id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.197 Rolnummer: A. 198039/XII-6392 Zaak: Arrest 209197 - Overheidsopdrachten - 24/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:26 Fiche Arrest nr 209.197 van 24 november 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.197 van 24 november 2010 in de zaak A. 198.039/XII-6392 In zake: de NV BUILDING & PARTNERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Elif Can kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE GRIMBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Wouter Neven kantoor houdend te 1000 Havenlaan 86c bus 113 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 26 oktober 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 08.10.10 waarbij verwerende partij de offerte ingediend door verzoekende partij in het raam van een overheidsopdracht met als voorwerp ‘Afbraak bestaande schietstand. Oprichten nieuwe schietstand te Strombeek-Bever, Singel 57’ als onregelmatig heeft afgewezen”, hetgeen in het gevraagde beschikkend gedeelte luidt als “de beslissing van 08.10.10 genomen door de gemeente Grimbergen m.b.t. een openbare aanbesteding met als voorwerp de afbraak van een bestaande schietstand en het oprichten van een nieuwe schietstand te Strombeek-Bever, Singel 57”. XII-6392- 1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jens Debièvre, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De gemeente Grimbergen schrijft een overheidsopdracht van werken uit, onder de vorm van een openbare aanbesteding, voor het slopen van een bestaande schietstand en de oprichting van een nieuwe schietstand te Strombeek-Bever. De waarde van de opdracht wordt geraamd op 854.756,28 euro, btw niet inbegrepen. 3.
- De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 16 juni
- XII-6392- 2/14 3.
- Uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen van 19 augustus 2010 blijkt dat vier inschrijvers een offerte hebben ingediend: nv De Peuter 930.267,96 euro, nv DSV 1.168.048,32 euro, nv Building Partners 880.182,57 euro, Van Poppel 978.795,60 euro. Alle bedragen zijn btw niet inbegrepen. 3.
- Op 31 augustus 2010 wordt door nv Studiebureau Van Campenhout een verslag van nazicht van de offertes opgesteld. In dit verslag wordt de offerte van verzoekende partij als “onvolledig” en dus “ongeldig” beschouwd. Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de nv De Peuter als laagste regelmatige inschrijver. 3.
- Op 4 oktober 2010 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen om goedkeuring te verlenen aan het verslag van nazicht van de offertes en om de opdracht te gunnen aan de laagste regelmatige bieder zijnde de nv De Peuter. 3.
- Met een brief 8 oktober 2010 gedateerd, maar volgens verklaring van de gemeentesecretaris aangetekend verzonden op 11 oktober 2010, wordt verzoekende partij in kennis gesteld van het feit dat de opdracht bij beslissing van 4 oktober 2010 werd gegund aan de nv De Peuter en dat haar offerte niet regelmatig werd bevonden. 3.
- Met een aangetekend schrijven met dezelfde datering als voormeld wordt aan de gekozen inschrijver meegedeeld dat de opdracht aan hem werd gegund en wordt hem gevraagd om de borg te stellen binnen de 30 kalenderdagen volgend op de verzenddatum van dit schrijven. XII-6392- 3/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing en werpt daartoe een aantal excepties op. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over die excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak daarover zouden slechts noodzakelijk zijn indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de schorsing zijn vervuld, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, '' 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- De aankondiging van de kwestieuze opdracht werd echter bekend gemaakt na 24 februari
- Dienvolgens is de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten te dezen van toepassing. De voornoemde wet van 23 december 2009 is immers in werking getreden op 25 februari 2010 krachtens artikel 76 van het koninklijk besluit van 10 februari 2010 tot wijziging van bepaalde koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. XII-6392- 4/14 Overeenkomstig artikel 7 van de voornoemde wet van 23 december 2009 bepaalt de Koning de datum van haar inwerkingtreding en zijn enkel overheidsopdrachten die zijn bekendgemaakt vanaf die datum, zoals de in het geding zijnde opdracht, onderworpen aan de nieuwe wet. Volgens het in de wet 24 december 1993, nieuw ingevoegde artikel 65/15, eerste lid, is aldus voor de schorsing van de thans bestreden beslissing het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet vereist. Anderzijds verplicht artikel 65/15, tweede lid, verzoekende partij bovendien tot het instellen van de vordering tot schorsing volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Artikel 65/31 van de wet van 24 december 1993 bepaalt uitdrukkelijk dat het voormelde artikel 65/15 ook van toepassing is op opdrachten die zoals te dezen de Europese drempel niet bereiken. Er dient dan ook enkel nog te worden onderzocht of ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste en enig middel voert verzoekende partij de schending aan van “de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten […], o.a. de artikelen 15, 65/8 en 65/29”, “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, o.a. de artikelen 2 en 3”, “het Koninklijk Besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken […], o.a. de artikelen 89 en 110, § 2”, van het bestek, en van “de beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materieel motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”. XII-6392- 5/14 Het middel wordt opgesplitst in twee onderdelen. 7.
- In een eerste onderdeel voert verzoekende partij aan dat wanneer een overheid een offerte substantieel onregelmatig verklaart, zij bij toepassing van de formele motiveringsplicht en de artikelen 65/8 juncto 65/29 van de wet van 24 december 1993 haar beslissing afdoende dient te motiveren en minstens in de beslissing dient duidelijk te maken waarom de gelijkheid van de inschrijvers of de mededinging zou zijn verstoord. In de huidige zaak maakt verwerende partij echter op geen enkele wijze duidelijk hoe het gelijkheids- of mededingingsbeginsel zou zijn geschonden. Naast het gebrek aan motivering kan verwerende partij ook geen schending aantonen van voornoemde beginselen. Verzoekende partij heeft immers bij het oorspronkelijk indienen van haar offerte geen andere prijs vermeld dan degene opgegeven bij verklaring van 16 september
- De eenheidsprijzen zijn enkel verdeeld over andere posten in de oorspronkelijke offerte. Verzoekende partij zou bijgevolg niet de kans hebben gekregen om haar prijs aan te passen, doch heeft enkel haar meetstaat formeel in orde gebracht. Nu verzoekende partij hierdoor niet wordt bevoordeeld noch andere inschrijvers benadeeld, kan er volgens verzoekende partij geen sprake zijn van een substantiële onregel- matigheid. De vaststelling dat er sprake zou zijn van een substantiële onregelmatigheid zou voorts ook strijdig zijn met de houding van verwerende partij zelf nu zij verzoekende partij duidelijk de kans heeft gegeven om haar offerte te verklaren of te rechtvaardigen wat erop zou duiden dat verwerende partij zelf ervan uitging dat het gebrek een relatieve onregelmatigheid kon betreffen. 7.
- In een tweede onderdeel voert verzoekende partij aan dat, in de hypothese dat de bestreden beslissing toch zou kaderen in het raam van een relatieve onregelmatigheid, nergens blijkt dat verwerende partij een concrete beoordeling heeft gemaakt bij haar beslissing, de offerte van verzoekende partij te weren voor de vergelijking van de offertes. Verwerende partij zou louter een XII-6392- 6/14 besteksbepaling hebben toegepast. In het licht van een verklaring van relatieve onregelmatigheid maakt de bestreden beslissing volgens verzoekende partij een schending uit van artikel 110, § 2, van het voormelde koninklijk besluit, minstens is zij niet afdoende gemotiveerd. Beoordeling 8.
- Luidens artikel 15 van de voormelde wet van 24 december 1993 dient, bij openbare of beperkte aanbesteding, de opdracht te worden toegewezen aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende. 8.
- Artikel 110, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepaalt dat “onverminderd de nietigheid van elke offerte wegens afwijking van de essentiële besteksbepalingen zoals deze opgesomd in artikel 89, de aanbestedende overheid offertes als onregelmatig en derhalve als onbestaande [kan] beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van deze titel, enig voorbehoud inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen”. Volgens het genoemde artikel 89 behoort onder meer de prijs tot de essentiële voorwaarden van de opdracht. 8.
- Voorts dient de regelmatigheid van de offertes in beginsel te worden beoordeeld op grond van de offertes zelf en niet in het licht van aanvullende verklaringen die een wijziging van de offerte inhouden, en dit op straffe van een schending van de gelijke behandeling der inschrijvers. 8.
- Daarnaast bepaalt artikel 96 van het meer vermelde koninklijk besluit van 8 januari 1996: “§
- Wanneer bij een bestek van een overheidsopdracht voor aanneming van werken een samenvattende opmetingsstaat is gevoegd waarin de prestaties in verschillende posten, met opgave van de totale hoeveelheid voor elke post, worden samengevat wordt daarin vermeld of XII-6392- 7/14 de voor iedere post aangegeven hoeveelheid, een forfaitaire dan wel een vermoedelijke hoeveelheid is. De inschrijver vult hem in. §
- De inschrijver vult de leemten in de samenvattende opmetingsstaat aan en verbetert de vergissingen die hij in de forfaitaire hoeveelheden ontdekt, rekening houdend met de tekeningen, het bestek, zijn beroepskennis of persoonlijke bevindingen; hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van de wijzigingen. De inschrijver handelt op dezelfde wijze voor de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor het bestek die verbetering toestaat en de voorgestelde wijziging ten minste tien pct., in meer of in min, van de hoeveelheid van de betrokken post bereikt. De aanbestedende overheid heeft het recht te beslissen: 1° dat, indien de vermoedelijke hoeveelheid aldus wordt verminderd, zij een forfaitaire hoeveelheid wordt voor de inschrijver die de vermindering heeft voorgesteld; 2° dat de eenheidsprijs aangegeven door de aannemer in de samenvattende opmetingsstaat voor een hoeveelheid die forfaitair is geworden, niet als grondslag geldt voor de verrekeningen ingevolge tijdens de uitvoering van de opdracht bevolen wijzigingen. Die beslissingen worden aan de inschrijver die de vermindering heeft voorgesteld met de kennisgeving van de goedkeuring van zijn offerte medegedeeld. §
- De inschrijver vult de samenvattende opmetingsstaat in, doet de nodige rekenkundige bewerkingen, ondertekent het stuk en voegt het bij zijn offerte waarin hij het totale bedrag van de opmetingsstaat opgeeft. §
- De eenheidsprijzen en de totale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmetingsstaat moeten worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale bedrag van de offerte. Al de algemene en financiële onkosten alsmede de winsten moeten over de onderscheiden posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld. §
- Na de opening van de offertes is de inschrijver niet meer gerechtigd zich op fouten of leemten te beroepen die in de opmetingsstaat voorkomen die door de aanbestedende overheid aan de inschrijvers ter beschikking is gesteld. De gegevens van deze opmetingsstaat gelden alleen als eenvoudige aanwijzingen en zij kunnen slechts worden ingeroepen als aanvulling, indien nodig, van onvolkomenheden van het bestek en van de goedgekeurde tekeningen”. 8.
- Voorts bepaalt artikel 112, § 4, van voormeld koninklijk besluit uitdrukkelijk dat, wanneer een inschrijver van een overheidsopdracht voor aanneming van werken voor een willekeurige post van de samenvattende opmetingsstaat noch een eenheidsprijs, noch een forfaitaire prijs heeft vermeld, de XII-6392- 8/14 aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig kan verwerpen, hetzij ze behouden door er de bepalingen van artikel 112, § 2, op toe te passen. 8.
- Het op de voorliggende opdracht toepasselijke bestek bevat ten slotte nog de volgende bepaling onder hoofdstuk 08 “aanvoerleidingen”: “08.00.00 Uitvoeringsstudie - Algemeen Op de architectuurplannen is enkel het principetracé weergegeven. De volledige gedetailleerde uitvoeringsstudie (o.a. bepaling van de diameters van de aan-, afvoer- en verluchtingsleidingen, leidingtracé, ontstoppingsstukken, brandmoffen, enz...) wordt door de ondernemer uitgevoerd en ter goedkeuring aan de ontwerper voorgelegd. Bij de prijsbieding zal de ondernemer reeds een dimensionering e.d. hebben uitgevoerd, ter bepaling van de totaalprijs van alle leveringen en uitvoeringen, volgens de artikels vermeld in dit hoofdstuk, en volgens de geldende en toepasselijke regiementeringen en normen. Een herziening van de totaalprijs is achteraf dus niet meer mogelijk wanneer zijn definitieve uitvoeringsstudie wordt opgemaakt. Aard van de overeenkomst Begrepen in de totaalprijs van dit hoofdstuk (SOG) Per artikel wordt de meeteenheid en de meetcode vermeld in dit bestek. De ondernemer maakt bij zijn bieding verplichtend een detail van zijn totaalprijs op, volgens de artikelrubrieken hieronder vermeld en op basis van hun meeteenheden en meetcodes”. 8.
- In het verslag van nazicht van 31 augustus 2010 wordt onder het opschrift “Nazicht van de volledigheid van de offerten” het volgende vastgesteld: “
- Building & Partners nv Administratief volledig Geen prijsopgave voor wat betreft hoofdstuk 08 – Aan- en afvoerleidingen Art. 08.02.11.a tot en met 08.05.11 De offerte is onvolledig en bijgevolg ongeldig”. In bijlage 3 bij het verslag van nazicht (“samenvattende meetstaat conform hoeveelheden meetstaat aanbesteding”) wordt opgemerkt dat deze inschrijver voor de posten art. 08.02.11.a tot en met 08.05.11 van hoofdstuk 8 XII-6392- 9/14 “geen prijs” heeft ingevuld en voorts: “geen meting gemaakt enkel post 08.06.11 – SOG ingevuld”. Na telefonisch contact met het diensthoofd openbare werken van de gemeente Grimbergen op 15 september 2010, zendt verzoekende partij op 16 september 2010 een aangetekend schrijven aan de gemeente. Als bijlage bij dit schrijven voegt zij wat voormeld hoofdstuk 8 betreft een ditmaal voor alle posten ingevulde meetstaat. Tevens deelt zij mee dat “de voorziene bedragen inbegrepen zijn in de totaalprijs” van de offerte en dat de “niet ingevulde” posten verdeeld zijn over alle andere posten van de offerte. In dat stuk komt zij tot een totaalprijs van 11.982,29 euro; in de bij de offerte gevoegde staat tot 2779,47 euro. In de voormelde kennisgeving aan verzoekende partij, 8 oktober 2010 gedateerd, wordt vervolgens vermeld dat haar offerte niet regelmatig werd bevonden om volgende reden: “Er werd niet voldaan aan de voorwaarden gesteld in het lastenboek, blz. 90 – Hoofdstuk 08 – Aanvoerleidingen art. 08.00.00 – Aard van de overeenkomst waarvan kopie in bijlage”. De betrokken besteksbepalingen zijn in bijlage toegevoegd. 8.
- Uit de offerte van verzoekende partij blijkt dat zij bij haar inschrijving inderdaad voor 12 van de 13 posten van hoofdstuk 8 geen prijs heeft opgegeven. Er wordt slechts een prijs van 2779,47 euro opgegeven voor post 08.06.11 (SOG), waarvan het bedrag overeenstemt met het opgegeven totaalbedrag voor hoofdstuk
- De offerte bevat hierover geen nadere toelichting. Bovendien lijkt niet meteen duidelijk op welke wijze de ontbrekende posten uit andere posten zouden kunnen worden afgeleid. Verzoekende partij merkt in haar brief van 16 september 2010 daaromtrent enkel op dat de ‘niet ingevulde’ posten verdeeld zijn over alle andere posten van de offerte. 8.
- Uit de motivering zoals vermeld in het verslag van nazicht, waarnaar de bestreden beslissing van 4 oktober 2010 verwijst, evenals uit de XII-6392- 10/14 kennisgeving aan verzoekende partij, blijkt dat haar offerte als onregelmatig werd geweerd wegens afwijking van de voormelde besteksbepaling waarin wordt voorgeschreven dat de ondernemer voor hoofdstuk 8 bij zijn aanbieding “verplichtend” “een detail van zijn totaalprijs” diende op te maken, “volgens de artikelrubrieken” en op grond van zijn meeteenheden en meetcodes. 8.
- Op het eerste gezicht dient te worden vastgesteld dat voormelde besteksbepaling betrekking heeft op de prijs en de wijze van prijsopgave. Zoals gezegd behoort volgens het genoemde artikel 89 onder meer de prijs tot de essentiële voorwaarden van de opdracht. Het essentieel karakter van deze besteksbepaling wordt bovendien bevestigd door de formulering van het bestek zelf, meer bepaald door het gebruik van het woord “verplichtend”. Bovendien voert verzoekende partij niet aan dat voormelde onregelmatigheid slechts betrekking zou hebben op een te verwaarlozen deel van de opdracht. De afwijking van de essentiële besteksbepaling inzake de prijs lijkt in het voorliggend geval dan ook te volstaan om te kunnen besluiten tot een onregelmatigheid die mocht leiden tot het weren van de offerte van verzoekende partij. 8.
- In tegenstelling tot wat verzoekende partij betoogt, lijkt verwerende partij in dergelijk geval niet bijkomend nog te moeten aantonen dat de gelijkheid van de inschrijvers of de mededinging zou zijn verstoord. Een aantasting van de gelijkheid der inschrijvers of de mededinging lijkt immers daartoe geen noodzakelijke voorwaarde. 8.
- Verwerende partij mocht dan ook, zo lijkt het, op grond van de vermelde motieven en zonder schending van het ingeroepen artikel 110, § 2, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 oordelen dat de wijze van invulling van de meetstaat door verzoekende partij leidde tot een substantiële onregelmatigheid op grond waarvan de offerte van verzoekende partij diende te worden geweerd. XII-6392- 11/14 8.
- In de mate dat de schending van de materiële motiveringsplicht wordt ingeroepen, valt het middelonderdeel samen met de hiervoor besproken schending van artikel 110 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en is het middel om de hiervoor vermelde redenen niet ernstig. Wat de formele motiveringsplicht betreft, moet krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verwerende partij een beslissing zoals de hier met het middel bestredene uitdrukkelijk motiveren. Krachtens artikel 3 van die wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn. De formele motivering dient de bestuurde redelijkerwijze in staat te stellen te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en aldus met kennis van zaken eventueel tegen deze beslissing in rechte op te treden. Ongeacht de vraag of verzoekende partij nog belang heeft bij het inroepen van die in de wet van 29 juli 1991 vervatte motiveringsverplichting, nu uit haar verzoekschrift blijkt dat zij de betrokken materiële motieven lijkt te kennen, wordt in de kennisgeving en in het verslag van nazicht verwezen naar de relevante bepaling van het bestek op grond waarvan de offerte onregelmatig werd verklaard en wordt in de bestreden beslissing naar het voormelde verslag verwezen. Aldus lijkt in elk geval voldaan aan de voornoemde wet van 29 juli 1991 en lijkt verzoekende partij in staat te zijn gesteld zich ter zake in rechte te verweren. 8.
- Wat betreft de ingeroepen schending van de artikelen 65/8 en 65/29 van de wet van 24 december 1993, lijkt verzoekende partij geen belang te hebben bij dit middelonderdeel. Deze bepalingen betreffen immers kennisgevingsverplichtingen en zoals gezegd werd het motief voor de onregelmatigverklaring te dezen meegedeeld in de kennisgeving zelf. Een gebrek in de kennisgeving tast overigens in beginsel de geldigheid van de betrokken beslissing niet aan. XII-6392- 12/14 8.
- Ten slotte lijkt er evenmin een schending van het vertrouwens- beginsel voorhanden. Om zich op een schending van het vertrouwensbeginsel te kunnen beroepen dient een verzoekende partij het bewijs leveren van een bestuursgedrag dat aanleiding heeft gegeven tot een rechtmatige verwachting. Te dezen kan bezwaarlijk uit het telefonisch contact met het diensthoofd van openbare werken van de gemeente Grimbergen van 15 september 2010, volgens verwerende partij overigens een initiatief van verzoekende partij, worden afgeleid dat het bestuur de onregelmatigheid van de offerte van verzoekende partij niet meer zou inroepen, wat te dezen vereist is wil het vertrouwensbeginsel kunnen worden geacht te zijn geschonden. 8.
- Het eerste en enig middel is niet ernstig. VII. Besluit
- Nu het enig middel niet ernstig werd bevonden dient de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. XII-6392- 13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6392- 14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.