← België

Arrest 209026 - Penitentiair recht - 19/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.026 Rolnummer: A. 198193/IX-6982 Zaak: Arrest 209026 - Penitentiair recht - 19/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-22 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Fiche Arrest nr 209.026 van 19 november 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 209.026 van 19 november 2010 in de zaak A. 198.193/IX-6982 In zake : Yakoub CISSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Blomme kantoor houdend te Torhout Vredelaan 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, overgemaakt met een faxbericht op 11 november 2010 maar aangetekend ter post verzonden op 15 november 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de beslissing van 9 november 2010 van de directeur van de gevangenis te Brugge waarbij aan Yakoub Cisse de tuchtmaatregel wordt opgelegd van 9 dagen strafcel van 7 tot 16 november 2010 met daarbij aansluitend tot 15 december 2010 een maand strikt regime en vervolgens drie maanden geen gemeenschappelijke eredienst tot 6 februari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. IX-6982-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november 2010, om 11.00 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Koen Blomme, verschijnt voor de verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker ondergaat een gevangenisstraf te Brugge. Hij maakt in zijn verzoekschrift gewag van een door hem neergelegde klacht -“een tweetal maanden geleden”- tegen cipier Nico Maenhout en “een aantal collega’s” “wegens discriminerend en zelfs ronduit racistische uitlatingen en houding”. Van die klacht wordt geen enkel bewijs voorgebracht. 3.
  6. Op 7 november 2010 worden tegen de verzoeker drie tuchtrapporten opgesteld: - In een eerste rapport, opgemaakt door (onleesbaar) Michel, wordt melding gemaakt van volgende feiten, gebeurd op 7 november om 11.30 uur tijdens de mis: “Ordeverstoring tijdens de mis; na meerdere verwittigingen, geen verbetering merkbaar; interventie was uiteindelijk genoodzaakt”. Als getuige van het incident wordt Gerald Vandebroeck vermeld. IX-6982-2/12 - In een tweede rapport, opgemaakt door Maenhout Nico, wordt melding gemaakt van volgende feiten, gebeurd op 7 november om 11.30 uur in “gang cellencomplex”: “Bij het vervroegd terughalen van twee gedetineerde (Soufiane en Cisse) van de mis vroeg Soufiane mij iets aangaande het BAD. Direct gaf Cisse de reactie naar Soufiane toe dat hij niks mag vragen aan mij omdat ik een racist ben volgens Cisse. Dit gebeurde meermaals en zonder aanleiding. Nadien heeft Cisse zich persoonlijk tov mij gericht. Hij zei dat ik een racist was en dat hij mij kapot zou maken. Alsook sprak hij ervoor dat hij een man is en dat hij mij wel zou vinden en kapot maken. Ik heb hierop gerepliceerd dat ik dit op papier zou zetten en dat zijn doodsbedreigingen genoteerd zouden worden!” Als getuigen van het incident worden vermeld: PBAP Seys Peter en PA Lambrecht Jan. Een van hen naamtekent het rapport. - In een derde rapport, opgemaakt door Langbeen Martin, wordt melding gemaakt van volgende feiten, gebeurd op 7 november om 13 uur op 35A: “Tijdens het verlaten van zijn cel om te telefoneren, begon bovenvermelde mij te beledigen en bedreigde hij mij met een zelfgemaakt wapen (2 kousen met glazen potten erin) • Daarop heb ik alarm geduwd en is bovenvermelde op veiligheidscel geplaatst met de noodzakelijke dwang na ons aangevallen te hebben in zijn cel. • Daarbij is er een personeelslid gekwetst.” Nu worden zes getuigen vermeld: PBAP Vandermeersch, PA Lambrecht, PBAP Seys, PBA MAENHOUT, PBA Delaere R. en PBA Ceulenaere. Vier van hen plaatsen hun handtekening op het rapport. 3.
  7. De verzoeker wordt op 7 november 2010 om 13 uur bij voorlopige maatregel op veiligheidscel geplaatst. 3.
  8. Op 9 november 2010 vindt het tuchtverhoor plaats. De verzoeker wordt bijgestaan door zijn raadsman. IX-6982-3/12 Het verslag vermeldt: “De directeur herinnert de gedetineerde aan de ten laste gelegde feiten: Zie rapport aan directeur d.d. 07/11/2010 (x3) Hij geeft het woord aan de gedetineerde/aan zijn advocaat, die verkla(a)r(t)(en): Adv: Er werden twee RAD's van 2 verschillende feiten opgemaakt op precies hetzelfde tijdstip. Dit is technisch niet mogelijk. Betrokkene betwist alles. Betreffende het verstoren van de mis is het zo dat betrokkene vertaalde voor een medegedetineerde. Hierdoor heeft betrokkene problemen gekregen. Betreffende het tweede RAD beweert betrokkene dat de chef Nico Maenhout een racist is. Hij had eerder al problemen met deze chef. Betrokkene legde eerder een klacht neer tegen deze chef maar heeft die nadien ingetrokken. Betrokkene betwist de doodsbedreigingen tov de chef maar bekent dat hij hem een racist noemde. Betreffende het derde RAD betwist betrokkene alles. Betrokkene was aan het bidden maar dit mocht niet. Hij lag op de grond en kreeg hierbij een slag waarbij hij een tand verloor. Hij werd hierbij ook geschopt. Zelfs nadat hij geboeid werd kreeg hij nog slagen. Betrokkene zal voor deze feiten een klacht neerleggen. De kousen die werden gevonden met de glazen potten zijn niet van betrokkene. Betrokkene ontkent het toebrengen van kwetsuren aan de PBA. Betrokkene: Stelt dat hij aan het bidden was en in elkaar werd geslagen. Betrokkene stelt dat hij eerst een gebed wou doen voor de plaatsing in de veiligheidscel. Betrokkene stelt dat het een leugen is dat hij de chefs bedreigde. Betrokkene stelt dat de sok van zijn buurman is en dat hij die moest bijhouden. Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de gedetineerde, van de advocaat: zie voorgaande punt De directeur hoort in aanwezigheid van de gedetineerde volgende getuigen (identiteit en hoedanigheid van de gehoorde getuigen) geen Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de getuige(n) geen De directeur nodigt de gedetineerde uit om zijn laatste opmerkingen mee te delen: geen (…)” 3.
  9. Op 9 november 2010 treft de adviseur-gevangenisdirecteur de thans bestreden beslissing. De verzoeker wordt tuchtrechtelijk gestraft met de maatregel: IX-6982-4/12 “9 dagen strafcel van 07/11/10 om 13u tot en met 16/11/10 om 13u + aansluitend 1 maand strikt tot en met 15/12/10 + 3 maand geen gemeenschappelijk erediensten tot en met 06/02/2011, voorlopige maatregel inbegrepen. (strikt=individuele wandeling, glasbezoek, geen ongestoord bezoek, geen binnenhuisbezoek, geen kinderbezoek, geen werk, eredienst op cel, geen andere gemeenschappelijke activiteiten, geen telefoon (muzv naar advocaat en ombudsman)” Deze beslissing maakt melding van de volgende motieven: “Betrokkene kreeg een ‘Rapport aan Directeur’ voor 1) verstoren mis, 2) doodsbedreigingen tav PBA, 3) fysieke agressie tov personeel Overwegende dat betrokkene de feiten ontkent en ook ernstig minimaliseert. Overwegende dat de RAD’s en de feitelijke vaststellingen nochtans zeer duidelijk zijn. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen worden strenger bewaakt of afgezonderd. (Art. 614 Wetboek van Strafvordering). De gedetineerden moeten gehoorzamen aan de personeelsleden en alles volbrengen wat deze hun opleggen om de orde te handhaven en de reglementen uit te voeren. (Art. 77, Algemeen Reglement Strafinrichtingen) De gedetineerde moet de bevelen of instructies opvolgen van het personeel met betrekking tot de handhaving van de orde en de veiligheid en tot de uitvoering van de reglementen. (Basiswet, art.106 § 2) De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (Art. 106 § 1 van de Basiswet 12.1.2005) Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur zijn bewezen.” 3.
  10. In een attest “medische aandoeningen en aanbevelingen” van 13 november 2010 verklaart de geneesheer van het penitentiair complex te Brugge dat de verzoeker “op dinsdag 9/11 en op woensdag 10/11 door (hem) gezien is”, zonder verdere uitleg. Blijkens de fiche “bezoeken in de strafcel” is hij door de geneesheer gezien voor “verpleging” op 7, 8, 10 en 11 november 2010 en heeft hij op 8 en 10 november 2010 een pijnstiller gekregen. IX-6982-5/12 Op 11 november 2010 zendt de gevangenisdirecteur het volgend bericht aan de procureur des Konings: “Betreft: melding incident - plaatsing strafcel +3 dagen In het kader van art.29 (Boek I - Hoofdstuk IV - afdeling II) van het Wetboek van strafvordering, heb ik de plicht u het volgende te melden: Op datum van 07/11/2010 heeft bovenvermelde gedetineerde daden van fysieke agressie gesteld. Betrokkene verstoorde herhaaldelijk de mis; werd na diverse verwittigingen terug op cel geplaatst. Tijdens deze beweging heeft hij doodsbedreigingen geuit naar beambte Maenhout N. Toen betrokkene toestemming kreeg om te telefoneren bedreigde hij PBAP Langbeen Martin met een voorwerp. Heeft vervolgens verschillende beambten aangevallen en gekwetst: Maenhout Nico (? weken arbeidsongeschikt); V.D.Meersche Michel 3 dagen arbeidsongeschikt; Delaere Rudy en Langbeen Martin (beide min. tot 15/11/10 arbeidsongeschikt) De gedetineerde werd op veiligheidscel geplaatst. Tijdens de hoorzitting ontkent hij alle feiten. Voor deze feiten werd hem een tuchtsanctie van o.a. 9 dagen strafcel opgelegd. Er werd van dit incident geen melding gemaakt aan de lokale politie.” IV. Onderzoek van de vordering
  11. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-6982-6/12 Ernst van de middelen A. Eerste en derde middel Uiteenzetting van de middelen
  12. Volgens het eerste middel zijn de rechten van verdediging van de verzoeker geschonden, doordat de verwerende partij de aangelegenheid niet grondig onderzocht heeft. De gevangenisdirecteur heeft de aan hem gerichte rapporten voor waar aangenomen en geen onderzoek à décharge gevoerd; met name is hij niet ingegaan op de vraag van de verzoeker om beambten die getuigen waren van de incidenten te horen noch op zijn vraag om een geneesheer te laten komen om zijn ernstige kwetsuren te onderzoeken. Er is geen rekening gehouden met het feit dat de rapporten aan de directeur geen enkele verklaring geven voor de ernstige kwetsuren van de verzoeker: hij liep schaafwonden op en is een tand kwijt. In het derde middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet steunt op draagkrachtige motieven. Het besluit stelt enkel dat de rapporten en de feitelijke vaststellingen zeer duidelijk zijn, terwijl de verzoeker de inhoud van die rapporten betwist heeft en de feiten die erin opgenoemd worden betwistbaar zijn omdat er geen enkele vaststelling wordt vermeld omtrent de kwetsuren die hij opgelopen heeft. Er wordt verwezen naar een onderzoek van de zaak, maar dat onderzoek is niet gebeurd of in ieder geval was het beperkt tot het lezen van de rapporten en wordt er niet aangegeven tot welk resultaat dat onderzoek geleid heeft. Beoordeling
  13. Tuchtfeiten worden bewezen met rapporten aan de directeur vanwege degene die ze heeft vastgesteld. Uitgaande van beëdigde ambtenaren in de uitoefening van hun functie bewijzen de rapporten de erin vermelde feiten, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd, die de directeur moet IX-6982-7/12 onderzoeken en beoordelen. De verzoeker betoogt dat in dit geval geen onderzoek gebeurd is, hetgeen hij juridisch vertaalt als de schending van zijn rechten van de verdediging en het ontbreken van een deugdelijke grondslag voor de bestreden beslissing.
  14. De feiten vermeld in de drie rapporten zijn duidelijk: ordeverstoring tijdens de mis en negeren van terechtwijzingen; verwijten van racisme tegenover een penitentiair beambte met doodsbedreiging; beledigingen aan -een ander- penitentiair beambte, bedreiging met een zelfgemaakt wapen (kousen met glazen potten daarin) en een aanval op de beambte. De rapporten vermelden de naam van getuigen en sommigen hebben op het rapport ook getekend, waaruit geredelijk afgeleid mag worden dat zij de verklaring van hun collega, als vermeld, integraal bijvallen. Tijdens zijn verdediging voor de gevangenisdirecteur -de geëigende plaats om alle elementen aan de directeur aan te reiken- heeft de verzoeker de feiten uit het eerste rapport niet betwist: de ordeverstoring tijdens de mis legt hij uit als een vertaling voor een collega. Wat het tweede rapport betreft bekent hij beambte Maenhout voor racist uitgescholden te hebben, maar ontkent hij op dat ogenblik doodsbedreigingen te hebben geuit. Wat het derde rapport betreft betwist hij “alles” en geeft hij een ander relaas: hij stelt dat hij niet mocht bidden, dat hij op de grond lag en een slag gekregen heeft waardoor hij een tand verloor en dat hij ook nog geschopt werd; hij heeft geen slagen toegebracht aan de penitentiair beambte en de kous met de glazen potten erin waren van zijn buurman. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt ook niet dat de verzoeker of zijn raadsman daar gevraagd heeft om één of andere getuige te horen. Hij heeft wel verklaard in het verleden reeds problemen gehad te hebben met beambte Maenhout.
  15. De gevangenisdirecteur heeft de kritiek van de verzoeker naast zich neergelegd. Hij heeft volledige bewijswaarde toegekend aan de drie rapporten. Vraag is dus of de kritiek van de verzoeker tegenindicaties opriep, zodat IX-6982-8/12 er geredelijk twijfel kon rijzen over de juistheid van de rapporten en zij niet zonder nader onderzoek als grondslag voor de tuchtstraf konden worden gebruikt. Een tegenindicatie betreft het tweede rapport: de verzoeker heeft tegenover de directeur gesteld dat hij reeds eerder problemen heeft gehad met beambte Maenhout en in zijn verzoekschrift verwijst hij naar een klacht die hij enkel bij gebrek aan succes “niet doorgezet” zou hebben. De verzoeker slaagt er evenwel ook nu voor de Raad van State niet in die zogenaamde klacht nader te duiden; er worden voorts aan de Raad van State ook geen indicaties verstrekt die, in het algemeen, wijzen op een animositeit van de genoemde beambte tegen de persoon van de verzoeker. Een ander tegenindicatie betreft het derde rapport: Op de tuchtzitting heeft de verzoeker ontkend de chefs bedreigd te hebben en hij heeft, ingaande tegen de vaststelling in het rapport dat hij de cipiers zou aangevallen hebben, daar uiteengezet dat hij zelf een slag gekregen heeft toen hij op de grond lag om te bidden, en ook geschopt te zijn. Om de onjuistheid van het rapport aan te tonen of minstens twijfel te zaaien over die feiten, stelt de verzoeker nu dat het rapport geen melding maakt van de ernstige kwetsuren die hij bij de schermutseling opgelopen heeft. Dienaangaande stelt de Raad van State vast enerzijds dat de verzoeker aan de gevangenisdirecteur verklaard heeft dat hij voor die slagen een klacht zou neerleggen maar dat dit niet gebeurd is en anderzijds dat uit niets blijkt dat de verzoeker effectief zou gevraagd hebben om een dokter te laten komen om zijn letsel vast te stellen; die vaststellingen vergroten de geloofwaardigheid van de argumentatie van de verzoeker zeker niet. En dat in het rapport geen gewag gemaakt wordt van de kwetsuren die de verzoeker zou opgelopen hebben, maar enkel van de kwetsuren van een personeelslid, kan mogelijks ruimte laten voor het vermoeden dat de opsteller van het verslag mogelijks iets te verbergen had, maar dat is een probleem dat buiten deze tuchtzaak een oplossing moet krijgen en dat niet relevant is ten aanzien van het bewijs van het feit dat de verzoeker de cipiers in zijn cel aangevallen en bedreigd heeft. De IX-6982-9/12 directeur diende er geen tegenindicatie in te zien om te gaan twijfelen aan de juistheid van het rapport en dienvolgens een nader onderzoek uit te voeren.
  16. De middelen zijn niet ernstig B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. De verzoeker voert aan dat zijn tuchtzaak behandeld is door een directielid -blijkbaar wordt bedoeld de adviseur-gevangenisdirecteur die het tuchtverhoor geleid heeft en de bestreden beslissing genomen heeft- dat “klaarblijkelijk de levenspartner is van één van de personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de feitelijkheden die lastens verzoeker werden gepleegd”. Wegens deze rechtstreekse band van het directielid met één van de betrokkenen is de tuchtzaak niet eerlijk behandeld. Zo heeft de verzoeker, ondanks zijn vraag tijdens zijn verhoor, nooit een dokter gezien en is er nooit een objectieve en eerlijke beoordeling gebeurd. Een persoon kan niet rechter en partij zijn in een tuchtzaak. Daarover zou een concreet onderzoek moeten gevoerd worden. Beoordeling
  18. De verzoeker verwijt aan de ambtenaar die de bestreden beslissing genomen heeft een partijdig optreden omdat hij zou samenleven met een beambte die bij de zaak van de verzoeker betrokken was. Dergelijke partijdigheid, die een bepaald persoon aangaat, wordt niet vermoed maar moet in elk individueel geval aangetoond worden. Daargelaten de vaststelling dat de verzoeker geen aanwijzingen overlegt die in redelijkheid kunnen doen besluiten dat de adviseur-directeur en een beambte levenspartners zijn, betekent dergelijke relatie op zich nog niet dat de adviseur-directeur zijn tuchtzaak niet met de nodige onpartijdigheid behandeld IX-6982-10/12 heeft. De verzoeker bewijst ter zake niets en uit de bespreking van het eerste en het derde middel is gebleken dat de directeur in de rapporten van de penitentiair beambten, zoals zij hem voorlagen, een afdoende bewijs kon vinden voor de ten laste gelegde feiten, zodat aan de adviseur-directeur ook op dat vlak niet verweten kan worden dat hij zich zonder meer heeft aangesloten bij wat de penitentiair beambte hem voorgelegd had.
  19. Het middel is niet ernstig. V. Besluit
  20. Geen van de door de verzoeker aangevoerde middelen zijn ernstig. De eerste grondvoorwaarde voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is niet vervuld. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. IX-6982-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6982-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.