id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.044 Rolnummer: A. 175130/IX-5379 Zaak: Arrest 209044 - Wegverkeer van goederen - 22/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-29 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Fiche Arrest nr 209.044 van 22 november 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.044 van 22 november 2010 in de zaak A. 175.130/IX-5379 In zake :
- de BVBA DECROIX
- Kurt DECROIX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 6 juni 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Kurt DECROIX een administratieve geldboete wordt opgelegd van 4.125 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en de BVBA DECROIX burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die boete. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-5379-1/22 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrik De Maeyer, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 13 oktober 2005 wordt een vrachtwagen, bestuurd door de tweede verzoeker, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Kruishoutem. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 36,7 % op de tweede as van het voertuig. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna: Aslastendecreet). 3.
- Op 10 november 2005 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Oudenaarde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt meegedeeld dat het parket geen vervolging zal instellen. 3.
- Op 19 december 2005 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de tweede verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de IX-5379-2/22 betaling van die boete. Deze beslissing wordt dezelfde dag aan de verzoekende partijen toegezonden. 3.
- Op 2 januari 2006 wordt namens de verzoekende partijen verzet aangetekend tegen die beslissing van de wegeninspecteur-controleur. 3.
- Op 22 februari 2006 worden de verzoekende partijen, vertegen- woordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 3.
- Op 15 maart 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de tweede verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen. Tevens wordt beslist de eerste verzoekende partij niet burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.
- Met een aangetekende brief van 21 maart 2006 wordt namens de tweede verzoeker beroep ingesteld tegen die beslissing bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 11 april 2006 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de tweede verzoeker een conclusie wordt ingediend. 3.
- Op 6 juni 2006 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur ontvankelijk doch ongegrond is. Dienvolgens wordt aan de tweede verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro opgelegd en wordt de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van die boete. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 8 juni 2006 aan de verzoekende partijen toegezonden. IX-5379-3/22 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen onder meer de schending aan van de rechten van verdediging, doordat de eerste verzoekende partij in de bestreden beslissing burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete, terwijl tegen de beslissing van 15 maart 2006 van de wegeninspecteur-controleur enkel beroep werd aangetekend door de tweede verzoeker en de eerste verzoekende partij niet werd uitgenodigd noch gehoord op de hoorzitting in beroep. Aldus werd de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld in een beroepsprocedure waarin zij niet betrokken was en waarbij zij geen belang had, nu zij in eerste aanleg niet burger- rechtelijk aansprakelijk werd gesteld.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij dat de eerste verzoekende partij zich niet zou hebben kunnen verdedigen inzake haar burgerrech- telijke aansprakelijkheid voor het optreden van de tweede verzoeker. Uit het beroepschrift van 21 maart 2006 zou immers blijken dat het administratief beroep werd ingesteld door beide verzoekende partijen. Beoordeling
- Op 15 maart 2006 heeft de wegeninspecteur-controleur in eerste aanleg beslist aan de tweede verzoeker een administratieve geldboete van 4.125 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij niet burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Zoals blijkt uit het beroepschrift van 21 maart 2006 en uit de conclusie in beroep, is het administratief beroep tegen deze beslissing van de wegeninspecteur-controleur enkel ingesteld door de tweede verzoeker. De minister heeft in beroep de administratieve geldboete van 4.125 euro, opgelegd aan de tweede verzoeker, bevestigd, maar ook beslist de eerste IX-5379-4/22 verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. De minister was evenwel enkel gevat van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete aan de tweede verzoeker, en kon dus geen uitspraak doen over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eerste verzoekende partij. Het administratief beroep, ingesteld door de tweede verzoeker, was immers niet gericht tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur om de eerste verzoekende partij niet burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de boete. Dit blijkt uit het feit dat in de conclusie in beroep met geen woord wordt gerept over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en in de conclusie in verzet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eerste verzoekende partij integendeel wordt betwist. Bijgevolg zijn niet enkel de rechten van verdediging van de eerste verzoekende partij geschonden, maar werd ook de devolutieve werking van het administratief beroep miskend. Het middel is gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). De verzoekende partijen wijzen erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegdekbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegdekbeschadiging veroorzaakt wordt door overlading in de zin van artikel 18, §§ 1 en 2, of artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: het Technisch Reglement). Zij merken op dat het Arbitragehof (thans het Grondwette- IX-5379-5/22 lijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadi- ging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen, maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan het vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwetsconforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbescha- diging ingesteld. Omdat, zo stellen de verzoekende partijen, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting
- In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadiging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegdekbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoekende partijen besluiten hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegdekbe- schadiging helemaal niet opgaat, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegdekbeschadiging kan worden afgeleid uit overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegdekbeschadiging. Zij merken op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdekbescha- diging. De verzoekende partijen wijzen er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegdekbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar IX-5379-6/22 verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg van het wegdek. De verzoekende partijen menen dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Aangezien ook andere factoren een rol spelen, is het mogelijk dat een overladen voertuig andere schade veroorzaakt, naargelang de aard van de ondergrond, de bandendruk of de banden van het voertuig, en toch dezelfde bestraffing wordt opgelegd. Bovendien kan men zich afvragen of een voertuig dat net boven de grens van 5 % overladen is, niet dezelfde schade kan toebrengen als een voertuig dat met 4,9 % overladen is. Volgens de verzoekende partijen moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat bepaald wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003, stellen de verzoekende partijen dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadi- ging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet bepaald, het door het Grondwettelijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hen dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadi- ging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?” De verzoekende partijen vragen dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundigenonderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadi- ging door overlading.
- De verwerende partij antwoordt dat zowel het Grondwettelijk Hof als het Hof van Cassatie bevestigd hebben dat het Aslastendecreet de overschrijding IX-5379-7/22 van de maximaal toegelaten massa onder de assen strafbaar stelt omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengt. Zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof erkennen aldus de wetenschappelijke stelling dat overladen voertuigen schade aan het wegdek veroorzaken. Het bestaan van eventuele externe factoren doet hieraan geen afbreuk, aldus de verwerende partij.
- De verzoekende partijen repliceren dat de Raad van State ertoe gehouden is een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Uit artikel 26, § 2, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof volgt immers dat de Raad van State een prejudiciële vraag enkel kan weigeren ofwel om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, ofwel omdat het Hof zich reeds over dezelfde vraag heeft uitgesproken. De verzoekende partijen merken op dat in zijn arrest van 11 juni 2003 het Grondwettelijk Hof zich niet heeft uitgesproken over de redelijkheid van het vermoeden van wegdekbeschadiging in zoverre het oorzakelijk verband tussen wegdekbeschadiging en overlading beïnvloed wordt door andere factoren. De verzoekende partijen stellen vast dat de verwerende partij geen gevolg heeft gegeven aan hun verzoek om desbetreffend de nodige wetenschappelij- ke stukken voor te leggen. Zij herhalen hun vraag om, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundigenonderzoek te bevelen. Beoordeling
- De verzoekende partijen beogen de grondwettigheid van artikel 56 van het Aslastendecreet na te gaan door aan het Grondwettelijk Hof de in hun verzoekschrift geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aangaande het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading dat aan die bepaling ten grondslag ligt. Een identieke prejudiciële vraag als door de verzoekende partijen wordt geformuleerd, werd door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof gesteld in het arrest Lootens, nr. 196.325 van 24 september 2009 (de zaak A. 177.453/IX-5445). Die vraag, zoals in het arrest geherformuleerd, luidt als volgt: “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond IX-5379-8/22 onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadi- ging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: “B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.
- Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.
- Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). B.4.
- Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. B.4.
- Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscen- trum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.
- Artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden ‘een overschrijding van de maximale IX-5379-9/22 toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwa- gens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vervangen door de woorden ‘zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt’. B.5.
- Die wijziging werd als volgt verantwoord : ‘De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). B.
- Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.
- Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbe- schadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” IX-5379-10/22 Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Gelet op het aangehaalde arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010, dient de prejudiciële vraag van de verzoekende partijen niet te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Gelet op de inhoud van voornoemd arrest is er geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te bevelen en evenmin om aanvullende stukken te doen neerleggen door de verwerende partij. Als rechtscollege dat de prejudiciële vraag stelt is de Raad van State krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof gebonden door het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe bijkomende onderzoeksmaatregelen te bevelen, die finaliter beogen om de inhoud van voornoemd arrest van het Grondwettelijk Hof in vraag te stellen. Ten slotte stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partijen het vermoeden van wegdekbeschadiging niet weerleggen. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM en machtsoverschrijding “ingevolge juridisch onaanvaardbare motivatie”. Zij betogen dat de inbreuk werd vastgesteld met een asdrukweger die moet beschouwd worden als een niet-automatisch weegwerktuig in de zin van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen. Voor de bediening van de asdrukweger is immers de tussenkomst van een operator noodzakelijk. De asdrukwegers behoren tot de categorie niet-automatische weegwerktuigen vermeld IX-5379-11/22 in artikel 1, § 2, a, van dit besluit en moeten derhalve voldoen aan de artikelen 3, 4, 5, 8, 9, §§ 1 en 3, 11 en 14 van dit besluit en aan de EG-typekeuring. Volgens de verzoekende partijen zijn de asdrukwegers die door de Vlaamse overheid gebruikt worden, daar zij niet geschikt zijn voor commerciële doeleinden, nog minder geschikt voor gerechtelijke doeleinden en kan de bestreden beslissing niet steunen op vaststellingen die met dergelijke asdrukwegers zijn gedaan.
- De verwerende partij antwoordt dat de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest gebruikt worden automatische weegwerktuigen zijn, zodat het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen niet van toepassing is. Bij het dynamisch wegen van voertuigen aan de hand van een asdrukweger is immers geen enkele tussenkomst nodig van de operator. De verwerende partij zet uiteen dat de wetgeving inzake ijking vervat is in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen. Artikel 12 van deze wet bepaalt dat metingen in het economisch verkeer moeten gebeuren aan de hand van geijkte meetwerktuigen. De Koning kan evenwel het gebruik van geijkte meetwerk- tuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 is een voorbeeld waarbij de Koning de regeling inzake ijking heeft uitgebreid buiten het economisch verkeer. De asdrukweger die gebruikt wordt door het Vlaamse Gewest, dient volgens de verwerende partij te worden beschouwd als een automatisch werkend weegwerktuig dat gebruikt wordt buiten het economisch verkeer. Bijgevolg is noch het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, noch de wet van 16 juni 1970 op deze asdrukweger van toepassing. Bovendien merkt de verwerende partij op dat de asdrukwegers van het Vlaamse Gewest op vrijwillige basis en, zoals aangeraden in het verslag van de metrologische controle, om de twee jaar onderworpen worden aan een metrologische controle, hetgeen de correctheid van het toestel in voldoende mate garandeert.
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaar- den en de meetwerktuigen, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het Aslastendecreet. Daartoe, zo stellen de verzoekende partijen, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest IX-5379-12/22 worden gebruikt automatische dan wel niet-automatische weegtoestellen zijn. Indien de asdrukweger een niet-automatisch weegtoestel is, kan deze immers bij gebrek aan ijking niet wettig worden gebruikt om controles op de naleving van het Aslasten- decreet uit te voeren. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktui- gen wordt onder niet-automatisch weegwerktuig een weegwerktuig verstaan waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. De asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt zijn volgens de verzoekende partijen niet-automatische weegtoestellen, aangezien bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Het voertuig dient immers te worden bestuurd en met constante snelheid over de asdrukweger te rijden. De wegeninspecteur dient het toestel aan te zetten en de nodige gegevens over het te wegen voertuig in de computer in te voeren. Hij beschikt daartoe over een lijvige handleiding die uiteraard niet nodig zou zijn indien alles automatisch zou gebeuren. Volgens de verzoekende partijen kan dus niet betwist worden dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die geijkt dienen te worden om controles op de naleving van het Aslastendecreet te kunnen uitvoeren. Beoordeling
- Artikel 12 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenhe- den, de meetstandaarden en de meetwerktuigen luidt als volgt: “§
- Metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveel- heid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. §
- Metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. §
- De Koning kan de toepassing van § 1 verruimen tot andere metingen in het economisch verkeer. §
- De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.” Hoofdstuk II van die wet bevat een afdeling 3 “Ijking van de meetwerktuigen”, die luidt als volgt: “Art.
- Ijkverrichtingen van meetinstrumenten bestaan uit : a) het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring; b) de eerste ijk; c) de herijk. IX-5379-13/22 Deze verrichtingen blijken uit het aanbrengen van ijkmerken of -tekens of uit het afgeven van attesten. De Koning kan andere ijkverrichtingen bepalen. Art.
- Om goedgekeurd te worden, moet het model zo zijn samengesteld dat de meetwerktuigen die naar dit model zijn vervaardigd, voldoen aan de voorschriften overeenkomstig artikel 15 voor die werktuigen bepaald. Is het model goedgekeurd, dan wordt aan de aanvrager een goedkeuringsat- test afgeleverd, tevens wordt hem ofwel een modelgoedkeuringsteken toegekend wanneer de overeenkomende meetwerktuigen niet zijn vrijgesteld van de eerste ijk, ofwel modelgoedkeuringsmerken afgeleverd wanneer deze meetwerktuigen vrijgesteld zijn van de eerste ijk. Degene in wiens naam het attest waarvan sprake is in de vorige paragraaf is opgesteld, is met uitsluiting van ieder ander gemachtigd het toegekend teken of de afgeleverde merken, bedoeld in de vorige paragraaf, aan te brengen op de meetwerktuigen en uitsluitend op die welke zijn vervaardigd naar het model waarop het teken of het merk betrekking hebben. Art.
- De eerste ijk bestaat in een onderzoek naar de conformiteit van een meetwerktuig met de wettelijke eisen. In bevestigend geval worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art.
- De herijk bestaat in een onderzoek of een werktuig dat de eerste ijk heeft ondergaan, nog aan de wettelijke eisen voldoet. In bevestigend geval, worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art.
- In de gevallen en onder de voorwaarden welke Hij vaststelt, kan de Koning bepaalde meetwerktuigen vrijstellen ofwel van het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring, ofwel van de eerste ijk en van de herijk, ofwel van de herijk. Art.
- De Koning kan de meetwerktuigen onderwerpen aan een technische controle om na te gaan of die werktuigen aan de wettelijke eisen voldoen en of zij zich in goede staat bevinden. In bevestigend geval worden één of meer goedkeuringstekens aangebracht of wordt een attest afgegeven. Art.
- §
- De Koning bepaalt de nadere regelen voor de modelgoed- keuring voor de eerste ijk, voor de herijk en voor de technische controle. Hij bepaalt het model van de merken en attesten. §
- Hij bepaalt welke hulpmiddelen en medewerking de belanghebbende moet verschaffen bij de ijkverrichtingen. §
- De Koning kan bepalen dat, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, de meetwerktuigen afkomstig uit de lid-Staten, ondertekenaars van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, voor de toepassing van deze wet kunnen aangezien worden als geijkt, wanneer zij voldoen, hetzij aan de wettelijke bepalingen van de betrokken lid-Staat, hetzij aan richtlijnen uitgaande van een bevoegd uitvoeringsorgaan, opgericht krachtens deze verdragen en IX-5379-14/22 bovendien voorzien zijn van de geldige merken of tekens, opgelegd door de lid-Staat of voorzien in de richtlijnen. Art.
- Bij de goedkeuring van een model, de aflevering van goedkeurings- merken, de eerste ijk en de herijk kan een ijkloon worden geïnd. De Koning bepaalt het bedrag en de wijze van de inning van dat ijkloon. De wettelijke beschikkingen betreffende betwistingen, opvorderingen, vervolgingen en voorrechten inzake belastingen ten voordele van de Staat, zijn toepasselijk op het krachtens deze wet bepaalde ijkloon.”
- Artikel 12, § 4, van de wet van 16 juni 1970 machtigt de Koning om het gebruik van geijkte meetwerktuigen op te leggen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen bepaalt dat de niet- automatische weegwerktuigen, waaronder deze ter bepaling van de massa voor het berekenen van een boete (artikel 1, § 2, a, 2/) of ter bepaling van de massa voor de toepassing van wetten en wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen (artikel 1, § 2, a, 3/), onderworpen zijn aan de algemene voorschriften betreffende de herijk en de technische controle van de meetwerktuigen alsmede aan de bijzondere voorschriften bepaald in dat besluit (artikel 4). Luidens artikel 1, § 1, van dit besluit wordt onder niet-automatisch weegwerktuig verstaan een weegwerktuig waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Luidens de bijlage MI-006 van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten is een automatisch weegwerktuig een instrument dat de massa van een product bepaalt zonder tussenkomst van een bedienaar en een vooraf bepaald programma van automatische processen volgt die kenmerkend zijn voor het instrument. De asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld, is van het merk Central Weighing Limited, type Supaweigh II en meet de massa onder de assen terwijl het voertuig met constante snelheid over de asdrukweger rijdt. Volgens de Internationale Aanbeveling R 134-1 “Automatic instruments for weighing road vehicles in motion and measuring axle loads” van 2006 van de Internationale Organisatie voor Wettelijke Metrologie is dergelijk meettoestel een automatisch weegwerktuig. De in die aanbeveling gehanteerde definitie van een automatisch IX-5379-15/22 weegwerktuig is identiek aan deze in het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen is derhalve niet van toepassing op de door de Vlaamse overheid gebruikte asdrukweger.
- De verzoekende partijen stellen verder dat, nu de betrokken asdrukweger niet geschikt is voor commerciële doeleinden, hij evenmin geschikt is voor gerechtelijke doeleinden. Uit de “Handleiding bij de weegapplicatie voor de asdrukwegers van de Vlaamse Gemeenschap” blijkt evenwel dat de asdrukweger niet voor commerciële doeleinden kan worden gebruikt, omdat het te wegen voertuig slechts gedeeltelijk op het weegplatform kan worden geplaatst, terwijl voor commerciële doeleinden het voertuig volledig op het weegoppervlak moet worden geplaatst. De ongeschiktheid van de asdrukweger voor commerciële doeleinden heeft derhalve niets te maken met een eventuele onnauwkeurigheid van het toestel. Wat de betrouwbaarheid van de gebruikte asdrukweger betreft, wordt er in het proces-verbaal van 13 oktober 2005 op gewezen dat deze door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid werd getest op 17 juni
- Het is bijgevolg niet bewezen dat de overlading van het voertuig niet correct werd vastgesteld.
- Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 59, § 2, en 59bis van het Aslastendecreet en van de motive- ringsplicht. IX-5379-16/22 Zij wijzen erop dat de tweede verzoeker zowel voor de wegenin- specteur-controleur als in graad van beroep gevraagd heeft om verzachtende omstandigheden aan te nemen of de administratieve geldboete op te leggen met uitstel. De wegeninspecteur-controleur heeft dit verzoek verworpen om redenen die verband houden met het gedrag van de eerste verzoekende partij. Volgens de verzoekende partijen kunnen de verzachtende omstandigheden of het uitstel echter enkel beoordeeld worden in hoofde van de overtreder zelf. De beslissing in beroep is dienaangaande niet gemotiveerd, zodat moet worden aangenomen dat de onwettige motivering werd hernomen.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is voor zover de beslissing van de wegeninspecteur-controleur wordt betwist. Tegen die beslissing werd immers beroep ingesteld, wat heeft geleid tot de bestreden beslissing. De verwerende partij zet vervolgens uiteen dat de decreetgever ervoor heeft geopteerd om een progressieve geldboete in te voeren die stijgt naarmate de overlading groter wordt. Daarbij wordt een tolerantie van 5 % toegepast. Wanneer de bestuurder over geen technische middelen beschikt om zijn voertuig te wegen, wordt van de bestuurder verwacht dat hij een zekere marge in acht neemt om het risico op overlading uit te sluiten. De mogelijkheid om verzachtende omstandigheden aan te nemen of uitstel toe te kennen, is geen recht maar een gunst. Rekening houdend met de omvang van de overlading en de daarmee gepaard gaande beschadiging van het wegdek, is de bestreden beslissing volgens de verwerende partij verantwoord.
- In hun memorie van wederantwoord betwisten de verzoekende partijen dat het middel enkel zou zijn gericht tegen de beslissing van de wegen- inspecteur-controleur. Het middel betreft het gebrek aan motivering van de bestreden beslissing met betrekking tot de door de verzoekende partijen tijdens de beroepsprocedure geformuleerde opmerkingen nopens de manifest onwettige motivering, waarmee het verzoek om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, door de wegeninspecteur-controleur werd afgewezen. IX-5379-17/22 De verzoekende partijen betwisten niet dat het aannemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel een gunst is, maar zij menen dat wanneer een duidelijk gemotiveerd verzoek wat deze gunst betreft wordt geformuleerd het manifest onwettig is daarop niet te antwoorden. Het is niet omdat het een gunst betreft dat de motiveringsvereiste moet worden genegeerd. Dit geldt des te meer, nu de afwijzing van het verzoek door de wegeninspecteur-controleur op een onwettige motivering was gesteund.
- In hun laatste memorie merken de verzoekende partijen nog op dat zij in graad van beroep niet enkel het gebrek aan antecedenten in hoofde van de tweede verzoeker in de referteperiode hebben aangevoerd, maar het volledig ontbreken van antecedenten in zijnen hoofde. Beoordeling
- Artikel 59, § 2, van het Aslastendecreet, zoals gewijzigd bij decreten van 22 december 1999 en 24 juni 2005, luidt als volgt: “§
- Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. Als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de wegeninspec- teur-controleur of de Vlaamse Regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen. Als een overtreder binnen de positieve referteperiode opnieuw een inbreuk op artikel 56 pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de minimumgeldboete overeenkomstig de overlading zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen.” Artikel 59bis, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet, ingevoegd bij decreet van 24 juni 2005, luidt: “§
- De wegeninspecteur-controleur kan, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. §
- Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op basis van dit decreet.” IX-5379-18/22 De begrippen positieve en negatieve referteperiode worden in artikel 55bis, 7/ en 8/, van het Aslastendecreet als volgt omschreven: “7/ positieve referteperiode : periode van één jaar die volgt op de datum waarop een inbreuk gepleegd werd die achteraf aanleiding gegeven heeft tot het opleggen van een administratieve geldboete of een strafrechtelijke sanctie; 8/ negatieve referteperiode : periode van één jaar die voorafgaat aan de datum waarop een inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot het opleggen van een administratieve geldboete waarin uitstel wordt toegekend.”
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een “afdoende” wijze. Het belangrijkste doel van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering is dat de betrokkene in de hem betreffende akte zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, zodat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatiebe- roep te bestrijden. De verplichting tot het motiveren van individuele bestuurshande- lingen heeft een beperktere draagwijdte dan de motiveringsverplichting die geldt voor jurisdictionele beslissingen, opgelegd door artikel 149 van de Grondwet. In de beslissing moet immers niet op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd afzonderlijk worden geantwoord. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Wanneer de betrokkene verzachtende omstandigheden inroept of erom verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, dient derhalve uit de motivering te blijken waarom op het verzoek van de betrokkene niet werd ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval verzachtende omstandigheden aan te nemen of geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. IX-5379-19/22
- Zowel in eerste aanleg als in beroep heeft de tweede verzoeker gevraagd om verzachtende omstandigheden aan te nemen dan wel gedeeltelijk uitstel van de betaling van de administratieve geldboete toe te kennen. In de beroepsconclu- sie tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur heeft de tweede verzoeker het volgende geschreven: “Het vernieuwde Aslastendecreet voorziet de mogelijkheid om de admini- stratieve geldboete ofwel gedeeltelijk met uitstel op te leggen ofwel te verlagen door de toepassing van verzachtende omstandigheden. Daarbij geldt, wat het uitstel betreft, de voorwaarde van ontbreken van veroordeling of negatieve geldboete in de negatieve referte periode enkel en alleen ten overstaan van de chauffeur, die immers overtreder is in de zin van art. 55bis van het Aslastendecreet. Concluant verzocht daarbij, net gelet op het ontbreken van antecedenten in hoofde van de eerste concluant (stuk
- concluante), dat minstens de helft van de administratieve geldboete met uitstel wordt opgelegd dan wel dat de administratieve geldboete wordt beperkt tot minstens de helft in toepassing van verzachtende omstandigheden. Concluant wees er op dat de helft van het bedrag overeenstemt met het bedrag, dat bij een strafrechtelijke veroordeling bij de gemeenrechtelijke rechtbanken zou worden opgelegd als bijdrage en dus klaarblijkelijk overeen- stemt met de toegebrachte schade. Hierop wordt evenwel in de bestreden beslissing niet ingegaan, behalve dan dat wordt opgemerkt dat geen elementen zouden zijn aangereikt waaruit zou blijken dat er door de rechtspersoon maatregelen zouden zijn genomen om overlading in de toekomst te vermijden ... De uitleg is manifest onwettig, nu het bestaan van verzachtende omstandig- heden of het toekennen van uitstel enkel en alleen kan beoordeeld worden in hoofde van de overtreder zelf en niet in hoofde van de rechtspersoon, te meer daar deze ter zake buiten zake werd gesteld !” Uit deze uiteenzetting blijkt dat “het ontbreken van antecedenten” het enige argument is dat door de tweede verzoeker wordt ingeroepen om vermindering van de administratieve geldboete wegens verzachtende omstandighe- den of uitstel van de betaling te verkrijgen.
- Overeenkomstig het aangehaalde artikel 59, § 2, van het Aslastendecreet is het tarief van de administratieve geldboete gelijk aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen en kan de administratieve geldboete worden verdubbeld als een overtreder binnen de positieve referteperiode opnieuw een inbreuk op artikel 56 pleegt. IX-5379-20/22 Uit die bepalingen blijkt dat het ontbreken van antecedenten in het voorafgaand jaar reeds tot een mildere bestraffing leidt. Het ontbreken van antecedenten kan dan ook op zich moeilijk als een verzachtende omstandigheid worden beschouwd die zou toelaten een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen op te leggen. Er anders over oordelen zou erop neerkomen dat eenieder die niet voor verdubbeling van de administratieve geldboete in aanmerking komt, verzachtende omstandigheden zou kunnen inroepen. Overeenkomstig artikel 59bis, § 2, van het Aslastendecreet kan het geheel of gedeeltelijk uitstel van de betaling van de administratieve geldboete enkel worden toegestaan als in de negatieve referteperiode geen andere administra- tieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op basis van dit decreet. Uit die bepaling blijkt dat het ontbreken van antecedenten die in het voorafgaand jaar tot een administratieve geldboete of veroordeling hebben geleid een absolute minimumvoorwaarde is om uitstel van betaling van de administratieve geldboete te kunnen verkrijgen. Het ontbreken van antecedenten kan dan ook op zich niet volstaan om uitstel van betaling te verkrijgen. Er anders over oordelen zou er immers op neerkomen dat aan eenieder die aan de minimumvoorwaarde voldoet uitstel van betaling zou moeten worden toegekend.
- Aangezien door de tweede verzoeker geen specifieke redenen werden aangevoerd om verzachtende omstandigheden aan te nemen of uitstel van betaling toe te staan, kan aan de verwerende partij niet ten grieve worden geduid dat zij in de motivering van de bestreden beslissing niet op het desbetreffend verzoek van de tweede verzoeker is ingegaan. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 6 juni 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur voor zover de BVBA DECROIX burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete van 4.125 euro opgelegd aan Kurt IX-5379-21/22 DECROIX wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De tweede verzoeker en de verwerende partij worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5379-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.