id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.922 Rolnummer: A. 197946/XII-6380 Zaak: Arrest 208922 - Overheidsopdrachten - 10/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:24 Fiche Arrest nr 208.922 van 10 november 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 208.922 van 10 november 2010 in de zaak A. 197.946/XII-6380 In zake: de BVBA GROND- EN KRAANWERKEN MARTENS ANDRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jacky d’Hoest en Elke Casteleyn kantoor houdend te Assebroek-Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLDER VAN BELHAM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 oktober 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- de beslissing van de Polder Van Belham van ongekende datum waarbij de kandidatuur van verzoekende partij voor deelname aan de beperkte aanbesteding voor het uitvoeren van onderhoudswerken aan onbevaarbare waterlopen van de 2de en 3de categorie, niet hergeklasseerde- en polderwaterwegen in de sector van de polder van Belham niet werd weerhouden; - de beslissing van de Polder van Belham van ongekende datum tot gunning van de opdracht bij beperkte aanbesteding voor het uitvoeren van onderhoudswerken aan onbevaarbare waterlopen van de 2de en 3de categorie, niet hergeklasseerde- en XII-6380- 1/14 polderwaterwegen in de sector van de polder van Belham aan een onbekende inschrijver”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elke Casteleyn, die verschijnt voor verzoekende partij, en advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Polder van Belham schrijft een overheidsopdracht van werken uit, onder de vorm van een beperkte aanbesteding, voor het uitvoeren van gewone onderhoudswerken aan waterlopen binnen de omschrijving van de polder van Belham. De opdracht omvat volgens de aankondiging in hoofdzaak het uitvoeren van maai-, ruimings- en oeverversterkingswerken voor een periode van 1 november 2010 tot en met 30 september
- De waarde van de opdracht wordt geraamd op 1.474.717,75 euro, btw inbegrepen. XII-6380- 2/14 3.
- De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 3 september
- De aanvragen tot deelneming dienen te worden ingediend uiterlijk 17 september
- 3.
- Zes kandidaten dienen tijdig een aanvraag tot deelneming in, waaronder verzoekende partij. 3.
- In een beslissing van 21 september 2010 overweegt de Polder van Belham in de eerste plaats dat maximaal zes kandidaten worden geselecteerd. Vervolgens beslist de Polder van Belham om drie van de zes kandidaten niet te selecteren. Verzoekende partij wordt niet geselecteerd omdat zij niet beschikt over een ISO-certificaat, noch over een VCA-attest dat betrekking heeft op werken in waterlopen. Dit is de eerste bestreden beslissing. Tevens wordt beslist om de ondernemingen bvba A. Audenaert uit Laarne, nv Carpentier uit Lokeren en bvba Cocquyt uit Beervelde te selecteren als kandidaten voor het indienen van een offerte “aangezien zij het best voldoen aan de vooropgestelde criteria”. 3.
- Met een schrijven gedateerd op 21 september 2010, doch pas verzonden op 29 september 2010, deelt verwerende partij mee aan verzoekende partij dat zij niet werd geselecteerd “omdat hij niet beschikt over een ISO-certificaat, noch over een VCA-attest dat betrekking heeft op werken in waterlopen”. 3.
- De gunningsprocedure wordt ondertussen voortgezet. De opdracht is onderworpen aan de bepalingen van het bestek met referentienummer II/III/IV/1110/2010-
- 3.
- Uit het proces-verbaal van de opening van de offertes op 7 oktober 2010 blijkt dat de drie geselecteerde inschrijvers ook effectief een offerte hebben ingediend. XII-6380- 3/14 3.
- Op 7 oktober 2010 vraagt de raadsman van verzoekende partij hem om de beslissing van 21 september 2010 te bezorgen en om mee te delen of de opdracht inmiddels werd gegund. 3.
- Op 11 oktober 2010 beslist de Polder van Belham om de opdracht te gunnen aan de bvba A. Audenaert uit Laarne als laagste regelmatige inschrijver voor het bedrag van 1.532.519,45 euro, btw inbegrepen. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Op 12 oktober 2010 antwoordt verwerende partij op de voormelde vraag van de raadsman van verzoekende partij van 7 oktober
- Meegedeeld wordt dat het polderbestuur reeds een gunningsbeslissing heeft genomen die ter nazicht en goedkeuring aan de hogere overheid werd bezorgd. Verwerende partij wijst er tevens op dat de beslissing nog niet “bekrachtigd” werd door de hogere overheid en dat zolang er geen goedkeuring is van de hogere overheid er ook geen contract is. Tevens deelt zij mee dat zodra men zal beschikken over de goedkeuring, de gevraagde gegevens zullen worden overgemaakt aan verzoekende partij. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- Verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de bestreden beslissingen onderworpen zijn aan een bijzonder administratief toezicht op grond van artikel 85 van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, meer bepaald de goedkeuring door de provinciegouverneur en deze beslissingen aldus bij gebreke aan goedkeuring door de provincie- gouverneur, nog niet uitvoerbaar zijn. 4.
- Artikel 85 van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, luidt als volgt: “Het bestuur van de polder kiest de wijze waarop de opdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten worden gegund en stelt de voorwaarden vast; het stelt de procedure in en gunt de opdracht. XII-6380- 4/14 Behoudens in de spoedeisende gevallen bedoeld in artikel 83, wordt het besluit tot gunning van de opdracht onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur. De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend bij ontstentenis van betekening van een andersluidende beslissing binnen veertig dagen nadat het besluit op het provinciaal gouvernement is ingekomen”. 4.
- Op het eerste gezicht dient te worden vastgesteld dat voormelde bepaling uitsluitend in een goedkeuringstoezicht voorziet wat de gunnings- beslissing betreft en dus niet wat betreft de te dezen daaraan voorafgaande selectiebeslissing. De laatstgenoemde beslissing lijkt echter wel definitieve rechtsgevolgen te hebben aangezien ze verzoekende partij elke mogelijkheid tot deelname aan de opdracht en zodoende op toewijzing ontneemt en wat haar betreft dan ook onmiddellijk grievend is. Dat die selectiebeslissing, ongeacht het goedkeuringstoezicht ten aanzien van de gunningsbeslissing, te dezen wel degelijk al uitgevoerd is, blijkt uit het feit dat verzoekende partij niet werd uitgenodigd om een offerte in te dienen en dat inmiddels reeds een gunningsbeslissing werd genomen. Voorts heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het arrest nv Amec Spie Belgium, nr. 152.174 van 2 december 2005, reeds geoordeeld dat een beslissing inzake niet-selectie afzonderlijk kan worden aangevochten. Het beroep tegen de beslissing inzake niet-selectie is dan ook ontvankelijk. 4.
- Het beroep tegen de gunningsbeslissing daarentegen is krachtens het aangehaalde artikel 85 van de wet van 3 juni 1957 een aan goedkeuring onderworpen beslissing. Aan goedkeuring onderworpen beslissingen kunnen in beginsel slechts worden aangevochten na de goedkeuring ervan. Wanneer de goedkeuring in de loop van het geding wordt verleend, wordt het beroep tegen een aan goedkeuring onderworpen beslissing alsnog ontvankelijk. Dit blijkt echter thans nog niet het geval te zijn. XII-6380- 5/14 Het beroep tegen de gunningsbeslissing is op dit ogenblik dan ook niet ontvankelijk, zodat de exceptie in zoverre wordt aanvaard. Hierna wordt dienvolgens enkel nog de eerste bestreden beslissing onderzocht. V. De schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, '' 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- De aankondiging van de kwestieuze opdracht werd echter bekend gemaakt na 24 februari
- Dienvolgens is de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten te dezen van toepassing. De voornoemde wet van 23 december 2009 is immers in werking getreden op 25 februari 2010 krachtens artikel 76 van het koninklijk besluit van 10 februari 2010 tot wijziging van bepaalde koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Overeenkomstig artikel 7 van de voornoemde wet van 23 december 2009 bepaalt de Koning de datum van haar inwerkingtreding en zijn enkel overheidsopdrachten die zijn bekendgemaakt vanaf die datum, zoals de in het geding zijnde opdracht, onderworpen aan de nieuwe wet. Volgens het in de wet 24 december 1993, nieuw ingevoegde artikel 65/15, eerste lid, is aldus voor de schorsing van de thans bestreden beslissing het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet vereist. XII-6380- 6/14 Anderzijds verplicht artikel 65/15, tweede lid, verzoekende partij tot het instellen van de vordering tot schorsing volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Artikel 65/31 van de wet van 24 december 1993 bepaalt uitdrukkelijk dat voormeld artikel 65/15 ook van toepassing is op opdrachten die zoals te dezen de Europese drempel niet bereiken. Er dient dan ook enkel nog te worden onderzocht of ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is genomen uit de “schending van artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996, artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”. Verzoekende partij wijst erop dat voormeld artikel 19 op limitatieve wijze een opsomming geeft van de referenties die door de aanbestedende overheid kunnen worden geëist om de technische bekwaamheid te bewijzen. Bovendien stelt deze bepaling duidelijk dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van de opdracht of de uitnodiging tot indienen van een offerte dient aan te geven, welke van de referenties opgenomen in artikel 19 zij verlangt. Verzoekende partij betoogt dat haar offerte niet werd geselecteerd aangezien zij niet over een ISO-certificaat of een VCA-attest beschikt. De aankondiging verwijst echter enkel bij de objectieve criteria voor de selectie van het beperkt aantal gegadigden tussen haakjes naar “ISO-certificatie, VCA-attest ed”. Indien de aanbestedende overheid werkelijk enkel en alleen een ISO-certificaat of een VCA-attest aanvaardt, had zij dit volgens verzoekende partij XII-6380- 7/14 overeenkomstig artikel 19, vierde lid, van voormeld koninklijk besluit in de aankondiging met zoveel woorden moeten stellen. Door dergelijke wijziging van standpunt heeft verwerende partij volgens verzoekende partij niet alleen artikel 19, vierde lid, van voormeld koninklijk besluit geschonden, doch tevens het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij het voorbereiden van de beslissing inzake niet-selectie werd immers onvoldoende rekening gehouden met het bepaalde in de aankondiging. Door in het kader van de beoordeling van de kandidatuur van verzoekende partij aan de aankondiging een andere en veel strengere draagwijdte te geven door het enkel aanvaarden van een ISO-certificaat of VCA-attest, heeft verwerende partij volgens verzoekende partij ook het vertrouwensbeginsel geschonden. Verzoekende partij doet gelden dat, had zij geweten dat verwerende partij in het kader van de kwalitatieve selectie uitsluitend een ISO-certificaat of VCA-attest zou aanvaarden, zij zich nooit kandidaat had gesteld voor de opdracht en er tijd noch moeite in had gestoken. Op grond van de ruime formulering in de aankondiging meende verzoekende partij dat zij wel in aanmerking kon komen en heeft zij bij haar offerte wat het aspect veiligheid betreft een attest gevoegd van haar verzekeringsmaatschappij waarin wordt verklaard dat er geen arbeidsongevallen werden gemeld sinds 2006 en wat het aspect kwaliteit betreft tal van getuigschriften van goede uitvoering. Ook de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zouden zijn geschonden omdat uit het schrijven van 21 september 2010 geenszins blijkt waarom de aanbestedende overheid van oordeel is dat de aankondiging aldus zou moeten worden begrepen dat enkel een ISO-certificaat of VCA-attest kan worden aanvaard. Deze enge interpretatie wordt volgens verzoekende partij op geen enkele wijze gemotiveerd. Zij wijst erop dat verwerende partij bovendien vooralsnog geweigerd heeft om haar de beslissing tot niet-selectie zelf over te maken en het voor haar dus onmogelijk is om eventuele motieven te achterhalen. Evenmin wordt gemotiveerd waarom de door verzoekende partij toegevoegde stukken niet zouden volstaan. XII-6380- 8/14 Beoordeling
- Artikel 19, eerste lid van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, bevat regels in verband met de kwalitatieve selectie voor overheidsopdrachten voor aanneming van werken, en luidt: “Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de technische bekwaamheid van de aannemer aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties: 1° door studie- en beroepskwalificaties van de aannemer en/of van het ondernemingskader en, in het bijzonder, van de verantwoordelijke(n) voor de leiding van de werken; 2° door de lijst van de werken uitgevoerd tijdens de laatste vijf jaar, en gestaafd door getuigschriften van goede uitvoering voor de belangrijkste werken. Deze getuigschriften bevatten het bedrag, het tijdstip en de plaats van uitvoering van de werken en geven duidelijk weer of deze uitgevoerd werden volgens de regels van de kunst en of ze op regelmatige wijze tot een goed einde werden gebracht. In voorkomend geval zullen deze getuigschriften door de bevoegde overheid rechtstreeks aan de aanbestedende overheid toegezonden worden; 3° door een verklaring die de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de aannemer zal beschikken voor de uitvoering van het werk; 4° door een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbeztting van de onderneming en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaren; 5° door een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de onderneming, ter beschikking zullen staan van de aannemer voor de uitvoering van het werk”.
- Artikel 19, vierde lid, van het voormeld koninklijk besluit bepaalt: “De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan, welke van deze referenties zij verlangt”. XII-6380- 9/14
- In een “Afdeling III – Juridische, economische, financiële en technische inlichtingen” bevat de aankondiging te dezen de volgende bepalingen: “III.2) Voorwaarden voor deelneming. III.2.1) Persoonlijke situatie van ondernemers, waaronder de vereisten in verband met de inschrijving in het beroeps- of handelsregister. Inlichtingen en formaliteiten om na te gaan of aan de vereisten is voldaan: Geldig RSZ-attest voor te leggen III.2.3) Vakbekwaamheid: Inlichtingen en formaliteiten om na te gaan of aan de vereisten is voldaan: categorie B klasse 4 III.2.4) Voorbehouden opdrachten: neen. […]”. In een “Afdeling IV. Procedure” stelt de aankondiging: “IV.1) Type procedure. IV.1.1) Type procedure: Beperkt. IV.1.2) Beperkingen op het aantal ondernemingen dat verzocht wordt in te schrijven of deel te nemen: Beoogd aantal ondernemingen: minimum 5, maximum:
- Objectieve criteria voor de selectie van het beperkt aantal gegadigden: Documenten die aantonen dat de kwaliteit en de veiligheid van de uitvoering gewaarborgd zijn (ISO-certificatie, VCA-attest, ed.). Bewijs van registratie in klasse 00, 01 of
- Bewijs van erkenning in categorie B klasse
- Referenties i.v.m. vergelijkbare werken waarbij ondermeer de referenties die betrekking hebben op milieuvriendelijk oeverbeheer afzonderlijk worden gespecifieerd. Geldig RSZ-attest”.
- Aangenomen dat het aangehaalde artikel 19 niet enkel toepasselijk is op het al dan niet voldoen aan de kwalitatieve selectievoorwaarden maar ook op de te dezen aan de orde zijnde beslissing van niet-selectie ingeval van beperking van het aantal geselecteerde kandidaten op grond van een rangschikking, hetgeen mag blijken uit bijlage B bij het betrokken besluit (IV.1.2 vermeldt: “Objectieve criteria voor de selectie van het beperkt aantal XII-6380- 10/14 gegadigden:…”, rijst te dezen de vraag of de aankondiging voldeed aan het vierde lid van artikel
- In de aankondiging zijn een aantal gegevens vermeld als de voormelde objectieve criteria. Verzoekende partij betwist zulks niet. De bepaling zelf van artikel 19 lijkt dus niet geschonden
- Blijft de kritiek van verzoekende partij, dat bij de concrete beslissing om een beperkt aantal gegadigden te selecteren en verzoekende partij niet, onvoldoende rekening werd gehouden met het bepaalde in de aankondiging. In de aankondiging werd gevraagd: “Documenten die aantonen dat de kwaliteit en de veiligheid van de uitvoering gewaarborgd zijn (ISO-certificatie, VCA-attest, ed.)”. Verzoekende partij betwist niet dat zij over geen ISO of VCA-attesten beschikt en beweert evenmin dat zij deze aan haar offerte heeft toegevoegd. Zij verwijst wel inzake veiligheid naar een bijgevoegd attest van haar verzekeringsmaatschappij waarin wordt verklaard dat er sinds 2006 geen arbeidsongevallen werden gemeld en inzake kwaliteit naar bij de offerte gevoegde attesten van goede uitvoering. In de beslissing van niet-selectie van verzoekende partij wordt gesteld: “Overwegende dat de firma André Martens BVBA uit Jabbeke niet wordt geselecteerd, omdat hij niet beschikt over een ISO-certificaat, noch over een VCA-attest dat betrekking heeft op werken in waterlopen”. In de aankondiging werd er wezenlijk vanuit gegaan dat de selectie van het beperkte aantal gegadigden zou gebeuren aan de hand van documenten die aantonen dat de “kwaliteit en de veiligheid” van de uitvoering gewaarborgd zijn. Tussen haakjes wordt dan melding gemaakt van ISO en VCA. Deze specifieke vermeldingen hadden verzoekende partij er alert moeten op maken dat een hoog niveau van kwaliteit en veiligheid werd gevraagd, en zulks XII-6380- 11/14 geattesteerd werd door de voormelde certificaten. De toevoeging “ed.” lijkt vanuit deze optiek te moeten worden begrepen als betrekking hebbende op werkelijk gelijkaardige attesten. De documenten die verzoekende partij aan haar offerte toevoegde, lijken reeds op het eerste gezicht bezwaarlijk te kunnen worden gelijkgesteld met ISO- of VCA-attesten. Aldus lijkt verwerende partij de aankondiging ten opzichte van verzoekende partij misschien streng, maar daarom nog niet onzorgvuldig te hebben toegepast door zich te beperken tot een toets van het al dan niet voorhanden zijn van ISO- of VCA-certificatie. Verzoekende partij lijkt overigens de enige inschrijver die over geen van beide beschikte. De betrokken beslissing lijkt aldus ook geen nadere formele motivering te behoeven. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekende partij de schending aan van “artikel 65/29 juncto 65/7, § 1 van de wet van 24 december 1993, artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Door haar weigering om de beslissing inzake niet-selectie aan verzoekende partij te bezorgen, zou verwerende partij hebben gehandeld in strijd met artikel 65/7 van de voormelde wet van 24 december 1993, dat bepaalt dat de aanbestedende instantie onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde selectiebeslissing aan elke niet-geselecteerde kandidaat de motieven voor zijn niet-selectie dient mee te delen in de vorm van een uittreksel van deze beslissing. Aangezien er te dezen bovendien reeds een gunningsbeslissing genomen werd, zou verwerende partij ook hebben gehandeld in strijd met artikel 65/7, § 1, tweede lid, dat bepaalt dat de uitnodiging tot het indienen van een offerte niet aan de geselecteerde kandidaten mag worden gericht vóór de XII-6380- 12/14 verzending van de informatie vermeld in het eerste lid. Meer nog, in het bericht van 12 oktober 2010 van verwerende partij wordt zelfs uitdrukkelijk gesteld dat verzoekende partij de gevraagde informatie waaronder de beslissing tot niet-selectie pas zal verkrijgen zodra het polderbestuur beschikt over de goedkeuring van de door haar genomen gunningsbeslissing. Aldus blijkt volgens verzoekende partij dat verwerende partij enkele essentiële procedurele stappen die een aanbestedende instantie dient te volgen in het kader van een beperkte gunningsprocedure grofweg met de voeten is getreden. Een gunningsbeslissing die uit dergelijke procedure voortkomt, kan volgens haar dan ook onmogelijk rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Beoordeling
- Artikel 65/7, § 1 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten luidt: “Wanneer de procedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat, deelt de aanbestedende instantie, onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde selectiebeslissing, aan elke niet-geselecteerde kandidaat mee: 1° de motieven voor zijn niet-selectie, in de vorm van een uittreksel van deze beslissing; 2° ingeval van een beperking van het aantal geselecteerde kandidaten op basis van een rangschikking, de gemotiveerde selectiebeslissing. De uitnodiging tot het indienen van een offerte mag niet aan de geselecteerde kandidaten worden gericht vóór de verzending van deze informatie”. Overeenkomstig artikel 65/29, eerste lid, van de voormelde wet geldt voormelde bepaling eveneens voor opdrachten beneden de Europese drempel zoals de in het geding zijnde opdracht.
- De betrokken bepalingen hebben echter betrekking op het verloop van de procedure na de selectiebeslissing en lijken aldus niet van aard om XII-6380- 13/14 de selectiebeslissing zelf te kunnen aantasten, de enige beslissing die te dezen ontvankelijk is bestreden. Het tweede middel is dus niet ernstig. VII. Besluit
- Nu beide middelen niet ernstig werden bevonden dient de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6380- 14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.