← België

Arrest 208976 - Monumenten en Landschappen - 18/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.976 Rolnummer: A. 118719/VII-37434 Zaak: Arrest 208976 - Monumenten en Landschappen - 18/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Fiche Arrest nr 208.976 van 18 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.976 van 18 november 2010 in de zaak A. 118.719/VII-37.

  1. In zake:
  2. Hélin DE BURBURE DE WEZEMBEEK
  3. Solange DE BURBURE DE WEZEMBEEK
  4. Stéphane DE BURBURE DE WEZEMBEEK
  5. Finarette NASTA-STONAIOVICI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 26 maart 2002, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid van 21 december 2001 waarbij het kasteelpark van Wezembeek - Domein de Burbure definitief als dorpsgezicht wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij arrest nr. 200.745 van 11 februari 2010 zijn de debatten heropend, werd de uitspraak in onderhavige zaak uitgesteld tot de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag gesteld in het arrest van de Raad van State nr. 196.639 van 5 oktober 2009 en werd het door de auditeur- generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het verder onderzoek van de zaak. VII-37.434-1/13 Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober
  8. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Céline Ghyselen, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. Voor de uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 200.745 van 11 februari
  11. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen
  12. Voor de uiteenzetting van de standpunten van de partijen in verband met het eerste onderdeel, wordt verwezen naar voornoemd arrest nr. 200.745 van 11 februari
  13. VII-37.434-2/13 Beoordeling
  14. Het Grondwettelijk Hof heeft in arrest nr. 63/2010 van 27 mei 2010 voor recht gezegd dat de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden. Artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : BWHI) bepaalt dat elke gewest- en gemeenschapsregering collegiaal beraadslaagt over alle zaken die tot haar bevoegdheden behoren "onverminderd de door haar toegestane delegaties". Artikel 68 van de BWHI bepaalt vervolgens dat onverminderd de bepalingen van deze wet, elke regering haar werkwijze regelt. Het verlenen van delegaties is bijgevolg een bevoegdheid van de regering van elk gewest en gemeenschap. Het komt de decreetgever ingevolge de artikelen 68, 69 en 87, § 1, van de BWHI niet toe aan bepaalde leden van de regering beslissingsbevoegdheid toe te kennen met betrekking tot door hem aangewezen materies. Uit de toewijzing van de bevoegdheid om het ontwerp van lijst vast te stellen aan de Vlaamse regering en de vervanging van de woorden "een ministerieel besluit" door "een besluit van de Vlaamse regering" naar aanleiding van het decreet van 22 februari 1995 tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten kan niet afgeleid worden dat de bevoegdheid om een monument, stads- of dorpsgezicht te beschermen door de decreetgever uitdrukkelijk toegewezen werd aan de Vlaamse regering zonder mogelijkheid van delegatie. Onder uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 68 en 69 van de BWHI heeft de Vlaamse regering bij besluit van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, aan Paul Van Grembergen, lid van de Vlaamse regering, delegatie verleend voor onder meer het nemen van beslissingen voor de toepassing van de decreten inzake monumenten en landschappen. Aangezien het bestreden besluit genomen is door die Vlaamse minister, is het eerste onderdeel niet gegrond. VII-37.434-3/13 B. Eerste middel, tweede onderdeel Standpunt van de partijen
  15. De verzoekende partijen roepen in het tweede onderdeel van het eerste middel de schending in van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij voeren voorts de onwettigheid aan van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering alsook van het, inmiddels opgeheven, besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering. Ten slotte stellen zij dat de auteur van het bestreden besluit onbevoegd is. Zij stellen dat het bestreden besluit genomen is bij toepassing van voornoemde besluiten van 13 juli 1999 en 13 juli 2001 terwijl die besluiten volgens hen niet aan het voorafgaandelijk advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd en geen feitelijke gegevens vermelden die hoogdringendheid aantonen dan wel de onmogelijkheid om het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State in te winnen.
  16. De verwerende partij antwoordt dat de besluiten van 13 juli 1999 en 13 juli 2001 inhoudelijk dezelfde besluiten zijn, zodat de identieke motivering van het dringend karakter niet verwondert en geen bewijs is voor het gebruik van een stijlmotivering. Zij stelt dat in de praktijk aan elk regeringslid bepaalde bevoegdheids- of beleidsdomeinen worden toegewezen wat inhoudt dat het betrokken lid in die beleidsdomeinen beslissingen voorbereidt en uitvoert, zodat de normale werking van de instellingen en van de aan de Vlaamse regering toevertrouwde bevoegdheden maar mogelijk is na het bepalen van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering en na een uitdrukkelijke delegatie. Zij stelt ten slotte dat deze besluiten in werking zijn getreden op respectievelijk 13 juli 1999 en 1 augustus 2001, wat volgens haar een bewijs is van de hoogdringendheid.
  17. De verzoekende partijen repliceren dat het dringend advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State had kunnen worden afgewacht aangezien de inwerkingtreding van het besluit van 13 juli 2001 dateert van 1 augustus
  18. VII-37.434-4/13
  19. De verzoekende partijen beklemtonen in hun laatste memorie vóór het tussenarrest nogmaals dat uit geen enkele omstandigheid blijkt waarom geen dringend advies kon worden afgewacht, zodat de motivering in de aanhef van de betrokken besluiten ontoereikend is en dat een gebeurlijke schending van artikel 3, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 uitsluitend op grond van de in de aanhef van het betrokken besluit gegeven motivering mag worden getoetst. Beoordeling
  20. Het eerste hoofdstuk van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering heeft betrekking op de interne organisatie van de Vlaamse regering en heeft bijgevolg niet het reglementair karakter vereist door artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Over de andere hoofdstukken werd advies gegeven door de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  21. De vaststelling dat de dringende noodzakelijkheid in meerdere opeenvolgende besluiten tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering en de wijziging ervan, in identieke bewoordingen werd gemotiveerd, volstaat niet om te concluderen dat die motivering niet concreet of niet pertinent is. De delegatie van de beslissingsbevoegdheden moet zonder verwijl na de samenstelling van de Vlaamse regering of de wijziging ervan geregeld worden omdat alle beslissingen intussen omwille van de efficiëntie bezwaarlijk collegiaal kunnen worden genomen. Het tweede onderdeel is niet gegrond. C. Eerste middel, derde onderdeel Standpunt van de partijen
  22. De verzoekende partijen roepen in het derde onderdeel van het eerste middel de schending in van de artikelen 5 en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en voeren voorts de onwettigheid aan van het voorlopig beschermingsbesluit van 22 december
  23. Zij stellen ook dat de auteur van het bestreden besluit onbevoegd is. VII-37.434-5/13 Doordat het voorlopig beschermingsbesluit volgens de verzoekende partijen onwettig is, heeft het bestreden besluit volgens hen geen rechtsgrond. De onwettigheid spruit volgens hen voort uit : de onwettigheid van het delegatiebesluit van 13 juli 1999, de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 83.772 van 1 december 1999 van de Raad van State, de afwezigheid van afdoende motivering en het gebrek aan uitoefening door de betrokken minister van zijn beoordelingsbevoegdheid en ten slotte het gebrek aan afdoende motivering en een beoordelingsvergissing met betrekking tot de percelen kadastraal gekend te Wezembeek-Oppem, afdeling 1, sectie A, nrs. 35A, 38A, 28A (deel) en 30E (deel).
  24. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen enkel verwijzen naar de middelen aangevoerd in de annulatieprocedure tegen het voorlopig beschermingsbesluit, terwijl artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) een uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift tot nietigverklaring oplegt, zodat het derde onderdeel volgens haar onontvankelijk is.
  25. De verzoekende partijen repliceren dat de ingeroepen onwettigheden kort zijn weergegeven in het verzoekschrift, zodat alle informatie werd verstrekt om de inhoud en de draagwijdte van het ingeroepen middel te kunnen vatten. Beoordeling
  26. In het verzoekschrift worden de middelen tegen het voorlopig beschermingsbesluit herhaald, wordt verwezen naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord in de annulatieprocedure tegen het voorlopig beschermingsbesluit en worden deze stukken bij het verzoekschrift tot nietigverklaring van het thans bestreden besluit gevoegd. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid is bijgevolg niet gegrond. Uit de beoordeling van de overige middelen in dit arrest zal blijken dat de door de verzoekende partijen aangehaalde middelen tot onwettigheid van het voorlopig beschermingsbesluit niet gegrond zijn, zodat het derde onderdeel van het eerste middel niet gegrond is. VII-37.434-6/13 D. Tweede middel Standpunt van de partijen
  27. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 83.772 van 1 december 1999 van de Raad van State, doordat het bestreden besluit het kasteelpark definitief als dorpsgezicht beschermt wegens zijn historische, artistieke en wetenschappelijke waarde terwijl voornoemd arrest het besluit van 15 oktober 1984 tot rangschikking van het kasteelpark als landschap vernietigde, omdat niet bleek dat het behoud van het gerangschikte landschap in natuurwetenschappelijk en esthetisch opzicht van zodanig nationaal belang zou zijn dat een rangschikking zich zou opdringen.
  28. De verwerende partij antwoordt dat voornoemd vernietigingsarrest betrekking had op een landschap en dat het bestreden besluit strekt tot bescherming van een dorpsgezicht. Zij stelt dat in dit arrest werd overwogen dat het rangschikkingsbesluit tevens gebaseerd was op de natuurwetenschappelijke waarde en dat die natuurwetenschappelijke waarde uit geen enkel gegeven van het administratief dossier bleek, terwijl in het thans bestreden besluit en de motiveringsnota de wetenschappelijke waarde van het dorpsgezicht wel omschreven wordt.
  29. De verzoekende partijen repliceren dat de vroegere rangschikkingsbeslissing vernietigd werd omdat de motieven ervan geen grond vonden in het administratief dossier. Zij onderstrepen dat het bestreden besluit een loutere herhaling is van het gemotiveerd advies van de motiveringsnota en dat de beweringen aangaande het wetenschappelijk belang van het dossier door geen enkel stuk concreet ondersteund worden.
  30. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie vóór het tussenarrest dat een verwijzing naar de mening van het bestuur zelf of van één van zijn ambtenaren geen afdoende materiële motivering uitmaakt.
  31. De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie vóór het tussenarrest dat het argument van de verzoekende partijen als zou de motiveringsnota niet afdoende zijn om de wetenschappelijke waarde van de bescherming te verantwoorden, een nieuw middel uitmaakt dat onontvankelijk is. VII-37.434-7/13 Beoordeling
  32. Bij arrest nr. 83.772 van 1 december 1999 van de Raad van State werd het ministerieel besluit van 15 oktober 1984 waarbij het kasteelpark de Burbure als landschap werd "gerangschikt" nietig verklaard. Deze nietigverklaring was gebaseerd op de overweging dat de minister het kasteelpark onder meer omwille van zijn natuurwetenschappelijke waarde had gerangschikt terwijl de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) aan het kasteelpark geen enkele natuurwetenschappelijke waarde had toegeschreven en die waarde bovendien uit geen enkel ander gegeven van het administratief dossier bleek. Uit het gezag van gewijsde van voornoemd arrest volgt niet dat het kasteelpark geen natuurwetenschappelijke waarde heeft en dat het niet omwille van zijn wetenschappelijke waarde kan worden beschermd als landschap of dorpsgezicht. In het bestreden besluit wordt het kasteelpark als dorpsgezicht beschermd omwille van zijn historische, artistieke en wetenschappelijke waarde en wordt de wetenschappelijke waarde van het kasteelpark als volgt omschreven : "uit zich op het botanisch vlak (een brongebied met een waardevolle voorjaarsvegetatie) én op dendrologisch vlak (oude bomen, vooral moerascipressen die vermoedelijk in de eerste helft van de 19de eeuw werden aangeplant)". Die motivering komt overeen met het gemotiveerd advies van het bestuur Monumenten en Landschappen waarbij de motivering van de wetenschappelijke waarde berust op volgende passage in de motiveringsnota van 9 november 2000 : "In het kasteelpark komen bovendien nog heel wat bomen voor die vermoedelijk werden aangeplant in de vroege 19de eeuw, naar aanleiding van de aanleg van het landschappelijk park, onder meer de reeds genoemde bruine beuk, dicht bij het dorpsplein rechts van de oprit. Het meest in het oog springend zijn echter de moerascipressen (Taxodium distichum) aan de oostzijde van het kasteel, waarvan één een stamomtrek heeft van meer dan 7 m, de tweede dikste van België. Er staat ook een moerascipres met opgaande twijgen (Taxodium ascendens) naast het kasteel, uiterst zeldzaam, met 2 m eveneens bij de 'kampioenen' van België. De oude, kwijnende robinia (Robinia pseudacacia) nabij de garage is vermoedelijk een zeldzame siervariëteit, 'Tortuosa'. In het domein komen nog andere zeldzame bomen voor, bijv. gele paardekastanje (Aesculus flava) nabij de watermolen". VII-37.434-8/13 In tegenstelling tot het ministerieel besluit van 15 oktober 1984 houdende rangschikking als landschap, wordt in het thans bestreden besluit de wetenschappelijke waarde van het kasteelpark uitdrukkelijk gemotiveerd en blijkt uit het neergelegde administratief dossier een feitelijke grondslag voor die motivering. Het argument van de verzoekende partijen als zou de motiveringsnota niet afdoende zijn om de wetenschappelijke waarde van de bescherming te verantwoorden, is laattijdig opgeworpen en is derhalve onontvankelijk. Het tweede middel is niet gegrond. E. Derde middel Standpunt van de partijen
  33. De verzoekende partijen roepen in een derde middel de schending in van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de betrokken minister in het bestreden besluit het gemotiveerd advies van de motiveringsnota van 9 november 2000 volledig overneemt zonder zelf zijn beoordelingsbevoegdheid te benutten.
  34. De verwerende partij antwoordt dat het feit dat de motivering in het bestreden besluit teruggaat naar de motivering uit de motiveringsnota - opgesteld door een ambtenaar die het dossier heeft bestudeerd - een zorgvuldige en aanvaardbare werkwijze uitmaakt. Zij stelt voorts dat de KCML zich heeft aangesloten bij voornoemde motiveringsnota wat volgens haar ook een garantie vormt voor de juistheid van de motieven.
  35. De verzoekende partijen repliceren dat de betrokken minister te dezen louter zijn handtekening heeft gezet terwijl het bestreden besluit eigenlijk genomen is door een onbekende ambtenaar zonder verantwoordelijkheid ten opzichte van de burgers. VII-37.434-9/13
  36. In hun laatste memorie vóór het tussenarrest verwijzen de verzoekende partijen naar de procedure inzake de verlening van een verkavelingsvergunning waarbij het college van burgemeester en schepenen zijn eigen redengeving kenbaar moet maken en stellen zij dat de betrokken minister niet uiteenzet waarom de mening van het adviserend orgaan wordt gevolgd en dat de betrokken minister geen daadwerkelijke controle uitoefent, zodat er geen sprake is van zorgvuldig bestuur en afdoende motivering.
  37. De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie vóór het tussenarrest dat de bevoegdheid tot het verlenen van een verkavelingsvergunning verleend is aan het college van burgemeester en schepenen met een controlefunctie van een ambtenaar van het Vlaamse Gewest en dat de eigen opvatting van het college van burgemeester en schepenen telkens steun zal vinden in het standpunt van de technische dienst van de gemeente. Beoordeling
  38. De loutere omstandigheid dat een minister zich in een aangelegenheid die tot zijn bevoegdheid behoort, aansluit bij het voorstel van zijn administratie en de motivering van het voorstel overneemt, volstaat niet om te concluderen dat die beslissing niet gemotiveerd is, dat de minister kennelijk onzorgvuldig gehandeld heeft en de hem toegewezen beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Het behoort immers net tot de taken van de administratie om voorstellen te doen en beslissingen voor te bereiden. Het derde middel is niet gegrond. F. Vierde en vijfde middel Standpunt van de partijen
  39. De verzoekende partijen roepen in een vierde en vijfde middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en voeren een beoordelingsvergissing in rechte en in feite aan, doordat niet afdoende kan worden afgeleid op grond van welke motieven de betrokken percelen nrs. 35A, 38A, 28A (deel) en 30E (deel) opgenomen moesten worden op de lijst van voor bescherming vatbare dorpsgezichten, doordat de betrokken percelen weide, dan wel "residentieel" terrein uitmaken en doordat de VII-37.434-10/13 percelen nrs. 35A en 38A reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een verkavelingsaanvraag en geen deel uitmaakten van meergenoemd ministerieel besluit van 15 oktober
  40. Met betrekking tot de percelen nrs. 35A en 38A wijzen de verzoekende partijen er op dat die percelen een weide vormen waarvoor een verkavelingsvergunning werd aangevraagd en dat die percelen voordien nooit beschermenswaardig bevonden werden. Volgens de verzoekende partijen moet voor elk perceel de reden waarom tot bescherming wordt overgegaan, in het voorlopig beschermingsbesluit zelf terug te vinden zijn. Met betrekking tot de percelen nrs. 28A (deel) en 30E (deel) betogen de verzoekende partijen dat de kwestieuze gronden geen deel uitmaken van het groter parkgebied rond het kasteel van Wezembeek en dat die gronden niet noodzakelijk zijn om de visuele band tussen de dorpskerk en het kasteel te vrijwaren aangezien zij zich op ruime afstand van de open ruimte daartussen bevinden. Voorts wijzen de verzoekende partijen er op dat die gronden grenzen aan gronden die in een woonzone werden gerangschikt. Zij voeren aan dat de gronden gelegen zijn aan een uitgeruste wegenis en "technisch bebouwbaar" zijn. Omdat de gronden een residentieel karakter hebben en alle objectieve kenmerken van bouwgrond hebben, zien zij niet in waarom die gronden een historische en wetenschappelijke waarde zouden hebben. Ten slotte verwonderen zij er zich over dat de percelen nrs. 257A, 247, 251, 253, 258, 259 en 260 geen deel uitmaken van het bestreden besluit, terwijl het beschermenswaardig karakter van die gronden veel groter voorkomt.
  41. De verwerende partij antwoordt dat de motiveringsnota en de motivering opgenomen in het bestreden besluit betrekking hebben op alle daarin vermelde percelen en dat het nutteloos zou zijn om per perceel in een aparte motivering te voorzien. Zij stelt voorts dat de discussie met betrekking tot de precieze samenstelling van de gronden die beschermd worden, het voorwerp kan vormen van bezwaren gedurende de voorlopige bescherming.
  42. De verzoekende partijen repliceren dat de verwerende partij niet ten gronde antwoordt en dat de KCML de bewoordingen van de motiveringsnota van 9 november 2000 enkel heeft overgenomen, zonder zelf tot een beoordeling te komen. VII-37.434-11/13
  43. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie vóór het tussenarrest dat moet worden nagegaan of de gegeven formele motivering afdoende is, of het bestuur met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan en of haar beoordeling niet verkeerd is. Zij stellen voorts dat het bestuur in het kader van de procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid, een antwoord heeft verleend op hun concrete grieven dat volgens hen echter ontoereikend en feitelijk onjuist is. Beoordeling
  44. Zoals een landschap wordt ook een dorpsgezicht beschermd omdat het als geheel een waarde van algemeen belang heeft. Binnen een dorpsgezicht kunnen percelen en andere onroerende goederen vallen die op zich geen bijzondere waarde hebben maar die, omdat zij deel uitmaken van een geheel dat een waarde van algemeen belang heeft, opgenomen worden in een besluit tot bescherming als dorpsgezicht. Voor elk perceel en onroerend goed afzonderlijk dat valt binnen een dorpsgezicht dat beschermd wordt, moet in het beschermingsbesluit niet worden gemotiveerd om welke reden van algemeen belang het wordt beschermd. Het volstaat dat de betrokken percelen en goederen deel uitmaken van een geheel waarvoor wordt gemotiveerd omwille van welke waarden de bescherming van algemeen belang is. De betrokken percelen nrs. 35A en 38A enerzijds en nrs. 28A en 30E anderzijds liggen respectievelijk ten westen en ten oosten van de toegangsdreef tot het kasteel. Zowel de motivering van de historische waarde als de motivering van de artistieke waarde in artikel 2 van het bestreden besluit blijken op die percelen betrekking te hebben. Zo wordt aan de rechtstreekse visuele band tussen de dorpskerk en het kasteel via een open ruimte een historische waarde en aan de grote open ruimte tussen het kasteel en de dorpskerk een hoge esthetische belevingswaarde toegeschreven en maken de percelen deel uit van een domein waarvan de aanleg in de motivering van het bestreden besluit bestempeld wordt als een goed voorbeeld van een vroeg-landschappelijke parkaanleg. Met betrekking ten slotte tot de opmerking van de verzoekende partijen over de percelen nrs. 257A, 247, 251, 253, 258, 259 en 260 die geen deel uitmaken van het bestreden besluit, stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partijen dergelijke opmerking hebben gemaakt in hun bezwaarschrift en dat op dit bezwaar is geantwoord dat bedoelde percelen behoren tot een recreatiedomein aangelegd in de jaren 1960 en dat ze door een brede, gedeeltelijk geasfalteerde en betegelde weg van het kasteeldomein zijn gescheiden en nooit deel uitgemaakt hebben van het eigenlijke VII-37.434-12/13 kasteelpark. De verwerende partij vermocht hiermee bijgevolg in redelijkheid de bedoelde percelen niet op te nemen in het beschermde gebied. Het vierde en vijfde middel zijn niet gegrond. BESLISSING
  45. De Raad van State verwerpt het beroep.
  46. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.434-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.976 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.