerste lid van het decreet natuurbehoud. Zoals vermeld bepaalt artikel 3,2,b SEA-richtlijn dat een plan waarvoor een beoordeling vereist is uit hoofde van de habitatrichtlijn onderworpen wordt aan een milieubeoordeling van de SEA-richtlijn. In het licht van die bepaling was er derhalve bij het nemen van het bestreden besluit, zoals de verzoekende partij voorhoudt, geen rechtvaardiging waarom er geen plan-MER werd opgemaakt. 25. De tussenkomende partij stelt dat “gelet op het feit dat het bestreden besluit louter en alleen de planologische bevestiging vormt van een bestaande vergunde toestand” niet kan worden betoogd dat het plan zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten “hetgeen conform art. 3, lid 1 van de plan-MER- Richtlijn nochtans een eerste en noodzakelijke voorwaarde vormt voor het vaststellen van een plan-MER-plicht”. Daargelaten de vraag of, zoals de tussenkomende partij voorhoudt, het kunnen leiden tot aanzienlijke X-13.206-20/22 milieueffecten een bijkomende voorwaarde is opdat voor een in artikel 3,2,b SEA-richtlijn bedoeld plan een plan-MER-plicht zou gelden, kan de redenering van de tussenkomende partij hoe dan ook niet worden aangenomen. Er moet immers worden vastgesteld dat haar uitgangspunt aangaande de beperkte draagwijdte van het bestreden plan onjuist is, al was het maar omdat het plan na het stopzetten van de huidige bedrijfsactiviteiten voorziet in een economische nabestemming en het plan het opnemen van een deel van het bedrijventerrein in het Vlaams Ecologisch Netwerk opheft. Wat betreft de mogelijke milieueffecten van het plan blijkt overigens dat ook de tussenkomende partij erkent dat het plan onderworpen is aan artikel 36ter, § 3, eerste lid van het decreet natuurbehoud en dus, gelet op het toepassingsgebied van die bepaling, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. 26. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 8 december 2006 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Historisch gegroeid bedrijf NV Drukkerij Verstraete te Knesselare”. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.206-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.206-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.