id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.134 Rolnummer: A. 138820/XII-3905 Zaak: Arrest 209134 - Overheidsopdrachten - 24/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-03 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:26 Fiche Arrest nr 209.134 van 24 november 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 209.134 van 24 november 2010 in de zaak A. 138.820/XII-3905 In zake: Jean JONKMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carl Van Gansewinkel kantoor houdend te Leuven Justus Lipsiusstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Bever kantoor houdend te Grimbergen Pastoor Woutersstraat 32 bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2003, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van de Provincie Vlaams-Brabant dd. 3 april 2003 houdende de gunning van een openbare aanbesteding voor de uitvoering van ruimingswerken aan de onbevaarbare waterlopen van de 2de categorie in het Demerbekken - deel Noord (perceel C- 2002)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-3905-1\12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Offermans, die loco advocaat Carl Van Gansewinkel verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Evert Vervaet, die loco advocaat Marc Van Bever verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor een overheidsopdracht voor aanneming van werken voor het uitvoeren van ruimingswerken aan de onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie in de provincie Vlaams-Brabant. Het betreft een perceel “C1/2002: bekken Demer - deel noord”. 3.2. De inschrijvingen worden geopend op 6 november 2002. Vijf kandidaten blijken een offerte te hebben ingediend, waaronder de verzoeker. Zijn offerte is met een totaalbedrag van 80.606,57 euro de laagste inschrijving. 3.3. Met een aangetekend schrijven van 26 november 2002 deelt de verwerende partij aan de verzoeker mee dat “het onderzoek van de offerte die u hebt ingediend voor bovengenoemde opdracht, heeft uitgewezen dat het totaal bedrag van de werken abnormaal laag is”. Hij wordt er op gewezen dat dit “een reden [is] om de offerte als onregelmatig te beschouwen”, doch dat hij “het tegendeel [kan] bewijzen door een prijsrechtvaardiging in te dienen binnen de 12 kalenderdagen (artikel 110 § 3 van het KB van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en concessies van openbare werken)”. XII-3905-2\12 3.4. Met een faxbericht van 2 december 2002 antwoordt de verzoeker als volgt op dit schrijven: “Hierbij laten wij u onze prijsverantwoording geworden voor bovenvermelde aanbesteding. Daar wij vorig jaar deze werken ook al uitgevoerd hebben en aan de kostprijs konden tegemoetkomen, laten wij U weten dat wij dit jaar +/- aan dezelfde eenheidsprijzen hebben ingeschreven. Vorig jaar kenden wij de toestand echter nog niet zo van de waterlopen. Echter voor het nieuwe kennen we ze wel en weten welke moeilijkheidsgraad er bij tepas komt. Dit wil dus zeggen dat wij voor het dienstjaar 2002 de werken kunnen uitvoeren aan deze eenheidsprijzen”. 3.5. Op 3 april 2003 neemt de bestendige deputatie de thans bestreden beslissing. Deze is onder meer als volgt gemotiveerd: “B. Analyse van de offertes: [...] Na nazicht van de rekenkundige bewerkingen kan volgende rangschikkingstabel worden opgesteld: 1. Jean Jonkmans 79.302 euro 3. BVBA A. Audenaert 96.615 euro 4. N.V. Algrobo 107.026 euro 5. BVBA A. Cocquyt 127.058 euro Dit zijn allemaal verbeterde bedragen. De aanbestedende overheid moet een onderzoek instellen naar het eventueel abnormaal karakter van de offertes die minstens 15 % beneden het gemiddelde liggen indien het om een openbare of beperkte aanbesteding gaat en er ten minste 4 offertes werden ingestuurd. In het concrete geval van de aanbesteding voor de ruimingswerken Demer- Noord moet er dus een onderzoek worden ingesteld voor de offerte van Jean Jonkmans, want: - De offerte ligt minstens 15% beneden het gemiddelde; - Het betreft een openbare aanbesteding; - Er werden 5 offertes ingediend. De leidende ambtenaar was van mening dat er geen van de wettelijke redenen aanwezig was om de prijs zonder verdere vraag tot uitleg als normaal te beschouwen. Bij toepassing van artikel 110 § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten werd de h. Jonkmans, bij schrijven van 26 november 2002, dan ook verzocht de prijzen van zijn offerte te verantwoorden. XII-3905-3\12 In zijn verantwoording deelt deze aannemer mee dat hij dit jaar met dezelfde eenheidsprijzen heeft ingeschreven als tijdens het dienstjaar 2001. Hij meldt verder dat hij nu de situatie ter plekke beter kent dan het vorige jaar, en bijgevolg kan garanderen dat hij de werken kan uitvoeren op deze basis. Deze rechtvaardiging moet zowel formeel als inhoudelijk een voldoende uitleg verschaffen voor alle posten. De eenvoudige verwijzing naar de offerte voor het jaar 2001 is zeer moeilijk te aanvaarden, omdat het bestek op zeer grondige wijze veranderde. - Verschillende posten (nauwkeurig omschreven delen van de totale opdracht) werden in het bestek 2002 gewijzigd in vergelijking met 2001. Belangrijke beweegreden hiervoor was dat de voorgeschreven werken niet langer in overeenstemming waren met de vigerende richtlijnen inzake gewone ruimings- en onderhoudswerken (bv. er waren bijzondere maaiwerken en ruimingswerken gepland in natuurgebieden en geen in woongebieden enz.). - Daarnaast werden een aantal nieuwe posten ingevoerd. Traditioneel wordt in de bestekken een zekere ‘reserve’ ingebouwd omdat het nooit mogelijk is alle werken op voorhand volledig correct te omschrijven. Dit wordt dan omschreven als ‘regie-uren’. Getracht wordt uiteraard om dit aantal werken in regie zo veel mogelijk te beperken. Zo werden een aantal werken die in de opdracht 2001 ‘in regie’ werden uitgevoerd, voor 2002 als bijkomende post ingeschreven (bv. de ruiming van de sifon van de Grote Leigracht te Diest, het vrijmaken van roosters). Deze posten vertegenwoordigen 18 % van de offerte Bovendien werd voor een aantal gelijk gebleven posten in vergelijking met 2001 gevoelig lager ingeschreven Aard van de Kostprijs Kostprijs Kostprijs Totale werken dienstjaar dienstjaar dienstjaar kostprijs 2001- 2002- 2002 aannemer aannemer Jonkmans Jonkmans Oppervlakkige 0.3718 euro 0.25 euro Verhouding 47.902 m ruiming 100 procent x0.25 geeft (belangrijkste tegen 67 een totaal post) procent bedrag van 11.975,50 euro (15% van de offerte) Vrijmaking 46.800 BEF 620 euro Verhouding 1% van de sifon te Diest (uitgevoerd in (25.010 BEF) 100 procent offerte omgeving regie voor een tegen 53 Halve Maan bedrag van procent 1160,14 euro) De kostprijs van de post ‘oppervlakkige ruiming’ moet als abnormaal beschouwd worden. De te ruimen stukken van de waterlopen liggen immers zeer verspreid in het bekken Demer-Noord, waardoor vooral de verplaatsingkosten aanzienlijk zijn. XII-3905-4\12 De kostprijs van de belangrijke post ‘oppervlakkige ruiming’ van de ruimingswerken Demer Noord in de offerte van Jonkmans van 0.25 euro per lopende meter is bijgevolg abnormaal laag. Daarenboven kan het nuttig zijn te vermelden dat van de offerte voor 2001 19 % van de (waarde van
- de)werken niet werd uitgevoerd, zodat het zowel voor de inschrijver als voor de aanbestedende overheid onmogelijk is ze te gebruiken als precedent om te oordelen of de werken werkelijk aan de aangeduide prijzen kunnen worden uitgevoerd. Terreinkennis zal alvast voor deze werken niet opgedaan zijn. (Als bijlage vindt u afschrift van brieven van de leidend ambtenaar aan aannemer Jonkmans tijdens het dienstjaar 2001. Zij geven een beeld van de werkwijze tijdens de ganse duur van de werken. In de bijgevoegde vorderingsstaat nr. 9 kan men zien dat heel wat werken niet werden uitgevoerd en niet betaald omdat de aannemer de ruimingswerken met weinig of geen ernst uitvoerde en zijn goesting deed.) De werkwijze waarmee Jean Jonkmans voor de werken 2001 wou tegemoet komen aan de opdracht, liet dus heel wat te wensen over. Het is aannemelijk dat deze werkwijze het gevolg is van de (
- te)lage prijzen die de inschrijver hanteert. Opgemerkt moet dan ook worden dat inschrijver recent evenmin voldoening schonk bij andere werken. Dit culmineerde onlangs nog tot de stopzetting van de opdracht van de herstellingswerken in het Dijle en Netebekken 2001, waarbij de waarborg als boete werd ingehouden.. (beslissing van de bestendige deputatie van 30 januari 2003, punt 77). Met de gebruikte argumenten verantwoordt de h. Jonkmans zijn prijzen dan ook niet op afdoende wijze en is het dus aangewezen zijn offerte als abnormaal laag te beschouwen en ze bij gevolg te weren. Zodoende heeft de BVB A. Audenaert de laagste offerte ingediend. Deze firma verbindt er zich toe de werken uit te voeren voor een bedrag van 96.615 euro, incl. BTW. [...] Om deze redenen kan de uitvoering van de werken aan deze firma gegund worden”. 3.6. Met een brief van 5 mei 2003 wordt de verzoeker op de hoogte gebracht dat zijn offerte “onregelmatig [werd] bevonden omwille van de abnormaal lage offerteprijzen”. Bij deze brief wordt een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. XII-3905-5\12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. De verzoeker steunt een eerste middel op de schending van “het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, o.a. artikel 110” en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij betoogt daartoe wat volgt: “Doordat verwerende partij in het bestreden besluit de offerte van verzoeker als onregelmatig beschouwde wegens abnormaal lage prijzen; dat deze vaststelling volgde nadat verzoeker werd gewezen op haar vermeende abnormaal lage offerte, waarvoor zij om rechtvaardiging werd gevraagd; Terwijl artikel 110, § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 in geval van abnormale prijzen in een offerte een hele procedure voorziet, die de aanbestedende overheid moet naleven alvorens een bepaalde offerte als onregelmatig te kunnen afwijzen, Dat de bedoeling van artikel 110, § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 duidelijk is om de inschrijvers verantwoording te vragen over bepaalde specifieke posten, waarvoor schijnbaar abnormale prijzen werden opgegeven en niet om aan de inschrijver om verantwoording te vragen voor zijn totale offerteprijs; Dat in geval van abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver moet verzoeken deze prijzen te rechtvaardigen en dit binnen een termijn van twaalf kalenderdagen; Dat dergelijke vraag naar verantwoording slechts zin en betekenis heeft voor de gegadigde voor zover deze laatste uit de vraag van de aanbestedende overheid kan opmaken welke prijzen juist abnormaal laag zijn; dat indien de gegadigde hierover in het ongewisse blijft dit een verkeerde toepassing uitmaakt van het artikel 110, § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en de aanbestedende overheid trouwens onzorgvuldig handelt wanneer zij de gegadigde niet voldoende informatie verstrekt over wat zij juist gerechtvaardigd wenst te zien; Dat verwerende partij in haar brief van 26 november 2002 om een rechtvaardiging vroeg van de abnormaal lage offerteprijs zonder echter te specifieren voor welke posten een abnormaal lage eenheids- of totaalprijs werd opgegeven; XII-3905-6\12 Dat verzoeker aldus in haar brief van 2 december 2002 niet anders kon dan op een algemene wijze antwoorden, daar hij geen enkel idee had voor welke post hij juist abnormaal lage prijzen had; Dat verwerende partij in het bestreden besluit op laattijdige wijze één dergelijke post aanhaalt, post die echter niet kan verantwoorden dat de volledige offerte van verzoeker als onregelmatig werd afgewezen; Dat verwerende partij in casu geen concrete toepassing van artikel 110, § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 heeft gemaakt, door bij haar vraag naar verantwoording de volledige offerteprijs te viseren en dus heel vaag te blijven, zodat verzoeker niet de kans kreeg om zich op een nuttige wijze te verantwoorden; dat verwerende partij bij haar toepassing van het vermelde artikel de ratio legis van deze bepaling niet heeft nageleefd; Dat het middel gegrond is”. 5. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker naar artikel 110, § 4, van dit koninklijk besluit. Hij stelt dat, hoewel deze bepaling “een vermoeden [creëert] van aanwezigheid van een abnormale lage prijs, namelijk wanneer één offerte minstens 15 % lager ligt in prijs dan het gemiddelde bedrag van de andere offertes”, in welk geval “de aanbestedende overheid om een rechtvaardiging [zal] moeten vragen van de prijzen”, zulks niet inhoudt “dat de aanbestedende overheid een rechtvaardiging zou kunnen vragen van de totale offerteprijs zonder dit verder te specifiëren”, immers “met totale prijzen wordt in artikel 110, § 3 enkel bedoeld de totaalprijzen per post”. Vervolgens voert de verzoeker nog aan dat, “zelfs indien de aanbestedende overheid toch de bevoegdheid zou hebben om de rechtvaardiging te vragen van de totale offerteprijs, moet deze bevoegdheid uitgeoefend worden met eerbiediging van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Te dezen heeft de verwerende partij “nergens [gesproken] over enige eenheidsprijs of enige totaalprijs die abnormaal zou zijn volgens haar”, doch “uit de motivering van de gunningsbeslissing blijkt nu dat verwerende partij in concreto een aantal posten aanhaalt, waarvoor de prijzen abnormaal laag zouden zijn”. Door geen specificaties te geven in de vraag tot rechtvaardiging en door in de bestreden beslissing toch bepaalde posten in concreto te vergelijken is de verwerende partij volgens de verzoeker “onzorgvuldig geweest en heeft zij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur miskend waaronder de rechten van verdediging van verzoeker”. XII-3905-7\12 Beoordeling 6.1. Artikel 110, §§ 3 en 4, van het voornoemd koninklijk besluit van 8 januari 1996 luiden in hun versie zoals van toepassing op de voorliggende zaak onder meer: “§ 3. Vooraleer de aanbestedende overheid evenwel een offerte afwijst, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, verzoekt zij de betrokken inschrijver per aangetekende brief hierover de nodige verantwoordingen te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn toestaat. [...] § 4. In het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding en voor zover minstens vier offertes werden ingediend, wordt bovendien elke offerte waarvan het bedrag minstens vijftien pct. onder het gemiddelde bedrag van de door gegadigden ingediende offertes ligt beschouwd als een offerte waarvan het eventueel abnormale karakter van de prijs moet nagezien worden door de aanbestedende overheid. Het in het eerste lid beschouwde gemiddelde wordt als volgt berekend: [...] Voor een offerte waarbij het eventueel abnormaal karakter van het bedrag dient nagezien te worden in de zin van deze paragraaf, moet de aanbestedende overheid: 1° ofwel in de beslissing om de opdracht toe te wijzen, de verwerping van het bezwaar tegen het schijnbaar abnormale bedrag van de offerte formeel motiveren; 2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige rechtvaardigingen, zoals voorzien in § 3, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze rechtvaardigingen blijkt dat het bedrag van de offerte abnormaal is of bij gebrek aan rechtvaardigingen binnen de opgelegde termijn, moet de aanbestedende overheid, in afwijking van § 2, de offerte als onregelmatig beschouwen en bijgevolg als van rechtswege nietig”. 6.2. Artikel 110 voorziet in deze beide paragrafen in een algemeen en in een bijzonder regime inzake de verantwoording van abnormale prijzen. Artikel 110, § 3, bevat de algemene regeling, van toepassing op overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, zowel gegund bij aanbesteding als bij offerteaanvraag, waarbij de aanbestedende overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt om al dan niet een prijsonderzoek in te stellen naar prijzen die zij abnormaal hoog dan wel abnormaal laag acht. Artikel 110, § 4, voorziet daarnaast in een bijzondere regeling, in aanvulling op § 3 en enkel van toepassing op overheidsopdrachten voor aanneming XII-3905-8\12 van werken, gegund bij openbare of beperkte aanbesteding, waarbij een wettelijk vermoeden van abnormaal lage prijs wordt ingesteld indien voldaan is aan de voorwaarden uiteengezet in deze bepaling. In dit geval beschikt de aanbestedende overheid niet over enige discretionaire bevoegdheid maar is zij verplicht een prijsonderzoek in te stellen. Beide regimes van prijsonderzoek sluiten elkaar niet uit. 6.3. Hoewel de verwerende partij in haar schrijven van 26 november 2002 en in de bestreden beslissing op ongelukkige wijze enkel naar artikel 110, § 3, verwijst, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat zij te dezen de procedure van prijsonderzoek zoals ingesteld door artikel 110, § 4, laatste lid, 2/, heeft toegepast. In de brief van 26 november 2002 is er trouwens sprake van het totale bedrag van de werken dat abnormaal laag is. 6.4. Een inschrijver die een verzoek tot prijsverantwoording ontvangt voor het totaalbedrag van zijn offerte, moet in elk geval weten dat dit een ernstige aangelegenheid is en hij dient zich ervan bewust te zijn dat hij zijn totaalprijs concreet en onderbouwd dient te verantwoorden aangezien hij het risico loopt dat zijn offerte onregelmatig wordt verklaard. De verzoeker heeft in zijn faxbericht van 2 december 2002 een zeer korte, in vage en algemene bewoordingen gestelde toelichting gegeven bij het totaalbedrag van zijn offerte. De verzoeker stelt ter verantwoording van het lage totaalbedrag enkel dat hij ook vorig jaar de betrokken werken heeft uitgevoerd en dat hij “aan de kostprijs [kon] tegemoetkomen”, zonder dat hij evenwel in concreto zijn prijsopbouw bij de diverse posten verduidelijkt. Hij beperkt zich voorts tot de loutere mededeling dat hij nu bekend is met de toestand van de waterlopen en weet “welke moeilijkheidsgraad er bij tepas komt”. 6.5. De verwerende partij heeft deze rechtvaardiging onderzocht, zoals blijkt uit de bestreden beslissing, en heeft besloten dat de argumenten van de verzoeker de lage prijzen niet afdoende verantwoorden en dat zijn offerte bijgevolg als abnormaal laag dient te worden aangemerkt en dienvolgens geweerd. De verwerende partij is op een beredeneerde en omstandig gemotiveerde wijze tot dit besluit gekomen. Artikel 110 werd te dezen door de verwerende partij niet miskend. XII-3905-9\12 6.6. De verzoeker betoogt nog dat de aanbestedende overheid in het kader van het door haar gevoerde prijsonderzoek met toepassing van artikel 110, § 4, niet de verantwoording zou mogen vragen van een als abnormaal laag te beschouwen totaal offertebedrag en steeds zou moeten specificeren welke eenheidsprijzen of totaalprijzen volgens haar abnormaal zouden zijn. Artikel 110, § 4, betreft in de eerste plaats juist de hypothese van een abnormaal laag totaalbedrag, dat luidens deze bepaling door de aanbestedende overheid “moet nagezien worden”, wat naast de mogelijkheid om verantwoording te vragen voor bepaalde abnormale eenheidsprijzen of totaalprijzen -als onderdelen van het totaalbedrag- ook de mogelijkheid inhoudt voor de verwerende partij om een verantwoording te vragen voor het totaalbedrag van de offerte zelf, waarbij het aan de betrokken inschrijver toekomt om dit bedrag concreet en onderbouwd te verantwoorden, op de wijze zoals uiteengezet onder randnummer 8.4. Het enkele feit dat de verwerende partij niet concreet naar te rechtvaardigen eenheidsprijzen dan wel totaalprijzen heeft verwezen, volstaat op zich dan ook niet om tot een miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel te besluiten. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 7. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”, “van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken. leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, o.a. de artikelen 16 en 110”, “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiele motiveringsbeginsel dat administratieve overheden de plicht oplegt om hun beslissingen te laten steunen op juiste feitelijke gegevens en rechtens aanvaardbare motieven” en “van het beginsel ‘patere legem quam ipsi fecisti’”. XII-3905-10\12 Dit middel wordt als volgt aangebracht: “Doordat verwerende partij de offerte van verzoeker als onregelmatig heeft verworpen wegens vermeende abnormaal lage prijzen en met verwijzing naar de beweerde slechte uitvoering van vroegere en/of andere werken; Terwijl een administratieve overheid haar beslissingen op een afdoende wijze dient te motiveren en bovendien juiste feitelijke gegevens moet aanhalen om haar beslissing te kunnen schragen; Dat wat betreft de totale offerteprijs in het bestreden besluit nergens terug te vinden is waarom verwerende partij deze als abnormaal laag beschouwt; dat wel wordt geantwoord op de motivering van verzoeker voor zijn prijs, doch dit nog niets zegt over de beslissing van verwerende partij omtrent het abnormaal karakter; dat trouwens nog niet is aangetoond dat het antwoord van verwerende partij op de motivering van verzoeker effectief klopt met de realiteit; dat verwerende partij de waarachtigheid van haar motieven dient aan te tonen; Dat verwerende partij wel verwijst naar een regel die haar zou verplichten om offertes die 15 % lager dan het gemiddelde op hun abnormaal karakter te onderzoeken; dat deze regel echter nergens expliciet in de regelgeving betreffende de overheidsopdrachten terug te vinden is; dat een administratieve overheid zich enkel kan steunen op geldig tot stand gekomen reglementering om een eventuele beslissing te verantwoorden; Dat verwerende partij geen enkel rechtsgeldig motief aanhaalt waarom de offerteprijs abnormaal laag zou zijn; En terwijl artikel 110, § 3 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 een aanbestedende overheid de mogelijkheid geeft om een offerte als onregelmatig te beschouwen wanneer de prijs abnormaal laag of hoog is; Dat beschouwingen omtrent eerder of elders uitgevoerde werken terzake niet dienend zijn; Dat verwerende partij trouwens, door toch te verwijzen naar andere door verzoeker uitgevoerde werken, die volgens haar slecht werden uitgevoerd, zichzelf tegenspreekt; dat verwerende partij immers verzoeker selecteerde om deel te nemen aan de gunning; dat verwerende partij aldus oordeelde dat verzoeker over voldoende technische bekwaamheid beschikte om de opdracht uit te voeren; Dat het tweede middel gegrond is”. 8. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie besteedt de verzoeker nog enige inhoudelijke aandacht aan het tweede middel. Hij beperkt zich telkens tot een louter formele verwijzing naar het verzoekschrift, zonder repliek te bieden op de argumenten van de verwerende partij, dan wel te reageren op de bevindingen van het verslag van het auditoraat. XII-3905-11\12 Beoordeling 9. Het auditoraatsverslag besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel nu de bestreden beslissing uitvoerig formeel gemotiveerd is. Gelet op de passieve houding die de verzoeker zich ten aanzien van zijn tweede middel in de loop van de procedure heeft aangemeten, mag thans worden aangenomen dat hij niet langer op dit middel aandringt, minstens dat hij de argumenten van de verwerende partij en het besluit van het auditoraat niet wenst te betwisten en aldus berust in de kennelijke ongegrondheid van het middel. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-3905-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div