← België

Arrest 208930 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 16/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.930 Rolnummer: A. 197047/IX-6872 Zaak: Arrest 208930 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 16/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:24 Fiche Arrest nr 208.930 van 16 november 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 208.930 van 16 november 2010 in de zaak A. 197.047/IX-6872 In zake: Remi Zeeuws wonend te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “- het besluit van 25 juni 2010 houdende de onbevoegdheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om te benoemen [...] - alsook de weigering om uitvoering te geven aan het arrest 160.268 door het niet verderzetten van de benoemingsprocedure die hernomen werd na het dwangsomarrest 187.959 [...] - alsook de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft geen nota ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-6872-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en advocaat Thomas Dreier, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is attaché (rang A1) bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
  6. Op 11 februari 2002 stelt hij bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zaak A.116.651/IX-3212). Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State het voormelde benoemingsbesluit. Het middel waarin de verzoeker onder meer aanvoert dat geen deugdelijke vergelijking van zijn titels en verdiensten met deze van Philippe Dehaut heeft plaatsgevonden, wordt gegrond bevonden. IX-6872-2/17 De Raad van State vernietigt bij hetzelfde arrest tevens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 juni 2004 waarbij Philippe Dehaut van rechtswege vanaf 1 juli 2004 in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau, wordt overgeheveld van de directie Onderzoek en Innovatie van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (IWOIB). 3.
  7. Op 1 juli 2002 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 houdende de benoeming van Philippe Dehaut tot bestuurssecretaris bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met ingang van 1 mei 1998 (zaak A. 123.249/IX-3411). Bij arrest nr. 187.958 van 17 november 2008 vernietigt de Raad van State ook dat benoemingsbesluit. Het middel waarin de verzoeker de schending aanvoert van artikel 39 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, doordat het benoemingsbesluit uitsluitend in de Franse taal is opgesteld, terwijl het ook in de Nederlandse taal had moeten zijn opgesteld, wordt gegrond bevonden. 3.
  8. Met een op 24 januari 2008 ter post aangetekend verzonden brief maant de verzoeker, met verwijzing naar artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan om de benoemingsprocedure van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie te hernemen en de bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen. 3.
  9. De staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor ambtenarenzaken, antwoordt met een brief van 26 februari 2008: IX-6872-3/17 “[…] De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is inderdaad nog niet overgegaan tot de vacantverklaring van de bovenvermelde betrekking waarvan de benoeming werd vernietigd en tot een herneming van de vernietigde beslissing, [omwille van] het feit dat de betrokken directie werd overgedragen naar het [Instituut ter Bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel] en de bevorderingsprocedure derhalve niet meer kan overgedaan worden binnen het Ministerie. […]” 3.
  10. Op 3 maart 2008 stelt de verzoeker bij de Raad van State een vordering in tot het opleggen van een dwangsom aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, omdat deze partij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni
  11. Bij arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 willigt de Raad van State deze vordering in. Aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een dwangsom opgelegd van 1500 euro voor elke dag dat het nalaat uitvoering te geven aan het genoemde vernietigingsarrest. De dwangsom zal worden verbeurd na verloop van één maand, te rekenen van de dag waarop het arrest waarbij de dwangsom wordt opgelegd, aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is betekend. 3.
  12. Op 19 december 2008 hervat de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de procedure die heeft geleid tot de vernietigde benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie. Op 14 januari 2009 onderzoekt de directieraad opnieuw de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten. Hij baseert zich daarvoor op de dossiers van de kandidaten zoals ze werden ingediend in
  13. Hij rangschikt Philippe Dehaut als eerste kandidaat, M.-H. Charles als tweede kandidaat en de verzoeker als derde kandidaat. De verzoeker wordt daarvan met een brief van 24 februari 2009 in kennis gesteld. IX-6872-4/17 3.
  14. Met een aangetekende brief van 28 februari 2009 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen de rangschikking van de kandidaten door de directieraad. Hij betoogt dat de directieraad geen rekening had mogen houden met de benoeming van Philippe Dehaut tot bestuurssecretaris bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 januari 2009, ook al werd aan dat besluit terugwerkende kracht verleend. Voorts laat hij gelden dat de directieraad niet antwoordt op zijn bezwaarschrift van 11 november 2001 en kritiek formuleert op zijn houding, terwijl dat in 2001 niet het geval was, zodat hij zich niet heeft kunnen aanpassen. Hij vraagt de “exacte feiten” waarop die kritiek is gesteund. Hij wijst er ook op dat hij sedert 2001 ervaring heeft opgedaan en inzicht heeft verworven in administratieve procedures. Hij vermeldt een reeks opleidingen die hij heeft gevolgd. Hij stelt ten slotte dat het voor hem onduidelijk blijft welke criteria door de directieraad werden gebruikt bij het opstellen van de rangschikking en hij vraagt om door de directieraad te worden gehoord. 3.
  15. Met een aangetekende brief van 1 maart 2009 maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan om “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten”. Hij stelt dat hij “het blijven stilzitten zal [...] interpreteren als een weigering om [hem] te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau”. Hij verwijst daarbij naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Met een brief van 7 april 2009 deelt de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan de verzoeker mee dat hij diens aanmaning overmaakt aan de bevoegde staatssecretaris. 3.
  16. Op 27 maart 2009 wordt de verzoeker door de directieraad gehoord. Na de opmerkingen en de bezwaren van de verzoeker te hebben onderzocht, besluit de directieraad met unanimiteit dat de verzoeker geen nieuwe gegevens aanbrengt die een wijziging van de opgestelde rangschikking rechtvaardigen. IX-6872-5/17 Met een brief van 29 april 2009 worden de notulen van de vergadering van de directieraad aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.
  17. Volgens de verwerende partij is het dossier op 29 april 2009 aan de bevoegde staatssecretaris overgemaakt voor het nemen van een beslissing over de kwestieuze bevordering tot eerste attaché. 3.
  18. Op 13 juli 2009 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing in van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel”. Hij leidt die beslissingen af uit het stilzitten van de verwerende partij gedurende vier maanden vanaf zijn aanmaning van 1 maart
  19. De verzoeker vordert terzelfder tijd het opleggen van een dwangsom aan de verwerende partij (zaak A. 193.362/IX-6441). Bij arrest nr. 197.684 van 10 november 2009 verwerpt de Raad van State de vorderingen tot schorsing en tot het opleggen van een dwangsom, omdat de aanmaning die de verzoeker op 1 maart 2009 naar de verwerende partij heeft gezonden, slechts in die zin kan worden begrepen dat de verwerende partij de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau, op een zodanige wijze moet afsluiten dat ze resulteert in de benoeming van de verzoeker, terwijl uit niets blijkt dat de verwerende partij verplicht zou zijn de verzoeker tot eerste attaché te benoemen. 3.
  20. Met een op 23 november 2009 ter post aangetekend verzonden brief maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opnieuw aan om “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten”. Hij verwijst andermaal naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Anders dan in IX-6872-6/17 zijn aanmaning van 1 maart 2009 vermeldt hij nu niet dat hij het stilzitten van de verwerende partij zal beschouwen als een weigering om hem te benoemen. Aangezien de verwerende partij ook op deze aanmaning niet reageert, stelt de verzoeker op 2 april 2010 bij de Raad van State andermaal een beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing in van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel” (zaak A. 196.123/IX-6767). Bij arrest nr. 207.320 van 13 september 2010 van de Raad van State wordt de vordering tot schorsing verworpen, omdat de verwerende partij inmiddels een uitdrukkelijke eindbeslissing heeft genomen over de bedoelde benoemingsprocedure (zie hierna randnummer 3.15), waardoor het voorwerp van de vordering is teloorgegaan. 3.
  21. Met een aangetekende brief van 15 april 2010 maant de verzoeker, met verwijzing naar artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het Openbaar Ambt, andermaal aan om de benoemingsprocedure van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie te hernemen en de bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen. Bij ontstentenis van enig antwoord, stelt de verzoeker op 3 juni 2010 een vordering in tot het opleggen van een dwangsom (zaak A. 196.705/IX-6835). Bij arrest nr. 207.321 van 13 september 2010 verwerpt de Raad van State ook deze vordering omdat de verwerende partij inmiddels een IX-6872-7/17 uitdrukkelijke eindbeslissing heeft genomen over de bedoelde benoemingsprocedure (zie hierna randnummer 3.15) en aldus, daargelaten of deze eindbeslissing wettig is, alleszins een beslissing heeft genomen met betrekking tot het rechtsherstel waartoe het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 haar verplicht. 3.
  22. Met een aangetekende brief van 25 juni 2010 deelt de genoemde staatssecretaris aan de verzoeker mede: “[…] Ingevolge de ordonnantie van 26 juni 2003 houdende oprichting van het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (in werking getreden op 1 januari 2004), werden de bevoegdheden van de Directie Onderzoek en Innovatie overgeheveld aan het IWOIB. De personeelsleden van de Directie Onderzoek en Innovatie werden van rechtswege overgeheveld naar het nieuwe Instituut. Sedert de inwerkingtreding van voormelde ordonnantie op 1 januari 2004 is de functie van eerste attaché, expert hoog niveau, dan ook gesitueerd binnen het IWOIB en heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen bevoegdheid meer om over te gaan tot voormelde benoeming. Middels onderhavig schrijven sluit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de benoemingsprocedure af en geeft het dan ook uitvoering aan het arrest nr. 160.268 van de Raad van State. […]” De verzoeker onderkent in deze brief het eerste voorwerp van zijn vordering. IV. Nadere precisering van het eerste voorwerp van de vordering
  23. De verzoeker omschrijft het eerste voorwerp van zijn vordering als “het besluit van 25 juni 2010 houdende de onbevoegdheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om te benoemen”. De verzoeker lijkt aldus de beslissing te bestrijden die door de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het Openbaar Ambt, werd genomen op 25 juni 2010, luidens dewelke het Brussels IX-6872-8/17 Hoofdstedelijk Gewest de benoemingsprocedure van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid zonder gevolg afsluit. V. Ontvankelijkheid van de vordering wat haar tweede en derde voorwerp betreft
  24. Het tweede voorwerp van de voorliggende vordering is “de weigering om uitvoering te geven aan het arrest 160.268 door het niet verderzetten van de benoemingsprocedure die hernomen werd na het dwangsomarrest 187.959”. Zoals de Raad van State heeft overwogen in zijn arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 over verzoekers vordering tot het opleggen van een dwangsom wegens de niet-uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, heeft de bevoegde overheid na een vernietigingsarrest en ter verwezenlijking van het rechtsherstel de mogelijkheid, niet alleen om de procedure te hernemen vanaf het ogenblik waarop de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, maar ook, althans indien zij daarvoor wettige redenen heeft, om de benoemingsprocedure van meet af aan te hernemen of zelfs ervan af te zien. Te dezen heeft de verwerende partij klaarblijkelijk geoordeeld dat er reden is om van de benoemingsprocedure af te zien. Daargelaten of de aangevoerde reden daartoe wettig is, moet hoe dan ook worden besloten dat dit oordeel van de verwerende partij, dat zijn neerslag heeft gevonden in de beslissing die het eerste voorwerp uitmaakt van de voorliggende vordering, op het eerste gezicht niet tevens de weigering inhoudt om uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State. Integendeel heeft de verwerende partij aldus gehandeld volgens één van de voormelde mogelijke wijzen waarop het rechtsherstel na het genoemde vernietigingsarrest gestalte kan krijgen. IX-6872-9/17 De weigeringsbeslissing die het tweede voorwerp van de voorliggende vordering uitmaakt, lijkt dienvolgens niet te bestaan, zodat ambtshalve wordt besloten dat de vordering niet ontvankelijk is voor zover ze tegen die beslissing is gericht.
  25. Het derde voorwerp van de voorliggende vordering is de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau. Een dergelijke beslissing kan in beginsel slechts ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing worden bestreden indien het bestuur verplicht is te beschikken in de zin zoals aangegeven door de verzoeker. Te dezen blijkt evenwel uit niets dat de verwerende partij verplicht is om de verzoeker te benoemen tot eerste attaché, expert van hoog niveau. Het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State impliceert voor de verwerende partij geen dergelijke verplichting. Dit arrest heeft slechts vastgesteld dat uit de notulen van de directieraad niet blijkt dat er een deugdelijke vergelijking is gemaakt van de titels en verdiensten van de kandidaten, noch waarom de overheid van oordeel was dat de verzoeker minder in aanmerking kwam dan Philippe Dehaut. Het rechtsherstel waartoe dat arrest de verwerende partij verplicht, bestaat er niet noodzakelijk in dat zij de verzoeker benoemt, maar wel dat zij, indien de bevorderingsprocedure wordt hernomen, een nieuwe vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten maakt. Het resultaat daarvan ligt vooraf niet vast, aangezien er naast de verzoeker en Philippe Dehaut nog andere kandidaten zijn. Ambtshalve wordt derhalve besloten dat de voorliggende vordering evenmin ontvankelijk is voorzover ze gericht is tegen de impliciete weigeringsbeslissing die het derde voorwerp ervan uitmaakt. IX-6872-10/17 VI. Onderzoek van de vordering
  26. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  27. De verzoeker betoogt in een vierde middel dat ingevolge het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State de te begeven betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid opnieuw vacant is geworden. De omstandigheid dat de genoemde directie thans niet meer bestaat, zou tot gevolg kunnen hebben dat het opnieuw vacant worden van de voormelde betrekking buiten de bestaande personeelsformatie gebeurt. Dit neemt echter niet weg dat de vacante betrekking bestaat en dat de verzoeker ingevolge het voormelde vernietigingsarrest aanspraak kan maken op een nieuwe beoordeling van zijn kandidaatstelling voor een benoeming in die betrekking. De opheffing van de directie Onderzoek en Innovatie en de overdracht van de taken van deze directie aan het Instituut ter Bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel kan er desgevallend toe leiden dat, nadat een nieuw benoemingsbesluit is genomen, de benoemde kandidaat opnieuw of op zijn beurt ambtshalve naar het voornoemde instituut moet worden overgeplaatst, maar dit staat een herneming van de aangevatte bevorderingsprocedure bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet in de weg. Nu de vernietiging IX-6872-11/17 gesteund is op het ontoereikend gemotiveerde advies van de directieraad en de gebrekkige vergelijking van verzoekers titels en verdiensten met deze van Philippe Dehaut, moet de bevorderingsprocedure worden hernomen vanaf het onderzoek van de kandidaturen door de directieraad. De verzoeker besluit uit dit betoog dat de verwerende partij “geen in rechte aanvaardbare reden aangeeft om niet over te gaan tot het nemen van een nieuwe beslissing”. De verzoeker voert voorts aan dat het arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 reeds uitspraak heeft gedaan over het in de eerste bestreden beslissing aangevoerde motief en dat deze beslissing bijgevolg het gezag van gewijsde van het genoemde arrest op grove wijze schendt. Beoordeling
  28. De verzoeker lijkt in het middel vooreerst de deugdelijkheid van het motief van de eerste bestreden beslissing te betwisten. Aldus voert hij op het eerste gezicht de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Voorts lijkt de verzoeker daaraan de schending van het gezag van gewijsde van het dwangsomarrest nr. 187.959 van 17 november 2008 te verbinden, omdat dit arrest volgens hem reeds tot de onaanvaardbaarheid van het bedoelde motief heeft besloten.
  29. In zijn brief van 25 juni 2010 aan de verzoeker deelt de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het Openbaar Ambt, mede dat de bevoegdheden van de directie Onderzoek en Innovatie en de personeelsleden van deze directie ingevolge de ordonnantie van 26 juni 2003 houdende oprichting van het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel werden overgeheveld naar het genoemde instituut. Hij besluit daaruit dat de te begeven betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, gesitueerd is bij het genoemde instituut en IX-6872-12/17 dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet meer bevoegd is om over te gaan tot benoeming in die betrekking. De staatssecretaris stelt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de benoemingsprocedure aldus afsluit en uitvoering geeft aan het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State. De eerste bestreden beslissing is dienvolgens wezenlijk gesteund op het motief dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet meer bevoegd is om na het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 1996 nog tot bevordering in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau, over te gaan omdat de te begeven betrekking gesitueerd is bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel.
  30. De genoemde staatssecretaris heeft in wezen hetzelfde motief aangevoerd in zijn antwoord van 26 februari 2008 op de aanmaning van de verzoeker van 24 januari 2008 met het oog op het opleggen van een dwangsom wegens de niet-uitvoering van het genoemde vernietigingsarrest. De Raad van State heeft daarover in zijn arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 het volgende overwogen: “De omstandigheid dat de vroegere Directie Onderzoek en Innovatie bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest thans niet meer bestaat, zou tot gevolg kunnen hebben dat het opnieuw vacant worden van de voormelde betrekking buiten de bestaande personeelsformatie gebeurt. Dit neemt echter niet weg dat de vacante betrekking bestaat en dat de verzoeker ingevolge het voormelde vernietigingsarrest aanspraak kan maken op een nieuwe beoordeling van zijn kandidaatstelling voor een benoeming in die betrekking. De opheffing van de Directie Onderzoek en Innovatie en de overdracht van de taken van deze directie aan het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel kan er desgevallend toe leiden dat, nadat een nieuw benoemingsbesluit is genomen, de benoemde kandidaat opnieuw of op zijn beurt ambtshalve naar het voornoemde instituut moet worden overgeplaatst, maar dit staat een herneming van de aangevatte bevorderingsprocedure bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet in de weg. Het motief van de verwerende partij waarmee zij in haar brief van 26 februari 2008 aan de verzoeker haar stilzitten na het vernietigingsarrest nr. IX-6872-13/17 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State verantwoordt, gaat dus niet op.” De Raad van State besluit vervolgens in het genoemde arrest, mede op grond van deze overwegingen, tot het opleggen van een dwangsom aan de verwerende partij. De Raad van State heeft aldus geoordeeld dat het motief van de overheveling van de directie Onderzoek en Innovatie en van haar personeelsleden naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel het toenmalige stilzitten van de verwerende partij niet kon verantwoorden. De Raad van State bevestigt de voormelde overwegingen voor de voorliggende zaak en oordeelt dat om de redenen weergegeven in deze overwegingen het desbetreffende motief óók niet de beslissing om de bevorderingsprocedure van eerste attaché zonder gevolg af te sluiten, kan verantwoorden. Daargelaten of de eerste bestreden beslissing door het aanhouden van het desbetreffende motief het gezag van gewijsde van het arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 schendt, lijkt alleszins te moeten worden besloten dat deze beslissing een deugdelijke materiële grondslag mist. Het middel is in zoverre ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de verzoeker
  31. De verzoeker voert aan dat hij, nadat hij de vernietiging heeft verkregen van de benoeming waarvoor hij kandidaat was, zich genoodzaakt ziet om opnieuw een beroep in te stellen teneinde de correcte uitvoering te verkrijgen IX-6872-14/17 van wat reeds eerder bij vernietigingsarrest werd beslist. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State stelt de verzoeker dat het nadeel veroorzaakt door de bestreden beslissing in die omstandigheden in redelijkheid kan worden beschouwd als een nadeel dat door een eventueel nieuw vernietigingsarrest niet helemaal kan worden hersteld. De verzoeker laat voorts gelden dat zijn loopbaan ingevolge de miskenning van het gezag van gewijsde van de vernietigings- en dwangsomarresten van de Raad van State onherstelbare schade dreigt op te lopen. Volgens hem tracht de verwerende partij mogelijk haar vertragingsmanoeuvre vol te houden totdat hij gepensioneerd of weggepest is. Hij stelt dat indien hij nogmaals moet wachten op een vernietigingsarrest, waarna de verwerende partij wederom jarenlang misbruik zal maken van haar macht om te verhinderen dat dit arrest in zijn voordeel wordt uitgevoerd, hij de wettelijke pensioenleeftijd overschreden zal hebben. Een herstel in natura, na de gewone procedure, is dan ook, zo stelt de verzoeker, louter hypothetisch en in werkelijkheid onmogelijk. Ten slotte argumenteert de verzoeker dat het vierde, vijfde en negende middel ernstig zijn en getuigen van een dermate deloyaal procesgedrag van de verwerende partij dat het als “pesten” moet worden beschouwd. Het verder ondergaan van deze pesterijen houdt, aldus de verzoeker, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in. Beoordeling
  32. Met de verzoeker moet worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat hij na de vernietiging te hebben verkregen van de bevordering van Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau, waarvoor hij zelf kandidaat was, genoodzaakt wordt om een nieuw vernietigingsberoep in te stellen teneinde de correcte uitvoering van het vernietigingsarrest te verkrijgen, hem een ernstig moreel nadeel berokkent dat niet door een nieuw vernietigingsarrest kan worden hersteld. IX-6872-15/17 Voorts wijst de verzoeker terecht op de ernstige en onherstelbare schade die zijn loopbaan dreigt op te lopen, nu de bestreden beslissing -gelet op de tijd die reeds is verstreken sedert het verkregen vernietigingsarrest- eraan in de weg lijkt te staan dat dit vernietigingsarrest alsnog, vooraleer hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, in zijn voordeel wordt uitgevoerd. Derhalve moet worden besloten dat de verzoeker ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden.
  33. Uit wat voorafgaat volgt dat de beide cumulatieve voorwaarden, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn. BESLISSING
  34. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 juni 2010 van de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor het Openbaar Ambt, luidens dewelke het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de benoemingsprocedure van een eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid zonder gevolg afsluit.
  35. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. IX-6872-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6872-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.930 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.