← België

Arrest 209279 - Rechten, plichten en onverenigbaarheden - 29/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.279 Rolnummer: A. 188211/IX-5919 Zaak: Arrest 209279 - Rechten, plichten en onverenigbaarheden - 29/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:27 Fiche Arrest nr 209.279 van 29 november 2010 Openbaar ambt - Rechten, plichten en onverenigbaarheden Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.279 van 29 november 2010 in de zaak A. 188.211/IX-5919 In zake : Daniëlle PÉTRÉ wonend te Hannut Rue du Chemin de Fer 1 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 maart 2008 van de directeur Personeel en Organisatie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie houdende weigering tot uitbetaling van de competentiepremie voor het jaar 2007 aan Daniëlle Pétré. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-5919-1/13 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. De verzoekster en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster is vast benoemd ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, waar zij tewerkgesteld is in de graad van ICT-deskundige onder de weddenschaal BI
  6. 3.
  7. In april 2004 neemt de verzoekster deel aan de competentiemeting
  8. Zij slaagt en er wordt haar, bij beslissing van 3 september 2004 jaarlijks op 1 september een competentietoelage van 2.500 euro toegekend. Op grond van artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel IX-5919-2/13 (hierna: het koninklijk besluit van 7 augustus 1939), zoals toegevoegd bij artikel 70, 3°, van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen, heeft voornoemde competentiemeting een geldigheidsduur van 3 jaar. Op grond van deze bepaling verstrijkt de geldigheidsduur van deze competentiemeting aldus op 31 augustus
  9. Voormeld artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 is gewijzigd door artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 houdende diverse maatregelen inzake de loopbaan van het Rijkspersoneel van de niveaus A, B, C en D (hierna: het koninklijk besluit van 22 november 2006), krachtens hetwelk de geldigheidsduur voor een competentiemeting voor de graad van ICT-deskundige op 6 jaar wordt gebracht. Dit artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 is in werking getreden op 1 januari
  10. Luidens het eerste lid van artikel 20 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan (hierna: het koninklijk besluit van 7 juni 2007) wordt de geldigheidsduur van de competentiemeting waarin de personeelsleden die geslaagd zijn vóór 1 januari 2007, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, op 6 jaar gebracht voor de ICT-deskundigen. Het derde lid van dit artikel 20 bepaalt echter dat het eerste lid niet van toepassing is op de bevorderingen door verhoging in weddenschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot
  11. 3.
  12. Met een schrijven van 6 november 2007, gericht aan de directeur Personeel en Organisatie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, wordt door een aantal ICT-deskundigen gewezen op de uitbetaling van voornoemde competentiepremie aan 7 personen binnen de FOD Economie en op de niet-betaling ervan aan 11 andere collega’s, die zich in identieke loopbaanomstandigheden bevinden. Er wordt tevens verwezen naar de vergaderingen die zijn gehouden naar aanleiding van vragen die hieromtrent zijn IX-5919-3/13 gesteld. Tijdens deze vergaderingen werd verduidelijkt dat de betreffende personen geen recht hebben op de uitbetaling van de competentiepremie en dat een regeling zou worden getroffen in verband met de terugbetaling door de zeven personen die de premie wel ontvangen hebben. In deze brief stellen de betrokken ICT-deskundigen onder meer het volgende met betrekking tot de lezing van het koninklijk besluit van 7 juni 2007: “Wij herhalen nogmaals: de bepalingen van artikel 20 brengen -buiten elke discussie en buiten elke benodigde interpretatie- de geldigheidsduur van de door ons afgelegde competentiemeting (destijds volgnummer 5) van 3 naar 6 jaren. Dit is een middels de tekst van het KB vaststaand verworven voordeel voor de

(18)personen die hier betrokken zijn. Wij vragen dat de in de tekst van het KB bepaalde en door ons verworven verlenging van 3 tot 6 jaren onverkort toegepast wordt en blijft. Eigenlijk is dit een vraag dewelke, normaal gezien, door ons niet dient gesteld te worden. Het is immers de logica zelf dat de overheid -onverkort en ongewijzigd- de teksten toepast die ze zelf opgesteld heeft. Wij stellen vast dat -door het (tot op heden...) nog niet uitbetalen van de verschuldigde competentiepremie (aan de betrokken 11 personen) op manifeste wijze de wet geschonden wordt. Wij stellen zeer nadrukkelijk: de tekst van art. 20, 1e lid gelezen in samenhang met art. 20, 3e lid (en dit art. 20, 3e lid wordt dan op zijn beurt gelezen in samenhang met de bepalingen in artikel 22, waarbij het glashelder is dat daar in ons geval geen sprake is van een effectieve bevordering door verhoging in weddenschaal) dient onverkort gerespecteerd en uitgevoerd te worden: de betrokken
(11)personen dienen zo spoedig mogelijk de hen verschuldigde competentiepremie te ontvangen.” 3.
  1. Op 19 november 2007 vindt een vergadering plaats, waarin de problematiek wordt besproken van de verlenging van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 voor de ICT-deskundigen die geslaagd zijn vóór 1 januari 2007 en aldus de verdere uitbetaling van de daaraan verbonden competentietoelage. Tijdens deze vergadering wordt verduidelijkt dat voor deze ICT-deskundigen de geldigheidstermijn van de competentiemeting niet verlengd wordt tot 6 jaar op grond van artikel 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit IX-5919-4/13 van 7 juni 2007, dat de geldigheidstermijn aldus verstreek op 31 augustus 2006 en dat in afwachting dat de betrokkenen opnieuw aan een gecertificeerde opleiding kunnen deelnemen, er geen premie voor competentieontwikkeling kan worden uitbetaald. De ICT-deskundigen betwisten tijdens de vergadering dat standpunt omwille van de redactie van artikel 20, derde lid, van hetzelfde besluit, dat bepaalt dat de verlenging van de geldigheidstermijn tot 6 jaar niet van toepassing is op de bevorderingen door verhoging in weddenschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot
  2. De voorzitter van de FOD Personeel en Organisatie stelt vervolgens dat de reglementering door de Stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Economie correct werd toegepast, zodat de geldigheidstermijn voor de betrokkenen niet wordt verlengd. 3.
  3. Met een brief van 3 januari 2008 stelt de verzoekster de verwerende partij in gebreke wegens het nog niet betalen van de competentiepremie van het jaar
  4. Zij verwijst naar de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 en stelt geslaagd te zijn voor de competentiemeting 5 vóór 1 januari 2007 en geen bevordering door verhoging in weddenschaal te hebben verkregen ten gevolge van de bepalingen van voornoemd koninklijk besluit. 3.
  5. Met een aangetekende brief van 18 maart 2008 deelt de directeur Personeel en Organisatie aan de verzoekster mee geen gunstig gevolg te kunnen verlenen aan haar verzoek om betaling van de competentiepremie. Deze beslissing, die het voorwerp van het onderhavig beroep uitmaakt, luidt als volgt: “Ik heb kennis genomen van uw brief van 4 januari 2008, waarin u verzoekt om de betaling van een competentiepremie. Momenteel is het niet mogelijk een gunstig gevolg te verlenen aan uw verzoek. IX-5919-5/13 Zoals reeds werd gemeld tijdens de vergaderingen georganiseerd op 5 oktober en 19 november 2007, kunnen de bepalingen van het artikel 20 lid 3 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan niet worden toegepast. De geldigheid van de laatste competentiemeting waarvoor u geslaagd bent (GO5) dekt de periode van 1 september 2003 tot 31 augustus
  6. De verlenging van de betaling hangt dan ook af van het slagen voor de volgende competentiemeting waarvoor u ingeschreven bent. Immers, artikel 22, §4, alinea 3, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 bepaalt: ‘De ICT-deskundige die vóór 1 januari 2007 geslaagd was voor de competentiemeting 5, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, kan, op het einde van de geldigheidsduur van die competentiemeting, aan de competentiemeting 3 deelnemen’. Overeenkomstig de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan beroep worden ingediend binnen de zestig dagen na deze bekendmaking. Het verzoekschrift hiertoe dient bij ter post aangetekende brief aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel te worden toegezonden.” IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
  7. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat de Raad van State te dezen niet bevoegd is omdat het beroep de terugvordering van een door de verzoekster ten onrechte ontvangen premie als werkelijk en rechtstreeks voorwerp heeft. De toepasselijke reglementering bepaalt evenwel op een zeer precieze wijze wie recht heeft op de competentiepremie en de overheid beschikt ter zake over geen enkele discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid van de overheid is met andere woorden volledig gebonden zodat het beroep een subjectief recht als voorwerp heeft. Enkel de rechterlijke macht -en dus niet de Raad van State- is bevoegd om over het bestaan en de omvang van een dergelijk subjectief recht te beslissen. Zij wijst er voorts op dat de verzoekster op de hoogte is dat de bestreden beslissing past in een volledig gebonden bevoegdheid, daar zij in haar verzoekschrift zelf stelt dat “het veranderen van IX-5919-6/13 woorden in een wettekst [...] door andere woorden [...] niet geoorloofd [is]”. De verzoekster gaat er aldus zelf van uit dat de verwerende partij niet op een onrechtmatige wijze een beslissing heeft genomen, maar de bestaande reglementering verkeerd heeft geïnterpreteerd.
  8. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord in hoofdorde dat er te dezen geen sprake is van een terugvordering van een premie, aangezien zij de bewuste premie niet ontvangen heeft en stelt dat de verwerende partij verkeerdelijk een exceptie uit een andere zaak heeft overgenomen, waardoor haar redenering over de bevoegdheid van de Raad van State in de voorliggende zaak gevitieerd is en zonder voorwerp wordt. In ondergeschikte orde stelt zij dat de overheid haar gebonden bevoegdheid heeft geschonden door de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 niet toe te passen. De overheid heeft namelijk de tekst van dit koninklijk besluit middels een ontoelaatbare kunstgreep veranderd en heeft zichzelf aldus een discretionaire bevoegdheid aangemeten, terwijl zij enkel een gebonden bevoegdheid heeft. Het gaat dan ook niet om een louter declaratieve beslissing waarbij de overheid de geldende rechtsregels zou toepassen. Dat de verzoekster niet zou voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de premie is volgens haar een loutere bewering, die geenszins kan bewezen worden. De verzoekster stelt voorts dat te dezen geen sprake is of kan zijn van het “interpreteren” van de betreffende reglementering. In zoverre zij in haar verzoekschrift “het veranderen van woorden in een wettekst door andere woorden” aanhaalt, dient dit te worden gelezen als het bewust verwisselen door de verwerende partij van de terminologie “bevorderingen door verhoging in weddenschaal” door “uitzonderingen”. De verzoekster stelt dat de verwerende partij de vervormende interpretatie aanwendt om de tekst van het koninklijk besluit met opzet te veranderen. Hoewel zij in de bijlage 3 van haar verzoekschrift het IX-5919-7/13 door de verwerende partij zelf geïntroduceerde woord “interpreteren” gebruikt, wordt telkens duidelijk gesteld dat hier geen sprake is of kan zijn van interpretatie in de enige en gewone betekenis van het woord. De “interpretatie” is, zo benadrukt de verzoekster, een totaal ongeoorloofde kunstgreep om de precieze terminologie van het koninklijk besluit te negeren en te substitueren, wat heeft geleid tot de bestreden beslissing. De verzoekster wijst ten slotte op de incoherente houding van de verwerende partij aangaande de niet-uitbetaling van de competentiepremie voor de ICT-deskundigen. De brieven van 18 maart 2008, waarin voor de ICT-deskundigen wordt beslist geen verlenging toe te staan van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5, vermelden dat artikel 20, derde lid, niet van toepassing zou zijn, terwijl volgens de verzoekster onmiskenbaar alleen artikel 20, eerste lid, kan zijn bedoeld. In deze brieven wordt voorts vermeld dat beroep kan worden aangetekend bij de Raad van State, terwijl de verwerende partij in haar memorie van antwoord net beweert dat de Raad van State niet bevoegd zou zijn.
  9. De verzoekster volhardt in haar laatste memorie dat de verwerende partij middels het toepassen van ontoelaatbare kunstgrepen de tekst van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 woordelijk heeft gewijzigd teneinde tot een inhoudelijke verandering van de bepalingen daarvan te komen en voegt in dat verband aan haar laatste memorie een transcriptie van de tekst toe die door een medewerkster van de dienst Personeel en Organisatie van de FOD Economie voorgelezen werd bij het begin van de vergadering van 19 november 2007 waaruit blijkt dat de verwerende partij bewust “bevorderingen door verhoging in weddeschaal” omgewisseld heeft met “uitzonderingen” om vervolgens deze aangepaste tekst toe te passen en tot de bestreden beslissing te komen. Zulks maakt, zo stelt de verzoekster, een objectieve schending van de wet uit, die geresulteerd heeft in een beslissing die een ongunstige weerslag heeft op haar loopbaan. Het werkelijk voorwerp van haar beroep bestaat er dan ook in de beslissing van 18 maart 2008 vernietigd te zien omdat deze beslissing tot stand IX-5919-8/13 gekomen is, doordat in de wettekst wijzigingen zijn aangebracht, alvorens deze in haar concreet geval werd toegepast. Voorts wijst de verzoekster op het arrest nr. 196.211 van 21 september 2009 inzake Vergoosen. Zij stelt dat in deze zaak, die volgens haar meerdere gelijkenissen vertoont met onderhavige zaak, toch werd besloten tot de ontvankelijkheid. De verzoekster beaamt dat het in de verdere afhandeling van de beslissing van 18 maart 2008 in haar geval ook ten dele om een subjectief recht gaat maar dat de beslissing, naast geldelijke gevolgen, ook rechtstreekse gevolgen heeft op het verloop van haar loopbaan. Ten slotte wijst de verzoekster op een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 23 maart 2010 waarbij voor recht gezegd wordt dat een aantal van haar collega’s, waarvan aan sommigen de competentiepremie voor het jaar 2007 geweigerd is en aan sommigen de competentiepremie voor dat jaar weliswaar is uitbetaald maar werd teruggevorderd, gerechtigd zijn op de competentiepremie voor het jaar
  10. In dit vonnis wordt overwogen dat “er geen sprake is van een verhoging in weddenschaal” en dat de “eisende partijen bijgevolg [vallen] onder art. 20 eerste lid [van het] koninklijk besluit van 7 juni 2007”. Het vonnis heeft evenwel nog geen kracht van gewijsde, zodat de verzoekster een verderzetting van de onderhavige zaak voor de Raad van State noodzakelijk acht. Zij wijst er ook op dat een arrest van de Raad van State erga omnes geldt zodat een uitspraak ten goede komt aan de rechtszekerheid van haar en een aantal van haar collega’s. Beoordeling
  11. De verzoekster betoogt terecht dat er te dezen in de memorie van antwoord verkeerdelijk sprake is van de terugvordering van de competentiepremie die zij ten onrechte zou hebben ontvangen. Dit belet evenwel niet dat de bevoegdheid van de Raad van State in deze zaak -die betrekking heeft op het al dan niet uitbetaald krijgen van de competentietoelage tengevolge van de al dan niet IX-5919-9/13 verlenging van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5- onderzocht moet worden aangezien de bevoegdheid van de Raad van State de openbare orde raakt en ambtshalve moet worden onderzocht.
  12. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep gericht is op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Of het voorwerp van een beroep bij de Raad van State al dan niet een geschil over een subjectief recht betreft, hangt niet af van de wijze waarop het voorwerp van het beroep in het verzoekschrift formeel wordt omschreven, doch wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring. De Raad van State dient het werkelijke voorwerp van het beroep te interpreteren. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoeker zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoeker belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is.
  13. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep bestaat niet in het zien vernietigen door de Raad van State van een akte van een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten IX-5919-10/13 op de Raad van State, doch in het doen verklaren door de Raad van State dat de verzoekster recht heeft op de verlenging van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 -en aldus op de uitbetaling van de hieraan verbonden competentietoelage- omdat de verwerende partij, die dat recht weigert te erkennen, aan de algemene regeling op een niet-toegelaten wijze een andere inhoud geeft. De vraag of de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 voor de ICT-deskundigen die hiervoor vóór 1 januari 2007 geslaagd waren wel of niet dient te worden verlengd -en de daaraan verbonden wel of niet uitbetaling van de competentietoelage- vloeit rechtstreeks voort uit artikel 20, eerste en derde lid, juncto artikel 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni
  14. Artikel 20, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 bepaalt: “De geldigheidsduur van de competentiemeting waarin de personeelsleden geslaagd zijn voor 1 januari 2007, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, wordt op 6 jaar gebracht voor de ICT-deskundigen (...) (...) Het eerste lid is niet van toepassing op de bevorderingen door verhoging in weddenschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot 4.” Artikel 22, §4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 luidt: “De ICT-deskundige die vóór 1 januari 2007 geslaagd was voor de competentiemeting 5, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, kan, op het einde van de geldigheidsduur van die competentiemeting, aan de competentiemeting 3 deelnemen”. Het bestuur kan derhalve enkel in een declaratieve beslissing de algemene regel, zoals vervat in voornoemde artikelen, op individuele situaties toepassen. Dit is wat in casu is gebeurd. Door met de thans aangevochten beslissing van 18 maart 2008 aan de verzoekster de uitbetaling van de IX-5919-11/13 competentietoelage te weigeren, doet de verwerende partij niets anders dan het louter toepassen van de artikelen 20, eerste en derde lid, en 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni
  15. De vraag of de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 al dan niet diende te worden verlengd (en de competentietoelage aldus wel of niet diende te worden betaald) betreft dan ook een probleem van interpretatie van deze regeling. Zelfs zo de verwerende partij de betreffende regelgeving te dezen verkeerdelijk zou hebben toegepast of geïnterpreteerd, betekent dit niet dat zij ter zake over enige discretionaire bevoegdheid zou beschikken. De verwerende partij heeft integendeel door te beslissen de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 niet te verlengen louter en alleen op grond van haar gebonden bevoegdheid de voornoemde artikelen toegepast. Zo de verzoekster in haar memorie van wederantwoord en haar laatste memorie stelt dat de verwerende partij zich ten onrechte een discretionaire bevoegdheid heeft aangemeten door de terminologie van de duidelijke tekst van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 te veranderen, dient te worden opgemerkt dat zij zich in wezen beklaagt over een naar haar oordeel verkeerde toepassing of interpretatie van de betreffende regelgeving door de verwerende partij. De verzoekster kan aan de justitiële rechter vragen om uitspraak te doen over de verschillende interpretatie die zij en de verwerende partij geven aan deze regelgeving. De Raad van State is derhalve niet bevoegd om van dergelijk geschil, dat aldus betrekking heeft op een subjectief recht, kennis te nemen.
  16. De verwijzing door de verzoekster naar het arrest van de Raad van State, nr. 196.211 van 21 september 2009, inzake Vergoosen, is niet dienstig. In dit arrest, dat teruggaat op het arrest nr. 192.199 van 2 april 2009 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak inzake Trappeniers, is, in tegenstelling tot wat te dezen het geval is, immers duidelijk sprake van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid in hoofde van de beslissende overheid. IX-5919-12/13
  17. De Raad van State is niet bevoegd en de exceptie van de verwerende partij is gegrond. V. Kosten
  18. Bij de kennisgeving van de bestreden beslissing is aan de verzoekster medegedeeld dat zij beroep bij de Raad van State kan indienen. In die omstandigheid past het de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5919-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.