← België

Arrest 209220 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.220 Rolnummer: A. 188888/X-13838 Zaak: Arrest 209220 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Arrest nr 209.220 van 25 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.220 van 25 november 2010 in de zaak A. 188.888/X-13.

  1. In zake : Magdalena VAN LOON die woonplaats kiest te 2800 MECHELEN Kauwendaal 10 tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 14 mei 2008 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een verbindingsbrug tussen de Lamotsite en de Vismarkt te Mechelen, Haverwerf/Vismarkt. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-13.838-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  4. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Ontvankelijkheid van het beroep
  6. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid op: “Verzoekende partij vermeldt haar hoedanigheid van gemeenteraadslid en geeft niet aan hoe zij als bewoner van het stadsdeel waarin zich de Lamotsite en de Vismarkt bevinden zou geraakt worden. Daarmee geeft verzoekende partij aan zich uitsluitend te beroepen op haar functioneel belang als gemeenteraadslid. In het arrest nr. 179.845 van 19 februari 2008, in zake Isabelle De Clercq omschreef de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, het functioneel belang als het belang dat het aan hen die een openbare functie uitoefenen mogelijk maakt beslissingen aan te vechten die, zonder hen persoonlijk te raken, een miskenning inhouden van de prerogatieven van hun mandaat of van de bevoegdheid van de instelling of het orgaan waartoe zij behoren. Dit belang kan door een vernietigingsarrest maar gediend worden wanneer een zodanig prerogatief geschonden is en wanneer die schending door een vernietigingsarrest in rechte ongedaan kan worden gemaakt. Dit betekent dat een middel moet worden aangevoerd dat betrekking heeft op de schending van een dergelijk prerogatief. Het functioneel belang moet dan ook annulatiemiddel per annulatiemiddel worden onderzocht. In het eerste middel wordt de schending ingeroepen van het besluit van 29 april 1997 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen en voetgangersverkeer dat had moeten toegepast worden als gevolg van de beslissing van 22 februari 2006 van het college van burgemeester en schepenen om de procedures te volgen, uitgewerkt door de provincie Antwerpen, waarin specifiek het opnemen van het advies van het Centrum voor Toegankelijkheid voor de Provincie Antwerpen wordt voorzien. X-13.838-2/6 In het tweede middel lijkt de schending te worden ingeroepen van artikel 100, §4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening waarin is bepaald dat de stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel 99, § 1, 1° en 6° moet worden geweigerd wanneer niet is voldaan aan de regels betreffende de toegang van personen met een verminderde beweeglijkheid tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen zoals deze bij wet of door de Vlaamse regering worden vastgesteld. In het derde middel wordt nogmaals de schending ingeroepen van het besluit van 29 april 1997 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen en voetgangersverkeer. In het vierde middel wordt de schending ingeroepen van de richtlijnen en voorschriften van de internationale organen betreffende het toegankelijk maken van het openbaar domein. In het vijfde middel wordt opgeworpen dat de hoogte van de onderhoudskost niet werd afgewogen tegen het voetgangers- gebruikscomfort, het kinderwagengebruik, enz. en de wettelijke voorschriften terzake. In het zesde middel lijkt te worden voorgehouden dat zonder deugdelijk motief werd afgeweken van het negatief advies van het centrum toegankelijkheid van de Provincie Antwerpen. In het zevende middel lijkt te worden voorgehouden dat zonder deugdelijk motief werd teruggekomen op de voorheen uitgebrachte beoordeling. In het achtste middel wordt nogmaals de miskenning van het advies van het Centrum voor Toegankelijkheid van de Provincie Antwerpen opgeworpen waarvan de naleving werd aanbevolen door adviesorganen gemandateerd om de bevolking of specifieke doelgroepen uit de bevolking te vertegenwoordigen ten aanzien van het stadsbestuur. In het negende middel lijkt te worden opgeworpen dat de alternatieve, goedkopere en 100 % toegankelijke mogelijkheden voorgesteld aan de stad Mechelen en aan de bouwheer, zonder deugdelijke motieven werden verworpen. In het tiende middel lijkt te worden opgeworpen dat de bouwheer handelt in strijd met de prioritaire beleidsoptie het ‘imago’ te bevorderen. Geen enkel van de geformuleerde grieven kan beschouwd worden als een rechtsmiddel in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. Onder ‘middel’ moet volgens de rechtspraak immers worden verstaan, de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel -zij het dat deze niet noodzakelijk uitdrukkelijk moet worden vermeld door aanwijzing van het wetsartikel waarin hij wordt geformuleerd, zo duidelijk is welke rechtsregel bedoeld is- en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing is geschonden. In zover een aantal van de geformuleerde grieven zouden kunnen geacht worden een uit de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, de motiveringsverplichting of het zorgvuldigheidsbeginsel afgeleid middel te bevatten, houdt dit geen miskenning in van de prerogatieven van het X-13.838-3/6 mandaat van gemeenteraadslid of van de bevoegdheid van de gemeenteraad. In zover een aantal van de geformuleerde grieven uitdrukkelijk verwijzen naar een normatieve tekst, betreft het geen voorschrift dat de uitoefening van de prerogatieven van het gemeenteraadslid tot voorwerp heeft of de bevoegdheid van de gemeenteraad regelt. Alle ingeroepen middelen vallen buiten het functioneel belang van de verzoekende partij en zijn derhalve niet ontvankelijk”.
  7. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster als volgt: “Wat betreft de hoedanigheid van de verzoekster: Verzoekster treedt op in eigen naam. De vermelding ‘gemeenteraadslid’ is een bijkomende, toelichtende en niet- exclusieve toevoeging, die wijst op de politieke en gemandateerde betrokkenheid van verzoekster op het welzijn van alle bewoners van de stad. Verzoekster, optredend in eigen naam, is moeder van een zwaar gehandicapte dochter. (…) Zij is dus onmiddellijk en persoonlijk betrokken op de toegankelijkheidseisen, die de Wetgever en de ter zake bevoegde Overheid bij wet of besluit haar, haar dochter én alle andersvaliden waarborgt. Zij is als bewoonster van de stad Mechelen persoonlijk en met haar dochter functionele belanghebbende bij de participatie aan het stadsleven en het culturele leven in het stadscentrum. Vismarkt en Haverwerf zijn daar belangrijke locaties voor: daarom ook vroeg de stad Mechelen om een permanente en definitieve brugverbinding op deze plaats”.
  8. Anders dan de verwerende partij het ziet, kan uit het feit dat de verzoekster in het verzoekschrift bij de identificatiegegevens haar functie als gemeenteraadslid vermeldt, niet worden afgeleid dat zij zich heeft willen beroepen op een functioneel belang als gemeenteraadslid.
  9. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekster dat zij optreedt “in eigen naam”, waaraan ze toevoegt tevens moeder te zijn van een zwaar gehandicapte dochter waardoor zij “onmiddellijk en persoonlijk betrokken (is) op de toegankelijkheidseisen”.
  10. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve opgeworpen dat het rechtens vereiste persoonlijk belang in hoofde van de verzoekster niet aanwezig X-13.838-4/6 is omdat de hoedanigheid van moeder van een “zwaar gehandicapte dochter” haar niet het vereiste persoonlijk belang verschaft en omdat haar belang als inwoner van de stad Mechelen in beginsel samenvalt met het belang van iedere inwoner van de stad.
  11. In de laatste memorie wijst de verzoekster er op dat haar gehandicapte dochter in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard en stelt zij dat zij als ouder en voogd wel een persoonlijk belang heeft omdat zij in voorkomend geval de voetgangersbrug niet zal mogen gebruiken wegens de handicap van haar rolstoelgebruikende dochter.
  12. Uit het verzoekschrift blijkt nergens dat de verzoekster het beroep tot nietigverklaring in naam van haar dochter heeft ingesteld. Bij gebreke aan enige aanduiding terzake moet worden aangenomen dat de verzoekster het beroep in eigen naam heeft ingesteld. Aldus heeft de verzoekster de grenzen van het gerechtelijk debat bepaald ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en ten aanzien van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Wanneer een verzoekende partij zich in de laatste memorie op een ander dan het initieel belang beroept, lokt zij, zonder dat een rechtsregel van openbaar belang zulks verantwoordt, een nieuw gerechtelijk debat uit, hetgeen niet kan worden aanvaard.
  13. Het blijkt niet en de verzoekster beweert ook niet dat zij in de onmiddellijke omgeving van de bewuste voetgangersbrug zou wonen. De verzoekster laat in de laatste memorie de stelling in de ambtshalve opgeworpen exceptie dat “niet (kan) worden ingezien om welke reden de afgeleverde bestreden vergunning voor de brug, een nadelige invloed uitoefent op verzoeksters (potentiële) deelname aan het stadsleven en het culturele leven in het stadscentrum” onbeantwoord. Noch de hoedanigheid van moeder van een “zwaar gehandicapte dochter”, noch de hoedanigheid van inwoner van de stad Mechelen verschaft de verzoekster het vereiste persoonlijk belang.
  14. Het beroep is niet ontvankelijk. X-13.838-5/6 BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.838-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.