← België

Arrest 209128 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.128 Rolnummer: Zaak: Arrest 209128 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-03 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Arrest nr 209.128 van 24 november 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.128 van 24 november 2010 in de zaken A.180.690/XII-5002 (I) A.180.691/XII-5001 (II) In zake:

  1. Marianne DE MOFFARTS (I)
  2. Sébastien VERSTREPEN (I)
  3. Violaine SAUSSEZ (I)
  4. Nathalie OP DE BEECK (I)
  5. de VZW COMITÉ SCOLAIRE SAINTE-TRINITÉ (II) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Gosselin kantoor houdend te Louvain-La-Neuve rue de Clairvaux 40/202 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
  6. De beide beroepen, ingesteld op 30 januari 2007, strekken tot de nietigverklaring van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 1 december 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van Anne Engel, Candice Braekers, Marianne de Moffarts, Sébastien Verstrepen, Violaine Saussez en Nathalie Op De Beeck weigert”. II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij arrest nr. 198.244 van 26 november 2009 zijn de zaken A. 180.690/XII-5002 en A. 180.691/XII-5001 samengevoegd, zijn de beroepen verworpen in zoverre ze betrekking hebben op de weigering van de Vlaamse Gemeenschap om aan de vaste benoeming van Anne Engel en van Candice Braekers in het ambt van onderwijzer uitwerking te verlenen, zijn de debatten heropend voor XII-5002-1\9 het overige en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met het verder onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Diane Mareen heeft in de beide zaken een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
  8. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frédéric De Cock, die loco advocaat Frédéric Gosselin verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest anderslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. M. de Moffarts, S. Verstrepen, V. Saussez en N. Op de Beeck zijn tewerkgesteld als tijdelijk personeelslid in de Franstalige gesubsidieerde vrije basisschool te Wezembeek-Oppem waarvan de vzw Comité Scolaire Sainte-Trinité het bevoegd gezag is. 3.
  11. Op 1 december 2006 deelt verwerende partij aan vijfde verzoek- ster met afzonderlijke maar gelijkluidende brieven mee -respectievelijk betreffende de vaste benoeming in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, van leermeester katholieke godsdienst, van kinderverzorger of van kleuteronderwijzer met ingang van 1 januari 2006 “van mevrouw de Moffarts Marianne voor 1/24”, XII-5002-2\9 “van de heer Verstrepen Sébastien voor 14/24”, “van mevrouw Saussez Violaine voor 12/24” en “van mevrouw Op de Beeck Nathalie voor 12/32”- dat aan die vaste benoeming geen uitvoering kan worden gegeven omdat deze personeelsleden niet voldoen aan artikel 27 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en, “zodoende”, de vaste benoeming strijdig is met de bepalingen van artikel 19, § 1, 2/, en artikel 31, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) en “zij geen uitwerking [heeft] ten aanzien van het departement Onderwijs”. IV. Onderzoek van de middelen Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen
  12. In de beide zaken wordt het eerste middel onder meer genomen uit “de schending van de wettelijke basis en de kennelijk verkeerde beoordeling van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurs- zaken, met name de artikelen 1 en 27” en is het tweede middel onder meer geput uit de schending van artikel 19, § 1, 2/, van het rechtspositiedecreet. Verzoekers merken in verband met het eerste middel onder meer op dat de bestreden beslissing erop steunt dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 27 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet). Nochtans stelt dit artikel geen enkele taalkundige voorwaarde aan personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs, ingericht door een rechtspersoon naar privaat recht. Eerste tot vierde verzoekers zijn contractueel verbonden met vijfde verzoekster, wat hen fundamen- teel onderscheidt van de onderwijzers van het officieel gesubsidieerd onderwijs die onderworpen zijn aan een regime van publiek recht en aan een statutair verband met hun werkgever. Noch de subsidiëring, noch de erkenning door de overheid van vijfde verzoekster heeft tot gevolg dat de bestuurstaalwet op hen van toepassing worden. Ter adstructie van een tweede onderdeel van het tweede middel merken verzoekers op dat verwerende partij aanneemt dat eerste tot vierde XII-5002-3\9 verzoekers niet voldoen aan de “taalwetten ter zake” overeenkomstig artikel 19, § 1, 2/, van het rechtspositiedecreet maar zij argumenteren, met verwijzing naar de uiteenzetting van het eerste middel, dat verwerende partij onterecht de bestuurstaal- wetgeving mee als “taalwetten ter zake” in aanmerking neemt terwijl voor een privaatrechtelijke onderwijsinstelling enkel de onderwijstaalwetgeving relevant is.
  13. Verwerende partij antwoordt niet te betwisten dat de personeelsle- den een arbeidsrechtelijke band hebben met hun school. Volgens haar vergissen zij zich echter wanneer zij stellen dat de bestuurstaalwet “niet van toepassing [is] op de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs”. Verwerende partij verwijst dan naar artikel 1, § 1, 2/ en 4/, van de bestuurstaalwet en naar de memorie van toelichting en het commissieverslag bij het wetsontwerp-bestuurstaalwet. Dat ook de personeelsleden en niet enkel de schooloverheden als dusdanig onder het toepassingsgebied van de bestuurstaalwet vallen vindt volgens verwerende partij steun in een advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht nr. 4078 van 22 januari
  14. De verwijzing, in het rechtspositiedecreet, naar “de taalwetten” waaraan voldaan moet zijn om vast benoemd te kunnen worden, is ruimer dan enkel de onderwijstaalwetgeving. Dat beide regelingen cumulatief van toepassing zijn, is bevestigd door het arrest nr. 65/2006 van 3 mei 2006 van het Grondwettelijk Hof. Ingeroepen regelgeving 6.
  15. Artikel 1 van de bestuurstaalwet omschrijft als volgt het toepassingsgebied ervan: “Deze gecoördineerde wetten zijn toepasselijk : 1/ op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet; 2/ op de natuurlijke en rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hun hebben toevertrouwd in het belang van het algemeen; 3/ op de administratieve werkzaamheden, het administratief personeel en de organisatie van de diensten van de Raad van State en het Rekenhof evenals op de Diensten Enquêtes en op het administratief personeel van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en op het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten; 4/ op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht, van dezer medewerkers en van de schooloverheden; XII-5002-4\9 5/ op de verrichtingen bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraads- verkiezingen; 6/ binnen de bij artikel 52 bepaalde perken, op de handelingen en bescheiden uitgaande van de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven. §
  16. De onderscheiden diensten, met een bepaalde territoriale bevoegdheid, van de in § 1 bedoelde besturen, openbare diensten en instellingen, alsook de in dezelfde paragraaf vermelde natuurlijke personen, worden hierna ‘diensten’ genoemd. Tenzij zij onder het gezag van een openbare macht staan, zijn de in § 1, 2/, bedoelde personen niet onderworpen aan de bepalingen die in deze gecoördi- neerde wetten betrekking hebben op de organisatie van de diensten, op de rechtspositie van het personeel en op de door dit laatste verkregen rechten.” Artikel 27 van dezelfde wet luidt: “In de plaatselijke diensten van de randgemeenten kan niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden indien hij de Nederlandse taal niet kent. De toelatings- en bevorderingsexamens geschieden in dezelfde taal. De kandidaat wordt enkel tot het examen toegelaten voor zover uit de vereiste diploma's of studiegetuigschriften blijkt dat hij zijn onderwijs in meergenoemde taal heeft genoten. Bij ontstentenis van een dergelijk diploma of getuigschrift moet de taalkennis vooraf door een examen bewezen worden. Indien het ambt of de betrekking begeven wordt zonder toelatingsexamen dient de vereiste taalkennis vastgesteld aan de hand van de daartoe in lid 2 voorge- schreven bewijzen.” 6.
  17. Artikel 19, § 1, 2/, van het rechtspositiedecreet bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing dat niemand door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid kan worden aangesteld, indien hij niet voldeed “aan de taalwetten ter zake”. Blijkens artikel 31, § 1, eerste lid, van het rechtspositiedecreet kan een personeelslid in vast verband worden benoemd, onder meer, “als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19”. Beoordeling 7.
  18. De kwestie waarover de Raad van State zich moet uitspreken, vertoont gelijkenissen met eerdere geschillen die aanleiding gaven tot, onder meer, het arrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 inzake de gemeente Wezembeek-Oppem en, inderdaad, het op prejudiciële vraag van de Raad van State gewezen arrest nr. 65/2006 van het Grondwettelijk Hof. 7.
  19. Er is evenwel een fundamenteel onderscheid, waar verzoekers terecht op alluderen. Het is overigens tekenend dat verwerende partij in haar XII-5002-5\9 memories regelmatig gewag maakt van het “officieel gesubsidieerd onderwijs”, wat vijfde verzoekster duidelijk niét is. In de eerdere zaken was het bevoegd gezag van de school immers een gemeentelijke overheid -dus officieel gesubsidieerd onderwijs- en thans betreft het een vereniging zonder winstoogmerk -dus vrij gesubsidieerd onderwijs. Beiden zijn onderworpen aan hetzelfde rechtspositiedecreet, en bijgevolg aan de voorwaar- den die voor de vaste benoeming zijn gesteld in de artikelen 19 en 31 ervan. Vraag is derhalve of verwerende partij terecht de vaste benoeming van onderwijzend personeel in het vrij gesubsidieerd onderwijs beschouwen mag als een benoeming in een “ambt” “[i]n de plaatselijke diensten van de randgemeenten”, als bedoeld in artikel 27 van de bestuurstaalwet.
  20. De teksten die verwerende partij uit de parlementaire stukken citeert, refereren aan de “aan de wet onderworpen schooloverheden”, aan hun “administratieve handelingen” of “administratieve werkzaamheden”. Ook het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, voor zoveel als relevant, spreekt van “de overheid die een onderwijsinrichting organiseert d.w.z. de inrichtende macht, hetzij al wie gezag heeft over leerlingen of verantwoordelijkheid draagt in de administra- tieve organisatie van een onderwijsinrichting”. Een en ander maakt bijgevolg duidelijk dat de schoolinstanties die specifiek gezag uitoefenen over de leerlingen en verantwoordelijkheid dragen in de administratieve organisatie van de onderwijsinrichting van een vrije gesubsidieerde school vallen onder het begrip schooloverheid, bedoeld in artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet. Het voormeld advies nr. 4078 van 22 januari 1976 van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht overweegt daarom terecht dat “de bestuurlijke activiteiten in het openbaar onderwijs en de handelingen van bestuurlijke aard gesteld door de schooloverheden ‘administratieve handelingen’ uitmaken”. Die overweging grijpt rechtstreeks terug naar een passus uit het commissieverslag : “het bestuurlijk leven van [...] het openbaar onderwijs, de handelingen van bestuurlijke aard gesteld door [...] schooloverheden, zijn klaarblijkelijk onderworpen aan de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken” (Parl. St. Kamer 1961-62, nr. 331/27, blz. 8; het betreft eigenlijk een citaat uit het verslag Van Cauwelaert bij de taalwetgeving van 1932). XII-5002-6\9 Anders dan verwerende partij betoogt, spreekt uit deze teksten geenszins de bedoeling van de wetgever om individuele onderwijzers die enkel onderwijsopdrachten hebben in de klas te beschouwen als schooloverheden die handelingen van bestuurlijke aard stellen. Verwerende partij toont bijgevolg niet aan dat eerste tot vierde verzoekers te dezen beschouwd mogen worden als schooloverheden die op grond van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet onder het toepassingsgebied van deze wet terecht komen. Dat vijfde verzoekster voorts met de vaste benoeming een handeling stelt van bestuurlijke aard, en bijgevolg optreedt als schooloverheid in de zin van de bestuurstaalwet, heeft implicaties voor de taal te gebruiken voor het benoemingsbesluit maar niet voor de taal van de benoemde.
  21. Verwerende partij refereert ook aan het artikel 1, § 1, 2/, van de bestuurstaalwet dat deze wet toepasselijk verklaart: “op de natuurlijke en rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hebben toever- trouwd in het belang van het algemeen”. Vijfde verzoekster is een private rechtspersoon. Zij is echter geen “concessiehouder van een openbare dienst”. Zij oefent uit eigen (privé) initiatief, vrij en zonder daartoe door de overheid te zijn belast de haar door de Grondwet gewaarborgde vrijheid uit om onderwijs te verstrekken, daargelaten of die taak “de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat”. Dat zij voor de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel subsidies ontvangt en ook door de overheid is erkend, brengt noch haar noch haar personeelsleden onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, 2/, van de bestuurstaalwet dat immers vereist dat een opdracht van algemeen belang is toevertrouwd door de wet of de openbare machten.
  22. Terecht voorts vermeldt verwerende partij niet het artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet, dat deze wet van toepassing verklaart “op de gecentrali- seerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet”. XII-5002-7\9 Deze bepaling was voor de Raad van State het aanknopingspunt om ten aanzien van het gemeentelijk onderwijspersoneel vast te stellen dat de bestuurstaalwet op hen wel van toepassing was. Ook in het arrest nr. 65/2006 spreekt het Grondwettelijk Hof zich enkel uit over “diegenen die een ambt van lid van het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool in de randgemeenten wensen te bekleden” (Ov. B.13.2). Evenwel zijn eerste tot vierde verzoeker geen personeelsleden van een gecentraliseerde of gedecentraliseerde openbare dienst van de Staat of een ander openbaar bestuur, maar personeelsleden van een door privé-personen opgerichte vereniging zonder winstoogmerk. Er gaat zoals hiervoor opgemerkt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een overheid schuil achter deze vereniging. Dat het bevoegd gezag van de school -dat is: vijfde verzoekster- krachtens artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet als schooloverheid onder de toepassing valt van de bestuurstaalwet, maakt van deze school of haar bestuur nog geen openbare dienst als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/.
  23. Besluit van al hetgeen voorafgaat is, dat verwerende partij niet heeft aangetoond dat de eerste tot vierde verzoeker onderworpen zijn aan artikel 27 van de bestuurstaalwet. Door te weigeren om de vaste benoeming van eerste tot vierde verzoeker uitwerking te laten hebben jegens haar wegens het niet voldoen aan de bestuurstaalwet, zijn de in het eerste en tweede middel aangevoerde en hier besproken bepalingen geschonden en zijn die middelen in de aldus besproken mate gegrond. BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt de beslissingen, meegedeeld met brieven van 1 december 2006, waarbij de Vlaamse Gemeenschap weigert uitvoering te geven aan de vaste benoeming van Marianne de Moffarts, Sébastien Verstrepen, Violaine Saussez en Nathalie Op de Beeck.
  25. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de beide zaken, begroot op 1750 euro. XII-5002-8\9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-5002-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.