← België

Arrest 209274 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.274 Rolnummer: A. 159636/IX-4772 Zaak: Arrest 209274 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Arrest nr 209.274 van 29 november 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.274 van 29 november 2010 in de zaak A. 159.636/IX-4772 In zake: Jean DEWIT wonend te Strombeek-Bever (Grimbergen) J. Van Elewijckstraat 92/5 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 januari 2005, strekt tot de nietigverklaring van de koninklijke besluiten van 27 oktober 2004 waarbij Renata Vandeputte, Joost Boudry, Frank De Wispelaere, Luc Timmermans, Theo Van Moer en Frank Van Thournout, in het Nederlandse taalkader, en Edgard d’Adesky, Jean-Louis de Gerlache de Gomery, Joseph Gillard en Michel Kovalovszky, in het Franse taalkader, met ingang van 1 oktober 2004 worden bevorderd tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-4772-1/22 Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Met dienstorder nr. 04/05 van 24 maart 2004 worden de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ervan in kennis gesteld dat het de bedoeling is van de minister om te voorzien in tien betrekkingen van adviseur en één betrekking van informaticus-directeur (rang 13) bij het hoofdbestuur van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze betrekkingen zijn te begeven door bevordering in graad. IX-4772-2/22 3.
  6. Op 13 april 2004 dient de verzoeker, die adjunct-adviseur is bij de genoemde FOD, zijn kandidatuur in voor de tien te begeven betrekkingen van adviseur. Hij stelt dat hij aan alle wettelijke voorwaarden voldoet. Hij wijst op de ruime ervaring die hij tijdens zijn administratieve loopbaan heeft opgedaan, onder meer bij de dienst Internationale Gerechtelijke Bijstand van de directie-generaal Consulaire Zaken. Voorts vraagt hij het directiecomité bij de beoordeling en afweging van de kandidaturen rekening te houden met zijn interesse voor de vele toepassingen van het recht, alsook met zijn taalbrevet Grondige Kennis van de Franse taal (niveau 1) afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat. Voor de betrekkingen van adviseur stellen zich 28 personen kandidaat, waaronder, naast de verzoeker, Renata Vandeputte, Joost Boudry, Frank De Wispelaere, Luc Timmermans, Theo Van Moer en Frank Van Thournout van de Nederlandse taalrol en Edgard d’Adesky, Jean-Louis de Gerlache de Gomery, Joseph Gillard en Michel Kovalovszky van de Franse taalrol. 3.
  7. Op 30 april 2004 voert het directiecomité van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vooreerst een ontvankelijkheidsonderzoek en een algemeen onderzoek van de verschillende kandidaturen uit. In het kader van dit algemeen onderzoek wordt met betrekking tot de verzoeker het volgende gesteld: “Dhr. Jean Dewit stelt zich kandidaat voor de betrekkingen op B&B-1, P&O-0.0, P&O-4.1., C-2.1, D-0.3.2, D-1.1.1, D-1.1.2, D-3.1, D-3.3 en D-4.
  8. In zijn sollicitatiebrief geeft hij geen uiteenzetting van aanspraken die hij meent te kunnen doen gelden om naar de betrekking van adviseur te dingen. Dhr. Dewit is licentiaat in de rechten, en bezit een bewijs van taalkennis dat toegang verleent tot het tweetalig kader. Hij begon zijn carrière op de DG A en ging vervolgens over naar de DG C. Dhr. Dewit beschikt over de nodige graadanciënniteit en beroepservaring om in aanmerking te komen voor de functie van adviseur. Momenteel is hij tewerkgesteld op de dienst Internationale Gerechtelijke samenwerking (C-1.2.), zijn takenpakket is er niet scherp afgelijnd. Er dient te worden aangestipt dat dhr. Dewit een grote disponibiliteit bezit: hij werkt laat, en komt soms ook op zaterdag en zondag naar het departement”. IX-4772-3/22 Vervolgens onderzoekt en vergelijkt het directiecomité per te begeven betrekking van adviseur de verschillende kandidaten. Bij deze vergelijking wordt telkens uiteengezet waarom een bepaalde kandidaat de meest geschikte kandidaat voor de betrekking lijkt te zijn en waarom in vergelijking met deze kandidaat de andere kandidaten minder of niet geschikte kandidaten zijn. Per betrekking heeft een stemming plaats en worden de kandidaten vervolgens gerangschikt. Wat de verzoeker betreft, wordt voor de meeste betrekkingen gesteld dat hij een minder geschikt profiel heeft, dat hij niet beschikt over het gepaste profiel of dat hij een minder uitgesproken kennis met betrekking tot de functie heeft. Alleen voor de betrekking van adviseur bij de directie-generaal Consulaire Zaken - dienst Visa (C-2.1) wordt gesteld dat de verzoeker troeven heeft, aangezien hij goed vertrouwd is met consulaire zaken, ook al heeft hij weinig ervaring met visumdossiers. 3.
  9. De verzoeker wordt van de rangschikkingen op de hoogte gebracht met een brief van 20 juli 2004, waarbij een uittreksel van het verslag van het directiecomité van 30 april 2004 is gevoegd. 3.
  10. Met een brief van 30 juli 2004 dient de verzoeker bij de voorzitter van het directiecomité een bezwaar in tegen de voorgestelde rangschikkingen. In zijn bezwaarschrift laat hij onder meer gelden dat hij niet enkel houder is van het diploma van licentiaat in de Rechten, maar tevens van “het Aggregaat voor het Hoger Middelbaar Onderwijs”. Hij wijst erop dat hij niet enkel een bewijs van taalkennis heeft behaald dat toegang verleent tot het tweetalige kader, maar dat hij eveneens in het bezit is van het taalbrevet Grondige kennis van het Frans. Hij stelt naast kennis van het Engels, eveneens passieve kennis van het Duits te hebben. Voorts voert hij aan over een zeer gedegen en parate juridische kennis, een ruime dossierkennis, en een rijke en gediversifieerde IX-4772-4/22 ervaring te beschikken. Hij voegt eraan toe goede contacten met zijn collega’s te onderhouden, bereid te zijn bijkomende dossiers te aanvaarden en bereid te zijn zich aan te passen. Wat de betrekking van adviseur op D.0.3.
  11. betreft, merkt de verzoeker ten slotte op dat hij, uit hoofde van zijn vroegere functie van gemeentesecretaris, zowel over een theoretische kennis als een praktische ervaring in verband met overheidsopdrachten beschikt, wat als een criterium voor deze betrekking in aanmerking wordt genomen. 3.
  12. Het directiecomité onderzoekt op 10 september 2004 de bezwaarschriften die door acht kandidaten werden ingediend. Drie kandidaten, waaronder de verzoeker, worden op die datum door het directiecomité gehoord. Met betrekking tot het bezwaar van de verzoeker, stelt het directiecomité onder meer het volgende: “[...] Zoals ook bij het onderzoek van de andere bezwaren werd gesteld, geeft anciënniteit geen recht op voorrang bij een bevorderingsprocedure. [...] Er wordt nota genomen van het volgende: ‘zijn ruime dossierkennis, rijke en gediversifieerde ervaring, collegialiteit, onderhoudt goede contacten met zijn collega’s, bereidheid bijkomende dossiers te aanvaarden, bereidheid zich aan te passen’, ofschoon uit de rangschikking blijkt dat de andere kandidaten nog meer vaardigheden kunnen aantonen. Voor de betrekking bij D-0.3.2, refereert de heer Dewit aan de functie van gemeentesecretaris die hij uitoefende tot 31 december
  13. In die hoedanigheid had hij te maken met de wetgeving op de overheidsopdrachten. Voor zijn werk bij Buitenlandse Zaken heeft de heer Dewit bedoelde wetgeving sindsdien niet meer gehanteerd. Hij haalt evenmin een activiteit aan waarvoor hij deze wetgeving nog had moeten toepassen. Sinds 1998 zijn de wet van 24 december 1993 en de betreffende koninklijke besluiten herhaaldelijk gewijzigd. Uit niets blijkt dat de heer Dewit dezelfde kennis van overheidsopdrachten kan aantonen als de kandidaten met een beter geachte staat van dienst. De punten die de heer Dewit alsnog aanvoert, zijn niet van invloed op de beoordeling die het directiecomité reeds op 30 april 2004 formuleerde en ook niet op de daaropvolgende vergelijking van titels en verdiensten”. 3.
  14. Na onderzoek van de bezwaren gaan de aanwezige leden van het directiecomité over tot een geheime stemming, die resulteert in een algemene IX-4772-5/22 bevestiging van de rangschikkingen die tijdens de vergadering van 30 april 2004 werden opgemaakt. 3.
  15. In een Franstalige nota van 22 oktober 2004 aan de minister van Buitenlandse Zaken geeft de voorzitter van het directiecomité een overzicht van de gevolgde bevorderingsprocedure en van de door het directiecomité voorgedragen kandidaten. Voorts wordt de taalsituatie binnen de tweede trap van de hiërarchie weergegeven en wordt aangegeven welke wijzigingen zich hebben voorgedaan in de berekeningswijze van het taalevenwicht in vergelijking met vorige bevorderingen. Samen met deze nota worden tevens de Nederlandstalige en de Franstalige versie van het proces-verbaal van de vergaderingen van het directiecomité van 30 april 2004 en van 10 september 2004 aan de minister overgemaakt. Tevens wordt in bijlage een overzicht gegeven van de bezetting van de taalkaders vóór en na de thans bestreden bevorderingen. 3.
  16. Bij koninklijke besluiten van 27 oktober 2004 worden Renata Vandeputte, Joost Boudry, Frank De Wispelaere, Luc Timmermans, Theo Van Moer en Frank Van Thournout, in het Nederlandse taalkader, en Edgard d’Adesky, Jean-Louis de Gerlache de Gomery, Joseph Gillard en Michel Kovalovszky, in het Franse taalkader, met ingang van 1 oktober 2004 bevorderd tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze tien besluiten, die bij vermelding zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2004, vormen het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Deze besluiten worden tevens ter kennis gebracht van de personeelsleden van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bij dienstorder nr. 2004/18 van 2 december
  17. IX-4772-6/22 3.
  18. Met een brief van 24 december 2004 vraagt de verzoeker aan de voorzitter van het directiecomité om hem op grond van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur inzage in het kwestieuze bevorderingsdossier te verlenen of, indien dit niet mogelijk zou blijken, een afschrift van een aantal stukken uit het dossier te bezorgen. Voorts wijst de verzoeker erop dat het verslag van het directiecomité van 10 september 2004 hem nog steeds niet werd betekend. 3.
  19. Met een brief van 28 januari 2005, door de verzoeker voor ontvangst ondertekend op 1 februari 2005, bezorgt de voorzitter van het directiecomité een aantal documenten aan de verzoeker. In deze brief wordt onder meer het volgende gesteld: “[...] In de eerste plaats bezorg ik u in bijlage 1 een kopie van de koninklijke besluiten van 27 oktober 2004 met betrekking tot de benoeming van 10 adviseurs in de betrekkingen waarvoor u kandidaat was. Er bestaan geen overleggingsbrieven tussen het Secretariaat van het Directiecomité en de Vertaaldienst, daar de Nederlandstalige en Franstalige versies van het proces-verbaal van de vergadering van het Directiecomité van 10 september 2004 in de schoot van het Secretariaat zelf werden opgesteld. Het huishoudelijk reglement van het Directiecomité voorziet niet dat zijn leden een bericht van ontvangst ondertekenen van de notificatie van processen-verbaal en/of ontwerpen. Derhalve bestaat er geen lijst van data van dergelijke notificaties. Artikel 26bis, §3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 dat de evaluatie en de loopbaan van de rijksambtenaren organiseert, voorziet: ‘indien, ingevolge het onderzoek van de klacht, de met de voorstellen belaste overheid de oorspronkelijke rangschikking niet verandert, wordt deze beslissing enkel aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend, bekendgemaakt’. Deze bepaling legt evenwel geen termijnen vast voor deze notificatie. Deze heeft nog niet plaatsgevonden en derhalve is er nog geen lijst van data van notificatie aan de klagers. In bijlage 2 vindt u een kopie van de nota die werd gezonden naar de Minister ter begeleiding van de ontwerpen van koninklijke besluiten. In de bijlagen aan deze nota aan de Minister vindt u het proces-verbaal van de vergadering van het Directiecomité van 10 september
  20. Het antwoord van de Minister op deze nota werd geconcretiseerd door de ondertekening van de koninklijke besluiten die hem werden voorgelegd. Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat noch een verslag aan de Koning, noch een verzendingsborderel bestaat van de ontwerpen van koninklijke besluiten naar het Koninklijk Paleis”. IX-4772-7/22 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  21. Met een aangetekende zending van 4 april 2005 heeft de verzoeker een “aanvullend verzoekschrift” tot nietigverklaring ingediend.
  22. De auditeur-verslaggever besluit in haar verslag over de zaak tot de onontvankelijkheid ratione temporis van dit aanvullend verzoekschrift.
  23. De verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat de verwerende partij laattijdig, namelijk ná het verstrijken van de initiële beroepstermijn op 31 januari 2005, op zijn vraag om inzage in het betrokken bevorderingsdossier en om afgifte van een afschrift van een aantal stukken uit dit dossier heeft geantwoord, waardoor een nieuwe beroepstermijn van zestig dagen is ingegaan die pas ten einde liep op 4 april
  24. De verzoeker besluit hieruit dat zijn aanvullend verzoekschrift tijdig is ingediend.
  25. Er dient te worden opgemerkt dat een verzoeker voor de Raad van State een reeds ingediend verzoekschrift kan aanvullen door een aanvullend verzoekschrift in te dienen, op voorwaarde dat dit aanvullend verzoekschrift binnen de beroepstermijn wordt ingediend. Aangezien te dezen de laatste nuttige dag om een beroep tot nietigverklaring in te stellen 31 januari 2005 was, is het aanvullend verzoekschrift buiten de beroepstermijn ingediend. De omstandigheid dat de verwerende partij de vraag van de verzoeker tot openbaarmaking van bepaalde documenten met betrekking tot de bevorderingsprocedure pas ná het verstrijken van de beroepstermijn heeft beantwoord, doet aan deze conclusie geen afbreuk. Een dergelijk antwoord doet immers geen nieuwe beroepstermijn ingaan. IX-4772-8/22 V. Ontvankelijkheid van het beroep Eerste exceptie van de verwerende partij Standpunt van de partijen
  26. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, waarin zij stelt dat niet voldaan is aan het vereiste van een voldoende samenhang tussen de bestreden bevorderingen opdat ze met één en hetzelfde verzoekschrift zouden kunnen worden bestreden. De verwerende partij betoogt dat het gaat om tien bevorderingen die van elkaar onderscheiden zijn en geen enkele samenhang vertonen. Volgens de verwerende partij zou het beroep enkel ontvankelijk kunnen zijn voor zover het gericht is tegen het besluit dat betrekking heeft op de bevordering waarnaar de voorkeur van de verzoeker uitging, met name de bevordering van Joseph Gillard tot adviseur bij de directie-generaal Consulaire Zaken - dienst Visa. De overige bestreden besluiten diende de verzoeker met afzonderlijke verzoekschriften aan te vechten.
  27. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de tien bestreden besluiten innig met elkaar verweven zijn, vermits ze het resultaat zijn van één en dezelfde bevorderingsprocedure, waarbij de verschillende kandidaturen niet enkel op hun intrinsieke kwaliteiten werden beoordeeld, maar ook ten opzichte van elkaar werden afgewogen. De samenhang tussen de bestreden besluiten blijkt ook uit de omstandigheid dat de bevorderingsprocedure is aangevangen met één dienstorder en haar beslag kreeg door elf afzonderlijke bevorderingsbesluiten die op dezelfde dag werden ondertekend en “en bloc” werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het gegeven dat de verzoeker voor één vacature niet in aanmerking kwam, sluit de IX-4772-9/22 “eenheid van opzet” bij de totstandkoming van de tien bestreden besluiten helemaal niet uit. De verzoeker wijst erop dat de aangevoerde middelen en grieven bovendien betrokken kunnen worden op elk van de tien bestreden besluiten. De motieven die zullen toelaten te concluderen tot de vernietiging van één enkel bevorderingsbesluit, zijn volgens de verzoeker ipso facto toepasselijk op de negen andere bestreden besluiten.
  28. De verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat de exceptie betreffende de samenhang dient te worden beoordeeld aan de hand van het criterium volgens hetwelk de goede rechtsbedeling moet worden gediend door de gezamenlijke behandeling van de verschillende vorderingen. Dit criterium wordt volgens de verwerende partij doorgaans getoetst in het licht van de vraag of er een risico op tegenstrijdige uitspraken bestaat. De verwerende partij volhardt in haar standpunt dat er te dezen geen grond is om de bestreden besluiten met één en hetzelfde verzoekschrift te bestrijden. Beoordeling
  29. Verscheidene vorderingen kunnen slechts ontvankelijk als één enkele rechtszaak aanhangig worden gemaakt, indien de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien de vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot één vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van een andere. Wanneer verscheidene bevorderingsbesluiten met één en hetzelfde verzoekschrift worden bestreden is er slechts voldoende samenhang tussen die bevorderingen indien deze gebeurd zijn op basis van eenzelfde bevorderingsprocedure of indien de procedures volledig gelijktijdig verlopen zijn IX-4772-10/22 en het onderzoek van de beroepen geen afzonderlijke behandeling noch afzonderlijke debatten vereist.
  30. Te dezen vordert de verzoeker de vernietiging van tien koninklijke besluiten waarbij telkens een bevordering tot de graad van adviseur wordt toegekend en waarvoor de verzoeker telkens zijn kandidatuur heeft gesteld. Uit het administratief dossier blijkt dat de betrekkingen van adviseur waarvan de toekenningen naderhand door de verzoeker zijn aangevochten, met een enig dienstorder nr. 04/05 van 24 maart 2004 vacant zijn verklaard. Bij datzelfde dienstorder is een taakomschrijving van elk van die betrekkingen gevoegd. Blijkens het verslag van de vergadering van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 30 april 2004 zijn alle kandidaten eerst beoordeeld op basis van algemene criteria voor de functie van adviseur. Vervolgens heeft het directiecomité voor elke te begeven betrekking de kandidaten met elkaar vergeleken. Per betrekking is ten slotte tot stemming overgegaan. Alle gegadigden hebben met een schrijven van 20 juli 2004 kennis gekregen van de volledige uitslag van de stemmingen en van de notulen van het directiecomité die betrekking hebben op de voormelde bevorderingsronde. Acht gegadigden, waaronder de verzoeker, hebben bezwaar aangetekend tegen hun evaluatie door het directiecomité. Die bezwaren zijn gezamenlijk onderzocht tijdens een vergadering van 10 september 2004, waarna IX-4772-11/22 het directiecomité de rangschikkingen opgemaakt op 30 april 2004 integraal heeft bevestigd. Uit wat voorafgaat blijkt dat de procedures die geleid hebben tot de bestreden bevorderingen gelijktijdig zijn verlopen, en dit zowel wat betreft de vacantverklaring, het onderzoek van de kandidaturen en van de bezwaarschriften, als wat betreft de bevorderingsvoorstellen en de bevorderingsbesluiten. Het gaat derhalve niet om los van elkaar staande bevorderingsprocedures, doch om procedures die elkaar in sterke mate hebben beïnvloed, ook voor het bepalen van de taalrol waaraan de betrekking moest worden toegewezen en dus ook voor de uiteindelijke keuze van de benoemden. Er bestaat bijgevolg een voldoende samenhang tussen alle door de verzoeker bestreden koninklijke besluiten.
  31. De exceptie wordt verworpen. Tweede exceptie van de verwerende partij Standpunt van de verwerende partij
  32. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, voor zover het gericht is tegen de bevordering van Joseph Gillard. Zij wijst erop dat de verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep tegen deze bevordering, aangezien een eventuele vernietiging hem, gelet op het taalevenwicht, geen rechtsherstel kan bieden. De desbetreffende betrekking zou, in het geval van een vernietiging, immers aan een kandidaat van de Franse taalrol moeten worden toegewezen. IX-4772-12/22 Beoordeling
  33. Een verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging van een bevordering die werd verleend aan een ambtenaar van de andere taalrol, indien die bevordering ingevolge de bezetting van de taalkaders diende toe te komen aan een ambtenaar van de andere taalrol dan die van de verzoeker.
  34. Ter beoordeling van de exceptie dient te worden uitgegaan van de volgende bepalingen en beginselen. Volgens artikel 43, § 2, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 (hierna: de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurs- zaken), in de versie die gold op het ogenblik van de bestreden besluiten, worden de ambtenaren met een graad van de rang 13 of hoger of met een graad die gelijkwaardig is, verdeeld over drie kaders: een Nederlands, een Frans en een tweetalig. Artikel 43, § 3, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken luidde op het ogenblik dat de bestreden besluiten werden genomen als volgt: “De Koning bepaalt, voor de duur van ten hoogste zes jaar, die kan worden verlengd zo geen wijziging optreedt, voor iedere centrale dienst, het percentage betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen met inachtneming, op alle trappen van de hiërarchie, van het wezenlijk belang dat de Nederlandse en de Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigen. Nochtans, voor de graden van rang 13 en hoger en de graden die gelijkwaardig zijn, worden de betrekkingen, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke percentages verdeeld tussen de twee kaders. Het tweetalig kader omvat 20 % van de betrekkingen van de graden van rang 13 en hoger en van de graden die gelijkwaardig zijn. Die betrekkingen worden, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld tussen de twee taalrollen.” IX-4772-13/22 Hieruit volgt dat de benoemende overheid verplicht is om bij voorrang te benoemen in het taalkader waarvan het aantal effectief ingenomen betrekkingen het verst verwijderd is van het wettelijk vastgestelde aantal betrekkingen. Bij een bevordering binnen de tweede trap van de hiërarchie dient zij bijgevolg een gelijke verhouding tussen beide taalrollen na te streven, en dit zowel tussen de eentalige kaders onderling als binnen het tweetalige kader; slechts wanneer aan dat vereiste is voldaan, heeft de overheid de vrije keuze tussen kandidaten van verschillende taalrollen.
  35. Te dezen blijkt niet te worden betwist dat bij de bestreden bevorderingen de verhouding tussen de taalrollen globaal werd gerespecteerd. Bij de oproep tot de kandidaten is evenwel niet gespecificeerd voor welke taalrol een welbepaalde bevordering zou gelden. De omstandigheid alleen reeds dat kandidaten van de verschillende taalrollen kandidaat waren voor de verschillende functies, en dat bijvoorbeeld de verzoeker kandidaat was voor alle functies, leidt tot de vaststelling dat ook een kandidaat van de Nederlandse taalrol had kunnen worden bevorderd in de functies waarin Joseph Gillard, die inmiddels is overleden (zie hierna nr. 20 e.v.) maar ook de andere Franstalige ambtenaren zijn bevorderd.
  36. De exceptie wordt verworpen. Ambtshalve onderzoek van de ontvankelijkheid
  37. Met een brief van 12 januari 2010 heeft de staatsraad- verslaggever bij de partijen geïnformeerd naar nieuwe gegevens, sedert de indiening van de laatste memories, die een weerslag zouden kunnen hebben op de verdere behandeling van de zaak.
  38. Met een brief van 26 januari 2010 heeft de verwerende partij geantwoord dat Frank Van Thournout inmiddels gepensioneerd is, dat Jean-Louis IX-4772-14/22 de Gerlache de Gomery werd bevorderd tot adviseur-generaal A41, bevordering die eveneens door de verzoeker wordt bestreden met een annulatieberoep, en dat Joseph Gillard is overleden.
  39. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. De voornaamste betrachting van iemand die, zoals de verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt benoemd, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open wordt verklaard en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens benoeming nietig is verklaard, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen.
  40. Te dezen blijkt dat Frank Van Thournout bij koninklijk besluit van 14 juli 2006 eervol ontslag werd verleend uit zijn functie van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ertoe werd gemachtigd om zijn aanspraak op het definitief vroegtijdig pensioen te doen gelden met ingang van 1 juni
  41. De heer Joseph Gillard is inmiddels overleden. Aldus blijkt dat deze door de verzoeker geambieerde betrekkingen opnieuw vacant zijn geworden. Een nietigverklaring van de besluiten waarbij beide genoemde kandidaten tot adviseur werden bevorderd, is dan ook niet langer noodzakelijk opdat de verzoeker zich voor de desbetreffende betrekkingen kandidaat zou kunnen stellen. IX-4772-15/22 Hieruit volgt dat het materieel belang, dat de verzoeker onmiskenbaar had bij het instellen van een annulatieberoep tegen de bevorderingsbesluiten van Frank Van Thournout en Joseph Gillard, in de loop van het geding is teloorgegaan. De verzoeker voert voorts geen omstandigheden aan die zouden doen blijken dat hij op andere gronden een belang, in het bijzonder een moreel belang, bij de vernietiging van die besluiten heeft behouden.
  42. Wat de bevordering van Jean-Louis de Gerlache de Gomery tot adviseur betreft, dient te worden opgemerkt dat laatstgenoemde bij koninklijk besluit van 13 april 2008 weliswaar werd benoemd in de klasse A4 (weddenschaal A41), met de titel van adviseur-generaal, met ingang van 1 augustus 2007, doch dat de verzoeker deze bevordering heeft bestreden met een annulatieberoep bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het nummer A. 189.080/IX-
  43. Deze bevordering is derhalve niet definitief.
  44. Het beroep is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de bevordering van van Frank Van Thournout en Joseph Gillard tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. VI. Gegrondheid van het beroep Eerste middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen
  45. In een eerste onderdeel van zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 17 en 39 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. IX-4772-16/22 De verzoeker betoogt dat de behandeling van de administratieve dossiers van de personeelsleden krachtens de voormelde wetsbepalingen dient te gebeuren in de taal waarin de betrokken ambtenaar zijn aanwervingsexamen heeft afgelegd. Hij stelt te dezen vast dat de Nederlandstalige en Franstalige verslagen van de vergadering van het directiecomité van 10 september 2004 aan de minister van Buitenlandse Zaken werden voorgelegd met een ééntalige Franse nota. Deze nota is volgens hem nochtans geen loutere transmissienota, maar bevat oriënterende en beslissingsvoorbereidende toelichtingen ten behoeve van de minister met het oog op de aanwijzing van de te bevorderen kandidaten. De verzoeker besluit hieruit dat de nietigheid van deze nota op grond van artikel 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken moet worden vastgesteld. De minister kon aldus niet op een rechtsgeldige wijze door de administratie op de hoogte worden gebracht van de voorstellen van het directiecomité en kon ook geen rechtsgeldige beslissing nemen ten aanzien van de te bevorderen adjunct- adviseurs.
  46. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden besluiten slechts gesteund zijn op de gemotiveerde adviezen van het directiecomité van 30 april 2004 en 10 september 2004 en dat de transmissienota van 22 oktober 2004 dan ook geen document is dat op grond van artikel 17, § 1, B, 1°, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in de taal van de ambtenaar van de dienst moest worden opgesteld. Die nota bevat geen elementen die een invloed zouden kunnen hebben op de oordeelsvorming over de inhoudelijke kwaliteiten van de kandidaten. Uit artikel 39, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken blijkt volgens de verwerende partij overigens dat alleen onderrichtingen aan het personeel en formulieren en drukwerken voor de binnendienst in het Nederlands en in het Frans moeten worden gesteld. Er wordt daarentegen niet voorgeschreven in welke taal de hoogste ambtenaar van het IX-4772-17/22 ministerie de nota moet stellen die hij richt aan de minister in het kader van het overhandigen van documenten ter finalisering van een bevorderingsprocedure.
  47. De verzoeker repliceert dat de bestreden besluiten gebaseerd zijn op de nota van 22 oktober 2004, die inhoudelijke informatie bevat waarmee de minister rekening diende te houden bij het nastreven van het wettelijk voorgeschreven taalevenwicht. Deze nota is volgens de verzoeker een voorbereidende bestuurshandeling die beoogt juridische gevolgen teweeg te brengen en die dan ook niet louter als een transmissienota kan worden beschouwd. De voormelde nota valt derhalve onder de toepassing van de bepalingen van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurs- zaken, die vereisen dat een administratief dossier wordt behandeld in de taal van de taalrol van de betrokken ambtenaar. De verzoeker besluit dat de nota in de beide landstalen aan de bevoegde minister had moeten worden overgemaakt. De verzoeker laat voorts nog gelden dat zijn taalkennis en de taalkennis van de minister te dezen niet relevant zijn, aangezien enkel dient te worden gekeken naar de taal waarin de rechtshandeling en de daarop betrekking hebbende documenten rechtens moeten worden opgemaakt.
  48. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie, onder verwijzing naar het arrest nr. 66.117 van 30 april 1997 van de Raad van State, luidens hetwelk de nietigheidssanctie zich (slechts) opdringt wanneer de begane onwettigheid geacht moet worden het genomen besluit inhoudelijk te hebben beïnvloed, dat de enige beslissing waarop de bedoelde nota een inhoudelijke invloed kan hebben gehad, de beslissing is geweest over het aantal te benoemen Nederlandstalige en Franstalige kandidaten. Buiten die berekening kon de “transmissienota” volgens de verwerende partij geen invloed hebben op de keuze van de te benoemen personen. De berekening gebeurde bovendien “op basis van een tabel die enkel namen bevat en opgedeeld is in tabellen”, en die gegevens zijn “dus niet in een ‘taal’ opgesteld (noch Nederlands, noch Frans)”. IX-4772-18/22 Beoordeling
  49. Uit artikel 39, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat onder meer verwijst naar artikel 17, § 1, B, 1°, van die wetten, vloeit voort dat in de centrale besturen in een aangelegenheid die betrekking heeft op een ambtenaar van een dergelijk bestuur, alle stukken, minstens alle essentiële stukken, van de procedure volledig, en zonder een beroep te doen op vertalers, moeten worden gesteld in de taal van de betrokkene. Indien, zoals in het voorliggende geval, de procedure leidt tot de bevordering van zowel Nederlandstalige als Franstalige ambtenaren, moet de procedure worden gevoerd in de twee talen. Indien een stuk evenwel niets anders inhoudt dan het louter overmaken van het dossier van de bevorderingsprocedure en het geen inhoudelijke informatie betreffende de procedure bevat, kan het zowel in het Nederlands als in het Frans worden gesteld, omdat het als zodanig geen essentieel onderdeel van de procedure is.
  50. Met zijn uitsluitend in het Frans gestelde nota van 22 oktober 2004 doet de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de minister van Buitenlandse Zaken een proces- verbaal van de vergadering van het directiecomité van 10 september 2004 toekomen dat in de beide landstalen is gesteld. Volgens dat proces-verbaal worden de op 30 april 2004 gemaakte rangschikkingen voor de bevorderingen tot adviseur bevestigd. In de voormelde nota wordt onder meer de situatie met betrekking tot de tweede trap van de hiërarchie weergegeven. In bijlage wordt een overzicht gegeven van de bezetting van de taalkaders voordat de bestreden bevorderingen zouden plaatsvinden en nadat deze zouden hebben plaatsgevonden. De conclusie daarvan is dat vijf betrekkingen moeten worden IX-4772-19/22 toegewezen aan het Franse taalkader en zes aan het Nederlandse taalkader. Aldus bevat de nota essentiële informatie, namelijk de toestand van de bezetting van het taalkader en daaruit afgeleid het aantal betrekkingen dat in elke taalrol kan worden toegekend. De verwerende partij erkent in haar laatste memorie dat de nota van de voorzitter van het directiecomité van 22 oktober 2004 een inhoudelijke invloed kan hebben gehad op het bepalen van het aantal betrekkingen waarvoor respectievelijk Nederlandstaligen en Franstaligen konden worden benoemd. De Raad van State stelt vast dat het administratief dossier geen enkel ander stuk bevat waaruit de precieze situatie inzake de actuele bezetting van de taalkaders blijkt. De nota van de voorzitter van het directiecomité van 22 oktober 2004 blijkt aldus méér te zijn dan een louter formeel schrijven waarmee het dossier van de bevorderingsprocedure aan de minister wordt overgemaakt. In de nota wordt integendeel een beschrijving gegeven van de feitelijke toestand op taalgebied, en uit die beschrijving wordt, ten behoeve van de minister, een duidelijke conclusie getrokken met betrekking tot de bevorderingen. Anders dan de verwerende partij aanvoert, bevat de nota overigens niet enkel namen en cijfers. Gelet op de inhoud van de nota, moet deze geacht worden het geheel van de bevorderingen inhoudelijk te hebben beïnvloed. Nu de bedoelde nota uitsluitend in het Frans is gesteld, terwijl voor de betrokken bevorderingen zowel Nederlandstalige als Franstalige ambtenaren kandidaat waren, is artikel 39, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gelezen in samenhang met artikel 17, § 1, B, 1°, van die wetten, geschonden.
  51. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. IX-4772-20/22 BESLISSING
  52. De Raad van State vernietigt de koninklijke besluiten van 27 oktober 2004 waarbij Renata Vandeputte, Joost Boudry, Frank De Wispelaere, Luc Timmermans en Theo Van Moer, in het Nederlandse taalkader, en Edgard d’Adesky, Jean-Louis de Gerlache de Gomery en Michel Kovalovszky, in het Franse taalkader, bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, met ingang van 1 oktober 2004 worden bevorderd tot de graad van adviseur. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
  53. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
  54. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-4772-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4772-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.