← België

Arrest 209305 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.305 Rolnummer: A. 197461/XII-6314 Zaak: Arrest 209305 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-10 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Arrest nr 209.305 van 30 november 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 209.305 van 30 november 2010 in de zaak A. 197.461/XII-6314 In zake: Kris BRIJS die woonplaats kiest te Geel Groenhuis 18 tegen: XIOS HOGESCHOOL LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva Bral kantoor houdend te Gent Henleykaai 3 R bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “- de beslissing van onbekende datum, waarvan aan de heer K. Brijs kennis werd gegeven per e-mail van 8 juni 2010, waarbij de kandidatuur van de heer K. Brijs niet ‘weerhouden’ werd omdat hij niet het vereiste diploma bezit; - de beslissing van onbekende datum, waarvan aan de heer K. Brijs kennis werd gegeven per e-mail van 28 juni 2010, waarbij aan de heer K. Brijs de verplichting werd opgelegd tot aanlevering van een bijkomende ‘originele verklaring van het Ministerie van Onderwijs van het land of van het NARIC-centrum’; - de beslissing van onbekende datum, waarvan aan de heer K. Brijs kennis werd gegeven per e-mail van 8 juli 2010, waarbij aan de heer K. Brijs o.m. opgelegd werd een ‘verklaring van onderwijsbevoegdheid’ mee te delen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. XII-6314-1\5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mike Gelders, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Eva Bral, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Begin 2010 schrijft de Xios Hogeschool Limburg een vacature uit voor een halftijdse betrekking van docent bouwkunde in het departement toegepaste ingenieurswetenschappen van de hogeschool. Verzoeker stelt zich kandidaat. 3.
  6. Bij e-mailbericht van 8 juni 2010 wordt aan verzoeker meegedeeld dat zijn kandidatuur niet wordt “weerhouden”, “omdat [hij] niet het vereiste diploma bezit”. 3.
  7. Op 28 juni 2010 geeft de hogeschool in een e-mailbericht aan verzoeker te kennen dat een erkenning van professionele gelijkwaardigheid van zijn buitenlands diploma vereist is voor de toegang tot een onderwijsberoep in een hogeschool. Zij deelt mee zelf voor die erkenning bevoegd te zijn, maar daarvoor een aantal documenten nodig te hebben. Zij vraagt verzoeker om die documenten aan te leveren. 3.
  8. Op 8 juli 2010 laat verwerende partij aan verzoeker per e-mailbericht weten de afspraken van die dag met verzoeker te bevestigen, namelijk dat verzoeker zo vlug mogelijk een “verklaring onderwijsbevoegdheid in het Nederlands” opvraagt bij de bevoegde onderwijsdienst te Groningen en dat hij enkele aanvullende documenten aan verwerende partij bezorgt. Verwerende partij XII-6314-2\5 deelt nog mee de selectieprocedure na de zomervakantie te starten en dat ingeval van selectie maar wanneer de genoemde verklaring niet in haar bezit is, een tijdelijke aanstelling kan volgen rekening houdend met de termijn waarin de verklaring kan worden afgeleverd. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  9. Verwerende partij werpt op dat de zogenaamde “beslissingen” die verzoeker aanvecht, ofwel geen eindbeslissing betreffen ofwel geen beslissingen in de zin dat deze aanvechtbaar zijn bij de Raad van State. De eerste beslissing daterend van 8 juni 2010 is een mededeling van de hogeschool dat verzoekers kandidatuur niet in aanmerking is genomen om reden dat het vereiste gelijkwaardigheidsattest van zijn in Nederland behaalde doctoraatsdiploma zou ontbreken. Wegens het protest van verzoeker werd hem vervolgens evenwel de kans geboden om alsnog de nodige documenten aan te brengen. De tweede e-mail, van 28 juni 2010, heeft bijgevolg de eerste aangevoch- ten beslissing minstens impliciet vervangen. Deze en ook de derde aangevochten “beslissing” zijn voorts voorafgaande handelingen in de aanstellingsprocedure waarbij aan verzoeker informatie wordt gegeven, niet min niet meer. Een “daadwer- kelijke” beslissing ontbreekt. Beoordeling
  10. De exceptie wordt in de huidige stand van de procedure bij- gevallen. De drie door verzoeker bestreden handelingen zijn onderdelen van een complexe administratieve verrichting, welke beoogt uit te monden in een halftijdse aanstelling van een docent bouwkunde. De berichten waarbij verwerende partij op 28 juni 2010 en 8 juli 2010 informatie geeft of opvraagt, wijzigen prima facie niet de rechtstoestand van verzoeker en lijken als louter voorbereidende handelingen geen voor vernietiging vatbare beslissingen. XII-6314-3\5 Waar op het eerste gezicht de beslissing van 8 juni 2010 wél een griefhoudende vóórbeslissing is, omdat hiermee de kandidaatstelling van verzoeker voortaan buiten beschouwing zou worden gelaten, maakt verwerende partij aannemelijk dat net uit de daaropvolgende communicatie met verzoeker blijkt dat zij minstens impliciet die vóórbeslissing ongedaan heeft gemaakt en dat zij wel degelijk de kandidatuur van verzoeker nog mee in aanmerking neemt. Hiervan overtuigt zij de Raad van State des te meer, nu zij ter terechtzitting een aanstellingsbesluit voorlegt waaruit blijkt dat verzoeker op 10 november 2010 door het bestuurscollege is aangesteld als docent in het departement Toegepaste Ingenieurswetenschappen voor een opdracht van 50% van 1 oktober 2010 tot 1 juli
  11. Aldus blijkt vooralsnog dat in het kader van de voorliggende aanstellingsprocedure een eindbeslissing is genomen, waarvan het verzoeker vrij staat om te onderzoeken of hij ze in rechte zou bestrijden indien deze niet aan zijn verwachtingen voldoet. Deze eindbeslissing is evenwel niet tot het voorwerp van de huidige vordering te rekenen. De wél bestreden handelingen zijn, wat de eerste betreft, zonder voorwerp en, wat de tweede en de derde betreft, niet aanvechtbaar. De exceptie vertoont een zo hoge mate van ernst dat de Raad ze in de huidige stand van de procedure bijvalt. De vordering is niet ontvankelijk. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-6314-4\5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6314-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.305 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.