← België

Arrest 209129 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.129 Rolnummer: A. 193089/XII-5866 Zaak: Arrest 209129 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-03 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Arrest nr 209.129 van 24 november 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.129 van 24 november 2010 in de zaak A. 193.089/XII-5866 In zake:

  1. XXXX
  2. XXXX
  3. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Ingrid Van Aken kantoor houdend te Antwerpen Graaf Van Hoornestraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 23 juni 2009, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 23 april 2009 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie waarbij het beroepschrift van de familie XXXX tegen de weigering van de Lerende Stad, Stad Antwerpen om inzage te verlenen in een dossier onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. XII-5866-1\13 De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober
  6. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Van Aken, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jennifer Jamien, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Verzoekers hebben in de loop van het jaar 2008 klachten over grensoverschrijdend gedrag van een leerkracht van het stedelijk onderwijs te Antwerpen, waarvan derde verzoekende partij zich als leerling slachtoffer weet. Omdat de stad Antwerpen en de bedrijfseenheid Lerende Stad de behandeling van deze klacht bij gebrek aan bewijs als afgesloten beschouwen, vragen eerste en tweede verzoekers op 26 februari 2009 inzage van de dossiers van het onderzoek. Op 18 maart 2009 weigert de bedrijfsdirecteur op grond van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur en meer bepaald van artikel 17, § 2, de inzage omdat “de aanvrager [...] niet [aantoont] dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie wordt geraakt door de informatie”. Tegen deze weigering stellen eerste en tweede verzoeker op 26 maart 2009 beroep in bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en XII-5866-2\13 hergebruik van overheidsinformatie. Met de thans bestreden beslissing van 23 april 2009 wordt het beroep onontvankelijk verklaard. 3.
  9. Ondertussen had derde verzoekende partij en dit sedert 1 september 2008 het stedelijk onderwijs verlaten. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  10. Eerste en tweede verzoekers zijn de ouders van derde verzoekende partij. In het inleidend verzoekschrift preciseren zij het beroep in te stellen “in eigen naam en als ouder van [derde verzoekende partij]”, wat mede gelet op de wijze waarop zij hun belang omschrijven, twijfel doet rijzen of het beroep ook is ingesteld door derde verzoekende partij. Uit hun laatste memorie evenwel blijkt dat dit wel degelijk hun intentie was en is. Verwerende partij werpt evenwel in haar laatste memorie op dat derde verzoekende partij niet de gelegenheid heeft benut om sinds haar meerderja- righeid zelf in rechte te treden; bovendien beschikken volgens verwerende partij de ouders van derde verzoekende partij sindsdien niet meer over enige procesbevoegd- heid. Beoordeling 5.
  11. Derde verzoekende partij was minderjarig op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep. Aangezien een minderjarige in beginsel handelingsonbekwaam is, wordt aangenomen dat zijn of haar wettelijke vertegen- woordigers -te dezen eerste en tweede verzoekers- kunnen optreden om in zijn of haar naam een annulatieberoep aanhangig te maken. Derde verzoekende partij is tijdens de loop van de procedure evenwel meerderjarig geworden, meer bepaald ná het indienen van het beroep en vóór het ogenblik van indienen van de memorie van wederantwoord. XII-5866-3\13 Vanaf het ogenblik van haar meerderjarigheid is aan de wettelijke vertegenwoordiging een einde gekomen en kunnen haar ouders niet meer voor haar optreden. Vanaf dat ogenblik verliezen de ouders hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger en de daarmee samenhangende procesbevoegdheid en wordt de meerderjarig geworden verzoekende partij geacht het proces in eigen naam -en overigens zonder enige vormvereiste- verder te zetten zonder dat haar vroegere wettelijke vertegenwoordigers nog voor haar kunnen optreden. 5.
  12. Mét verwerende partij wordt vastgesteld dat derde verzoekende partij niet zelf een memorie van wederantwoord heeft ingediend. De memorie wordt immers op 16 december 2009 nog steeds ingediend voor eerste en tweede verzoekers, “optredend in eigen naam en als ouder van [derde verzoekende partij], geboren op [...] 1991”, waarover de memorie dan als punt 1.
  13. vermeldt -foutief- dat zij 17 jaar oud is. Dit heeft gevolgen voor de ontvankelijkheid van haar beroep. Door niet binnen een termijn van zestig dagen een regelmatige memorie van wederantwoord in te dienen, dient overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden vastgesteld dat het vereiste belang ontbreekt om de gevorderde nietigverklaring te verkrijgen. 5.
  14. In de laatste memorie argumenteert derde verzoekende partij dat zij op 5 december 2009 een mondelinge volmacht heeft gegeven aan haar ouders om haar te vertegenwoordigen in de procedure voor de Raad van State en dat zij deze volmacht heeft bevestigd in een schriftelijke volmacht op 29 juni
  15. Eerste en tweede verzoekers waren dus volgens derde verzoekende partij gevolmachtigd om voor haar een memorie van wederantwoord in te dienen. 5.
  16. Aldus zet derde verzoekende partij een ultieme, maar vergeefse reddingsactie voor haar beroep op het getouw. Zij verliest immers uit het oog, daargelaten wat er verder nog over een “mondelinge” volmacht te bedenken valt, dat een -meerderjarige, niet handelingsonbekwaam verklaarde- natuurlijke persoon in de procedure voor de Raad van State zich enkel mag laten vertegenwoordigen door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Noch eerste verzoeker, landbou- wingenieur, noch tweede verzoekster, zonder beroep, beantwoorden aan die voorwaarden. XII-5866-4\13 5.
  17. Conclusie van hetgeen voorafgaat is dat het beroep niet ontvankelijk is, voor zover het is ingediend door derde verzoekende partij. 6.
  18. De bedrijfsdirecteur Lerende Stad heeft in zijn afwijzing van 18 maart 2009 als aanvragers van de openbaarheid “de heer/mevrouw [naam van eerste verzoeker]” vermeld: zij “verzoeken inzage in ondervermelde dossiers” (stuk 5 bij het verzoekschrift). Daarop richten eerste en tweede verzoeker op 26 maart 2009 een brief tot verwerende partij, waarin zij stellen dat “wij” beroep aantekenen tegen de afwijzing van “onze vraag” tot inzage van dossiers (stuk 1 van het administratief dossier). Die brief is ondertekend door eerste en tweede verzoeker. In de bestreden beslissing heet dit vervolgens het “beroepschrift van de familie [familienamen van eerste en tweede verzoeker]” (stuk 3 van het administratief dossier). 6.
  19. Op grond van deze stukken stelt de Raad van State vast dat zowel de oorspronkelijke vraag tot inzage als het erop volgende bezwaar bij de beroepsin- stantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie door eerste en tweede verzoeker in ieder geval niet -of minstens niet enkel- in naam van derde verzoeker zijn geformuleerd, maar -minstens ook- in eigen naam. De weigering tot inzage en de bestreden beslissing van de beroepsinstantie zijn in de eerste plaats tot hen gericht. Als rechtstreekse rechtsadressaten van de bestreden beslissing hebben verzoekers dan ook de proceshoedanigheid om tegen die weigering op te komen en ze te bestrijden met een annulatieberoep. Of zij er ook belang bij hebben, wat overigens door verwerende partij niet wordt betwist, is een vraag die samenhangt met de grond van de zaak. 6.
  20. De exceptie is, wat eerste en tweede verzoeker betreft, ongegrond. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  21. Het enig middel is genomen uit de schending van artikel 17, § 2, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur (verder: openbaarheidsdecreet), artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (verder: formele-motiverings- XII-5866-5\13 wet), van de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet moet een belang slechts worden aangetoond voor zover de informatie van persoon- lijke aard niet over de aanvrager handelt. De aanvraag die werd ingediend handelt over de gedragingen van een leerkracht met betrekking tot leerlingen van de school, waaronder derde verzoekende partij. De informatie in de dossiers is ook informatie van persoonlijke aard over derde verzoekende partij, aangezien zij slachtoffer was. Zodoende moeten de verzoekers niet aantonen dat zij rechtstreeks en persoonlijk in hun rechtssituatie worden geraakt. Ondergeschikt stellen de verzoekers dat zij wel degelijk recht- streeks en persoonlijk in hun rechtssituatie worden geraakt aangezien de documen- ten betrekking hebben op het onderzoek naar handelingen die werden gesteld ten aanzien van hun kind. Zij zijn van mening dat de school niet voldoende heeft gedaan om de klacht te onderzoeken. Zo maken zij uit een e-mail van de bevoegde schepen op dat slechts één leerkracht is ondervraagd, en vragen zij zich af waarom er niet meer leerkrachten, oud-leerlingen of vroegere directie werd gehoord. De leerkracht die na een klasgesprek de grensoverschrijdende handelingen aan de directie heeft gesignaleerd, zou naderhand niet meer zijn gehoord. Dit wijst niet op een minutieus en grondig onderzoek. Verzoekers willen inzage in het dossier van de school om te kunnen nagaan of het onderzoek in alle eerlijkheid is verlopen aangezien zij ernstige twijfels hebben bij de wijze waarop het onderzoek is verlopen.
  22. Verwerende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is wat betreft de schending van de formele-motiveringsplicht aangezien de verzoekers heel goed weten en beseffen waarom hun beroep werd afgewezen. Aangaande het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt bovendien niet aangegeven waaruit de schending van deze beginselen zou bestaan. Zij stelt voorts vast dat verzoekers niet betwisten dat hun vraag tot inzage betrekking heeft op bestuursdocumenten die informatie van persoonlijke aard bevatten in de zin van artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers niet geïnteresseerd zijn naar de informatie van persoonlijke aard met betrekking tot hun kind, maar wel wat XII-5866-6\13 de persoon, handelwijze, handelingen en gedragingen van de leerkracht betreft tegenover leerlingen, waaronder hun kind. Het is op de eerste plaats, zo niet uitsluitend, op deze leerkracht dat de gevraagde “informatie van persoonlijke aard” betrekking heeft, zodat de bestreden beslissing er, in toepassing van artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet, volkomen terecht van uitgaat dat verzoekers een belang te bewijzen hebben. Verzoekers dienen, op het vlak van hun belang, aan te tonen dat het voorwerp van hun openbaarheidsvraag, rechtstreeks en persoonlijk hun rechtssituatie kan raken. Verzoekers gaan overigens volkomen voorbij aan het begrip “rechts”situatie. Die rechtssituatie is, in de zin van het decreetsartikel, die bestaande op het moment van de klacht en zijnde de hoedanigheid van de derde verzoekende partij als leerling. Het schoolverband tussen klager (zijnde het kind van verzoekers) en aangeklaagde behoort tot de essentie van de hier aan de orde zijnde rechtssituatie. Deze rechtssituatie is echter beëindigd, en wel door toedoen van de verzoekers zelf, doordat hun kind per 1 september 2008 niet meer is ingeschreven in de bedoelde instelling. De rechtssituatie van (het kind van) de verzoekers kon derhalve op 26 februari 2009, datum van de openbaarheidsaanvraag, niet meer, op geen enkele wijze, en zeker niet rechtstreeks, door het verkrijgen van de gevraagde informatie van persoonlijke aard worden beïnvloed, laat staan worden geraakt.
  23. Verzoekers repliceren in de memorie van wederantwoord dat de informatie waarvan zij inzage willen verkrijgen ook handelt over hun kind. Het argument dat de verzoekers in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in de persoon van de leerkracht is niet relevant, hun kind is slachtoffer geweest van de handtastelijkhe- den van de leerkracht. Het zijn niet de beweegredenen waarmee rekening moet worden gehouden om inzage in een dossier te verkrijgen, maar wel de persoon van de aanvrager zelf. De dossiers waarvan zij inzage vragen handelen over derde verzoekende partij. Verzoekers zien niet in hoe documenten die handelen over het onderzoek naar handtastelijkheden met betrekking tot hun kind, hen niet recht- streeks en persoonlijk in hun rechtssituatie zouden raken. Zij hebben het recht te weten of hun klacht degelijk is onderzocht. De bestreden beslissing gaat voorbij aan het feit dat zij niet dienen aan te tonen dat zij rechtstreeks en persoonlijk in hun rechtssituatie worden geraakt. Hieruit blijkt duidelijk dat de motivering van de bestreden beslissing niet XII-5866-7\13 pertinent en draagkrachtig is, zodat er sprake is van een schending van de artikelen 2 en 3 van de formele-motiveringswet. De rechtssituatie waarnaar verwerende partij verwijst is niet het schoolverband tussen leerkracht en leerling, maar de feiten die zich hebben afgespeeld tussen leerkracht en leerling. Deze rechtssituatie is niet zomaar abrupt aan zijn einde gekomen doordat derde verzoekende partij geen les meer volgt in de school in kwestie. Door van school te veranderen wordt niet het recht opgegeven om inzage te krijgen in dossiers die hen aanbelangen. Het dossier gaat over handtaste- lijkheden, wat niets te maken heeft met de relatie tussen de leerling en de school, al hebben de feiten zich afgespeeld binnen een schoolcontext. Indien dit wel van belang zou zijn moet bovendien worden gesteld dat het dossier handelt over feiten die zijn gebeurd ten tijde dat betrokkene nog wel leerling was aan de school. De reden waarom pas op 26 februari 2009 een verzoek tot inzage is ingediend, heeft als simpele reden dat zij niet op de hoogte waren van het feit dat het onderzoek was afgesloten; zij zijn daarvan nooit op de hoogte gebracht.
  24. In haar laatste memorie wijst verwerende partij erop dat in een onderzoeksdossier als het onderhavige, de documenten eruit onvermijdelijk een zodanig onderling verband vertonen dat het onderscheid of ze informatie van persoonlijke aard bevatten van en over derde verzoekende partij dan wel van en over de leerkracht, redelijkerwijs niet te maken is, zodat de verzoekers wel degelijk het belang van artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet dienen aan te tonen. Het belang bestaat erin, rechtstreeks en persoonlijk geraakt kunnen worden in zijn rechtssituatie. Nadat het schoolverband opgehouden heeft te bestaan, kan dat belang niet meer aan de orde zijn.
  25. Verzoekers dupliceren in hun laatste memorie nog dat verwerende partij het verzoek in zijn totaliteit heeft afgewezen, zonder na te gaan of gedeeltelij- ke openbaarheid mogelijk was. Beoordeling
  26. Het motief waarom de vraag tot inzage door verwerende partij wordt afgewezen is aan verzoekers genoegzaam bekend en zij nemen dit motief in het inleidend verzoekschrift uitvoerig op de korrel. Aldus is het doel van de formele- XII-5866-8\13 motiveringsplicht bereikt en tonen verzoekers geen belang aan bij het aanvoeren van een schending van de formele-motiveringsplicht. In de toelichting bij het middel gaan verzoekers in op de wettigheid van de weigeringsgrond in het licht van artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet. Zij lichten echter niet toe, zoals verwerende partij terecht opmerkt, waarin die wettigheidskritiek ook neerkomt op een schending van de redelijkheid en de zorgvuldigheid als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De exceptie van verwerende partij wordt bijgevallen, het middel is in deze onderdelen niet ontvankelijk.
  27. Artikel 17, § 2, van het openbaarheidsdecreet luidt: “§
  28. De aanvrager moet geen belang aantonen. Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard moet de aanvrager evenwel aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel: 1° de informatie; 2° de beslissing waarop de informatie betrekking heeft; 3° de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, werd opgesteld. Dat belang moet slechts worden aangetoond voorzover het gaat om andere dan milieu-informatie en voorzover de informatie van persoonlijke aard niet over de aanvrager handelt.” Informatie van persoonlijke aard wordt voor de toepassing van dit decreet door artikel 3, 6/, van het decreet gedefinieerd als “informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van een bij name genoemd of een gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon”, en dit wordt in de memorie van toelichting nog met het volgende verduidelijkt: “Er werd gekozen voor het begrip ‘informatie van persoonlijke aard’ in plaats van ‘(bestuurs)document van persoonlijke aard’ om te verhinderen dat voor de toegang tot een bestuursdocument dat zowel informatie van persoonlij- ke aard bevat als andere informatie een belang zou moeten aangetoond worden voor die informatie, [die] niet onder de definitie van informatie van persoonlij- ke aard valt” (memorie van toelichting, Parl. St. Vl.Parl. 2002-2003, nr. 1732/1, 17). De memorie van toelichting illustreert dit met voorbeelden als evaluatieverslagen van ambtenaren, examens, OCMW-documenten, die alle XII-5866-9\13 waardeoordelen kunnen bevatten; “[dit] mag er wel niet toe leiden dat feitelijke informatie aan de openbaarmaking wordt onttrokken” (ibidem).
  29. Verzoekers vragen inzage in dossiers die werden opgesteld naar aanleiding van een door hen ingestelde informele klacht met betrekking tot handelingen gesteld door een leraar ten opzichte van leerlingen, waaronder hun kind. De partijen zijn het er over eens dat de dossiers informatie van persoonlijke aard bevatten, namelijk informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van een bij name genoemd of een gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon. Verzoekers zijn van oordeel dat zij geen belang moeten aantonen aangezien de gevraagde dossiers informatie van persoonlijke aard bevatten met betrekking tot hun kind terwijl verwerende partij stelt dat de informatie voorname- lijk betrekking heeft op de persoon van de leerkracht.
  30. Het openbaarheidsdecreet kent het begrip “dossier” niet. Een dossier bevat verschillende bestuursdocumenten in de zin van het openbaarheidsde- creet en elk document kan verschillende vormen van informatie bevatten. De Raad van State kan over de concrete inhoud van de ter inzage gevraagde dossiers en de aard van de erin opgenomen bestuursdocumenten in het geheel niets uit het administratief dossier opmaken, aangezien verwerende partij heeft verzuimd om de dossiers waarop het verzoek tot inzage betrekking heeft en die in dit geschil centraal staan, aan de Raad over te maken. Aldus ontzegt verwerende partij aan de rechter zelfs de mogelijkheid om zijn controle uit te oefenen over de feitelijke grondslag om de volledige dossiers te kwalificeren als bestuursdocument met informatie van persoonlijke aard. In casu kan er evenwel in redelijkheid worden vanuit gegaan dat in de desbetreffende dossiers documenten berusten die kunnen worden gekwalifi- ceerd als niet van persoonlijke aard of als informatie van persoonlijke aard met betrekking tot derde verzoekende partij, naast documenten die informatie van persoonlijke aard bevatten met betrekking tot de leerkracht. XII-5866-10\13
  31. Verzoekers mogen eventueel inzage krijgen in de documenten van het dossier die geen informatie van persoonlijke aard bevatten of informatie van persoonlijke aard bevatten met betrekking tot hun kind. De Raad van State merkt op dat het verzoekers immers in de eerste plaats er om te doen is door inzage van het dossier te achterhalen of hun klacht ernstig is genomen en op een zorgvuldige wijze is behandeld, alvorens het dossier is afgesloten. Achterliggend speelt bij verzoekers allicht mee dat zij zich ervan willen vergewissen of de betrokken leerkracht effectief grensoverschrijdende handelingen heeft gesteld. Niettemin zijn het niet die feiten, maar wel het onderzoek naar hun klacht over die feiten waarover verzoekers primordiaal informatie verlangen. Het komt de Raad van State voor dat de wijze waarop de betrokken bestuursinstantie een klacht heeft geregistreerd en op welke wijze zij ermee is omgegaan, op zich géén informatie van persoonlijke aard betreft zoals die voor de toepassing van het decreet is gedefinieerd en in de parlementaire stukken nader toegelicht. Vrijgeven of en welke onderzoeksdaden zijn gesteld -zoals bijvoorbeeld documenten waaruit blijkt of en welke leerkrachten, directieleden, leerlingen of oud-leerlingen zijn ondervraagd- raakt nog niet de “informatie van persoonlijke aard” van de betrokken leerkracht.
  32. De meer persoonlijke informatie over de gedragsbeschrijving van de leerkracht, is dan weer wel informatie van persoonlijke aard. Volgens verwerende partij handelt die niet over de aanvrager. Verzoekers merken evenwel terecht op dat in de mate waarin hun kind slachtoffer is van of minstens betrokken is bij dit gedrag, de informatie bij bepaling óók over hun kind handelt. Overigens, dit kind is van die feiten niet minder slachtoffer, wellicht integendeel, omdat het naderhand de school heeft verlaten. Dat verzoekers als houders van het ouderlijk gezag over derde verzoekende partij het nodig hebben gevonden om hun kind van school te doen veranderen, wijst precies uit dat de feiten aan hun rechtssituatie, namelijk die met de school, hebben geraakt, zodat het verder zonder belang is of die informatie van persoonlijke aard over de verzoekers handelt. Verzoekers wijzen met betrekking tot hun rechtssituatie ook op het feit dat de gelaakte handelingen hen mogelijk schade hebben doen lijden waarvoor zij in rechte vergoeding kunnen eisen. XII-5866-11\13 De memorie van toelichting preciseert met betrekking tot artikel 17, § 2, van het decreet (Gedr. St. Vl.Parl. 2002-2003, nr. 1732/1, 35): “De opzet van de regeling is in wezen de openbaarmaking (in casu aan derden) te beperken van informatie in bestuursdocumenten die een beoordeling, een waardeoordeel of een gedragsbeschrijving bevatten over een individueel persoon”. Welnu, wanneer de informatie een gedragsbeschrijving bevat van de leerkracht ten opzichte van derde verzoekende partij, kunnen verzoekers -ten tijde van de feiten dragers van het ouderlijk gezag over derde verzoekende partij en aldus gerechtigd om keuzes te maken voor haar opvoeding- moeilijk als een “derde” worden bestempeld. Het strookt dan ook niet met de “opzet van de regeling” om hen op die grond inzage te weigeren van de informatie die welbepaald op derde verzoekende partij betrekking heeft.
  33. Terecht ook merken verzoekers op dat het openbaarheidsdecreet aan het bestuur oplegt om maximaal openbaarheid te verlenen, en bijgevolg te streven naar gedeeltelijke openbaarheid met weglating van wat onder de uitzonde- ringen valt. Artikel 9, eerste lid, van het openbaarheidsdecreet, waarmee artikel 17, § 2, steeds in samenhang moet worden gelezen, bepaalt immers dat een bestuursdo- cument “gedeeltelijk openbaar gemaakt [wordt] als informatie [...] waarvoor de verplichting geldt inzake het aantonen van het belang, bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid, samen met andere informatie in een bestuursdocument vervat zit, en het mogelijk is om de genoemde informatie te scheiden van de andere informatie”. “De bedoeling is te verhinderen dat een document met informatie die gedeeltelijk door een uitzondering wordt gevat, in haar geheel aan de openbaarheid zou worden onttrokken” (Gedr. St. Vl.Parl. 2002-2003, nr. 1732/7, 16, commissieverslag). Er blijkt niet uit het dossier dat deze mogelijkheid ter dege is onderzocht.
  34. Gelet op al hetgeen hiervóór is overwogen kan de Raad niet aannemen dat de door verzoekers gevraagde inzage uitsluitend betrekking had op dragers van informatie van persoonlijke aard en dat de inzage volledig geweigerd diende te worden op grond van de ingeroepen ontvankelijkheidsvereiste. Het middel is in zoverre gegrond. XII-5866-12\13 VI. Anonimisering
  35. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State vragen de verzoekende partijen dat bij de publicatie van het arrest hun identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt het besluit van 23 april 2009 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie waarbij het beroepschrift van de familie XXXX tegen de weigering van de Lerende Stad, Stad Antwerpen om inzage te verlenen in een dossier onontvankelijk wordt verklaard.
  37. De verwerende partij wordt voor twee derde en derde verzoekende partij voor een derde verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro.
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Geert Van Haegendoren, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-5866-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.