← België

Arrest 209042 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 22/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.042 Rolnummer: A. 183783/IX-5666 Zaak: Arrest 209042 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 22/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:26 Fiche Arrest nr 209.042 van 22 november 2010 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.042 van 22 november 2010 in de zaak A. 183.783/IX-5666 In zake : Brenda IMBERT wonend te Kalmthout Ganzendries 24 alwaar woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Hectors kantoor houdend te Brasschaat Molenweg 43 tegen : het POLITIECOLLEGE VAN DE POLITIEZONE GRENS 5350 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 3 april 2007 van het politiecollege van de politiezone Essen/Kalmthout/Wuustwezel waarbij de aanvraag van Brenda Imbert om een jaar loopbaanonderbreking te krijgen voor de uitoefening van een zelfstandige activiteit, wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 203.064 van 19 april 2010 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek van de zaak. IX-5666-1/7 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie-Charlotte Vandermeulen, die loco advocaat Paul Hectors verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 203.064 van 19 april
  6. IX-5666-2/7 IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  7. De verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de in de beslissing vermelde motieven slechts verwijzen naar het advies van de juridische dienst, terwijl deze dienst geen onderzoek in concreto gedaan heeft maar enkel aangegeven heeft in welke gevallen een afwijking van het cumulverbod zou kunnen geweigerd worden; er is met andere woorden niet concreet onderzocht of de verzoekster zich in één van die gevallen bevindt, hoewel de toepasselijke omzendbrief zulk concreet onderzoek voorschrijft. In die zin is de motivering niet afdoende, aangezien niet wordt aangegeven hoe de hypothetische onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de verzoekster in het gedrang zou kunnen komen of hoe er een belangenvermenging zou kunnen ontstaan.
  8. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing de redenen bevat waarop ze steunt en dat aldus voldaan is aan de formele motiveringsverplichting. Wat de materiële motiveringsverplichting betreft en de kritiek van de verzoekster dat uit de beslissing niet blijkt dat haar situatie in concreto onderzocht werd, merkt zij op dat het bestuur alle essentiële elementen van de zaak onder ogen gehad heeft, met name dat de verzoekster lid is van het operationeel korps, dat zij zich niet in de administratieve toestand non-activiteit bevond en dat zij bezoldigd zaakvoerster van een bvba is. Er is voorts gesteld dat de functie van winkeluitbater een onverenigbaarheid betreft wegens een hypothetisch gevaar voor belangenvermenging, een gevaar voor schending van de onafhankelijkheid en van de onpartijdigheid. Al die motieven rechtvaardigen de weigering van de toelating en dat de verzoekster met die motieven niet akkoord gaat heeft geen betrekking op de schending van de formele motiveringsplicht: zij kende de motieven en kon zich ertegen verzetten. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het advies van de juridische dienst die volledig op de hoogte was IX-5666-3/7 gesteld van de concrete situatie van de verzoekster; het advies -overgenomen in de bestreden beslissing- verwijst naar het feit dat de verzoekster een zelfstandige activiteit uitoefent en maakt aan de verzoekster duidelijk waarom haar aanvraag geweigerd wordt.
  9. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekster dat de in aanmerking genomen feitelijke gegevens onjuist zijn. Zij stipt aan dat zij de uitbating verzorgt sinds 1 april 2007 en dat de winkel niet in dezelfde wijk gelegen is als deze waarin zij als wijkagent fungeerde. Het in aanmerking nemen van deze verkeerde feitelijkheden en de ontstentenis van onderzoek van het hypothetisch gevaar waarnaar het bestuur verwijst, maakt dat het bestuur een onredelijke beslissing genomen heeft.
  10. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekster dat de motivering niet afdoende is omdat zij niet concreet op haar zaak ingaat en er foutieve feitelijke gegevens in aanmerking genomen zijn. Deze onjuiste elementen, die ook aan de juridische dienst voorgelegd zijn en daar aanleiding gegeven hebben tot een vertekend beeld, zijn naar voor gekomen na inzage van het administratief dossier en zij heeft daar pas in haar memorie van wederantwoord kunnen op wijzen, zodat haar argumentatie ontvankelijk is. Door op de onjuistheid van deze elementen te wijzen wijzigt zij haar middel niet aangezien zij aanvoert dat er geen beoordeling plaatsgevonden heeft die rekening houdt met de concrete omstandigheden waarin zij zich bevindt. Beoordeling
  11. In een e-mail van 29 maart 2007 vraagt de korpschef van de verzoekster met betrekking tot de door haar ingediende aanvraag om loopbaanonderbreking te krijgen voor de uitoefening van een zelfstandige activiteit, aan de juridische dienst van de federale politie of “een inspecteur, tijdens loopbaanonderbreking, een krantenwinkel kan openhouden als zaakvoerder, in de IX-5666-4/7 wijk waar ze voordien actief was als wijkinspecteur?” en of “het aangewezen is om een afwijking op artikel 134/135 te verlenen voor die doeleinden?”.
  12. In het arrest nr. 203.064 van 19 april 2010 is bij de bespreking van het eerste middel -waarin werd nagegaan of de bestreden beslissing het resultaat is van een concreet onderzoek van de situatie van de verzoekster in het licht van artikel 135 WGP en de ministeriële omzendbrief GPI 27- onder punt 15 uiteengezet dat de verwerende partij de aanvraag tot afwijking van het cumulverbod van de verzoekster “op een concrete manier afgehandeld (heeft)”, waarmee bedoeld wordt dat er rekening gehouden is met de concrete omstandigheden waarin de verzoekster verkeerde en die door de korpschef in zijn vraag aan de juridische dienst in herinnering gebracht werden. Er is daar derhalve vastgesteld dat het advies -waarop de bestreden weigering uiteindelijk steunt- toegespitst is op de concrete situatie van de verzoekster zoals de korpschef die aan de juridische dienst had voorgelegd, wat betekent dat de verwerende partij er een draagkrachtig motief kon in vinden voor de bestreden beslissing. In het kader van het tweede middel kan dan ook vastgesteld worden dat de materiële motiveringsplicht niet geschonden is.
  13. In de laatste memorie stelt de verzoekster dat het bestuur -de juridische dienst- verkeerd voorgelicht werd, aangezien zij slechts vanaf 1 april 2007 de zelfstandige activiteit heeft aangevangen en de winkel niet gelegen is in de zone die zij als wijkagent bediende, zodat het verplicht concreet onderzoek niet correct is kunnen gebeuren. Begrepen als een argument dat bij de beoordeling van de deugdelijkheid van de grondslag van de bestreden beslissing mag betrokken worden, stelt de Raad van State thans vast dat uit het advies van de juridische dienst niet blijkt dat die twee gegevens bij het besluitvormingsproces betrokken zijn; integendeel is acht geslagen op de activiteit van de verzoekster als zodanig (winkeluitbater). Met andere woorden, de feitelijke onjuistheden waarnaar de verzoekster verwijst zijn slechts randbemerkingen die geen weerslag hebben op de beoordeling die het bestuur gemaakt heeft; zij houden ook niet het bewijs in dat de bestreden beslissing de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. IX-5666-5/7
  14. In de bestreden beslissing wordt het weigeringsmotief ook verwoord: met name dat volgens het bestuur de regelgeving, die slechts een hypothetisch gevaar voor belangenvermenging of aantasting van de onpartijdigheid of de onafhankelijkheid vereist om de cumulatie te weigeren, zich verzet tegen een toelating aan de verzoekster, politieambtenaar in actieve dienst, om “de hier bedoelde zelfstandige activiteit”, zijnde het uitbaten van een winkel, op te starten. De verzoekster beschikte daarmee over voldoende elementen om zich tegen de bestreden beslissing te verzetten. De verwerende partij heeft de formele motiveringsverplichting niet geschonden.
  15. Het enig nog te onderzoeken middel is niet gegrond. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5666-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5666-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.042 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.