id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.289 Rolnummer: A. 186573/X-13599 Zaak: Arrest 209289 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Arrest nr 209.289 van 29 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.289 van 29 november 2010 in de zaak A. 186.573/X-13.
- In zake :
- Rosa MOONS
- Guy TRUYERS beiden in hun hoedanigheid van leden van de feitelijke vereniging MOONS-TRUYERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2007 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende, eensdeels, de verwerping van het beroep van de feitelijke vereniging Moons-Truyers tegen het besluit van 9 juli 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Halen waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo te Halen, Broekstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 39/a, 38/n en 38/p, en anderdeels, de weigering tot afgifte van de voormelde vergunning. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.599-1/19 Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verzoekende partijen, en Inge Willems, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partijen baten aan de Berkenstraat nr. 38 te Halen een gemengd landbouwbedrijf uit. In hun verzoekschrift betogen de verzoekende partijen dat zij hun bedrijf willen uitbreiden met een nieuwe rundveestal, maar omdat het bestaande bedrijf gelegen is in de omgeving van een gebied waarvoor een verkavelingsvergunning werd afgeleverd, willen zij de uitbreiding elders doorvoeren. De tweede verzoeker heeft een terrein grond kunnen kopen gelegen aan de Broekstraat te Halen, kadastraal bekend sectie B, nrs. 39/a, 38/n en 38/p. Het is op dit terrein dat de voorliggende zaak betrekking heeft. X-13.599-2/19
- Voor het bouwen van de nieuwe rundveestal is een ontbossing nodig. Voorafgaandelijk aan het indienen van hun aanvraag voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning verkrijgen de verzoekende partijen op 31 juli 2006 vanwege de Vlaamse minister bevoegd voor Natuur een ontheffing van het verbod tot ontbossing.
- Op 14 december 2006 dient de feitelijke vereniging Moons-Truyers een aanvraag in voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het optrekken van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo op het voornoemde terrein aan de Broekstraat te Halen. De aanvraag heeft ook betrekking op het ontbossen van het perceel nr. 38/p. Bij de aanvraag wordt als compensatievoorstel een uittreksel van het inplantingsplan gevoegd waarop bij een groenstrook rechts van de aangevraagde rundveestal op het perceel nr. 38/n staat aangegeven “aanplanting (3673,32m²) ter compensatie ontbossing op perceel 38p (3514,00m²)”.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden tien bezwaarschriften ingediend.
- Op 19 februari 2007 beslist het agentschap Natuur en Bos het volgende: “... De aanvraag betreft het ontbossen, het bouwen van een rundveestal met bijhorende mestvaalt en het bouwen van een sleufsilo op percelen gelegen te Halen met kadastrale gegevens afdeling 3, sectie B, nr(s). 38N en 38P. De ontbossing wordt aangevraagd voor 3.514 m² naaldbos op het perceel nr 38P. Gezien dit perceel gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied diende een ontheffing van het verbod op ontbossing aangevraagd te worden. De minister verleende op 31 juli 2006 deze ontheffing van het verbod op ontbossing. De aanvrager voegde bij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning een voorstel tot compensatie. De aanleg van de groenbuffer op het perceel wordt als compenserende bebossing voorgesteld. Het Agentschap voor Natuur en Bos geeft ongunstig advies betreffende deze bebossing. De aanleg van deze groenbuffer kan niet aanvaard worden als ‘bebossing’ ter compensatie van een ontbossing. Het behoud van deze groenbuffer als bos, kan ook niet gegarandeerd worden op een actief agrarisch bedrijf. De aanvraag betreft niet alleen een ontbossing maar ook de bouw van een veebedrijf in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De X-13.599-3/19 percelen bevinden zich binnen de aankoopperimeter van het ENR ‘Vallei van de Zwarte Beek’. De gronden bevinden zich juist buiten de grenzen van het SBZV 23 (3.16) ‘De Demervallei’. Dit valleigebied met aangrenzende Diestiaanheuvels wordt gekenmerkt door een groot aantal broedvogelsoorten, waaronder Woudaapje (Ixobrychgus minutus), Roerdomp (Botaurus stellaris), Wespendief (Pernis apivorus), porseleinhoen (Porzana porzana), Ijsvogel (Alcedo atthis), Zwarte Specht (Dryocopus martius), Grauwe Klauwier (Lanius collurio), Blauwborst (Luscinia svecica). Belangrijke niet broedende soorten zijn o.a. Wilde Zwaan (Cygnus cygnu), Zwarte Stem (Chlydonias niger), Kraanvogel (Grus grus), Kemphaan (Philomachus pugnax). Het gebied is een belangrijk doortrek- en pleistergebied voor veel vogelsoorten. Het ligt op een afstand van 500 m van het SBZH13 ‘Demervallei’. Op basis hiervan concluderen wij dat de vestiging van dit veebedrijf in deze omgeving zeker een grote invloed en effecten zal hebben op zowel het vogelrichtlijn- als op het habitatrichtlijngebied en op de vallei van de Zwarte beek zelf. Op basis van de geleverde gegevens verwachten wij dat de ecologische draagkracht van deze gebieden negatief beïnvloed worden en bijgevolg geeft? het Agentschap voor Natuur en Bos ongunstig advies betreffende de vestiging van een rundveebedrijf. Er is zonder twijfel verder onderzoek en een passende beoordeling nodig. Het Agentschap voor Natuur en Bos geeft ongunstig advies betreffende hoger vermelde aanvraag gezien het voorstel tot compenserende bebossing niet aanvaard kan worden en er geen passende beoordeling van de significant negatieve effecten te verwachten bij de inplanting van het veebedrijf op de aangrenzende SBZ is gevoegd. Het is ons inzien ook raadzaam het dossier ter evaluatie aan de afdeling Milieuvergunningen voor te leggen om na te gaan of deze vergunning en de voorwaarden voldoen om op gemeentelijk niveau verleend te worden...”.
- Op 6 juli 2007 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies.
- Op 8 augustus 2007 stelt de feitelijke vereniging Moons-Truyers bestuurlijk beroep in tegen voormeld weigeringsbesluit.
- Op 25 oktober 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Limburg het bestuurlijk beroep niet in te willigen en de stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Dit is het bestreden besluit dat luidt als volgt : “Gelet op het beroep dat is ingesteld door de heer Guy Van Cauwenbergh, bedrijfsdeskundige, DLV Belgium cvba, Rijkelstraat 28, 3550 Heusden-Zolder namens de FV Moons-Truyers tegen de beslissing X-13.599-4/19 van het College van burgemeester en schepenen van Halen, genomen op 9 juli 2007 (ref. 2006/3358), waarbij een vergunning is geweigerd voor het bouwen van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo op het kadastraal perceel 3de afdeling, sectie B, nr. 39A aan de Broekstraat in de deelgemeente Zelem; Gelet op het beroep dat is ingesteld bij aangetekende brief van 7 augustus 2007, bij de post afgegeven op 8 augustus 2007; Gelet op de beslissing van het college die aan belanghebbende werd betekend op 19 juli 2007; Gelet op het beroep dat is aangetekend binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de beslissing en daarom ontvankelijk is; Gelet op het feit dat het bouwperceel overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 goedgekeurd gewestplan Hasselt-Genk gelegen is in een landschappelijk agrarisch gebied; Gelet op het feit dat er voor het deel van het gemeentelijk grondgebied, waar het bouwperceel gelegen is, geen goedgekeurd ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg of een behoorlijk vergunde verkaveling bestaat; Gelet op het gunstig advies van het College van burgemeester en schepenen, d.d. 26 maart 2007, luidende als volgt : ‘...Ligging volgens de plannen van aanleg en bijhorende voorschriften Overwegende dat het goed ligt in het gewestplan Hasselt-Genk KB. 03.04.1979-landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Overwegende dat landschappelijk waardevolle gebieden die gebieden zijn waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen (artikel 15 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen); - Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag Overwegende dat het goed niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan; - Overeenstemming met dit plan Overwegende dat de aanvraag hiermee in overeenstemming is. - Externe en interne adviezen Gelet op het voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling Water dd. 12.03.2007 (…). Gelet op het advies van de brandweer dd. 25.01.2007 (…). Gelet op het ongunstig advies van de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling Limburg dd. 26.07.2007 (…). Gelet op het ongunstig advies van het Agentschap Natuur en Bos dd. 19.02.2007 (…). X-13.599-5/19 Gelet op het gunstig advies van de GECORO dd. 06.02.2007 (…). - Het openbaar onderzoek Overwegende dat de aanvraag valt onder de bouwaanvragen, die moeten openbaar gemaakt worden volgens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 2001 en 8 maart 2002; Gelet op het openbaar onderzoek van 23.01.2007 tot en met 23.02.2007; dat 10 bezwaarschriften werden ingediend. Er werden 2 identieke bezwaarschriften ingediend door Novapi BVBA, Tessenderloseweg 147, 3290 Tessenderlo en door Pieck- Wollants, Tessenderloseweg 1473290 Tessenderlo, namelijk: het is onverantwoord dergelijk gebouw op te richten in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. - Beschrijving van de bouwplaats, omgeving en project Overwegende dat de aanvraag het oprichten beoogt van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo. Overwegende dat de bouwplaats, omgeving en het project uitvoerig en op een correcte wijze worden beschreven in de bijgevoegde argumentatienota van de ontwerper. - Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Grote Eenheid Natuur ‘Midden- en benedenloop Zwarte Beek’ Het betreffende perceel is niet gelegen in dit Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Bijgevolg is het plan niet van toepassing op het desbetreffende perceel. - Vogelrichtlijngebied Het perceel is niet gelegen in het Vogelrichtlijngebied. Bijgevolg is deze richtlijn niet van toepassing op het desbetreffende perceel. - Milieubeleidsplan Acties: landbouwers stimuleren om beheersovereenkomsten af te sluiten, o.a. met de VLM. De landbouwers in de gemeente kunnen een beheersovereenkomst afsluiten met de VLM voor een periode van vijf jaar waarbij zij in ruil voor het uitvoeren van beheersmaatregelen in het kader van een tuinontwikkeling een jaarlijkse vergoeding krijgen. - Ruimtelijk Structuurplan Halen Kaart 71 : agrarisch kerngebied voor beroepslandbouw. - Agrarische gebieden volgens de omzendbrieven van het gewestplan De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin; Het bedrijf is op dit moment gevestigd op zeer kleine afstand van het te bebouwen perceel. Het bedrijf is nu gelegen in het woongebied. Het is hier dan ook niet aan te raden om het bedrijf uit te breiden. Ruimtelijk gezien is het beter om een landbouwbedrijf te vestigen in een agrarisch gebied. De gebouwen staan op een afstand van meer dan 100 meter van de woningen, die gelegen zijn in het woongebied met landelijk karakter. De toegang tot het bedrijf gebeurt via een weg, namelijk openbaar domein. X-13.599-6/19 - Besluit: Sluiten openbaar onderzoek. Het schepencollege in vergadering van 26.03.2007 verleent gunstig advies aan deze aanvraag...’; Gelet op het advies van de gemachtigde ambtenaar, d.d. 6 juli 2007, waarop de weigering van de vergunning gesteund is, in hoofdzaak gemotiveerd als volgt : ‘... Ongunstig voor het bouwen van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleuf silo. - Ligging volgens de plannen van aanleg + bijhorende voorschriften Overwegende dat het perceel gelegen is binnen een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 03 april 1979 goedgekeurd gewestplan Hasselt-Genk; Overwegende dat het gebruik van deze gebieden geregeld wordt in artikel 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972; Overwegende dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden enkel mogen bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts mogen opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 en 100 m evenwel niet geldt in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven (artikel 11 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen); Overwegende dat landschappelijk waardevolle gebieden die gebieden zijn waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen (artikel 15 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen); - Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag Overwegende dat het goed niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan; - Overeenstemming met dit plan X-13.599-7/19 Overwegende dat de aanvraag hiermee in overeenstemming is; dat volgens artikel 19 van voornoemd inrichtingsbesluit, vergunningen echter dienen geweigerd, indien niettegenstaande er geen tegenstrijdigheid is met de gewestplannen de uitvoering van de werken en handelingen niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; - Verordeningen. Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, van toepassing is; - Andere zoneringsgegevens van het goed Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een landbouwbedrijfsgebouw; dat advies gevraagd werd aan Duurzame Landbouwontwikkeling Limburg; De aanvraag is gelegen in (de nabijheid van) een ‘Ramsar’ -gebied of vogelbeschermingsgebied (vastgesteld in toepassing van de EG- richtlijn 79/409/EEG van 02.04.79); dat advies aan het Agentschap voor Natuur en Bos werd aangevraagd; De aanvraag is gesitueerd in (de nabijheid van) beschermingsgebieden (habitats) zoals deze afgebakend zijn door de Vlaamse regering bij besluit van 4/05/2001 in uitvoering van de richtlijn 92/43/EEG van de raad van de Europese Gemeenschappen van 21/05/1992; dat advies aan het Agentschap voor Natuur en Bos gevraagd werd; Overwegende dat het bosdecreet van 13/06/1990, met inbegrip van het compensatie voorstel voorzien in art.90bis, van toepassing is; dat bouwaanvragen op deze percelen onderworpen zijn aan het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos en enkel vergund kunnen worden na goedkeuring van een compensatievoorstel cfr. het besluit van de Vlaamse regering van 26/11/1999; dat advies werd gevraagd; - Externe adviezen Overwegende dat het advies van Duurzame Landbouwontwikkeling Limburg afgeleverd op 26/01/2007 ongunstig is; Overwegende dat het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos afgeleverd op 19/02/2007 ongunstig is; - Het openbaar onderzoek Overwegende dat de aanvraag valt onder de bouwaanvragen, die moeten openbaar gemaakt worden volgens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2001 en 8 maart 2002; Overwegende dat de voorgeschreven procedure werd gevolgd; dat er 10 bezwaarschriften werden ingediend; Overwegende dat het schepencollege omtrent deze bezwaarschriften geen standpunt heeft ingenomen; dat de bezwaren nochtans uitgebreid gemotiveerd zijn en vooral aantonen dat de inplanting van dit bedrijf strijdig is met de planologische visie van het gemeentebestuur, welke vorm kreeg in het X-13.599-8/19 GRS en SPA Zelem Recreatie; dat uit de bezwaarschriften tevens blijkt dat de waarde van het betrokken waardevol agrarisch gebied bevestigd wordt door de aanduiding van het gebied in de Landschapsatlas als ankerplaats m.53; dat in de bezwaarschriften gesteld wordt de er geen passende beoordeling is toegevoegd aan het dossier wat betreft de betekenisvolle effecten van de aanvraag voor deze beschermingszone; dat deze passende beoordeling nochtans nodig is volgens art. 36ter van het ‘decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ gezien de ligging in Vogelrichtlijngebied. - Richtlijnen en omzendbrieven Overwegende dat de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van toepassing is op de aanvraag; - Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag De aanvraag betreft het bouwen van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo. De aanvrager baat een landbouwbedrijf uit in de Berkenstraat en vraagt hier een bijkomende vestiging aan. In de toekomst zou het volledig bedrijf naar deze nieuwe vestigingsplaats verhuizen. - Watertoets Overwegende het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (Belgisch Staatsblad 14 november 2003) hoofdstuk III, afdeling I, artikel 8 dient bij de uiteindelijke vergunning rekening gehouden te worden met de principes van de watertoets. Het behoort tot de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om de resultaten van de watertoets te vermelden - zelfs als manifest duidelijk is dat de vergunde werken geen enkele invloed op de waterhuishouding hebben - en met de resultaten rekening te houden in haar uiteindelijke beslissing. - Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Het dossier dient als onvolledig beschouwd gezien er geen goedgekeurd compensatievoorstel bij het dossier gevoegd is (bosdecreet). De ongunstige adviezen van Duurzame Landbouwontwikkeling Limburg en het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen worden bijgetreden. De noodzaak tot bedrijfsverplaatsing is onvoldoende aangetoond. Evenmin wordt aangetoond dat de nieuwe vestigingsplaats aansluit bij een betekenisvol deel van de landbouwgronden in duurzaam gebruik door het bedrijf Uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos blijkt dat de vestiging van dit veebedrijf een grote invloed en betekenisvolle effecten zal hebben zowel op het vogelrichtlijngebied als op het nabij gelegen habitatrichtlijngebied en het nabijgelegen ENR ‘Vallei van de Zwarte Beek’. - Algemene conclusie Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake ruimtelijke ordening. X-13.599-9/19 Het voorgestelde ontwerp is niet bestaanbaar met de goede plaatselijke ordening en past niet in zijn onmiddellijke omgeving. In bijkomende orde dient vermeld dat het schepencollege de bezwaren van het openbaar onderzoek niet heeft geëvalueerd...’; Gelet op het ongunstig advies van het departement Landbouw en Visserij, afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, d.d. 26 januari 2007, luidende als volgt : ‘...Uit landbouwkundig oogpunt kan geen gunstig advies gegeven worden. Het bedrijf is gevestigd ingesloten in het woongebied met landelijk karakter Zelem. In principe moet landbouw hier naast wonen kunnen blijven bestaan. Op 24 juni 2004 werd voor deze vestigingsplaats een gunstig advies gegeven voor het bouwen van een nieuwe rundveestal. Er werd niet medegedeeld dat vergunning voor deze modernisering van het bedrijf geweigerd is. Het is ook duidelijk dat het erf nog ruimte biedt voor verdere ontwikkeling. De noodzaak voor bedrijfsverplaatsing is niet genoegzaam aangetoond. Een landbouwbedrijf wordt in het agrarisch gebied aanvaard omwille van de binding met de bedrijfsgronden. Er zou moeten aangetoond worden dat de gekozen nieuwe inplantingsplaats aansluit bij een betekenisvol deel van de grond in duurzaam gebruik (eigendom en pacht, seizoenpacht komt niet in aanmerking). Daarover worden echter ook geen gegevens verstrekt. De uiteindelijke juridisch administratieve afweging is de bevoegdheid van de gemachtigde ambtenaar...’; Gelet op het ongunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, d.d. 19 februari 2007, luidende als volgt : (…) Gelet op het voorwaardelijk gunstig advies van Vlaamse Milieumaatschappij, d.d. 12 maart 2007, luidende als volgt : ‘....Onder vetwijzing naar artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid werd onderzocht of er een schadelijk effect op de waterhuishouding uitgaat voor de geplande ingreep. De percelen liggen niet in (maar wel op de rand van) een recent overstroomd gebied (ROG) en zijn niet overstromingsgevoelig. Voor wat betreft het aspect waterkwaliteit wordt verwezen naar de toepasselijke Vlarem voorschriften. De aanvraag moet voldoen aan de constructievoorschriften voor stallen en mestopslagplaatsen en dient te gebeuren volgens de regels van goed vakmanschap zoals beschreven in afdeling 5.9.
- en bijlage 5.9 van titel 11 van het VLAREM. Door de toename van verharde oppervlakte vermindert de infiltratie van hemelwater waardoor meer hemelwater sneller naar de waterloop of riolering zal afstromen. Hierdoor kunnen piekdebieten in de waterlopen optreden met mogelijk stroomafwaartse wateroverlast tot gevolg. Een ander gevolg is dat de grondwatertafel minder wordt gevoed en de bodem plaatselijk verdroogt. Om schadelijke effecten op de kwantitatieve toestand van het watersysteem te ondervangen moet minstens voldaan worden aan de gewestelijke X-13.599-10/19 stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, buffering e.a. van 1 oktober 2004 (GSV). Uit de aanstiplijst en de plannen blijkt dat de nieuwe verharde oppervlakte gecompenseerd zal worden door hemelwaterputten met een totaal volume van 45.000 liter en een infiltratievoorziening. Het hemelwater moet worden hergebruikt en de overloop van de hemelwaterput dient te worden aangesloten op de infiltratievoorziening. Onder deze voorwaarde kan de aanvraag gunstig geadviseerd worden...’; Gelet op de aanvraag die onderworpen werd aan de speciale reglementen van openbaarmaking, bepaald bij besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000; dat er tien bezwaarschriften werden ingediend; Gelet op de wens van de beroeper om gehoord te worden, dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud van 25 september 2007 de heer Moons en de heer Van Cauwenbergh zijn verschenen; Gelet op het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld; Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te verkrijgen voor het bouwen van een rundveestal met mestvaalt, loods en sleufsilo aan de Broekstraat te Halen (deelgemeente Zelem); dat het ontwerp voorziet in een inplanting van de bedrijfsgebouwen op circa 35 meter van de voorliggende servitudeweg; dat in een latere fase de aanvrager een woning wenst op te richten binnen de achteruitbouwzone van 35 meter; dat de ontworpen rundveestal een bouwvolume betreft met een grondoppervlakte van 25 bij 45 meter en een kroonlijst- en nokhoogte van respectievelijk 4.20 meter en 8.80 meter; dat tegen de rechter zijgevel van de rundveestal een mestvaalt met een grondoppervlakte van 15 bij 35 meter ingeplant wordt; dat achter de stal een sleufsilo van 9 bij 55 meter voorzien wordt; dat de nieuwbouwloods, 20 bij 40 meter, zich situeert links en op 12 meter van de rundveestal; dat het materiaalgebruik van de loods en de stal bestaat uit een metalen constructie met wandpanelen in beton en geprofileerde staalplaten; dat de hellende daken afgedekt worden met golfplaten in vezelcement; dat de inrit en de ruimte tussen de constructies verhard worden met beton (circa 800 m²) en een waterdoorlatende steenslagverharding (circa 1400 m²); Overwegende dat onderhavige aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning ook het ontbossen omvat van het perceel met kadastraal nr. 38p; dat op datum van 31 juli 2006 door de bevoegde minister een ontheffing op het verbod tot ontbossen verleend werd; dat de aanvrager de compenserende bebossing (totale oppervlakte 3673m²) wenst uit te voeren aan de noordzijde van het terrein; Overwegende dat overeenkomstig het goedgekeurd gewestplan de aanvraag gesitueerd is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de agrarische gebieden, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden enkel mogen bevatten de voor het bedrijf X-13.599-11/19 noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat de landschappelijke waardevolle agrarische gebieden, overeenkomstig artikel 15 van het vermeld koninklijk besluit, gebieden zijn waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat in deze gebieden alle werken en handelingen worden uitgevoerd die in overeenstemming zijn met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle gebieden dus steeds moet worden getoetst aan een dubbel criterium, vooreerst moet elke aanvraag getoetst worden aan een planologisch criterium, met name moet de vergunningverlenende overheid onderzoeken of de aanvraag in overeenstemming is met in de grondkleur aangegeven bestemming van het gebied, bovendien moet de aanvraag eveneens worden getoetst aan een esthetisch criterium, hetwelk inhoudt dat de beoogde handelingen en werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap; Overwegende dat ter plaatse geen specifieke voorschriften van een goedgekeurd ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg of een verkaveling van toepassing zijn; Overwegende dat het gebied op de Landschapsatlas aangeduid is als ankerplaats 53 ‘Vallei van de Zwarte Beek van Meldert tot Zelem’; dat het bouwperceel grenst aan het vogelrichtlijngebied ‘De Demervallei’ en in de nabijheid ligt van het habitatrichtlijngebied en de vallei van de Zwarte Beek; Overwegende dat het bosdecreet van 13 juni 1990, met inbegrip van het compensatievoorstel voorzien in art.90bis, van toepassing is; dat het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 19 februari 2007 ongunstig is omdat het compensatievoorstel niet aanvaard wordt en de vestiging van het veebedrijf een grote invloed en negatief effect zal hebben op zowel het vogelrichtlijn- als op het habitatrichtlijngebied en op de vallei van de Zwarte Beek; Overwegende dat de percelen niet gesitueerd zijn in (maar wel op de rand van) een recent overstroomd gebied en niet overstromingsgevoelig zijn; dat mits voldaan wordt aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 1 oktober 2004 inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in alle redelijkheid kan geoordeeld worden dat geen schadelijk effect wordt veroorzaakt; dat uit het bij de aanvraag gevoegde betreffende formulier blijkt dat de voorgestelde uitvoering voldoet aan deze verordening; dat het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij van 12 maart 2007 gunstig is onder voorwaarde dat het hemelwater moet worden hergebruikt en de overloop van de hemelwaterput dient te worden aangesloten op de infiltratievoorziening; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek bezwaarschriften ingediend zijn door Natuurpunt vzw en Natuurpunt Beheer vzw, de X-13.599-12/19 Gemeentelijke Adviesraad voor Leefmilieu, de Limburgse Milieukoepel v.z.w. en bewoners uit de directe omgeving; dat enkel de bezwaren die betrekking hebben op ruimtelijke en stedenbouwkundige feiten in beschouwing worden genomen namelijk: - de inplanting is in strijd met de bepalingen van het gewestplan - de exploitatie zal geluids- en geurhinder en verkeersproblemen veroorzaken - de inplanting druist in tegen de ruimtelijke ontwikkelingsplannen voor het gebied - de inplanting is een aantasting van het ecologisch en landschappelijk waardevol gebied; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van een bestaand bedrijf gesitueerd aan de Berkenstraat in landelijke woonzone; dat de bedrijfsexploitatie een veehouderij is; dat de gevraagde uitbreiding zich niet situeert op het bestaande bedrijfserf maar op een afstand van circa 500 meter; dat het bouwperceel in een open agrarisch gebied ligt; dat op de links aanpalende percelen twee voetbalvelden en een kantine met kleedruimten gesitueerd zijn (BPA Looboschveld-sportzone); dat de overige bebouwing in de omgeving een residentiële bebouwing is in landelijke woonzone op circa 75 meter ten oosten van de beoogde inplanting; Overwegende dat vanuit landbouwkundig oogpunt het advies van de dienst Duurzame Landbouwontwikkeling doorslaggevend is; dat overeenkomstig dit advies de noodzaak van de nieuwe vestigingsplaats onvoldoende aangetoond is: ‘Er is niet aangetoond dat de gekozen inplantingsplaats aansluit bij een betekenisvol deel van de grond in duurzaam gebruik.’ Tevens stelt het advies dat: ‘het bestaande bedrijfserf nog ruimte biedt voor verdere ontwikkeling’; Overwegende dat de aanvrager in zijn beroepschrift argumenteert dat er geen verdere uitbreidingsmogelijkheden zijn bij het bestaand landbouwbedrijf aan de Berkenstraat; dat het standpunt deels bij te treden is; dat de uitbreidingsmogelijkheden beperkt zijn omdat de onbebouwde percelen langs de Beekstraat en Berkenstraat geordend zijn d.m.v. een goedgekeurde verkaveling; dat op middellange termijn de loten volgebouwd zullen worden met residentiële woningen; dat betreffende de binding met de bedrijfsgronden de beroeper aanhaalt dat niet het bestaand landbouwbedrijf maar wel de nieuwe vestigingsplaats aansluit bij een deel van zijn weidegronden; dat ter plaatse aan de Broekstraat zich één aaneengesloten kavel bevindt van 21 ha; Overwegende dat de gevraagde nieuwe inplantingsplaats aan de Broekstraat echter niet aanvaard kan worden vanuit ruimtelijk- stedenbouwkundig oogpunt; dat de voorgestelde inplanting een sterke aantasting is van de open agrarische ruimte; dat het beperkt landschappelijk waardevol agrarisch gebied begrensd wordt door een landelijke woonzone, een spoorlijn en een natuurgebied; X-13.599-13/19 dat de open ruimte naar de Zwarte Beek en het parkgebied Loobosch te vrijwaren is van enige bebouwing; dat de grens van de landelijke woonzone als uiterste grens van bebouwing te beschouwen is; dat om deze reden ook de voetbalaccommodatie geherlokaliseerd wordt naar een gebied aansluitend bij de bestaande sporthal te Zelem (BPA Zelem Recreatie); dat het recent goedgekeurd BPA Zelem Recreatie stelt dat de bestaande ‘sportaccommodatie ‘Loobosch’ de draagkracht van het gebied in het gedrang brengt. De invloed naar het omliggende landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het natuurgebied van de Zwarte Beek is te groot.’; dat een landbouwbedrijf dat in de toekomst nog gaat uitbreiden een grotere impact op de omgeving heeft dan twee voetbalvelden met een beperkte gebouweninfrastructuur; dat het negatieve effect van de nieuwe infrastructuur op de landschappelijke en ecologische waarde van het gebied bevestigd wordt door het advies van het Agentschap Natuur en Bos en de ingediende bezwaren; dat gelet op de ligging in landschappelijk waardevol agrarisch gebied het behoud van landschapselementen aangewezen is in het kader van de vrijwaring van het landschap; dat voorliggende aanvraag hiermee in strijd is; Overwegende dat tenslotte te melden is dat op datum van 14 juni 2007 de milieuvergunning in beroep bij deputatie werd geweigerd; Overwegende dat het beroep niet kan ingewilligd worden; Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, inzonderheid artikel 53, en latere wijzigingen”. IV. Ontvankelijkheid A. Standpunt van de partijen
- In de memorie van antwoord voert de verwerende partij als exceptie aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep, omdat de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning ook betrekking heeft op de ontbossing van een perceel, doch er is nog steeds geen door de bevoegde instantie goedgekeurd of aangepast voorstel voorhanden met betrekking tot de vereiste compensatie voor deze ontbossing. Uit artikel 90bis van het bosdecreet en de artikelen 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing volgt dat geen stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend voor een ontbossing zonder het voorhanden zijn van het formulier betreffende de voorgestelde compensatie waarop het akkoord, het voorwaardelijk akkoord dan wel het stilzwijgend akkoord van het Bosbeheer X-13.599-14/19 (thans: het agentschap voor Natuur en Bos) is vermeld. In casu heeft het agentschap Natuur en Bos in zijn advies van 19 februari 2007 de door de aanvrager voorgestelde compensatie in natura uitdrukkelijk ongunstig beoordeeld en meer bepaald de voorgestelde inplanting van een groenbuffer aan de rechterzijde van het perceel niet aanvaard als compenserende bebossing. Bij ontstentenis van een dergelijk akkoord kon er geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend.
- In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat uit de vigerende regelgeving blijkt dat het akkoord van het agentschap Natuur en Bos over het compensatievoorstel geen noodzakelijke voorwaarde is tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning. Dit blijkt uit de artikelen 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing. B. Beoordeling
- Artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing onder meer wat volgt: “§
- Een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen: 1° ontbossing met het oog op werken van algemeen belang bedoeld in artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 2° ontbossing in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 3° ontbossing in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling. De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt verleend na voorafgaand advies van het Bosbeheer. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn. Voor andere ontbossingen dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen, de X-13.599-15/19 ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het Bosbeheer. De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod. §
- Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal, 1° wordt door de houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing compensatie gegeven voor de in § 1 bedoelde ontbossing; (...) §
- De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen : 1° in natura; 2° door storting van een bosbehoudsbijdrage; 3° door een combinatie van 1° en 2°. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie, waarbij differentiatie mogelijk is. De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. De Vlaamse regering bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura. §
- De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen of van de in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het Bosbeheer. Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het Bosbeheer het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is. Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning. (...)”. De artikelen 2, 3, 6, 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing bepaalden ten tijde van de bestreden beslissing wat volgt: “Art. 2 - De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend vooraleer het Bosbeheer het door de aanvrager van de vergunning ingediende voorstel tot compensatie van de ontbossing al dan niet stilzwijgend heeft goedgekeurd of heeft aangepast. De verkavelingsvergunning voor een geheel of ten dele beboste grond, waarvoor de aanvraag wordt ontvangen na de inwerkingtreding van het decreet van 17 juli 2000, kan niet worden verleend vooraleer het Bosbeheer het door de aanvrager van de vergunning ingediende voorstel tot compensatie van de beboste delen van de verkaveling al dan niet stilzwijgend heeft goedgekeurd of heeft aangepast. (…) X-13.599-16/19 Art. 3 - Door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt een voorstel tot compensatie van de ontbossing ingediend, dat bestaat uit: 1° hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4 en die zal worden uitgevoerd door de houder van de vergunning; 2° hetzij een verbintenis van de aanvrager om een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4 te laten uitvoeren door een derde; 3° hetzij een compenserende bebossing die zal worden uitgevoerd door de houder van de vergunning, in combinatie met een verbintenis van de aanvrager om voor het overige gedeelte de compenserende bebossing te laten uitvoeren door een derde, zodat door de combinatie van beide compenserende bebossingen wordt voldaan aan alle bepalingen van artikel 4; 4° hetzij een verbintenis van de aanvrager om een bosbehoudsbijdrage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te betalen; 5° hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4, tweede, derde en vierde lid, doch niet met deze van het eerste lid van artikel 4, in combinatie met een verbintenis om een bosbehoudsbijdrage als bedoeld in artikel 5, tweede lid, te betalen voor het gedeelte van het te ontbossen terrein waarvoor geen compenserende bebossing wordt voorgesteld. (…) Art. 6 - De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing voegt bij zijn aanvraag een voorstel tot compensatie dat bestaat uit een van de maatregelen, bedoeld in artikel
- Behalve in het geval, bedoeld in artikel 3, 4°, wordt bij het voorstel tot compensatie een bebossingsplan gevoegd. Het voorstel tot compensatie moet worden ingevuld op een formulier, waarvan het model gevoegd is in bijlage II, gevoegd bij dit besluit. Art. 7 - Het formulier, bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt, samen met de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 90bis, § 1, tweede lid, van het bosdecreet, aan het Bosbeheer overgezonden door de vergunningverlenende overheid. Art. 8 - Binnen 30 dagen na ontvangst van de adviesaanvraag, deelt het Bosbeheer zijn advies, bedoeld in artikel 90bis, § 1, tweede lid, van het bosdecreet, en zijn beslissing over de voorgestelde compensatie aan de vergunningverlenende overheid mee. Indien het Bosbeheer oordeelt dat de voorgestelde compensatie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 3 tot en met 5, vermeldt het zijn akkoord op het formulier. Indien de door de aanvrager voorgestelde compensatie door het Bosbeheer als niet in overeenstemming met dit besluit wordt beoordeeld, vermeldt het zijn akkoord op het formulier onder de voorwaarde dat de door het Bosbeheer aangepaste compensatiemaatregelen, uitgewerkt overeenkomstig artikel 3 tot en met 5, in acht worden genomen. Deze aangepaste compensatiemaatregelen kunnen bestaan uit: X-13.599-17/19 1° een aanvullende bosbehoudsbijdrage, in het geval de overeenkomstig artikel 3, 4° of 5° voorgestelde bosbehoudsbijdrage niet in overeenstemming is met artikel 5; 2° een aanvullende bosbehoudsbijdrage in het geval de oppervlakte van de overeenkomstig artikel 3, 1°, 2° of 3° voorgestelde compenserende bebossing niet voldoet aan artikel
- De aanvullende bosbehoudsbijdrage wordt berekend overeenkomstig artikel 5, tweede lid; 3° een aanpassing van het voorgestelde bebossingsplan om bosbouwtechnische redenen. Indien het formulier niet tijdig wordt teruggezonden naar de vergunningverlenende overheid, wordt dit beschouwd als een goedkeuring van het voorstel van de aanvrager. In dit geval brengt deze overheid op het formulier een vermelding aan, luidens welke het voorstel stilzwijgend is goedgekeurd bij ontstentenis van een uitdrukkelijke beslissing van het Bosbeheer binnen de in het eerste lid bedoelde termijn. De houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing die aan de compensatieplicht is onderworpen, moet de compenserende bebossing uitvoeren binnen een periode van twee jaar. De bosbehoudsbijdrage moet hij betalen binnen een termijn van vier maanden. In beide gevallen gaat de termijn in vanaf de datum waarop krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van een stedenbouwkundige vergunning gebruik mag worden gemaakt”.
- Uit de tekst van artikel § 5, derde lid, van artikel 90bis van het bosdecreet blijkt dat de decreetgever ervan uit is gegaan dat wanneer de in § 2, 1° bedoelde stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt verleend er een goedgekeurd voorstel tot compensatie of een door het Bosbeheer (thans: het agentschap voor Natuur en Bos) aangepast voorstel tot compensatie voorhanden is. De tekst van de eerstgenoemde bepaling legt het goedgekeurd of aangepast voorstel immers op als voorwaarde van die vergunning. Dat het voorhanden zijn van een goedgekeurd of aangepast voorstel tot compensatie een noodzakelijke voorwaarde is voor het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt bevestigd door het hiervoor geciteerde artikel 2, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari
- De verzoekende partijen betwisten de wettigheid niet van de beslissing die het agentschap voor Natuur en Bos op 19 februari 2007 nam en voeren enkel middelen aan die betrekking hebben op motieven van het bestreden besluit die geen uitstaans hebben met de problematiek van de ontbossing. Zij betwisten evenmin dat de beslissing van het agentschap voor Natuur en Bos, X-13.599-18/19 zoals het in het bestreden besluit wordt uitgedrukt, “ongunstig is omdat het compensatievoorstel niet aanvaard wordt”. Er moet worden vastgesteld dat er voor de aanvraag waarover het bestreden besluit uitspraak doet noch een goedgekeurd voorstel tot compensatie noch een aangepast voorstel tot compensatie voorhanden is. Na een gebeurlijke vernietiging op grond van de aangevoerde middelen zal de verwerende partij niet anders kunnen dan deze vaststelling maken en bijgevolg de aanvraag moeten weigeren. De exceptie van gebrek aan belang is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.599-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div