← België

Arrest 209052 - Wegverkeer van goederen - 22/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.052 Rolnummer: A. 192474/IX-6347 Zaak: Arrest 209052 - Wegverkeer van goederen - 22/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-29 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-07-01 09:57 Fiche Arrest nr 209.052 van 22 november 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.052 van 22 november 2010 in de zaak A. 192.474/IX-6347 In zake :

  1. Karl WERBROUCK
  2. de NV TRANSPORT ERIK VANDENBROUCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij het Agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 16 april 2009, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 16 februari 2009 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij aan Karl WERBROUCK een administratieve geldboete wordt opgelegd van 825 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en de NV TRANSPORT ERIK VANDENBROUCKE burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die boete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-6347-1/29 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  5. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Poppe, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur, jurist Koenraad Vanschoren, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 24 april 2008 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de eerste verzoeker voor rekening van de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg N50 te Ingelmunster. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 12,6 % op de tweede as van de trekker. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna: Aslastendecreet). 3.
  8. Op 2 juni 2008 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Kortrijk met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt medegedeeld dat het parket geen vervolging zal instellen. 3.
  9. Op 13 augustus 2008 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoeker een administratieve geldboete van 1.650 euro op te leggen en IX-6347-2/29 de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Met brieven van dezelfde datum worden de verzoekende partijen in kennis gesteld van die beslissing. 3.
  10. Op 26 augustus 2008 wordt namens de verzoekende partijen verzet aangetekend tegen die beslissing van de wegeninspecteur-controleur. 3.
  11. Op 7 oktober 2008 worden de verzoekende partijen, vertegen- woordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 3.
  12. Op 20 oktober 2008 beslist de wegeninspecteur-controleur aan de eerste verzoeker een administratieve geldboete van 825 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.
  13. Met een aangetekende brief van 13 november 2008 wordt namens de verzoekende partijen beroep ingesteld tegen die beslissing bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 7 januari 2009 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de verzoekende partijen een verweernota wordt ingediend. 3.
  14. Op 16 februari 2009 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur aan de eerste verzoeker een administratieve geldboete van 825 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechte- lijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 20 februari 2009 aan de verzoekende partijen toegezonden. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  15. De verwerende partij heeft laattijdig haar memorie van antwoord en het administratief dossier ingediend. IX-6347-3/29 Overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden de door de verzoekende partijen aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn. Overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de memorie van antwoord ambtshalve uit de debatten geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  16. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 60, §§ 2 en 3, van het Aslastendecreet, waarin vervaltermijnen voor het opleggen van de administratieve geldboete worden voorgeschreven. De verzoekende partijen betogen dat zij zowel bij de procedure in verzet als in beroep uitdrukkelijk en schriftelijk woonstkeuze hebben gedaan bij hun raadsman. Noch in graad van verzet, noch in graad van beroep ligt evenwel een bewijs voor van geldige verzending aan de gekozen woonplaats. Aldus menen de verzoekende partijen dat geen tijdige betekening heeft plaatsgevonden overeenkom- stig voormeld artikel 60, §§ 2 en 3, waardoor de administratieve geldboete vervallen is.
  17. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de vermelding van dezelfde referenties op de antwoordkaart en het begeleidend schrijven geenszins het bewijs levert dat alle beslissingen wel degelijk in de ene omslag zaten. Op die wijze reageren zij op de opmerking van de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat, enerzijds, uit de antwoordkaart die de referentie vermeldt van het begeleidend schrijven bij de beslissing van de wegeninspecteur-controleur in verzet, de ontvangst blijkt van die beslissing aan de gekozen woonplaats op 9 oktober 2008 (lees: 21 oktober 2008) en, anderzijds, uit de antwoordkaart die de referentie vermeldt van het begeleidend schrijven bij de bestreden beslissing, de ontvangst blijkt van die beslissing aan de gekozen woonplaats op 21 februari
  18. IX-6347-4/29 Verder stellen de verzoekende partijen dat de beweerde inhoud van het begeleidend schrijven op geen enkele wijze een bewijs vormt van de verzending zelf. Beoordeling
  19. Overeenkomstig artikel 60, § 2, van het Aslastendecreet kan binnen de dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de wegeninspec- teur-controleur tot het opleggen van een administratieve geldboete verzet worden aangetekend tegen die beslissing. Als tijdig verzet werd aangetekend, worden de overtreder en in voorkomend geval de onderneming uitgenodigd op een hoorzitting. Aangaande de beslissing van de wegeninspecteur-controleur na verzet, bepaalt artikel 60, § 2, laatste lid, het volgende: “Na de hoorzitting, ongeacht of de overtreder, de onderneming of de vertegenwoordigende raadsman die al dan niet heeft bijgewoond, neemt de wegeninspecteur-controleur de zaak onmiddellijk in beraad. De beslissing wordt met redenen omkleed. De wegeninspecteur-controleur deelt, met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, zijn beslissing mee aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen dertig dagen na de hoorzitting. Zo niet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.” De wegeninspecteur-controleur dient zijn beslissing derhalve, op straf van verval, binnen dertig dagen na de hoorzitting met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming mee te delen. In de conclusie die door de verzoekende partijen tijdens de hoorzitting op 7 oktober 2008 werd neergelegd, deden de verzoekende partijen woonplaatskeuze bij hun raadsman. Uit de begeleidende brief die zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat zes beslissingen van de wegeninspecteur-controleur, waaronder zijn beslissing ingevolge het verzet van de verzoekende partijen, op 20 oktober 2008 “aangetekend met ontvangstmelding” aan de gekozen woonplaats van de verzoeken- de partijen werden verzonden. Hoewel de verwerende partij zich klaarblijkelijk vergist door te wijzen op een antwoordkaart waaruit de ontvangst blijkt aan de gekozen woonplaats van een omslag op 9 oktober 2008, wordt het bestaan van de antwoordkaart, waarop de referentie van voormelde begeleidende brief is vermeld, IX-6347-5/29 door de verzoekende partijen niet betwist. Voorts blijkt dat de verzoekende partijen tijdig, op 13 november 2008, het beroep bij de Vlaamse regering hebben ingesteld. Aldus mag worden aangenomen dat de beslissing van de wegeninspecteur- controleur in voorliggend dossier, binnen dertig dagen na de hoorzitting, aangete- kend tegen ontvangstbewijs aan de gekozen woonplaats van de verzoekende partijen werd medegedeeld. Het is daarbij zonder belang dat verschillende beslissingen onder eenzelfde briefomslag aan de gekozen woonplaats werden verzonden. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag voor zover de schending van artikel 60, § 2, van het Aslastendecreet wordt aangevoerd.
  20. Overeenkomstig artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet kan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de dertig dagen na de ontvangst van de beslissing die door de wegeninspecteur-controleur na verzet werd genomen in beroep gaan bij de Vlaamse regering. Als tijdig beroep werd aangete- kend, worden de overtreder en in voorkomend geval de onderneming uitgenodigd op een hoorzitting. Aangaande de kennisgeving van de beslissing in beroep bepaalt artikel 60, § 3, laatste lid, het volgende: “Als er geen beslissing van de Vlaamse Regering of de ambtenaar, aangewezen overeenkomstig § 4, ter kennis is gebracht van de overtreder en in voorkomend geval van de onderneming, per aangetekende brief met ontvangst- bewijs binnen een termijn van vier maanden nadat het beroep is ingesteld, vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.” Uit de begeleidende brief die zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat twaalf beslissingen van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waaronder de bestreden beslissing, op 20 februari 2009 “aangetekend met ontvangstmelding” aan de gekozen woonplaats van de verzoekende partijen werden verzonden. Het bestaan van de antwoordkaart, waarop de referentie van die begeleidende brief is vermeld en waaruit de ontvangst blijkt aan de gekozen woonplaats van een omslag op 21 februari 2009, wordt door de verzoekende partijen niet betwist. Aldus mag worden aangenomen dat de bestreden beslissing, binnen vier maanden na het instellen van het administratief beroep op 13 november 2008, aangetekend tegen ontvangstbewijs aan de gekozen woonplaats van de verzoekende partijen werd medegedeeld. Het is daarbij zonder IX-6347-6/29 belang dat verschillende beslissingen onder eenzelfde briefomslag aan de gekozen woonplaats werden verzonden. Bijgevolg mist het middel evenzeer feitelijke grondslag voor zover de schending van artikel 60, § 3, van het Aslastendecreet wordt aangevoerd. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de onbevoegdheid aan van de wegeninspecteur-controleur die de administratieve geldboete in eerste aanleg heeft opgelegd. Volgens de informatie die door de administratie werd meegedeeld, zou de wegeninspecteur-controleur immers zijn aangesteld door het hoofd van het agentschap Wegen en Verkeer, terwijl de bevoegdheid om de wegeninspecteurs- controleurs aan te stellen overeenkomstig artikel 61 van het Aslastendecreet aan de Vlaamse regering toekomt en in die bepaling geen mogelijkheid tot delegatie is voorzien. Uit de samenlezing van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 tot bestrijding van de schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding en artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid agentschap Wegen en Verkeer, kan worden afgeleid dat de bevoegdheid om de wegeninspecteurs-controleurs aan te stellen gesubdelegeerd werd aan het hoofd van het agentschap Wegen en Verkeer. Deze subdelegatie is volgens de verzoekende partijen evenwel nietig, aangezien noch in het Aslasten- decreet, noch in artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 in een verdere subdelegatie is voorzien. Bijgevolg menen de verzoekende partijen dat, voor zover de wegeninspecteur-controleur door het hoofd van het agentschap Wegen en Verkeer werd aangesteld, deze aanstelling nietig is en de wegeninspecteur-controleur niet bevoegd is om een administratieve geldboete op te leggen. IX-6347-7/29 De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat zelfs ingeval de wegeninspecteur-controleur door het hoofd van het agentschap Wegen en Verkeer zou kunnen worden aangesteld, een eerste bijkomend probleem rijst. Met name zou de aanstelling van de wegeninspecteur-controleur overeenkomstig artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2003 moeten blijken uit een door de bevoegde minister ondertekend legitimatiebewijs, aangezien in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2005 aan het hoofd van het agentschap Wegen en Verkeer niet de bevoegdheid is verleend om het legitimatiebe- wijs te ondertekenen. Aldus zou de aanstelling moeten blijken uit een document dat niet is opgesteld door diegene die bevoegd is om de wegeninspecteur-controleur aan te stellen. Een tweede bijkomend probleem bestaat er volgens de verzoeken- de partijen in dat voor de bekendmaking van de beslissingen genomen door de overheid aan wie subdelegatie werd verleend, dezelfde regels gelden als voor de overheid die oorspronkelijk bevoegd was, namelijk de Vlaamse regering. De verzoekende partijen betogen dat overeenkomstig artikel 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de besluiten van de Vlaamse regering in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt, tenzij die bekendmaking geen openbaar nut heeft. De bekendmaking van de aanstelling van een wegeninspecteur-controleur heeft is volgens hen van openbaar nut, gelet op de specifieke functie die deze heeft in het kader van het Aslastendecreet. Het publiek dient te weten door wie de bijzondere bevoegdheden die het Aslastendecreet aan de wegeninspecteurs-controleurs verleent, worden uitgeoefend. Dat die bekendmaking een openbaar nut heeft, zou trouwens worden aangetoond door het feit dat de aanstelling van de ambtenaren die bevoegd zijn om de overtreder in beroep te horen in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Aangezien het besluit tot aanstelling van de wegeninspecteur-controleur niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, menen de verzoekende partijen dat diens aanstelling hen niet tegenstelbaar is. Voorts argumenteren de verzoekende partijen dat aangezien de wegeninspecteur-controleur niet bevoegd was om een beslissing te nemen, hij evenmin een tijdige beslissing kon nemen, zodat ingevolge artikel 60 van het Aslastendecreet de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Het feit dat de procedure in beroep werd hernomen, doet daaraan geen afbreuk. IX-6347-8/29
  22. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur, in eerste aanleg geen rechtsgeldige beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete werd genomen, zodat overeenkomstig artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet, ingevolge het verstrijken van de beslissingstermijn van de wegeninspecteur-controleur, de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen was. Zij betwisten dat die bepaling enkel een tijdige, maar geen wettige beslissing van de wegeninspecteur-controleur vereist teneinde het verval van de administratieve geldboete te verhinderen. Beoordeling
  23. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is de bestreden beslissing volledig in de plaats gekomen van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de wegeninspecteur-controleur, waardoor laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen sorteert. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatighe- den in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep. De verzoekende partijen stellen dat ingevolge de onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur, er in eerste aanleg geen tijdige beslissing genomen is, zodat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is overeenkomstig artikel 60, §§ 1 en 2, van het Aslastendecreet. Deze stelling kan niet worden bijgevallen. Overeenkomstig artikel 60, § 1, tweede lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing niet tijdig, dit wil zeggen binnen de negentig dagen na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, aan de overtreder meedeelt. Overeen- komstig artikel 60, § 2, laatste lid, van het Aslastendecreet vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen wanneer de wegeninspecteur- controleur zijn beslissing na verzet niet tijdig, dit wil zeggen binnen dertig dagen na de hoorzitting in verzet, aan de overtreder meedeelt. Deze bepalingen vereisen niet dat de wegeninspecteur-controleur een wettige beslissing neemt, enkel wordt vereist dat de beslissing tijdig aan de overtreder wordt meegedeeld. De eventuele onbevoegdheid van de wegeninspecteur-controleur kan derhalve niet leiden tot de IX-6347-9/29 vaststelling dat de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen vervallen is. Het middel kan niet worden aangenomen. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  24. In een derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). De verzoekende partijen wijzen erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegdekbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegdekbeschadiging veroorzaakt wordt door overlading in de zin van artikel 18, §§ 1 en 2, of artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna: technisch reglement). Zij merken op dat het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen, maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredig- heid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan het vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwets- conforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging ingesteld. IX-6347-10/29 Omdat, zo stellen de verzoekende partijen, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting
  25. In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadiging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegdekbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoekende partijen besluiten hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegdekbe- schadiging helemaal niet opgaat, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegdekbeschadiging bepaald kan worden tussen overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegdekbeschadiging. De verzoekende partijen merken op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdekbescha- diging. De verzoekende partijen wijzen er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegdekbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg van het wegdek. De verzoekende partijen menen dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Aangezien ook andere factoren een rol spelen, is het mogelijk dat een overladen voertuig andere schade veroorzaakt, naargelang de aard van de ondergrond, de bandendruk of de banden van het voertuig, en toch dezelfde bestraffing wordt opgelegd. Bovendien kan men zich afvragen of een voertuig dat net boven de grens van 5 % overladen is, niet dezelfde schade kan toebrengen als een voertuig dat met 4,9 % overladen is. Volgens de verzoekende partijen moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat bepaald wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof IX-6347-11/29 in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 stellen de verzoekende partijen dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet bepaald, het door het Grondwette- lijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hen dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadi- ging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?” De verzoekende partijen vragen dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundigenonderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadi- ging door overlading.
  26. Luidens het auditoraatsverslag dient de door de verzoekende partijen geformuleerde prejudiciële vraag niet te worden gesteld aan het Grondwet- telijk Hof. Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, is de Raad van State er immers niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer dit Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Met name wordt in het auditoraatsverslag verwezen naar het arrest Lootens, nr. 196.325 van 24 september 2009 (de zaak A. 177.453/IX-5445), waarin door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag werd gesteld, identiek aan deze opgeworpen door de verzoekende partijen. Die vraag, zoals in het arrest geherformuleerd, luidt als volgt: “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond IX-6347-12/29 onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadi- ging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Zoals blijkt uit het audito- raatsverslag, oordeelde het Hof als volgt: “B.
  27. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.
  28. Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.
  29. Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). B.4.
  30. Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of de massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. B.4.
  31. Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscen- trum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.
  32. Artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden ‘een overschrijding van de maximale IX-6347-13/29 toegelaten massa’s of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwa- gens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vervangen door de woorden ‘zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt’. B.5.
  33. Die wijziging werd als volgt verantwoord : ‘De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). B.
  34. Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.
  35. Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbe- schadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.
  36. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” IX-6347-14/29
  37. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 slechts gedeeltelijk de opgeworpen problematiek beantwoordt. Het Grondwettelijk Hof gaat immers enkel de invloed na van de wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005, waarbij het voorheen geldende vermoeden van wegdekbeschadiging door de overschrijding van zowel het totale toegelaten gewicht van het voertuig als van het toegelaten gewicht onder één van de assen, vervangen werd door het vermoeden van wegdekbeschadiging louter door overlading op één van de assen. De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat ondanks voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof, het vermoeden van wegdekbeschadi- ging nog steeds staat of valt met de wetenschappelijke studies waarnaar in dat arrest en in de voorbereidende werkzaamheden van het Aslastendecreet wordt verwezen. De verzoekende partijen betogen dat het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw tot op heden het Aslastendecreet poogt te verantwoorden met een studie van 1976, zodat de wetenschappelijke evoluties waarnaar het Grondwettelijk Hof verwijst blijkbaar onbestaande zouden zijn. Nog belangrijker is volgens de verzoekende partijen dat die studie, alsook de nieuwe nota waarop het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw zich baseert, enkel van toepassing is op bitumineuze mengsels. Met andere woorden speelt het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading niet op betonverhardingen. Dit wordt volgens de verzoekende partijen ook uitdrukkelijk bevestigd in een persmededeling van de bevoegde minister naar aanleiding van een nieuw weegsysteem om overladen vrachtwagens te onderscheppen, waarin wordt gesteld dat betonverharding als voordeel heeft dat geen spoorvorming optreedt en dat het een langere levensduur heeft dan asfaltverharding. De verzoekende partijen halen voorts een Nederlandse wetenschappelijke studie aan die handelt over het oorzakelijk verband tussen de gebruikte vrachtwagenbanden en wegdekbeschadi- ging. Uit die studie zou blijken dat een bepaald bandengebruik bij een lagere asbelasting meer schade veroorzaakt en dat het bandengebruik het oorzakelijk verband tussen asbelasting en wegdekbeschadiging in werkelijkheid dus kan omdraaien. Het voorgaande toont aan, aldus de verzoekende partijen, dat minstens het oorzakelijk verband tussen wegdekbeschadiging en overlading zoals dit blijkt uit het Aslastendecreet niet onverkort en in redelijkheid kan worden gehandhaafd. Zij volharden bijgevolg in hun verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, geformuleerd als volgt: “Is art. 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet IX-6347-15/29 in zo verre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging afleidt uit een overlading van meer dan 5 % op de assen onder een voertuig, terwijl de wetenschappelijke studies waarop het Aslastendecreet is gebaseerd aantonen dat de mate van wegbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading, zoals het type van wegverharding, de gebruikte banden of zelfs de bandenspanning?” Beoordeling
  38. De verzoekende partijen beogen de grondwettigheid van artikel 56 van het Aslastendecreet na te gaan door aan het Grondwettelijk Hof de in hun verzoekschrift geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aangaande het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading dat aan die bepaling ten grondslag ligt. De Raad van State heeft in zijn arrest nr. 196.325 van 24 september 2009 die prejudiciële vraag geherformuleerd en voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 die prejudiciële vraag ontkennend beantwoord. Het Hof steunt onder meer op de overweging dat het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading, waarop het Aslastendecreet is gesteund, een weerlegbaar vermoeden uitmaakt. Het staat de verzoekende partijen dan ook vrij dit vermoeden te ontkrachten door het leveren van het tegenbewijs. De verzoekende partijen leveren evenwel dit tegenbewijs niet.
  39. In hun laatste memorie vragen de verzoekende partijen om de prejudiciële vraag opnieuw te stellen omdat het Grondwettelijk Hof “slechts gedeeltelijk de door verzoekers opgeworpen problematiek beantwoordt”. Het beantwoorden van de prejudiciële vraag behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. Als rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld is de Raad van State krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof gebonden door het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe te oordelen over de argumenten die door de verzoekende partijen tegen dat arrest worden aangevoerd. In dat kader komt het evenmin toe aan de Raad van State om een deskundigenonderzoek te bevelen en om aanvullende stukken en studies te laten voorleggen door de verwerende partij, die finaliter beogen kritiek te leveren op de IX-6347-16/29 inhoud van het arrest van het Grondwettelijk Hof. Het stond de verzoekende partijen vrij om de argumentatie in verband met studies en bewijsstukken ter appreciatie voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. De stukken die de verzoekende partijen aanhalen in hun laatste memorie hebben dezelfde finaliteit en vallen bijgevolg buiten de beoordelingsbe- voegdheid van de Raad van State. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  40. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM en machtsoverschrijding “ingevolge juridisch onaanvaardbare motivatie”. Zij betogen dat de asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het Aslastendecreet. Daartoe, zo stellen de verzoekende partijen, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt automatische dan wel niet-automatische weegtoestellen zijn. Indien de asdrukweger een niet-automatisch weegtoestel is, kan deze immers bij gebrek aan ijking niet wettig worden gebruikt om controles op de naleving van het Aslasten- decreet uit te voeren. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktui- gen wordt onder niet-automatisch weegwerktuig een weegwerktuig verstaan waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. De asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt zijn volgens de verzoekende partijen niet-automatische weegtoestellen, aangezien bij het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Het voertuig dient immers te worden bestuurd en met constante snelheid over de asdrukweger te rijden. De wegeninspecteur dient het IX-6347-17/29 toestel aan te zetten en de nodige gegevens over het te wegen voertuig in de computer in te voeren. Hij beschikt daartoe over een lijvige handleiding die uiteraard niet nodig zou zijn indien alles automatisch zou gebeuren. Volgens de verzoekende partijen kan dus niet betwist worden dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die geijkt dienen te worden om controles op de naleving van het Aslastendecreet te kunnen uitvoeren. Verder stellen de verzoekende partijen dat zelfs indien de asdrukwegers van het Vlaamse Gewest automatische weegtoestellen zouden zijn, dan nog deze geijkt moeten worden wanneer zij worden aangewend om heffingen en restituties te berekenen. Een administratieve geldboete die wordt opgelegd op grond van het Aslastendecreet is volgens de verzoekende partijen een heffing op wegdekbeschadiging, zodat de asdrukwegers die bij dergelijke procedure gebruikt worden, geijkt moeten zijn. In nog meer ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen dat het onredelijk zou zijn om niet geijkte asdrukwegers te gebruiken. Zij merken op dat het gebruik van geijkte toestellen wel vereist is in het economisch verkeer en dat grote vragen rijzen wanneer een ijking niet noodzakelijk zou zijn wanneer hetzelfde toestel voor gerechtelijke doeleinden wordt gebruikt. Op grond van het adagium “in dubio pro reo” kunnen in het strafrecht immers enkel de strengste standaarden gehanteerd worden. Toestellen die gebruikt worden bij snelheidscontro- les en alcoholcontroles dienen aan de strengste normen te voldoen en het is volgens de verzoekende partijen dan ook niet meer dan logisch dat voor de asdrukwegers die gebruikt worden voor de vaststellingen in het kader van het Aslastendecreet de strengste standaarden worden opgelegd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen automatische en niet-automatische weegtoestellen. Volgens de verzoekende partijen is elke redelijkheid zoek wanneer inzake ijking een discriminatoir onderscheid wordt gemaakt tussen wegingen in het economisch verkeer en wegingen voor gerechtelijke doeleinden enerzijds en wegingen met automatische weegtoestel- len en wegingen met niet-automatische weegtoestellen anderzijds.
  41. In hun memorie van wederantwoord voegen zij hieraan toe dat een vrijwillige ijking van de asdrukwegers niet volstaat, aangezien dergelijke ijking niet dezelfde waarborgen inzake nauwkeurigheid verschaft als de wettelijke ijk. IX-6347-18/29 Voorts merken zij op dat ook een parkeerboete een retributie is, net zoals de administratieve geldboete een retributie of vorm van heffing op wegbeschadiging is. Beoordeling
  42. Artikel 12 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenhe- den, de meetstandaarden en de meetwerktuigen luidt als volgt: “§
  43. Metingen in het economisch verkeer die ten doel hebben de hoeveel- heid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. §
  44. Metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties, moeten met geijkte meetwerktuigen worden verricht. §
  45. De Koning kan de toepassing van § 1 verruimen tot andere metingen in het economisch verkeer. §
  46. De Koning kan het gebruik van geijkte meetwerktuigen opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.” Hoofdstuk II van die wet bevat een afdeling 3 “Ijking van de meetwerktuigen”, die luidt als volgt: “Art.
  47. Ijkverrichtingen van meetinstrumenten bestaan uit : a) het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring; b) de eerste ijk; c) de herijk. Deze verrichtingen blijken uit het aanbrengen van ijkmerken of -tekens of uit het afgeven van attesten. De Koning kan andere ijkverrichtingen bepalen. Art.
  48. Om goedgekeurd te worden, moet het model zo zijn samengesteld dat de meetwerktuigen die naar dit model zijn vervaardigd, voldoen aan de voorschriften overeenkomstig artikel 15 voor die werktuigen bepaald. Is het model goedgekeurd, dan wordt aan de aanvrager een goedkeuringsattest afgeleverd, tevens wordt hem ofwel een modelgoedkeuringsteken toegekend wanneer de overeenkomende meetwerktuigen niet zijn vrijgesteld van de eerste ijk, ofwel modelgoedkeuringsmerken afgeleverd wanneer deze meetwerktuigen vrijgesteld zijn van de eerste ijk. Degene in wiens naam het attest waarvan sprake is in de vorige paragraaf is opgesteld, is met uitsluiting van ieder ander gemachtigd het toegekend teken of de afgeleverde merken, bedoeld in de vorige paragraaf, aan te brengen op de meetwerktuigen en uitsluitend op die welke zijn vervaardigd naar het model waarop het teken of het merk betrekking hebben. IX-6347-19/29 Art.
  49. De eerste ijk bestaat in een onderzoek naar de conformiteit van een meetwerktuig met de wettelijke eisen. In bevestigend geval worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art.
  50. De herijk bestaat in een onderzoek of een werktuig dat de eerste ijk heeft ondergaan, nog aan de wettelijke eisen voldoet. In bevestigend geval, worden één of meer ijkmerken op het meetwerktuig aangebracht of wordt een ijkattest afgegeven. Art.
  51. In de gevallen en onder de voorwaarden welke Hij vaststelt, kan de Koning bepaalde meetwerktuigen vrijstellen ofwel van het onderzoek van een model met het oog op zijn goedkeuring, ofwel van de eerste ijk en van de herijk, ofwel van de herijk. Art.
  52. De Koning kan de meetwerktuigen onderwerpen aan een technische controle om na te gaan of die werktuigen aan de wettelijke eisen voldoen en of zij zich in goede staat bevinden. In bevestigend geval worden één of meer goedkeuringstekens aangebracht of wordt een attest afgegeven. Art.
  53. §
  54. De Koning bepaalt de nadere regelen voor de modelgoedkeu- ring voor de eerste ijk, voor de herijk en voor de technische controle. Hij bepaalt het model van de merken en attesten. §
  55. Hij bepaalt welke hulpmiddelen en medewerking de belang- hebbende moet verschaffen bij de ijkverrichtingen. §
  56. De Koning kan bepalen dat, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, de meetwerktuigen afkomstig uit de lid-Staten, ondertekenaars van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, voor de toepassing van deze wet kunnen aangezien worden als geijkt, wanneer zij voldoen, hetzij aan de wettelijke bepalingen van de betrokken lid-Staat, hetzij aan richtlijnen uitgaande van een bevoegd uitvoeringsorgaan, opgericht krachtens deze verdragen en bovendien voorzien zijn van de geldige merken of tekens, opgelegd door de lid-Staat of voorzien in de richtlijnen. Art.
  57. Bij de goedkeuring van een model, de aflevering van goedkeurings- merken, de eerste ijk en de herijk kan een ijkloon worden geïnd. De Koning bepaalt het bedrag en de wijze van de inning van dat ijkloon. De wettelijke beschikkingen betreffende betwistingen, opvorderingen, vervolgingen en voorrechten inzake belastingen ten voordele van de Staat, zijn toepasselijk op het krachtens deze wet bepaalde ijkloon.”
  58. De verzoekende partijen stellen, weliswaar in ondergeschikte orde, ten onrechte dat een administratieve geldboete die wordt opgelegd in het kader van het Aslastendecreet een “heffing of restitutie” is in de zin van artikel 12, § 2, van voormelde wet van 16 juni
  59. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat parkeermeters niet dienen om heffingen en restituties te berekenen in de zin van artikel 12, § 2, van de wet van 16 juni 1970 (arrest A.R. N-19860225-10 IX-6347-20/29 van 25 februari 1986), dient immers a fortiori te worden aangenomen dat de in het kader van het Aslastendecreet opgelegde administratieve geldboeten geen heffingen of restituties zijn in de zin van die wetsbepaling. De weging van voertuigen in het kader van het Aslastendecreet, kan dan ook niet worden beschouwd als “metingen die worden uitgevoerd ter berekening van heffingen en restituties” in de zin van artikel 12, § 2, van voormelde wet van 16 juni 1970, welke met geijkte meetwerktuigen moeten worden verricht.
  60. Artikel 12, § 4, van de wet van 16 juni 1970 machtigt de Koning om het gebruik van geijkte meetwerktuigen op te leggen buiten het economisch verkeer. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen bepaalt dat de niet- automatische weegwerktuigen, waaronder deze ter bepaling van de massa voor het berekenen van een boete (artikel 1, § 2, a, 2/) of ter bepaling van de massa voor de toepassing van wetten en wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen (artikel 1, § 2, a, 3/), onderworpen zijn aan de algemene voorschriften betreffende de herijk en de technische controle van de meetwerktuigen alsmede aan de bijzondere voorschriften bepaald in dat besluit (artikel 4). Luidens artikel 1, § 1, van dit besluit wordt onder niet-automatisch weegwerktuig verstaan een weegwerktuig waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Luidens de bijlage MI-006 van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten is een automatisch weegwerktuig een instrument dat de massa van een product bepaalt zonder tussenkomst van een bedienaar en een vooraf bepaald programma van automatische processen volgt die kenmerkend zijn voor het instrument. De asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld, is van het merk Central Weighing Limited, type Supaweigh II en meet de massa onder de assen terwijl het voertuig met constante snelheid over de asdrukweger rijdt. Volgens de Internationale Aanbeveling R 134-1 “Automatic instruments for weighing road vehicles in motion and measuring axle loads” van 2006 van de Internationale IX-6347-21/29 Organisatie voor Wettelijke Metrologie is dergelijk meettoestel een automatisch weegwerktuig. De in die aanbeveling gehanteerde definitie van een automatisch weegwerktuig is identiek aan deze in het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-automatische weegwerktuigen is derhalve niet van toepassing op de door de Vlaamse overheid gebruikte asdrukweger.
  61. De verzoekende partijen werpen ten slotte op dat het onredelijk is om bij het opleggen van administratieve geldboeten niet geijkte asdrukwegers te gebruiken. Desbetreffend kan echter worden opgemerkt dat, zoals vermeld in de bestreden beslissing, de asdrukweger om de twee jaar door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid wordt getest. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van 24 april 2008 dat de asdrukweger door de metrologische dienst van het ministerie van Economische Zaken op zijn juistheid werd getest op 2 april
  62. Voorts werden bij de weging de correctiepercentages toegepast die zijn bepaald door het ministerie van Economische Zaken, Bestuur Kwaliteit en Veiligheid, Afdeling Metrologie, Centrale IJkdienst. Het is bijgevolg niet onredelijk de overlading van het voertuig als bewezen te beschouwen.
  63. Het middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  64. In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6.2 van het EVRM, van artikel 56 van het Aslastendecreet en van de motiveringsplicht, doordat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet bewezen is. IX-6347-22/29 Uit een arrest van 2 november 2004 van het Hof van Cassatie leiden de verzoekende partijen af dat een overlading weliswaar in de regel op nalatigheid van de bestuurder wijst, maar dat er ook omstandigheden kunnen bestaan waarin de bestuurder het gewicht van zijn voertuig niet kon nagaan of de overlading niet kon vaststellen en waarin hem dus geen nalatigheid kan worden verweten. De verzoekende partijen stellen dat te dezen de eerste verzoeker een ruime veiligheidsmarge van 4 ton heeft gelaten om het risico op overlading uit te sluiten. Hij was niet op de hoogte van het feit dat de tweede as van de trekker overladen was. Evenmin stonden hem middelen ter beschikking om het voertuig te wegen. Daarnaast wordt in het strafdossier geen enkel gegeven vermeld waaruit kan blijken dat een visuele inspectie van het voertuig de asoverlading aan het licht had kunnen brengen. Volgens de verzoekende partijen wordt in de bestreden beslissing dan ook ten onrechte gesteld dat een en ander toch zichtbaar zou zijn geweest, nu een overlading van 1,5 ton op een as zichtbaar zou zijn. Zij menen trouwens dat de overlading zelf of het gewicht op de achterste assen geenszins indicatief kan zijn, nu assen technisch veel meer kunnen hebben dan zij juridisch mogen hebben. Zo zou het mogelijk zijn dat, ondanks de overlading op één as, ingevolge de vering het gewicht toch goed verdeeld is. Bijgevolg menen de verzoekende partijen dat de eerste verzoeker niet nalatig is geweest, zodat geen administratieve geldboete kon worden opgelegd.
  65. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat niet de vraag of er sprake is van gronden van rechtvaardiging of schulduitsluiting aan de orde is, maar wel de vraag of er sprake is van onachtzaamheid. Die laatste vraag dient volgens hen ontkennend te worden beantwoord, daar de eerste verzoeker als een voorzichtig chauffeur gehandeld heeft. Hij heeft immers het totaal gewicht van zijn voertuig laten wegen en, nu niet onder elke as afzonderlijk kon worden gewogen, een voldoende veiligheidsmarge op het totaal gewicht gelaten teneinde asoverladingen te vermijden. De verzoekende partijen betwisten dat de overlading op de tweede as zichtbaar zou zijn geweest, nu dit geenszins blijkt uit het strafdos- sier en de meeste moderne vrachtwagenassen technisch meer aankunnen dan hun maximale toegelaten massa ingevolge de ophanging en vering die overladingen opvangen. IX-6347-23/29 Beoordeling
  66. Vóór de wijziging door het decreet van 24 juni 2005, luidde artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat werd verwezen naar het technisch reglement, omdat “uit onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum van de Wegengebouw (...) gebleken (is) dat voertuigen die niet voldoen aan deze normen een abnormale slijtage aan het wegdek teweegbren- gen”. Het voorgaande heeft het Grondwettelijk Hof doen besluiten tot het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek (arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 van het Grondwettelijk Hof). Ook het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 21 september 2004 (A.R. P.04.0717.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18) overwogen dat de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen in artikel 56 van het Aslastendecreet strafbaar wordt gesteld omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweegbrengt. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat het materiële bestanddeel van het misdrijf bewezen is wanneer de overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of massa’s onder de assen aangetoond is. De Raad van State sluit zich bij deze rechtspraak aan. Sedert de wijziging door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, luidt artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet als volgt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt.” IX-6347-24/29 In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het decreet van 24 juni 2005 heeft geleid, werd die bepaling als volgt verduidelijkt: “De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoe- stel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond.” (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6) Wat de wijziging bij decreet van 24 juni 2005 van artikel 56, eerste lid, van het Aslastendecreet betreft, heeft het Grondwettelijk Hof overwogen dat hieruit niet kan worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. Gelet op de wetenschap- pelijke studies, zo stelt het Hof, is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd (arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 van het Grondwettelijk Hof). Gelet op het voorgaande, is het materiële bestanddeel van het misdrijf bewezen wanneer de overschrijding met meer dan vijf procent van de bij goedkeuring vastgestelde maximum massa onder één van de assen aangetoond is. De Raad van State sluit zich aan bij deze rechtspraak.
  67. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (A.R. P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14) het volgende overwogen: “Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen; IX-6347-25/29 Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.” Het Hof van Cassatie neemt derhalve aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. In een arrest van 2 november 2004 (A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8) oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 18, §§ 1 en 2, en 26 van het technisch reglement: “[...] dat die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan.” De bestreden beslissing bevat, wat het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft, de volgende motivering: “Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen; Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan. Het woord ‘kan’ is logisch daar ontegensprekelijk stellen dat men, bij gebrek aan controle van de massa van zijn voertuig, onachtzaam of opzettelijk handelde in strijd zou zijn met het vermoeden van onschuld; Bij realisatie van het materieel element van het misdrijf ontstaat bij de zogenaamde onachtzaamheidsmisdrijven een feitelijk vermoeden dat het moreel element aanwezig was; De vaststelling van een overlading wijst er dus, prima facie, op dat de overtreder nalatig is geweest; Behoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardig- heid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding; Appellanten merken vooreerst op dat de overtreder verklaard heeft dat hij niet op de hoogte was van de overlading; IX-6347-26/29 Niet weten dat het voertuig overladen was is geen voldoende argument, vermits de inbreuk niet opzettelijk moet zijn gepleegd om toch strafbaar te zijn; Appellanten zijn van oordeel dat, gelet op het feit dat de overtreder de totale massa van zijn voertuig had laten wegen en de totale massa van het voertuig niet overschreden was, hem geen nalatigheid kan verweten worden; de weging betrof evenwel enkel de totale massa van het voertuig zodat de overtreder nog steeds geen uitsluitsel had omtrent de massa onder de assen van zijn voertuig; Wanneer er geen technische middelen ter beschikking van de overtreder staan om de massa onder de assen van zijn voertuig te wegen, wordt van hem verwacht een voldoende marge in acht te nemen zodat het risico op overlading zo goed als zeker uitgesloten is. Ook al moet de lading daarvoor verdeeld worden over verschillende transporten. Zo niet handelt hij onachtzaam; De overtreder heeft, volgens appellanten, een dergelijke voldoende marge in acht genomen; De totale massa van het voertuig bedroeg, op het ogenblik van de vaststel- lingen, 40.101 kg, terwijl de maximaal toegelaten massa 44.000 kg bedraagt; Zelfs als wordt aangenomen dat een dergelijke marge ten opzichte van de totale maximaal toegelaten massa, bij gebrek aan technische middelen om de massa en de massa onder de assen na te gaan, kan beschouwd worden als een voldoende ruime marge opdat asoverladingen zo goed als zeker uitgesloten zijn, dient ook te worden onderzocht of de vastgestelde asoverlading niet van die aard was dat de overtreder, aan de hand van een (visuele) inspectie, had kunnen vermoeden dat er zich een probleem zou kunnen voordoen; De tweede as van de trekker was overladen met 1.512 kg; Het voertuig was geladen met spaanderplaten; Het moet worden aangenomen dat een asoverlading van meer dan 1.500 kg voor een ervaren chauffeur niet onopgemerkt kan blijven; Dit gegeven wordt extra versterkt door het feit dat uit de vaststellingen blijkt dat de massa onder assen van de oplegger bijlange de maximaal toegelaten massa niet benaderde en de lading zich aldus klaarblijkelijk hoofdzakelijk vooraan het voertuig situeerde; Dit gegeven diende de overtreder tot extra voorzichtigheid aan te manen; De overtreder, als professioneel chauffeur wist dit beter dan wie ook, of diende het minstens te weten; Het gegeven dat het proces-verbaal geen elementen staan die kunnen wijzen op het feit dat de overlading eventueel visueel zichtbaar was, doet hieraan geen enkele afbreuk daar het niet gaat om de vraag of de overlading visueel zichtbaar was, maar wel om de vraag of de overtreder, na (visuele inspectie), met voldoende zekerheid, kon aannemen dat er zich geen overlading voordeed; Wanneer hem geen middelen ter beschikking staan om de massa onder de assen na te gaan en er na een grondige (visuele) inspectie van zowel het IX-6347-27/29 voertuig als de (verdeling van de) lading, niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat er zich geen overlading onder één van de assen voordoet, komt het de normale, voorzichtige en redelijke chauffeur toe zich niet met het voertuig op de openbare weg te begeven; Door zich desondanks met het voertuig op de openbare weg te begeven heeft de overtreder een risico genomen; Hij die er zich immers weliswaar bewust van is dat zijn handelen of onthouding strafrechterlijk beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen kan schenden, doch erop vertrouwt - door een verkeerde inschatting van de situatie: ondoordachtheid, lichtzinnigheid of overmoed - dat deze mogelijke gevolgen - die hij niet wil - niet zullen intreden, handelt met bewuste culpa; Uit het voorgaande blijkt dan ook overduidelijk dat het gedrag van de overtreder in casu niet strookte met hetgeen van een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden, kan verwacht worden; Het opzet in hoofde van de overtreder is dan ook bewezen.” Nu de verzoekende partijen geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk hebben gemaakt, heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat niet alleen het materieel, maar ook het moreel bestanddeel van het misdrijf bewezen is. Desbetreffend sluit de Raad van State zich aan bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het middel faalt naar recht. BESLISSING
  68. De Raad van State verwerpt het beroep.
  69. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. IX-6347-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6347-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.052 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.