id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§1
van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingaanvragen, aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en mobiliteit, aan het verbod op machtsafwending ten voordele van winkels”. Beoordeling
- Om ontvankelijk te zijn, moet een middel een voldoende duidelijke omschrijving inhouden van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoeker voert in zijn middel de schending aan van de motiveringsplicht, maar licht niet toe op welk punt de motivering van het bestreden besluit tekort schiet. Hij stelt enkel dat “de congestie op ‘abnormale’ dagen en momenten” wordt verzwegen, maar laat na om concrete gegevens aan te brengen die verduidelijken wat onder de voorgehouden congestie op “abnormale dagen” kan begrepen worden of wanneer en met welke frequentie dergelijke dagen zich voordoen, zodat zou kunnen worden aangetoond dat het noodzakelijk was om, met het oog op een afdoende motivering, daarop in te gaan.
- De aangevoerde schending van “het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en mobiliteit” en de beweerde “machtsafwending ten voordele van winkels” worden evenmin geconcretiseerd. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord alsnog deze beweerde schendingen toelicht door te stellen dat er “een discrete vorm van machtsafwending of partijdigheid ten voordele van de winkelzones (blijkt)” en dat “de feitelijke toestand en stedenbouwkundige bestemming van de onmiddellijke omgeving in de zone (…) in de akte nog niet eens wordt vernoemd, laat staan beoordeeld”, verruimt hij op laattijdige en derhalve onontvankelijke X-13.643-29/45 wijze zijn middel. Hetzelfde geldt voor de bewering in de laatste memorie dat “het ‘beginsel van een goede ruimtelijke ordening’ vereist (…) dat de overheid een inventaris opmaakt van de onmiddellijke omgeving”.
- Voor het overige geeft de verzoeker opportuniteitskritiek op de keuze voor ventwegen. Om de redenen zoals verwoord in randnummer 26 kan deze kritiek niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden.
- Het vierde middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vijfde middel wordt als volgt uiteengezet: “Betreffende de aanleg van ventwegen in een woonzone: • Betreffende de aanleg van ventwegen in een woonzone werd door verzoeker volgend bezwaar ingediend: Overwegende dat het plangebied langs de Hasseltweg aan west- (Landwaartslaan) en oostkant (spoorwegbrug) ruimtelijk begrensd wordt door twee grootschalige handelszones (RUP Hasseltweg delen 1 & 2) en het wegverkeer van, naar en tussen deze handelszones een vooropgestelde woonzone (gemeentelijk RUP-ontwerp Hasseltweg deel 4) zal doorkruisen. Uit het ingesloten karakter van het plangebied en uit de specifieke aanleg met ‘verkeersgeleidende’ verhoogde bermen volgt dat de verkeerseffecten die ontstaan in één van de zones langs de Hasseltweg doorwerken tot in de andere zones.
- Zeer bezwarend is dat een gedeelte van het verkeer uit de handelszone aan de spoorwegbrug (RUP Hasseltweg deel 1) via de ventwegen eerst tot in de betreffende woonzone (tot Holeven/Zodenstraat) moet rijden vooraleer te kunnen omkeren. Daarom alleen al is een rotonde of keerpunt nodig aan elke grens tussen woonzones en handelszones zoniet is elke planologische logica zoek. Dat het dus aangewezen is minstens een bijkomend keerpunt of rotonde te voorzien op de grens (aan Interform/Jansen-doe-het-zelf) van de handelszone spoorwegbrug en de daaropvolgende woonzone. Blijft de vraag of de Vlaamse Overheid die bevoegd is voor de heraanleg van de Hasseltweg hier een rotonde of keerpunt wil aanleggen. En als hier geen rotonde of keerpunt komt zal de conclusie achteraf moeten zijn dat de gemeente het plangebied voorbarig minstens deels verkeerd begrensd of bestemd heeft. X-13.643-30/45
- Overwegende dat de verkeersproblematiek in een handelszone verschillend is van die in een woonzone, dat het aantal afslagbewegingen alleszins geringer is in een woonzone dan in een handelszone, terwijl ventwegen enkel een verbetering inzake afslagbewegingen kunnen inhouden, dat de aanleg van ventwegen dus ook geen zin heeft in een woonzone, dat er integendeel meer nadelen dan voordelen aan kleven in een woonzone. Dat het dus aangewezen is om de herinrichting van het middendeel van de Hasseltweg, doorheen de woonzone, gedifferentieerd van de handelszones of zoals in andere woonzones langs de Hasseltweg (van Landwaartslaan tot Bokrijk) te kenmerken, m.a.w. zonder ventwegen. Het getuigt niet van ruimtelijke ordening en samenhang te voorzien in de aanleg van rotondes, keerpunten en van ventwegen aan beide zijden van de Hasseltweg, los van de bestemming van de aangrenzende percelen. Dit getuigt enkel van een versnipperd en verbrokkeld beleid gewestelijk- gemeentelijk: ieder zijn eigen visie-plan-acties. Verzoeker stelt vast dat de 2 onderdelen van dit bezwaar in de bestreden beslissing helemaal niet worden beantwoord ! • Uiteenzetting Overwegende dat in de secties ‘Overwegingselementen’ en de ‘Motivering’ van het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tot toekenning van de stedenbouwkundige vergunning enkel gewag gemaakt wordt van de Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA, tegenwoordig RUP) ‘Hasseltweg deel 1 en 2’ - zijnde baanwinkelzones - maar niet van het voorlopig goedgekeurd Ruimtelijk UitvoeringsPlan (RUP) ‘Hasseltweg deel 4’ - zijnde een residentiële woonzone waarin winkels geweerd worden - gelegen langs de Hasseltweg tussen voornoemde delen 1 en 2, in het middendeel van de bekritiseerde lijninfrastructuur. (…) Citaat uit de toelichtingnota van het voorlopig goedgekeurd RUP Hasseltweg deel 4, pagina 43: ‘De doelstelling van het voorliggend RUP is erop gericht het deelgebied op een bepaalde manier te herstructureren zodat het residentieel wonen ter hoogte van de Hasseltweg leefbaar wordt.’ Gelet op de omstandigheid dat verzoeker woonachtig is op een aan de Hasseltweg aanpalend perceel gelegen in de residentiële woonzone ‘RUP Hasseltweg deel 4’. Overwegende dat de overheid bij de beoordeling van een bouwaanvraag deze niet alleen moet toetsen aan de bestemmingsvoorschriften, maar eveneens aan de verenigbaarheid met de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving. Terwijl het onderdeel ‘Motivering - Bestaanbaarheid met de onmiddellijke omgeving’ van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar enkel slaat op het openbare domein zelf, en nog niet eens de aanpalende zones of de bestemming ervan benoemt. Overwegend dat het bezwaar 2 onderdelen bekritiseerde: 1° onderdeel: de onnodige aanleg van ventwegen in de landelijke woonzone ‘RUP Hasseltweg 4’. 2° onderdeel: X-13.643-31/45 het ontbreken van een rotonde of keerpunt op de grens tussen winkelzone ‘BPA Hasseltweg deel 1’ en residentiële woonzone ‘RUP Hasseltweg deel 4’ waardoor het winkelverkeer van winkelzone ‘BPA 1’ via de éénrichtingsventwegen verplicht doorheen de woonzone ‘RUP 4’ wordt geleid alvorens te kunnen omkeren en de woonzone dus nog eens extra zal moeten doorkruisen. Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van Genk van 15 december 2005 houdende de definitieve vaststelling van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Genk. Gelet op de goedkeuring van 9 maart 2006 door de bestendige deputatie van het GRS Genk. Gelet op de publicatie in het staatsblad van 27 maart
- Terwijl dit Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Genk opdeelt in negen deelruimten waar het plangebied RUP Hasseltweg deel 4 behoort tot de deelruimte ‘de Maten’ die op de overzichtskaart van Genk is ingekleurd ais ‘landelijk wonen’. Citaat uit de toelichtingnota van het voorlopig goedgekeurd RUP Hasseltweg deel 4, pagina 12: ‘Ter hoogte van de handelsactiviteiten worden er aan weerszijden van de centrale weg ventwegen voorzien voor de bediening van de parkeerterreinen van de baanwinkels en om de doorstroomfunctie en de functie als openbaar vervoerscorridor te optimaliseren. Ter hoogte van de woonfuncties wordt een overrijdbare middenberm voorzien.’ en op pagina 38-39 betreffende de Zone b: ‘Jansen d.h.z.’ & ‘Interform’ / Holeven & Zodenstraat en Zone C: Holeven & Zodenstraat / Drijtap & Genckerhei: Verkeersontsluiting ‘Het verkeerstraject op de Hasseltweg bestaat, zoals voorgesteld in de studie van A+D milieu, uit van elkaar gescheiden rijbanen met overrijdbare middenberm.’ terwijl het vergunde plan nu in deze woonzone geen wegaanleg met overrijdbare middenberm laat zien maar wel een hoofdweg met gescheiden laterale ventwegen, zodat moet vastgesteld worden dat de vergunde wegaanleg in tegenstrijd is met bepalingen van het voorlopig goedgekeurde RUP Hasseltweg deel 4 en dit zonder enige welkdanige verantwoording dan ook. Dat er dus een tegenstrijdigheid in visie kan vastgesteld worden tussen het RUP Hasseltweg deel 4 en de heraanleg aldaar van de Hasseltweg, tussen de stedelijke en de Vlaamse overheid. Dat woonzones en winkelzones een hun eigen aanleg vereisen. Dat woonzones voor landelijk wonen geen ventwegen benodigen: getuige hiervan is nog de voorziene aanleg van de Hasseltweg zonder ventwegen in een andere woonzone langs deze Hasseltweg, namelijk ‘BPA Hasseltweg deel 3’, vanaf Huiskensweier & Congostraat richting Bokrijk/Hasselt. Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in zijn antwoorden op bezwaarschriften vaststelt:
- Het is correct dat door de keerbewegingen het verkeer in volume een weinig zal toenemen. ...
- ... Het ruimtelijke uitvoeringsplan ‘Hasseltweg 4’ heeft precies de bedoeling om de reeds bestaande woongebieden enkel te X-13.643-32/45 bestemmen voor wonen en nieuwe verkeersaantrekkende functies te weren. Dit zou juist tot een verbetering van de verkeerssituatie moeten leiden. Overwegend dat het ruimtelijke uitvoeringsplan ‘RUP Hasseltweg deel 4’ op één lijn gelegen is tussen de zones ‘BPA Hasseltweg deel 1’ en ‘BPA Hasseltweg deel 2’ die een versteviging beogen van nieuwe verkeersaantrekkende functies, wat volgens dezelfde logica van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar dan tot een verslechtering van de verkeerssituatie zal leiden in de woonzone RUP
- Het antwoord van de vergunningverlenende overheid onder punt 8 (‘RUP 4 heeft bedoeling verkeersaantrekkende functies te weren’) is hypocriet, niet door wat het zegt, maar door wat het verzwijgt, namelijk dat de aangrenzende winkelzones ‘BPA Hasseltweg 1 en 2’ verkeersaantrekkend zijn, en dat dit winkelverkeer door de nieuwe aanleg bovendien over en weer tot in de woonzone zal geleid worden. Terwijl het aantal (eerder grootschalige) winkels in de winkelzone ‘BPA Hasseltweg deel 1’ tegenwoordig een forse uitbreiding kent, zodat de verkeersaantrekkende functies ook effectief toenemen. Terwijl de huidige verkeers-congestie-problemen precies in deze zone veroorzaakt worden (…). Terwijl de uitspraak van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ‘om de reeds bestaande woongebieden enkel te bestemmen voor wonen en nieuwe verkeersaantrekkende functies te weren’ toch moeilijk verenigbaar is met het voorliggende plan dat juist het toenemende winkelverkeer 1) komend vanuit de noordkant van winkelzone BPA 1 (vanaf Wennel-rotonde) via de éénrichtingsventwegen nodeloos tot in de residentiële woonzone RUP 4 dwingt vooraleer er ter plaatse van het keerpunt Holeven-Zodenstraat een terugkeerbeweging mogelijk is, 2) komend vanuit Genk (via de hoofdweg) nodeloos tot in de residentiële woonzone RUP 4 dwingt vooraleer via het keerpunt Holeven-Zodenstraat de zuidkant van de winkelzone BPA 1 (tot Wennel-rotonde) kan bereikt worden, 3) idem voor het winkelverkeer dat zich van de ene kant naar de andere kant (noord- of zuidkant van Hasseltweg) van winkelzone BPA 1 wil verplaatsen, zodat het winkelverkeer in voornoemde gevallen de woonzone telkens heen en weer, dus minstens eenmaal extra zal moeten doorkruisen (‘die het volume een weinig laten toenemen’) alvorens het de Hasseltweg kan verlaten. (…) Terwijl het vrachtverkeer dat de winkels bevoorraadt nog verder in de residentiële woonzone zal moeten doordringen via de éénrichtingsventwegen tot aan een volgende rotonde, vermits de keerpunten te klein zijn om het vrachtverkeer volledig 180° te laten keren. Terwijl het vrachtverkeer eventueel slechts 90° draaiend over de overrijdbare middenstrook van de keerpunten, een dwarsweg kan inslaan om via andere woonstraten terug naar de Hasseltweg te keren. Wat neerkomt op een vorm van georganiseerd sluikverkeer langs de in de landelijke woonzone ‘Hasseltweg deel 4’ ontworpen ventwegen, en zelfs X-13.643-33/45 in de daarop uitgevende woonstraten, en dit zonder enig openbaar, ruimtelijk of mobiliteitsbelang, integendeel. Overwegend dat het feit dat de woonzone al is aangetast door zonevreemd verkeer geen reden is om dit bijkomend en zelfs nodeloos aan te tasten. Andere algemene nadelen van de aanleg met ventwegen werden al vermeld in verzoekers’ bezwaarschrift onder de hoofding ‘Algemeen’: ‘Bezwarend in het algemeen aan de voorgestelde aanleg met ventwegen is de toenemende oppervlakteverharding, verminderd groen, verminderde natuurlijke infiltratie van het hemelwater in de bodem, geen enkele parkeergelegenheid op het openbare domein, de bemoeilijkte toegang tot en bij werken aan ondergrondse nutsvoorzieningen, het gebrek aan voorzieningen voor voetgangers, de problematische kruising van fietspad en verkeersweg aan rotondes, de halte van het verkeer achter stationerende autobussen, verkeersopstopping wanneer een leverancier (bv stookolie) moet stationeren op de ventweg, omrijden wegens het éénrichtingsverkeer van ventwegen en aansluitende straten. En wat zijn de financiële, milieu- of verkeerseffecten van deze aspecten?’ De antwoorden hierop of de zogenaamde ‘weerlegging’ van de bezwaren, zowel in het stedelijke advies als in het vergunningsdocument, zijn meestal slechts onvolledige vlugge beweringen, standaardantwoorden, zonder voorlegging van enige studie of tegensprekelijk bewijs en zijn altijd louter ‘generiek’: in de gegeven antwoorden wordt er immers nooit een onderscheid gemaakt tussen woonzone en winkelzones, wat een zwaar gebrek aan motivering uitmaakt. Mogelijke problemen betreffende de kans op ongevallen, afslagbewegingen, bevoorrading, rolgeluiden, uitlaatgassen, e.d. hebben een ander gewicht of belang in een winkelzone dan in een woonzone: dergelijke problemen moeten allereerst voorkomen worden wat alleszins in de woonzone mogelijk is wanneer het winkelverkeer er zoveel mogelijk uit geweerd wordt, maar wat integendeel door de bekritiseerde aanleg enkel zal verergeren. Overwegend dat een woonzone evenwaardig als andere woonzones (zonder ventwegen) dient uitgerust te worden en dus niet als een winkelzone, bovendien overwegend dat in casu winkelverkeer nodeloos doorheen de woonzone wordt geleid, dat m.a.w. de bewoners van de woonzone onnodig opgezadeld worden met de nadelen van een winkelzone (winkelverkeer) maar de voordelen ervan niet mogen genieten (zelf een winkel houden), wat respectievelijk een schending uitmaakt van het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel als van artikel 2 §4 (o.a. eerste en laatste streepje) van de Wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie. Verzoeker en andere bewoners van de residentiële woonzone ‘Hasseltweg deel 4’, hebben er alle belang bij hun ‘recht op wonen’ niet zinloos (!) aangetast te weten, bij ontwerp, met extra winkelverkeer dat de bezochte winkelzone slechts zal kunnen verlaten (dikwijls in onbedoelde richting) via een éénrichtingsventweg met enkel keermogelijkheid in de woonzone. Dit getuigt niet van een goede ruimtelijke ordening. X-13.643-34/45 Sensu latu zijn ook de woonomgeving en het woonklimaat immers belangrijke aspecten van het recht op wonen. Het recht op respect voor het privéleven, familie- en gezinsleven, de woning, en de grenzen van inmenging hierin van enig openbaar gezag, zijn vervat in artikel 8 van het E.V.R.M., terwijl het ongestoorde genot van eigendom vervat is in art.1 van het aanvullend protocol nr.
- De vergunde aanleg met ventwegen in de woonzone doorstaat niet de noodzakelijkheidstoets als vervat artikel 8 van het E.V.R.M.: er is geen dwingende sociale behoefte voor de aanleg van ventwegen in de woonzone; de wegen in eender welke andere woonzone zijn daarvan het stilzwijgende bewijs. Nog minder is het noodzakelijk winkelverkeer nodeloos doorheen een residentiële woonzone te leiden, temeer nu er op de rand tussen winkelzone BPA 1 en woonzone RUP 4 voldoende vrije ruimte is om een (zelfs grote) rotonde (geschikt voor vrachtwagens) aan te leggen. Overwegend dat noch het ene noch het andere onderdeel van dit nochtans ruimtelijk relevant bezwaar door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar wordt beantwoord. Middel ontleend aan de schending van de Grondwet (Art. 22 GW) en internationale verdragen (Art. 8 EVRM; Art. 17 IVBPR), aan de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen,
§1
van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingaanvragen, aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en mobiliteit, aan de schending van de Grondwet, artikelen 10 (gelijkheid), 11 (zonder discriminatie), 16 (nut), aan de schending van artikel 2 §4 van de Wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie”. Beoordeling
- Zoals vermeld (randnr. 18) volstaat het dat in de beslissing wordt aangegeven op grond van welke elementen en argumenten de relevante bezwaren niet kunnen worden bijgetreden en rust er op de overheid geen verplichting elk bezwaar of onderdeel van een bezwaar uitdrukkelijk en afzonderlijk te beoordelen. Hieruit volgt dat het loutere feit dat een bezwaar of onderdeel van een bezwaar niet in het bestreden besluit wordt vermeld niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.
- De verzoeker duidt geen rechtsregel aan op grond waarvan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ertoe verplicht zou geweest zijn om “gewag” te maken van het “voorlopig goedgekeurde Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) ‘Hasseltweg deel 4’” of om de aanvraag hieraan te toetsen. Uit de X-13.643-35/45 gegevens van de zaak (randnr. 11) blijkt dat pas op 17 januari 2008, dit is na de bestreden beslissing, het ontwerp van GRUP “Hasseltweg deel 4” voorlopig is vastgesteld dat het op 26 juni 2008 definitief vastgestelde GRUP is geworden. In zoverre het middel steunt op het meergenoemde ontwerp van GRUP kan het niet worden aangenomen.
- Het project is gelegen in het gebied van de BPA’s “Hasseltweg 1 en 2”. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is bijgevolg voor het verlenen van de gevraagde vergunning gebonden door de verordenende voorschriften van dit BPA dat de bestemming en de ordening van het gebied bepaalt. Een vergunning die overeenstemt met het BPA kan in beginsel worden verleend en een verwijzing naar de bepalingen van het BPA kan in beginsel volstaan om de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg en de afgifte van de vergunning te verantwoorden en afdoende te motiveren. Een verwijzing naar de verenigbaarheid met de voorschriften van een plan van aanleg kan evenwel slechts volstaan ter motivering van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg in de mate dat deze voorschriften dermate gedetailleerd zijn dat zij aan de vergunningverlenende overheid geen eigen beoordelingsruimte meer laten. Vermits niet blijkt en de verzoeker zelfs niet aanvoert dat de geldende BPA-voorschriften onvoldoende gedetailleerd zijn, blijft de motivering op het vlak van verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving onaangetast.
- Voorts beperkt de verzoeker zich tot opportuniteitskritiek op de keuze voor ventwegen. Om de redenen zoals verwoord in randnummer 26 kan deze opportuniteitskritiek niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. De foto’s die de verzoeker bij zijn verzoekschrift voegt, waarop een file te zien is, laten alvast niet toe te besluiten, zoals de verzoeker doet in het bijschrift bij zijn foto’s, dat “dergelijk verkeer in de toekomst via ventwegen nog eens extra door de woonzone (zal) rijden bij gebrek aan oordeelkundige omkeermogelijkheden of andere alternatieven”. De pas in de memorie van wederantwoord verwerkte X-13.643-36/45 schematische voorstellingen van verkeersstromen tussen woonzone en winkelzone konden reeds bij het verzoekschrift gevoegd worden en zijn bijgevolg, in zoverre zij al inzicht zouden verschaffen over de te verwachten verkeersstroom in de woonzone, onontvankelijk wegens laattijdigheid.
- In verband met de opmerking van de verzoeker dat de antwoorden op zijn bezwaren, verwoord onder de hoofding “algemeen” in zijn bezwaarschrift, “louter generiek” zijn, waarbij hij verduidelijkt dat er “immers nooit een onderscheid (wordt) gemaakt tussen woonzone en winkelzones”, moet worden opgemerkt dat dit onderscheid niet aan bod komt in de door verzoeker geformuleerde bezwaren uiteengezet onder de hoofding “algemeen” op p. 3 van zijn bezwaarschrift, zodat de kritiek op de antwoorden van zijn bezwaren dan ook niet relevant is.
- De verzoeker vermeldt in zijn uiteenzetting ook een vermeende schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij gebrek aan een “dwingende sociale behoefte voor de aanleg van ventwegen in de woonzone”. Deze bepaling betreft het recht op eerbiediging van het privé- leven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling. De verzoeker maakt een inmenging met de in de door deze bepaling gewaarborgde rechten niet aannemelijk, zodat niet kan worden ingezien waarom een rechtvaardigingsgrond voor een gebeurlijke inmenging, zoals “een dwingende sociale behoefte”, aanwezig zou moeten zijn.
- De verzoeker voert ten slotte een schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Het gelijkheidsbeginsel verzet zich ertegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, moet dit in het verzoekschrift met voldoende concrete en precieze gegevens aantonen. De verzoeker beperkt zich ertoe te stellen dat “de bewoners van de woonzone onnodig opgezadeld worden met de nadelen van een winkelzone (winkelverkeer) maar de voordelen ervan niet mogen genieten (zelf een winkel X-13.643-37/45 houden)”. Hij voert evenwel geen concrete elementen aan die zouden toelaten een schending van het gelijkheidsbeginsel vast te stellen.
- De in het middel aangevoerde schendingen worden niet aannemelijk gemaakt.
- Het vijfde middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Het zesde middel wordt als volgt uiteengezet: “Betreffende een particuliere huisinrit ter plaatse van Hasseltweg 132: • Betreffende de huisinrit ter plaatse van Hasseltweg 132 werd door verzoeker volgend bezwaar ingediend: Op het grondplan is onze bestaande particuliere huisinrit naast de Zodenstraat ter plaatse van Hasseltweg 132 niet voorzien van 2 pijlen, in- en uitrit aanduidend, zoals dat bij andere huisinritten wel het geval is. Bovendien is recht voor deze huisinrit een smalle berm getekend, afgeboord met trottoirband type IC2 in glijbekisting, 10 cm in opstand. Zodat moet geconcludeerd worden dat deze inrit naar een voorliggende particuliere parkeergelegenheid en naar achterliggende garages zomaar onbruikbaar wordt gemaakt. Terzake dient opgemerkt te worden dat Hasseltweg 132 een dubbelwoonst is. Men zal zich herinneren dat wij ten tijde van de vorige aanleg van de huidige particuliere inritten en verhoogde bermen gedwongen werden de tot dan toe bestaande inrit te verplaatsen naar de huidige locatie, gevolgd door kostelijke aanpassingswerken, die nu alweer nutteloos zouden worden. Dat wij dan ook met klem bezwaar aantekenen tegen het onbruikbaar stellen van deze huisinrit, wat afbreuk doet aan het recht op toegang en/of alleszins nieuwe kosten voor heraanleg veroorzaakt. Terwijl er langs het recent met ventwegen aangelegde gedeelte van de Genkersteenweg te Hasselt al passende oplossingen voor inritten aan rotondes aan te treffen zijn. Dit bezwaar wordt in de bestreden beslissing samengevat als volgt:
- Inrit naar huisnummer 132 wordt onbruikbaar. • En wordt in de bestreden beslissing beantwoord als volgt:
- Op 13 mei 1981 verleende het schepencollege van Genk een stedenbouwkundige vergunning voor de verbouwing tot tweewoonst. Er werden op het inplantingplan destijds geen inritten getekend en bijgevolg vergund. Bovendien werden op het gelijkvloers van deze tweewoonst geen X-13.643-38/45 inpandige garages voorzien. De ontsluiting van al of niet vergunde garages kan perfect gebeuren via de Zodenstraat (gedeelte niet mee opgenomen in de herinrichting). Het bezwaar wordt niet weerhouden; • Uiteenzetting Er werden op het inplantingplan destijds geen inritten getekend omdat dit in 1981 nog geen vereiste was voor de volledigheid van het dossier: het aangetekende ontvangstbewijs van 10 april 1981 vermeldt de ontvangst van ‘het volledig dossier der bouwaanvraag’. Bovendien werd er bij deze gelegenheid niets gewijzigd aan de betreffende inrit noch aan de al bestaande garages in een ongewijzigd bijgebouw (letterlijke vermelding op het plan van 1981: ‘overdekte autobergplaats’). De vóór 1981 bestaande enige woning, gelegen aan de kant van de Zodenstraat, die nu ongeveer 100 jaar oud is, bezit sinds mensenheugenis een inrit aan de hoek van Hasseltweg en Zodenstraat en in de bijhorende garages hebben vroeger nog boerenkarren gestaan, getrokken door paarden! Het antwoord terzake van de vergunningverlenende overheid is dan ook irrelevant. Wel relevant zijn de werken die het Ministerie van Openbare Werken, Wegendienst Limburg, in 1987 uitvoerde - overigens zonder bouwvergunning - aan de berm tussen rijweg en fietspad van de N75 Hasseltweg op het grondgebied Genk. Zoals uit de bijlagen dd 17-09-1987 t.e.m. 06-06-1988 (…) mag blijken had verzoeker toen ook bezwaar, vooral tegen de verhoogde berm die tegenover de betreffende inrit werd aangelegd (…). Vervolgens werd op 02.09.1988 een zaak ingeleid voor de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Bij vonnis (…) van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren dd 23.12.1991 werd een deskundige aangesteld. Op 16.03.1993 werd het Vlaamse Gewest ter vrijwaring van de Belgische Staat door het Hof van Beroep te Antwerpen aansprakelijk gehouden en het Hof verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar de eerste rechter. Na tussenkomst van de aangestelde deskundige, tussenvonnis en plaatsopneming werd vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 30-04-
- Een stuk haag werd verplaatst en een ondergrondse stookolietank gedeeltelijke gelegen tegenover de door de overheid verschoven inrit - waarvan al sprake in de stukken dd 02-10-1987 (stuk 2, blz.1: ‘niet korrekt dat de stookolietank in het gedrang komt’ dixit overheid!) en 12-10-1987 (…) - werd vervangen door een korter model teneinde de volledige breedte van de verschoven inrit te kunnen benutten: zie facturen dd 30-09-1999 (…) en 07-10-1999 (…) in bijlage. Het door verzoeker ingesteld beroep werd door het Hof van Beroep te Antwerpen afgewezen op 18.10.1999 (…). Verharding van inritten en parkeergelegenheid en heraanleg van voortuin, aangepast aan de herschikte situatie, werd uitgevoerd in 2002: zie facturen dd 13-03-2002 (…) en 01-09-2002 (…) in bijlage. Een voorziening in cassatie - een laatste poging om het hinderlijk verhoogd eiland aan de inrit te laten verwijderen - werd door het Hof van Cassatie verworpen op 31.03.2003 (…). Zie tevens de illustrerende bijlagen: X-13.643-39/45 - stuk 14: huidige situatie ter plaatse van Hasseltweg 132, - stuk 15: de ontworpen aanleg met toegang-afsluitende boordsteen, - stuk 17: foto’s 3 t.e.m. 10, ter plaatse van Hasseltweg
- Dit proces illustreert vooreerst de moeilijkheid, zelfs onmogelijkheid, om een ernstig nadeel te herstellen. Vandaag nog steeds relevant aan deze zaak is dat de bevoegde overheid in 1987 tijdens de werken aan de Hasseltweg, tegen de zin van verzoeker, deze inrit (die de Vlaamse Overheid nu zomaar wil afschaffen) eenzijdig heeft verschoven tot op de huidige plaats en dat de Vlaamse Overheid vervolgens deze keuze tijdens het hele proces is blijven verdedigen. Dergelijk proces kan enkel méér waarde hebben dan een vergunning. Overwegende dat het verschil tussen de werken van 1987 en de nu vergunde werken is dat bij de werken in 1987 tenminste nog het recht van toegang enigszins, zij het hinderlijk en kostelijk, overeind bleef. Overwegende dat artikel 5 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen bepaalt: ‘De aangelanden van de autosnelwegen genieten niet de rechten die aan de aangelanden van de gewone openbare wegen zijn toegekend, inzonderheid niet het recht van toegang’; dat hieruit volgt dat dit recht van toegang wettelijk alleen kan worden ontzegd ten opzichte van de aangelanden van autosnelwegen. Terwijl de Hasseltweg geen autosnelweg is. Terwijl de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zwijgt over de ontsluiting van verzoekers’ voorliggende parkeerplaats of de toegang door bezoekers en nog discreter blijft over verzoekers’ kosten voor heraanleg. Annulatie van deze inrit schendt het recht van toegang voor de betrokken woning (en zijn voorzieningen zoals parkeerplaats en garages) van en naar de voorliggende weg, waaraan het zijn adres ontleent. Annulatie van deze inrit getuigt van misprijzen voor de investeringen waarmee particulieren geconfronteerd werden en worden, dit ten aanzien van een in casu herhaalde eenzijdige verbreking van het evenwicht tussen de erven. Ter illustratie van discriminatie verwijst verzoeker nog naar voorbeelden van particuliere inritten (aan rotondes) langs de recent met ventwegen aangelegde N75 Genkersteenweg te Hasselt: zie foto’s nr 11 en 12 (…). Middel ontleend aan de schending van het recht van toegang, van art. 5 van de Wet van 12.7.1956, van B.W. art. 544 e.v. en art. 637 e.v., van het rechtszekerheids-, het redelijkheids-, het continuiteits- en het proportionaliteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van het recht op ongestoord genot van woning en eigendom vervat in art.8 van het E.V.R.M. en in art.1 van het aanvullende protocol nr.
- Middel tevens ontleend
§ 1
van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, en, inzoverre enkel verzoekers’ toegang opgeheven wordt, aan de schending van de Grondwet, artikelen 10 (gelijkheid), 11 (zonder discriminatie), 16 (nut) en aan de schending van artikel 2 §4 van de Wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie”. X-13.643-40/45 Beoordeling
- Ter weerlegging van verzoekers bezwaar in verband met de inrit tot zijn woning van op de Hasseltweg antwoordt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar dat “de ontsluiting van al of niet vergunde garages (…) perfect (kan) gebeuren via de Zodenstraat”. Op dit argument ter weerlegging van zijn bezwaar gaat de verzoeker in zijn middel niet in. In verzoekers memorie van wederantwoord wordt daaromtrent wel een grief ontwikkeld, doch dit komt te laat. Door dit pas in de memorie van wederantwoord te doen, ontneemt men de verwerende partij immers de mogelijkheid om daarop te reageren in haar memorie van antwoord, waardoor haar rechten van verdediging geschonden worden. In die omstandigheden kan de aangevoerde schending van de toegang tot de woning niet worden bijgevallen.
- In zoverre de verzoeker ingaat op de door hem eerder gemaakte kosten voor de heraanleg van zijn inrit is zijn argumentatie niet relevant, vermits ze geen verband houdt met de wettigheid van het bestreden besluit en dus niet tot de nietigverklaring ervan kan leiden.
- De andere in het middel aangevoerde schendingen worden niet uitgewerkt en kunnen dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden.
- Het zesde middel wordt verworpen. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Het zevende middel wordt als volgt uiteengezet: Betreffende de particuliere gracht ter plaatse van Hasseltweg 132: • Betreffende de gracht ter plaatse van Hasseltweg 132 werd door verzoeker volgend bezwaar ingediend: X-13.643-41/45 De huidige Hasseltweg, die in de loop der jaren door ’s mensen toedoen opgehoogd werd, vormt een dijk voor de natuurlijke waterafloop van ons perceel naar de lagergelegen percelen aan de overkant en verder richting vijvers van de Maten. De huidige gracht verleent het perceel tegenwoordig nog de wettelijke erfdienstbaarheid op waterafloop (B.W. art 640 e.v.). Deze gracht blijkt nu echter te zullen verdwijnen. Dat wij dan ook bezwaar aantekenen tegen het verdwijnen van de gracht zolang uit de plannen niet kan opgemaakt worden welke evenwaardige oplossing in de plaats komt, enerzijds om het recht op natuurlijke waterafloop van ons perceel naar de lager gelegen overkant te vrijwaren, anderzijds om te beletten dat water van de verhoogde weg verhinderd wordt naar ons perceel af te lopen. Daar waar meerdere gebouwen in de nabije omgeving lager liggen dan het huidige wegniveau zou kunnen overwogen worden het hoogtepeil van de nieuwe weg te laten variëren in functie van de aangelande gebouwen, m.a.w. plaatselijk lager dan het huidige wegniveau. • Dit bezwaar wordt in de bestreden beslissing samengevat als volgt:
- Verdwijnen van de gracht; • En wordt in de bestreden beslissing beantwoord als volgt:
- Er wordt een nieuwe regenwaterleiding (drainageleiding) voorzien tussen huis nr. 132 en de Wennel ter vervanging van de grachten. Het bezwaar wordt niet weerhouden; • Uiteenzetting Verzoeker herinnert zich maar al te goed de periode vóór 1983, zonder riolering, toen hij regelmatig bij regenval wateroverlast had in zijn voortuin wegens een door onderhoudsgebrek en door vervuiling onwerkzame gracht, die regelmatig overvol liep. De gracht zelf buiten beschouwing gelaten is verzoekers’ voortuin immers het laagst gelegen natuurlijk vlak langs de hoger gelegen ‘dijken’ Hasseltweg en Zodenstraat die de verdere natuurlijke afloop over het oorspronkelijke natuurlijke grondoppervlak verhinderen. Het bezwaar van verzoeker betreft enkel het hemelwater dat op natuurlijke wijze over het grondoppervlak afloopt als bedoeld in art. 640 B.W., ofwel oppervlaktewater. Het antwoord in de bestreden beslissing slaat echter op een drainageleiding, in de grond, die dus grondwater ontvangt ofwel water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt. Terwijl er grenzen zijn aan de snelheid waarmee oppervlaktewater op natuurlijke wijze in de bodem kan infiltreren en als grondwater de drainageleiding kan bereiken. Het antwoord van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is m.a.w. geen antwoord op het gestelde bezwaar: ingeval van afschaffing van de gracht zonder alternatieve opvang van het hemelwater dat op natuurlijke wijze van het erf van verzoeker afloopt vormt de weg een dijk waardoor de natuurlijke afloop in de zin van art. 640 B.W. verhinderd wordt. Middel ontleend aan de schending van art. 640 B.W.,
§1
van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, aan de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. X-13.643-42/45 Beoordeling 50. Artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt: “Lager gelegen erven zijn jegens de hoger liggende gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten ’s mensen toedoen natuurlijk afloopt. De eigenaar van het lager gelegen erf mag geen dijk opwerpen waardoor de afloop verhinderd wordt. De eigenaar van het hoger gelegen erf mag niets doen waardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf verzwaard wordt”. Bouwvergunningen worden verleend onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten. Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. De Raad van State is derhalve niet bevoegd om hierover uitspraak te doen. 51. De verzoeker beklaagt zich over het gebrek aan antwoord op zijn bezwaar over het verdwijnen van de gracht voor zijn eigendom zonder alternatieve opvang van het regenwater. Op deze grief antwoordde de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in het bestreden besluit dat een nieuwe drainageleiding voorzien wordt ter vervanging van de grachten. De verzoeker vindt deze weerlegging ontoereikend, maar beperkt zich in zijn verzoekschrift in wezen tot de stellingname dat er grenzen zijn aan de infiltratiecapaciteit van de bodem. In zijn memorie van wederantwoord bouwt de verzoeker zijn kritiek alsnog uit door onder meer te stellen dat “deze ondergrondse regenwaterleiding (…) zich namelijk onder de dijk (situeert) die de geplande wegaanleg vormt en (…) daarom niet doeltreffend bereikbaar (
- is)voor het water dat het erf van de verzoekende partij buiten ’s mensen toedoen ontvangt” en dat “de grondmassa tussen het maaiveld en de regenwaterleiding (…) eveneens een hinderpaal (is)”. Om de hiervoor (randnr. 45) uiteengezette reden kunnen de elementen van kritiek uit de memorie van wederantwoord niet in aanmerking worden genomen. X-13.643-43/45 Uit hetgeen in het verzoekschrift wordt aangevoerd blijkt niet dat in het bestreden besluit niet zou zijn aangegeven op grond van welke elementen en argumenten de relevante bezwaren werden verworpen. 52. In een brief van 20 september 2010 brengt de verzoeker nog stukken bij die, in zijn woorden, zijn tweede en zevende middel ondersteunen. Deze stukken betreffen klachten en procedurestukken van de verzoeker over de uitvoering van de werken, evenals antwoorden op de klachten vanwege de afdeling Wegen en Verkeer en de Inspectie Ruimtelijke Ordening. Daargelaten de vraag of hiermee geen nieuwe draagwijdte aan de middelen gegeven wordt, hebben deze stukken betrekking op de uitvoering van het bestreden besluit en niet op de wettigheid ervan. Ze zijn bijgevolg onontvankelijk. 53. Het zevende middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand vast in hoofde van de tweede verzoekende partij 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. De eerste verzoekende partij wordt verwezen in kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-13.643-44/45 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.643-45/45 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.206 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.985 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div