← België

Arrest 209055 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 22/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.055 Rolnummer: Zaak: Arrest 209055 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 22/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Fiche Arrest nr 209.055 van 22 november 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.055 van 22 november 2010 in de zaken I. A. 197.091/IX-6877 II. A. 197.123/IX-6882 In zake: Myriam VAN BIERVLIET wonend te Leuven Ierse Predikherenstraat 45 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vorderingen 1. De vordering in de zaak A. 197.091/IX-6877, ingesteld op 15 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de directieraad van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid van 20 mei 2010, waarbij aan Myriam Van Biervliet de evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009 definitief wordt toegekend. 2. De vordering in de zaak A. 197.123/IX-6882, ingesteld op 16 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid van 21 juni 2010, waarbij Myriam Van Biervliet met ingang van 1 juli 2010 wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. IX-6877-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 3. De verwerende partij heeft in de beide zaken een nota ingediend. Auditeur Marijke Van Limbergen heeft over de beide zaken een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2010. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekster, bijgestaan door advocaat Ingrid Martens, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 4.1. De verzoekster is sinds 1 oktober 2000 in dienst van de Vlaamse overheid. Zij is als vast benoemd adjunct van de directeur werkzaam bij het departement Leefmilieu, Natuur en Energie. Na eerder op twee andere diensten te hebben gewerkt, maakt zij vanaf 1 januari 2008 deel uit van de dienst Veiligheidsrapportering van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid. Tot 22 april 2008 is zij ook nog secretaris van IX-6877-2/19 het Technisch Overleg Milieureglementering, een functie die zij heeft overgehouden van haar vorige dienst. 4.2. Op 28 februari 2008 wordt met de verzoekster een planningsgesprek gevoerd. Tijdens dat gesprek wordt de nieuwe functiebeschrijving van de verzoekster besproken, die de belangrijkste resultaatsgebieden en de verwachte competenties bevat. Er worden bij deze gelegenheid ook een aantal persoonlijke doelstellingen geformuleerd, waaronder het verwerven van kennis over de materie van de veiligheidsrapportering en het ontwikkelen van een “bijzondere expertise” in deze materie. 4.3. Op 22 april 2008 heeft een eerste functioneringsgesprek met de verzoekster plaats. Daarbij wordt beslist dat zij niet langer voor het Technisch Overleg Milieureglementering zal werken, opdat zij zich volledig zou kunnen toeleggen op de werking van de dienst Veiligheidsrapportering en zij “alle energie [zou kunnen] steken in haar opleiding, in het studeren van de VR-materie en in het uitvoeren van haar taken”. 4.4. Op 22 mei 2008 heeft een tweede functioneringsgesprek plaats. Blijkens het verslag van dat gesprek is de reden daarvoor dat de verzoekster er niet in slaagt zich aan te passen aan en te integreren in het team van de dienst Veiligheidsrapportering. Zij levert niet de verwachte kwaliteit van werk en slaagt er niet in om op een hoogstaande, technische wijze in het team te communiceren. De wijze waarop zij haar dossiers behandelt, vertoont tevens een te groot aantal tekortkomingen zowel wat volledigheid, tijdsplanning als accuratesse betreft. Volgens het verslag bevestigt de verzoekster de voormelde vaststellingen en stelt zij over meer tijd te moeten kunnen beschikken om ervaring op te doen in de materie. Zij stelt voor om zelf een lijst op te stellen van de fouten die zij maakt, om aldus een “zelfverbetermethode” te ontwikkelen. IX-6877-3/19 Uit het verslag blijkt voorts dat aan de verzoekster uitvoerig is meegedeeld in welke mate haar collega’s op de dienst kritiek hebben op haar werk en op welke wijze haar gedrag irriteert. Er wordt afgesproken dat zij hierover haar collega’s zal bevragen, de aandachtspunten zal inventariseren en een actieplan zal opstellen met het oog op haar volwaardige integratie. Er wordt ten slotte afgesproken dat de verzoekster via Werk-wijzer zou blijven zoeken naar “een meer geschikte werkplek in de Vlaamse overheid”. 4.5. Tijdens een opvolgingsgesprek op 12 augustus 2008 blijkt dat de toestand niet wezenlijk is verbeterd. Er blijft een te hoge foutenlast in de werkzaamheden van de verzoekster. Wat haar integratie betreft, wordt wel bereidwilligheid vastgesteld, maar is het gewenste resultaat nog niet bereikt. De afspraak met de verzoekster om via Werk-wijzer een andere, meer geschikte werkplek te zoeken, is inmiddels opgeschort. 4.6. Tijdens een opvolgingsgesprek op 25 november 2008 stellen zowel de eerste evaluator als de verzoekster zelf vast dat zij niet volwaardig is geïntegreerd in de dienst. De verzoekster stelt dat ze het gevoel heeft door haar collega’s te worden genegeerd. De eerste evaluator besluit dat er sinds het vorige opvolgingsgesprek geen vooruitgang is gemaakt. De verzoekster voegt haar opmerkingen toe aan het verslag van het gesprek en laat daarbij blijken niet akkoord te gaan met het besluit van de eerste evaluator. In essentie stelt zij met betrekking tot haar integratie in de dienst dat deze van twee kanten moet komen en dat zij de indruk heeft dat zij de enige is die daartoe pogingen heeft ondernomen. Wat de kwaliteit van haar werk betreft, laat zij gelden dat de fouten die zij weliswaar nog maakt, minder frequent en zwaar zijn dan vroeger en dat zij in een gunstige richting evolueert. IX-6877-4/19 4.7. Op 12 maart 2009 heeft een evaluatiegesprek plaats dat resulteert in een evaluatieverslag, waarin het functioneren van de verzoekster tijdens het jaar 2008 wordt beoordeeld. Voor bijna alle persoonsgebonden competenties en voor de resultaatgerichte doelstellingen die tijdens het planningsgesprek van 28 februari 2008 werden afgesproken, wordt de verzoekster in mindere of meerdere mate negatief beoordeeld. De eindbeoordeling luidt: “onvoldoende”. In de opmerkingen die de verzoekster bij het evaluatieverslag laat voegen, stelt zij onder meer dat zij duidelijk bereid was en gepoogd heeft zich de materie van de dienst Veiligheidsrapportering, die voor haar totaal nieuw was, eigen te maken. De eisen die aan haar als onervaren nieuweling werden gesteld, waren echter dermate hoog dat zij er onmogelijk kon aan voldoen. De verzoekster wijst er voorts op dat haar leidinggevenden haar al na enkele weken met het oog op een herplaatsing doorverwezen naar Werk-wijzer, wat getuigt van het ontbreken van een echte bereidheid om haar een kans te geven. Aldus werd haar de motivatie ontnomen om de zware studie-inspanningen te doen die nodig waren om de materie van de dienst Veiligheidsrapportering onder de knie te krijgen, vermits zij blijkbaar hoe dan ook niet lang op die dienst zou blijven werken. Bij haar collega’s verminderde dienvolgens ook de motivatie om haar op te leiden. Volgens de verzoekster is het minstens onzorgvuldig om, wanneer dan haar doorverwijzing naar Werk-wijzer wordt ingetrokken, haar een gebrek aan vakkennis en bereidheid tot leren te verwijten. Zij besluit dat haar evaluatie “onvoldoende” buiten proportie is. 4.8. Op 9 april 2009 stelt de verzoekster tegen haar evaluatie beroep in bij de raad van beroep. Haar beroepschrift vermeldt de opmerkingen die zij bij het evaluatieverslag heeft laten voegen. 4.9. Op 8 mei 2009 adviseert de raad van beroep dat de evaluatie “onvoldoende” van de verzoekster ongegrond is. De raad overweegt onder meer dat de verzoekster geen optimale kansen heeft gekregen om zich in haar nieuwe IX-6877-5/19 dienst ten volle te ontplooien en dat de omstandigheid dat de verzoekster buiten haar medeweten bij Werk-wijzer werd aangemeld met het oog op haar herplaatsing, een negatieve invloed heeft gehad op haar motivatie, haar functioneren en haar interactie met collega’s. 4.10. Op 14 mei 2009 behandelt de directieraad het dossier van de verzoekster. Blijkens de notulen van de desbetreffende vergadering van de directieraad worden eerst de eerste evaluator en de collega die aan de verzoekster opdrachten heeft gegeven, gehoord. Vervolgens wordt ook de verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, gehoord. De daaropvolgende beraadslaging resulteert in een stemming, waarbij wordt beslist aan de verzoekster voor het jaar 2008 de evaluatie “onvoldoende” definitief toe te kennen. Noch het verslag van deze vergadering van de directieraad, noch de beslissing van de directieraad worden aan de verzoekster ter kennis gebracht. 4.11. Op 25 mei 2009 neemt de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een formeel besluit, waarbij hij beslist dat “tegen [de verzoekster] de PLOEG-evaluatie ‘onvoldoende’ over het werkjaar 2008 definitief [wordt] uitgesproken”. Een afschrift van dit besluit wordt met een brief van dezelfde datum aan de verzoekster ter kennis gebracht. Bij arrest nr. 197.682 van 10 november 2009 vernietigt de Raad van State, op vordering van de verzoekster, dit besluit omdat het werd genomen door een onbevoegde overheid. 4.12. Ingevolge deze vernietiging komt de directieraad op 21 december 2009 opnieuw bijeen. Hij beslist om ten aanzien van de verzoekster “de PLOEG-evaluatie ‘onvoldoende’ over het werkjaar 2008 definitief uit te spreken”. IX-6877-6/19 Een afschrift van het desbetreffende besluit van de directieraad wordt met een aangetekende brief van dezelfde datum aan de verzoekster ter kennis gebracht. Bij arrest nr. 206.084 van 29 juni 2010 verwerpt de Raad van State verzoeksters vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit, omdat de verzoekster niet aantoont ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden. 4.13. Ondertussen werd, op 12 maart 2009, met de verzoekster opnieuw een planningsgesprek gevoerd. Tijdens de periode van januari 2009 tot mei 2009 vonden tweewekelijkse begeleidingsgesprekken plaats tussen de verzoekster en haar eerste evaluator/diensthoofd. Vanaf 5 juni 2009 werd aan de verzoekster een begeleidingsambtenaar toegewezen. In de loop van het jaar 2009 werden vijf opvolgingsgesprekken gevoerd, waarvan telkens een verslag werd opgemaakt dat door de verzoekster mede werd ondertekend en waarop zij een schriftelijke reactie heeft uitgebracht die tijdens de daaropvolgende opvolgingsgesprekken werd besproken. Op 29 september 2009 werd bovendien een extra bespreking gehouden met de verzoekster en twee door haar gekozen vakbondsafgevaardigden. 4.14. Wanneer begin 2010 de evaluatie van haar functioneren tijdens het jaar 2009 moet plaatshebben, is de verzoekster afwezig wegens ziekte. De eerste evaluator van de verzoekster stelt daarom aan de verzoekster voor om het evaluatiegesprek bij haar thuis te laten plaatshebben. De IX-6877-7/19 verzoekster antwoordt daarop echter dat dit omwille van medische redenen niet kan. Met een aangetekende brief van 26 maart 2010 bezorgen de beide evaluatoren het evaluatieverslag over het jaar 2009 aan de verzoekster. De evaluatoren beoordelen in dat verslag de “resultaatgebieden”, “competenties” en “persoonlijke doelstellingen” van de verzoekster wederom in mindere of meerdere mate negatief. Zij besluiten om aan de verzoekster ook voor het jaar 2009 de evaluatie “onvoldoende” toe te kennen. 4.15. Op 8 april 2010 voegt de verzoekster haar opmerkingen bij dit verslag en stelt zij tegen de evaluatie “onvoldoende” beroep in bij de raad van beroep. Op 5 mei 2010 adviseert de raad van beroep dat de evaluatie “onvoldoende” van de verzoekster ongegrond is. De raad overweegt vooreerst dat de verzoekster ingevolge haar ziektetoestand geen inbreng heeft gehad in haar evaluatieverslag. Voorts stelt hij dat de planning onvoldoende volgens het “SMART-principe” werd opgesteld, dat opvolgings- en functioneringsgesprekken eerder controlerend dan begeleidend waren en dat de steeds weerkerende negatieve stijl demotiverend werkte. Volgens de raad van beroep blijkt verzoeksters gedegen vakkennis uit het grote aantal dossiers dat zij op het vlak van de ruimtelijke ordening afhandelde en toont het evaluatieverslag geen tekort aan technische kennis aan. Ten slotte wijst de raad van beroep erop dat de verzoekster, ondanks de druk waaronder zij stond, beter heeft gepresteerd dan het jaar voordien en dat de wil om beter te presteren en de constructieve ingesteldheid nog steeds aanwezig zijn. 4.16. Op 18 mei 2010 komt de directieraad samen om te beraadslagen over de evaluatie “onvoldoende” van de verzoekster voor het jaar 2009. IX-6877-8/19 Bij besluit van 20 mei 2010, waarin de directieraad de motieven van het advies van de raad van beroep tegenspreekt, kent deze raad de evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009 definitief toe aan de verzoekster. Dit besluit, dat met een brief van dezelfde datum aan de verzoekster ter kennis wordt gebracht, maakt het voorwerp uit van de vordering in de zaak A.197.091/IX-6877. 4.17. Op 21 juni 2010 neemt de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een besluit waarbij de verzoekster met ingang van 1 juli 2010 wordt afgedankt wegens beroepsongeschiktheid. Ter motivering wijst de secretaris-generaal in het bijzonder op de twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende” van de verzoekster en op artikel XI 5, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (hierna: Vlaams personeelsstatuut), krachtens hetwelk de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid na twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende” aanleiding geeft tot ambtsneerlegging. Dit besluit, dat met een aangetekende brief van 24 juni 2010 aan de verzoekster ter kennis wordt gebracht, maakt het voorwerp uit van de vordering in de zaak A. 197.123/IX-6882. IV. Samenvoeging van de voorliggende zaken 5. In het verzoekschrift dat zij heeft ingediend in de zaak A. 197.123/IX-6882, vraagt de verzoekster de samenvoeging van deze zaak met de zaak A. 197.091/IX-6877. 6. Deze vraag dient te worden ingewilligd, omdat de beslissing tot ontslag van de verzoekster, die wordt bestreden in de eerstgenoemde zaak, mede gesteund is op de evaluatie “onvoldoende” van de verzoekster voor het jaar 2009, IX-6877-9/19 die wordt bestreden in de laatstgenoemde zaak, zodat de eventuele onwettigheid van de voormelde evaluatie ook de ontslagbeslissing aantast. De verzoekster herneemt in haar verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ontslagbeslissing onder meer de middelen die zij heeft aangevoerd in haar verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009. Indien wordt vastgesteld dat de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van de evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009 vervuld zijn, dan noopt deze vaststelling de Raad van State derhalve ook tot het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van de ontslagbeslissing. De zaken A. 197.091/IX-6877 en A. 197.123/IX-6882 worden dienvolgens samengevoegd. V. Onderzoek van de vorderingen 7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6877-10/19 A. De zaak A. 197.091/IX-6877

  1. a)Ernst van de middelen Eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen 8. De verzoekster voert in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de hoorplicht aan. Zij betoogt dat zij op het ogenblik dat het evaluatieverslag door haar evaluatoren werd opgesteld met ziekteverlof was, waardoor geen evaluatiegesprek heeft kunnen plaatsvinden. Weliswaar maakt het evaluatieverslag melding van de vraag die haar werd gesteld om het evaluatiegesprek bij haar thuis te voeren, maar om medische redenen is zij op deze vraag niet kunnen ingaan. Het bestreden besluit vermeldt volgens de verzoekster ten onrechte dat zij het evaluatiegesprek niet thuis “wou” laten plaatsvinden, terwijl het in werkelijkheid geen kwestie van “niet willen”, maar wel van “niet kunnen” was. De verzoekster laat gelden dat het toesturen van een schriftelijk evaluatieverslag, zonder dat haar eerst de kans werd gegeven om te reageren op een ontwerp van evaluatieverslag, een schending inhoudt van de hoorplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij verwijst dienaangaande naar het arrest nr. 175.413 van 5 oktober 2007 van de Raad van State, in zake Turtelboom, dat overweegt dat het in de rede ligt dat wanneer de betrokkene afwezig is wegens ziekte, er geen mondeling evaluatiegesprek moet plaatshebben, maar dat de zorgvuldigheidsplicht vereist dat in een dergelijk geval het ontwerp van evaluatieverslag dat met het oog op het evaluatiegesprek door de eerste evaluator wordt opgesteld, schriftelijk aan het betrokken personeelslid wordt overgemaakt, opdat deze de gelegenheid zou hebben om zijn opmerkingen daarover te IX-6877-11/19 formuleren. Volgens de verzoekster kan de redenering van dit arrest ook worden toegepast op haar situatie, aangezien zij slechts post factum opmerkingen over het evaluatieverslag heeft kunnen maken, maar haar voordien niet de gelegenheid werd geboden om schriftelijk op een ontwerp van evaluatieverslag te reageren. 9. De verwerende partij antwoordt in haar nota dat geen enkele bepaling van het Vlaams personeelsstatuut aan het bestuur de verplichting oplegt om, in het geval van ziekte of afwezigheid van het te evalueren personeelslid, een ontwerp van evaluatieverslag op te maken. Integendeel blijkt uit het genoemde statuut dat alles in het werk moet worden gesteld om de evaluatie mondeling te laten verlopen. De toelichting bij het statuut verduidelijkt dat het evaluatiegesprek ook bij het betrokken personeelslid thuis kan worden gevoerd. De verwerende partij wijst erop dat te dezen heel duidelijk een poging werd ondernomen om de evaluatie van de verzoekster mondeling te laten verlopen. Gelet op haar afwezigheid wegens ziekte, werd aan de verzoekster immers gevraagd om het evaluatiegesprek bij haar thuis te laten plaatshebben. De verzoekster achtte zich evenwel om medische redenen niet daartoe in staat. Volgens de verwerende partij was er dan ook geen andere mogelijkheid dan de evaluatie schriftelijk af te handelen. De verwerende partij voegt daaraan toe dat het medisch nochtans helemaal niet was uitgesloten dat het gesprek bij de verzoekster thuis plaatsvond. Zij stelt dat de verzoekster zich niet kon wegstoppen om elke evaluatie onmogelijk te maken, maar naar best vermogen diende mee te werken om een evaluatie tot stand te brengen. Volgens de verwerende partij verzet het “algemeen beginsel van behoorlijk burgerschap” zich ertegen dat de verzoekster zich beroept op haar eigen gedrag om elke evaluatie te dwarsbomen. IX-6877-12/19 Beoordeling 10. De hoorplicht waarvan de verzoekster in het besproken middelonderdeel de schending aanvoert, betreft een beginsel van behoorlijk bestuur, krachtens hetwelk tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de mogelijkheid wordt geboden om op een nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen. Het doel van deze hoorplicht bestaat enerzijds in het vrijwaren van de belangen van de bestuurde, door hem de mogelijkheid te bieden zijn opmerkingen te doen kennen en aldus een voor hem ongunstige beslissing te vermijden, en anderzijds in het vermijden dat het bestuur een onzorgvuldige beslissing zou nemen omdat het niet beschikt over een volledige kennis van zaken. De hoorplicht houdt aldus ook verband met de zorgvuldigheidsplicht die het bestuur bij het tot stand brengen van zijn beslissingen moet in acht nemen en waarvan de verzoekster in het besproken middelonderdeel eveneens de schending aanvoert. 11. Artikel IV 2, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut luidt als volgt: “De evaluatie gebeurt door een gesprek en een verslag waaraan een tegensprekelijke procedure is gekoppeld, zoals bepaald in dit deel.” Artikel IV 4, eerste tot derde lid, van het genoemde statuut bepaalt: “De evaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en ten minste één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of een evaluator gebeurt het evaluatiegesprek met twee evaluatoren. Indien de geëvalueerde afwezig is tijdens de evaluatieperiode, gebeurt de evaluatie indien mogelijk mondeling of anders schriftelijk.” IX-6877-13/19 Uit deze statutaire bepalingen blijkt dat de evaluatie van het functioneren van een personeelslid in beginsel tot stand moet worden gebracht na een gesprek tussen de betrokkene en zijn evaluatoren. De hoorplicht van het bestuur ten aanzien van het te evalueren personeelslid heeft in zoverre een normatieve grondslag. In geval van afwezigheid wegens ziekte van het betrokken personeelslid kan evenwel niet altijd een dergelijk gesprek worden georganiseerd. Dit lijkt te dezen het geval geweest te zijn. De verzoekster die op het ogenblik van de evaluatie van haar functioneren tijdens het jaar 2009 afwezig was wegens ziekte, was volgens haar eigen verklaring om medische redenen niet in staat om het evaluatiegesprek thuis te voeren. Uit niets blijkt dat de verwerende partij die verklaring toentertijd heeft betwist en de poging die zij alsnog in haar nota daartoe onderneemt, lijkt laattijdig. De verwerende partij kon dienvolgens niet anders dan de evaluatie van de verzoekster op een schriftelijke wijze tot stand brengen. De vraag rijst evenwel of de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur de verwerende partij dan niet ertoe verplichtte om de verzoekster ook in het kader van deze schriftelijke procedure de mogelijkheid te bieden om haar standpunt met betrekking tot haar functioneren tijdens het jaar 2009 kenbaar te maken, zodat daarmee rekening kon worden gehouden in het evaluatieverslag. Zoals de Raad van State ook reeds heeft overwogen in zijn arrest nr. 175.413 van 5 oktober 2007, in zake Turtelboom, ligt het in de rede dat wanneer het betrokken personeelslid wegens ziekte afwezig is, er geen mondeling evaluatiegesprek moet plaatshebben, maar vereist de zorgvuldigheidsplicht in een dergelijk geval dat het ontwerp van evaluatieverslag dat met het oog op het evaluatiegesprek door de eerste evaluator wordt opgesteld, schriftelijk aan de betrokkene wordt overgemaakt, opdat deze de mogelijkheid zou hebben zijn opmerkingen daarover te formuleren. Het evaluatiegesprek moet immers worden gezien als een toepassing van de hoorplicht, waarbij met het oog op een zorgvuldige besluitvorming aan de betrokkene de mogelijkheid moet worden IX-6877-14/19 geboden om op een nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Het voormelde vereiste om het ontwerp van evaluatieverslag aan het afwezige personeelslid te bezorgen, opdat die zijn opmerkingen daarover zou kunnen kenbaar maken, waarmee de evaluatoren rekening kunnen houden, lijkt te dezen des te meer te gelden omdat de evaluatie “onvoldoende” voor de verzoekster verstrekkende gevolgen heeft, die krachtens artikel XI 5, 3°, van het Vlaams personeelsstatuut, samen gelezen met artikel XI 8, § 1, van dat statuut, tot haar ontslag wegens beroepsongeschiktheid leiden. Nu aan de verzoekster niet de mogelijkheid werd geboden om op een ontwerp van evaluatieverslag te reageren, lijkt te kort te zijn gedaan aan de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Noch de mogelijkheid die aan de verzoekster werd geboden om opmerkingen te maken over het evaluatieverslag zelf, noch de mogelijkheid om opmerkingen te maken in het beroepschrift voor de raad van beroep, lijken dit gebrek te kunnen verhelpen. 12. Het eerste onderdeel van het eerste middel is dan ook ernstig.
  2. b)Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 13. De verzoekster voert aan dat het bestreden besluit een onafwendbare dreiging van ontslag inhoudt, die zich inmiddels heeft gerealiseerd in de ontslagbeslissing dewelke het voorwerp uitmaakt van het beroep in de zaak A. 197.123/IX-6882. Zij stelt dat het nadeel dat zij ingevolge het bestreden besluit lijdt, evident een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is, zoals wordt aangenomen in de rechtspraak van de Raad van State. Deze evidentie wordt volgens haar nog versterkt door haar persoonlijke situatie als belangrijkste kostwinner van het gezin, waartoe ook een dertienjarige dochter en een bruggepensioneerde partner behoren. De verzoekster betoogt voorts een bijkomend moeilijk te herstellen ernstig nadeel IX-6877-15/19 te ondergaan door het verlies van beroepservaring, die zij had kunnen verwerven indien geen ontslag had plaatsgehad, en door het verlies van anciënniteit voor graad- en schaalverhogingen en van de mogelijkheid tot deelname aan promotie-examens. De verzoekster wijst ten slotte op het morele nadeel dat zij lijdt in de vorm van “imagoschending” en “de met dergelijk ontslag gepaard gaande publieke schande”. 14. De verwerende partij antwoordt in haar nota dat de verzoekster geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden ingevolge een beslissing die volledig te wijten is aan haar eigen handelen. Zij zet uiteen dat de verzoekster herhaaldelijk op haar fouten werd gewezen, zowel in het evaluatieverslag over haar functioneren tijdens het jaar 2008, dat reeds een waarschuwing inhield die door de verzoekster diende te worden aangegrepen als stimulans om beter te presteren tijdens de volgende evaluatieperiode, als tijdens de veelvuldige opvolgings- en evaluatiegesprekken in de loop van het jaar 2009. Het bestreden besluit is derhalve het logische gevolg van verzoeksters nalatigheid om aan haar tekortkomingen te verhelpen. Voorts laat de verwerende partij gelden dat het aangevoerde financiële nadeel niet wordt gestaafd met stukken en bovendien herstelbaar is. Ten slotte is volgens de verwerende partij ook het aangevoerde morele nadeel louter het gevolg van verzoeksters eigen handelen en kan het in beginsel door een vernietigingsarrest worden hersteld. Beoordeling 15. Het bestreden besluit betreft een tweede opeenvolgende evaluatie “onvoldoende” van verzoeksters functioneren. Krachtens artikel XI 5, 3°, van het Vlaams personeelsstatuut, samen gelezen met artikel XI 8, § 1, van dat statuut, leidt een dergelijke evaluatie tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid. Dit ontslag heeft zich inmiddels gerealiseerd door de ontslagbeslissing die het voorwerp uitmaakt van verzoeksters beroep in de zaak A. 197.123/IX-6882. Het is dan ook evident dat het bestreden besluit aan de IX-6877-16/19 verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, alleen al op moreel vlak, gelet op het odium van beroepsongeschiktheid dat haar bezwaart. Derhalve moet worden besloten dat aan de schorsings- voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan. 16. Uit wat voorafgaat volgt dat de beide voorwaarden, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 197.091/IX-6877 vervuld zijn. B. De zaak A. 197.123/IX-6882
  3. a)Ernst van de middelen 17. De verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de materiële motiveringsplicht, doordat het bestreden besluit onder meer gesteund is op haar evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009, die tot stand is gekomen met schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij herneemt het middel dat zij dienaangaande heeft aangevoerd in de zaak A. 197.091/IX-6877. Hiervóór werd reeds besloten tot de ernst van het eerste onderdeel van het desbetreffende middel in de laatstgenoemde zaak. Hieruit volgt dat het enige middel in de voorliggende zaak A. 197.123/IX-6882, in zoverre het dat middelonderdeel opnieuw aanvoert, eveneens ernstig is.
  4. b)Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 18. De verzoekster zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ingevolge het bestreden besluit meent te kunnen lijden, in essentie op dezelfde wijze uiteen als in de zaak A. 197.091/IX-6877. IX-6877-17/19 Hiervóór werd in de zaak A. 197.091/IX-6877 reeds tot de aanwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel besloten. De redengeving waarop die conclusie is gesteund, geldt des te meer in de voorliggende zaak A. 197.123/IX-6882, waar moet worden vastgesteld dat de bestreden ontslagbeslissing de verzoekster niet alleen bezwaart met een moeilijk te herstellen en ernstig moreel nadeel, maar ook met ingrijpende materiële gevolgen voor het gezinsinkomen, die eveneens als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen worden aangemerkt. Derhalve is ook in de voorliggende zaak aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voldaan. 19. Uit wat voorafgaat volgt dat de beide voorwaarden, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 197.123/IX-6882 vervuld zijn. BESLISSING 1. De zaken A. 197.091/IX-6877 en A. 197.123/IX-6882 worden samengevoegd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de directieraad van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid van 20 mei 2010, waarbij aan Myriam Van Biervliet de evaluatie “onvoldoende” voor het jaar 2009 definitief wordt toegekend. 3. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid van 21 juni 2010, waarbij Myriam Van IX-6877-18/19 Biervliet met ingang van 1 juli 2010 wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-6877-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.