id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.978 Rolnummer: A. 186202/VII-37746 Zaak: Arrest 208978 - Wapens - 18/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Fiche Arrest nr 208.978 van 18 november 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 208.978 van 18 november 2010 in de zaak A. 186.202/VII-37.
- In zake : Micheline MEEUS wonende te Leuven Ter Boelhage 5 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te Kortenberg Veldstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Justitie van 2 oktober 2007 waarbij het beroep van Micheline Meeus tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 2 april 2007 tot weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. VII-37.746-1/16 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. De verzoekster, die in persoon verschijnt, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster beschikt sinds 16 juli 1986 over een machtiging tot het voorhanden hebben van een revolver merk Smith & Wesson, kaliber .38SP, serienummer ABR
- Sinds 22 mei 1991 is zij ook in het bezit van een jachtgeweer, type Mavi, 1-loop/enkelschot, kaliber 410/12 mm, serienummer 372846, dat in het wapenregister is geregistreerd onder het nummer
- Ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna : nieuwe wapenwet) dient de verzoekster op 12 oktober 2006 een aanvraag in tot hernieuwing van haar vergunning voor de revolver Smith & Wesson en tot het verkrijgen van een vergunning voor het geweer Mavi. Als reden voor de aanvraag wordt "persoonlijke verdediging" opgegeven. VII-37.746-2/16 3.
- Bij brief van 13 november 2006 meldt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de ontvangst van de aanvraag aan de verzoekster en stelt het volgende : "Als wettige reden voor het bezit van het vermelde vuurwapen beroept u zich op 'persoonlijke verdediging'. Vooraleer wij uw aanvraag voor de vergunning kunnen onderzoeken en een beslissing hierover kunnen nemen, hebben wij van u een grondige motivering nodig waarom u meent zich op deze reden te kunnen beroepen. Uit deze motivering moet blijken dat u een objectief en groot risico loopt en dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit risico in grote mate beperkt". 3.
- De verzoekster antwoordt op 27 november 2006 : "(…) In vernoemd schrijven wordt mij gevraagd een motivering te formuleren, waaruit moet blijken dat ik een objectief en groot risico loop en dat het bezit van een vuurwapen dat risico in grote mate beperkt. In de wapenwet van 8 juni 2006 en de omzendbrief van de minister van justitie m.b.t. de toepassing van die wapenwet (B.S. van 09/06/06) kan ik geen criteria vinden die een objectief en groot risico omschrijven. Dit is bijv. wel enigszins het geval voor de beoordeling (in diezelfde omzendbrief) van de medische geschiktheid van de vergunningaanvrager. Terloops : mijn medisch attest bevindt zich in mijn aanvraagdossier". 3.
- Bij brief van 18 december 2006 verduidelijkt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant als volgt : "Uit de motivering die u dient op stellen moet blijken waarom u een vuurwapen wenst te bezitten, welk concreet risico u loopt, welke feiten volgens u aanleiding geven tot het bezit van een vuurwapen. Het risico moet blijken uit de feitelijke gegevens en mag niet louter steunen op een veronderstelling of een aanvoelen. Bovendien moet er een reële kans bestaan dat uw fysieke integriteit of die van de inwonende gezinsleden wordt bedreigd. Een eventuele bedreiging van materiële bezittingen volstaat niet om van een groot en objectief risico te kunnen spreken aangezien men geen vuurwapen mag gebruiken louter en alleen om zijn materiële bezittingen veilig te stellen. Het gebruik van een vuurwapen is enkel en alleen geoorloofd wanneer uw leven of dat van anderen op het spel staat". VII-37.746-3/16 3.
- De verzoekster vult op 15 januari 2007 haar motivering als volgt aan : "(…) Aangezien wij geen vergunning hebben voor het dragen van een wapen, is het vrij duidelijk dat dit risico alleen objectief binnen de eigen woonst te situeren valt. Het verdedigen van materiële bezittingen is, zoals u zegt geen reden. Wij vinden nergens in de wetgeving een objectieve definitie van 'wanneer uw leven of dat van anderen op het spel staat'. Deze vrij relatieve omschrijving is situatiegebonden bij een wederrechtelijke schending van de woonst. In dat geval kan niemand vooraf objectief voorzien hoe zo een gebeuren kan escaleren. Wat in dergelijke gevallen eventueel van belang kan zijn, is zoals de 'Gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens' het onder punt 5.6.
- zegt 'de persoonlijkheid van de aanvrager (van de vergunning, n.b.) '. Hier kunnen wij wel objectieve criteria naar voren brengen. Sedert het verwerven van bedoelde wapens (in 1986 met de goedkeuring van de lokale politie) hebben wij nog altijd een blanco strafregister, betekenen wij geen gevaar voor de openbare orde en zijn wij medisch geschikt voor wapenbezit (ons medisch attest moet reeds via de Leuvense politie in uw bezit zijn). In de maand november 2006 werd opnieuw een 'moraliteitsverslag' door de Leuvense politie opgemaakt. P.S : In een tijd van acute criminaliteit kan de burger nooit voorzien of en wanneer hij het slachtoffer kan worden van een misdrijf. Als voorbeeld hiervan vindt u in bijlage een bericht van de Leuvense politie over een recente inbraak in onze onmiddellijke buurt". 3.
- Bij besluit van 2 april 2007 weigert de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde vergunningen. Bij de kennisgeving van deze weigeringsbeslissing wordt een brief van de gouverneur gevoegd, gedateerd op 22 maart 2007, waarin het volgende wordt gesteld : "U hebt een vergunning aangevraagd om een wapen te mogen houden. Als reden daarvoor hebt u opgegeven dat u zich thuis onveilig voelt. Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat het mij wettelijk niet toegelaten is u een wapenvergunning uit te reiken. In het besluit dat u bij deze brief vindt, kan u de redenen lezen waarom de wapenwet in uw geval niet toelaat een wapen in huis te hebben". Vervolgens worden een aantal voorzorgsmaatregelen opgesomd die de verzoekster kan nemen om de beveiliging van haar woning te verbeteren. VII-37.746-4/16 3.
- Op 16 april 2007 stelt de verzoekster beroep in bij de minister van Justitie. Ten aanzien van de weigering van de vergunning voor de revolver Smith & Wesson werpt de verzoekster op dat de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant er ten onrechte van uitgaat dat haar motivatie voor het inroepen van het criterium "persoonlijke verdediging" louter subjectief is. Ten aanzien van de weigering van de vergunning voor het jachtgeweer Mavi zou de gouverneur ten onrechte voorbijgaan aan artikel 44, § 2, van de nieuwe wapenwet en punt 1.4 van de omzendbrief van 8 juni 2006 met betrekking tot de toepassing van de wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. 3.
- Op 2 oktober 2007 beslist de minister van Justitie dit beroep met betrekking tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een geweer, merk Mavi, model/type eenloop-enkelschot, kaliber 410/12mm, serienummer 372846 in te willigen en de betreffende vergunning te verlenen. De minister van Justitie beslist eveneens op 2 oktober 2007 het beroep met betrekking tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith & Wesson, kaliber .38SP, serienummer ABR 3612, te verwerpen. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een eerste middel aan dat de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de door artikel 31, 2°, van de nieuwe wapenwet voorziene termijn van vier maanden voor het verlenen van vergunningen, zonder motivering heeft genegeerd, namelijk van bij de indiening van de aanvraag op 12 oktober 2006 tot 3 april
- Zij stelt dat zij een aanvraag heeft ingediend voor het verkrijgen van een bezitsvergunning voor meergenoemd revolver en geweer, VII-37.746-5/16 dat voor dit geweer op 12 oktober 2006 door de lokale politie een voorlopige vergunning wordt afgeleverd terwijl de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant op 13 november 2006 enkel de ontvangst bevestigt van de aanvraag voor de revolver en geen advies van de lokale politie vermeldt en in de beroepen beslissing een vergunning weigert voor zowel de revolver als voor het geweer.
- De verwerende partij leidt uit de omschrijving van het eerste middel af dat een overschrijding van de termijn in artikel 31, 2°, van de nieuwe wapenwet wordt opgeworpen. Zij antwoordt dat het middel geen betrekking heeft op het bestreden besluit vermits het de beroepen beslissing bekritiseert, terwijl de huidige procedure betrekking heeft op de beslissing van de minister van Justitie, zodat het middel volgens haar niet ontvankelijk is. Zij stelt voorts dat artikel 31 van de nieuwe wapenwet, overeenkomstig artikel 48 van diezelfde wet, niet van toepassing is op de beslissingen die de gouverneur neemt met betrekking tot de hernieuwing van een erkenning zoals te dezen het geval is.
- De verzoekster repliceert dat de minister de beroepen beslissing bevestigt en dat het middel daarom betrekking heeft op het bestreden besluit. Volgens haar is de hernieuwing van de wapenvergunning overeenkomstig artikel 48 van de nieuwe wapenwet tijdig ingediend omdat de aanvraag gebeurde op 12 oktober
- Zij stelt ten slotte dat de omzendbrief van 8 juni 2006 vermeldt dat de nieuwe wapenwet onmiddellijk van toepassing is.
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekster nogmaals dat de minister de redenering van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant beaamt, waardoor haar bezwaren tegen de beroepen beslissing ook tegen het bestreden besluit gelden. VII-37.746-6/16 Beoordeling
- Artikel 30 van de nieuwe wapenwet luidt als volgt : "Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur, vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift". De beroepsmogelijkheid waarin wordt voorzien in de voornoemde bepaling is een georganiseerd administratief beroep. De minister van Justitie moet zich een eigen oordeel vormen over de zaak en de zaak definitief beslechten en zijn beslissing komt in de plaats van de beslissing van de gouverneur. De beroepen beslissing brengt geen rechtsgevolgen meer met zich mee zodat geen acht meer wordt geslagen op mogelijke onregelmatigheden waarmee deze beslissing zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in graad van beroep. De verzoekster werpt op dat de beroepen beslissing enerzijds artikel 11 van de nieuwe wapenwet schendt, doordat er geen advies zou zijn gevraagd aan de lokale politie, en anderzijds artikel 31, 2°, van die wet, doordat de voorziene beslissingstermijn van vier maanden zou zijn overschreden. Aangezien deze vermeende onregelmatigheden betrekking hebben op de beslissing in eerste aanleg van de gouverneur, is het middel in dat opzicht niet dienend. In de mate de verzoekster in haar memorie van wederantwoord voor de eerste maal opwerpt dat ook het bestreden besluit buiten de wettelijk VII-37.746-7/16 voorziene termijn zou zijn genomen, stelt de Raad van State vast dat de verzoekster hiermee een nieuw middel aanvoert, dat zij in haar verzoekschrift reeds had kunnen aanvoeren. Dit nieuw middel is bijgevolg niet ontvankelijk. Het eerste middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel stelt de verzoekster in vraag of de federale wapendienst de substantieel voorgeschreven vormen in acht heeft genomen aangezien in de brief van 17 april 2007 van deze dienst sprake is van het opnemen van contact met de verzoekster voor eventuele bijkomende inlichtingen, terwijl zij van het onderzoek van verscheidene instanties niet is ingelicht en de wapendienst van de Leuvense politie hiervan niet op de hoogte zou zijn.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel onvoldoende precies is. Zij wijst er ondergeschikt op dat zij aanvullende inlichtingen heeft opgevraagd vooraleer tot de beslissing te komen.
- De verzoekster repliceert dat uit het administratief dossier blijkt dat er "discreet" werd geïnformeerd, dat de nota en de fax van de Federale Overheidsdienst Justitie van respectievelijk 24 en 25 september 2007 haar onbekend waren en zij verzoekt deze stukken uit de debatten te weren omdat ze onrechtmatig zouden zijn verkregen. Ten slotte stelt zij dat het niet nodig was een "discrete" vraag naar haar strafregister te doen omdat zij bij het indienen van haar verzoekschrift van 27 november 2007 een uittreksel van haar blanco strafregister als bijlage had gevoegd. VII-37.746-8/16
- In haar laatste memorie verwijst de verzoekster naar de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en stelt zij voldoende aangetoond te hebben dat de overtreden rechtsregels haar benadelen onder de vorm van subjectivisme. Beoordeling
- Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat het tweede middel niet precies is omschreven. Een middel moet een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel bevatten en van de wijze waarop die regel door het bestreden besluit wordt geschonden. Het tweede middel zoals uiteengezet door de verzoekster beperkt zich echter tot een weergave van een aantal toestanden die haar niet zinnen, zonder aanduiding van enige wettelijke bepaling die of enig rechtsbeginsel dat geschonden zou zijn. Daarmee voldoet de uiteenzetting niet aan de vereisten van een ontvankelijk middel. Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster stelt in een derde middel dat het bestreden besluit de in artikel 11, § 3, 9°, d), van de nieuwe wapenwet vermelde reden voor het bezit van een vergunningsplichtig wapen banaliseert en dat geen wettelijke, objectieve criteria bestaan om uit te maken wat een "groot en objectief risico" en "haalbare maatregelen" zijn. Zij stelt dat in het bestreden besluit een persoonlijke interpretatie in verband met de wettige verdediging zonder legale basis wordt veralgemeend en dat haar reden tot staving van de aanvraag van een wapenvergunning in overeenstemming is met artikel 5.6.3 van de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens. Ten slotte wijst zij nog op afdeling IV VII-37.746-9/16 van het strafwetboek en op de voorwaarden voor het verkrijgen van een bezitsvergunning voor een vergunningsplichtig vuurwapen opgenomen in artikel 11, § 3, van de nieuwe wapenwet, waaraan zij volgens haar voldoet.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekster niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om een vergunning te verkrijgen voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, zodat het middel volgens haar feitelijke draagkracht mist. Zij antwoordt voorts dat het bestreden besluit aan de doelstelling van de nieuwe wapenwet beantwoordt, met name de ongebreidelde verspreiding van vuurwapens te beperken en het houden ervan voor te behouden aan die personen die een objectief risico lopen dat met andere maatregelen niet kan worden opgevangen.
- De verzoekster wijst in haar memorie van wederantwoord op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna : EVRM) en stelt dat geen duidelijke omschrijving wordt gegeven van "alle andere haalbare maatregelen". Zij stelt voorts dat zij de revolver enkel wenst te bezitten om in geval van wederrechtelijke aanslag op personen binnen de eigen woonst wettige zelfverdediging te kunnen uitoefenen en zij wijst erop dat zij de revolver sinds 1986 probleemloos en wettelijk in bezit heeft.
- In haar laatste memorie haalt de verzoekster aan dat zij in 2000 gebeurlijke "andere haalbare maatregelen" voor de verdediging van de persoonlijke veiligheid heeft genomen, met name heeft zij ramen en deuren met beveiliging laten plaatsen. Zij argumenteert voorts dat de minister van Justitie een geweer klaarblijkelijk niet dienstbaar acht voor wettige verdediging in de woonst, doordat in zijn besluit van 2 oktober 2007 een vergunning afgeleverd wordt voor het voorhanden hebben van een geweer. Beoordeling
- Artikel 11, § 3, van de nieuwe wapenwet somt de voorwaarden VII-37.746-10/16 op waaraan de verzoekster moet voldoen om een vergunning te kunnen verkrijgen voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en de daarbij horende munitie. Onder punt 9° van dat artikel wordt bepaald dat de verzoekster een wettige reden moet opgeven voor de verwerving van het betrokken wapen en de munitie. Volgens artikel 11, § 3, 9°, d), van de nieuwe wapenwet kan als wettige reden worden aanvaard : "de persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit groot risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen". Wat de wettige reden "persoonlijke verdediging" betreft, moet de noodzaak een vuurwapen te bezitten voor persoonlijke verdediging streng beoordeeld worden (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51-2263/001, blz. 26). Artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt : "Art.
- De voorwaarden waaronder de in artikel 11, §3, 9°, van de Wapenwet opgesomde redenen, waarvan er een of meerdere moeten ingeroepen worden als wettige redenen voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, kunnen worden aangenomen, zijn: (...) 4° voor reden d), het aantonen dat de aanvrager voor zijn persoonlijke veiligheid reeds alle andere haalbare maatregelen heeft genomen, en het wapen uitsluitend voor deze reden gebruiken; (…)". Uit de wettelijke omschrijving van de wettige reden "persoonlijke verdediging" volgt aldus dat de verzoekster moet aantonen dat zij het vuurwapen nodig heeft voor de persoonlijke verdediging van "personen", dat deze personen een "objectief en groot risico" lopen en dat de verzoekster "reeds alle andere haalbare maatregelen heeft genomen (…) voor (de) persoonlijke veiligheid". VII-37.746-11/16 Het bestreden besluit luidt als volgt : "Artikel 11 §3, 9° van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt welke redenen aanvaard worden als wettige reden. De persoonlijke verdediging wordt inderdaad aanvaard als wettige reden, maar de wet stelt eveneens dat ze enkel kan worden ingeroepen door personen die een objectief en groot risico lopen, en aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen. Een groot en objectief risico betekent dat het risico gebaseerd moet zijn op feitelijke gegevens. Dit kan bv. blijken uit vroegere PV's van inbraak of poging tot inbraak. Dergelijke concrete elementen ontbreken in uw dossier. Dit risico kan daarenboven enkel betrekking hebben op de aantasting van de fysieke integriteit van uzelf of anderen, nooit op materiële bezittingen. De aanwezigheid van een onveiligheidsgevoel of het louter feit dat men vreest het slachtoffer te worden van een overval is een subjectief gegeven, en bijgevolg dus niet voldoende. Bovendien vereist artikel 2,4° van het K.B. van 29 december 2006 (tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens) dat de aanvrager moet kunnen aantonen dat hij voor de verdediging van zijn persoonlijke veiligheid reeds alle andere haalbare maatregelen genomen heeft. Nergens in uw motivering kan ik terugvinden dat u, met uitzondering van het aanschaffen van een vuurwapen, bijkomende maatregelen heeft getroffen ter bevordering van uw veiligheid. De gouverneur van Vlaams-Brabant heeft de door u aangehaalde redenen onderzocht, en terecht geconcludeerd dat op grond van die redenen niet is voldaan aan de voorwaarden voor het bezit van een vuurwapen met als motief de persoonlijke verdediging. Aangezien u verder ook geen nieuwe elementen of feiten heeft toegevoegd, die kunnen aantonen dat er wel een groot en objectief risico bestaat inzake uw veiligheid, wordt de hernieuwing van uw vergunningen tot het voorhanden hebben van een vuurwapen geweigerd". De verzoekster toont niet aan dat deze beoordeling uitgaat van verkeerde vaststellingen. Door de aanvraag van de verzoekster op deze wijze te beoordelen heeft het bestreden besluit de wettelijke voorwaarden van artikel 11, § 3, 9°, van de nieuwe wapenwet en artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, juist toegepast en geïnterpreteerd. Het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd VII-37.746-12/16 en schendt noch artikel 11 van de nieuwe wapenwet, noch artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 29 december
- Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- In een vierde middel stelt de verzoekster dat het bestreden besluit haar een legaal verworven eigendom/bezit ontneemt. Zij verwijst naar de artikelen 544 en 2228 van het burgerlijk wetboek.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekster niet aantoont op welke wijze het bestreden besluit een overtreding vormt van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, of een overschrijding of afwending van macht vormt. Voorts stelt de verwerende partij dat artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM het recht erkent van een staat om die wetten toe te passen, welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang en dat de regelgeving, vervat in de nieuwe wapenwet, is ingegeven door redenen van algemeen belang.
- De verzoekster repliceert dat het Aanvullend Protocol bij het EVRM de draagkracht en bescherming van eigendom door de artikelen 544 en 2228 van het burgerlijk wetboek niet in vraag kan stellen omdat door het bezit van een vergunningsplichtig, legaal vuurwapen het algemeen belang volgens haar niet in het gedrang komt. Zij stelt voorts dat het bezit van het wapen in normale omstandigheden geen risico inhoudt. Volgens haar is het wapen sinds 1986 probleemloos in haar bezit, heeft zij door een medisch getuigschrift bewezen in staat te zijn een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf en voor anderen VII-37.746-13/16 en wil zij enkel een vergunningsplichtig wapen behouden om gebeurlijke levensbedreigende situaties in de eigen woonst af te wenden.
- In haar laatste memorie betreurt de verzoekster dat zonder beweerde wettelijke grond iemand verplicht wordt zijn eigendom af te staan. Beoordeling
- De verzoekster beroept zich in dit middel enkel op een schending van burgerrechtelijke regels omtrent het eigendomsrecht waarvan de beoordeling bij uitsluiting tot de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoort. Het vierde middel is bijgevolg niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert in een vijfde middel aan dat het bestreden besluit volgens haar verkeerdelijk stelt dat haar aanvraagformulier dateert van 11 november
- De verwerende partij antwoordt dat er geen betwisting kan zijn dat het bestreden besluit betrekking heeft op de enige aanvraag die de verzoekster heeft ingediend met betrekking tot haar revolver Smith & Wesson. Zij stelt dat de verzoekster niet aantoont op welke wijze dit ertoe leidt dat het bestreden besluit een overtreding vormt van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of een overschrijding of afwending van macht.
- De verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat uit het schrijven van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van VII-37.746-14/16 13 november 2006 en het bestreden besluit niet duidelijk is welke datum voor de verwerende partij valabel is.
- In haar laatste memorie voert de verzoekster aan dat dergelijke fouten niet van aard zijn om de geloofwaardigheid van de motivering te bevorderen. Zij vraagt ten slotte dat de Raad van State zou onderzoeken of de nieuwe voorwaarden voor het verlenen van vergunningen zoals opgelegd in de omzendbrief van 8 juni 2006 met betrekking tot de toepassing van de wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, eenvormig in het gehele land worden toegepast. Beoordeling
- Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de verzoekster zich beperkt tot de stelling dat het bestreden besluit een verkeerde datum zou vermelden met betrekking tot haar aanvraagformulier. Zij geeft niet aan hoe deze gebeurlijk verkeerde vermelding het bestreden besluit aantast en ertoe zou leiden dat het bestreden besluit een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm zou schenden of zou leiden tot machtsoverschrijding of machtsafwending. Zij duidt evenmin een rechtsregel aan die zou zijn geschonden. Het vijfde middel is bijgevolg niet ontvankelijk.
- In de mate de verzoekster in haar laatste memorie vraagt te onderzoeken of de nieuwe voorwaarden voor het verlenen van vergunningen, zoals opgelegd in de genoemde omzendbrief van 8 juni 2006, eenvormig in het gehele land worden toegepast, wordt vastgesteld dat dergelijk onderzoek niet tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort. VII-37.746-15/16 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.746-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div