← België

Arrest 209314 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.314 Rolnummer: A. 191397/X-14084 Zaak: Arrest 209314 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Arrest nr 209.314 van 30 november 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.314 van 30 november 2010 in de zaak A. 191.397/X-14.

  1. In zake : Karel WILLEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 17 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende, eensdeels, de verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 28 augustus 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het plaatsen van een afdak boven een bestaand terras bij een appartement te Tessenderlo, Neerstraat 69, kadastraal bekend sectie A, nr. 710/s/5, en anderdeels, de weigering tot afgifte van de voormelde vergunning. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-14.084- 1/12 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
  4. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Marès, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de verzoeker, en Tom Roosen, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoeker is eigenaar van een gelijkvloers appartement gelegen te Tessenderlo, Neerstraat 69/1, kadastraal bekend sectie A, nr. 710/s/
  7. Het betrokken perceel is, volgens het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 28 april 1986 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg “Kraanhof”, meer bepaald in de zone voor wonen - gesloten bebouwing/zone voor aanhorigheden, alwaar de bouwdiepte is beperkt tot maximum 19 meter. X-14.084- 2/12
  8. Op 5 juni 2008 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker een stedenbouwkundige aanvraag in bij de gemeente Tessenderlo voor het plaatsen van een afdak boven een bestaand terras aan een op het betrokken perceel gelegen appartement.
  9. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 6 juli 2008 tot en met 7 augustus 2008, wordt één bezwaarschrift ingediend. Daarin wordt, onder meer, gesteld dat het kwestieuze afdak “reeds op 7 juli” 2008 werd geplaatst.
  10. Op 28 augustus 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo de stedenbouwkundige vergunning. Het besluit overweegt onder meer het volgende: “(...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Overwegende dat in dit BPA de mogelijkheid is gegeven om dieper te bouwen, indien in de hoofdzone handel of diensten zijn ondergebracht; Overwegende dat echter in de hoofdzone enkel wordt gewoond, en dus de zone voor sociaal leven moet ingevuld worden als private koeren of hovingen en dus geen extra bouwdiepte mogelijk is; Overwegende dat de bovenbuur zich akkoord heeft verklaard, maar tijdens het openbaar onderzoek wel een bezwaarschrift heeft ingediend; Overwegende dat een dergelijke constructie qua vorm ruimtelijk niet aanvaardbaar is; (...)”.
  11. Tegen de voormelde beslissing stelt de raadsman van de verzoeker administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg.
  12. Op 26 november 2008 stelt de derde directie - Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Natuur - Ruimtelijke Ordening - Vergunningen van de provincie Limburg een nota op ten behoeve van de deputatie, waarin de aanvraag ongunstig wordt geadviseerd. Deze nota stelt onder meer het volgende: “Huidige aanvraag betreft in feite een regularisatie, aangezien het afdak ondertussen reeds werd geplaatst. X-14.084- 3/12 Het perceel, waarop de aanvraag betrekking heeft, is gelegen in het BPA ‘(Kraanhof)’. Het college van burgemeester en schepenen weigerde rechtstreeks de vergunning. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en latere wijzigingen, kan een afwijking enkel worden toegestaan op een met reden omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen. Aangezien het college geen afwijking wenste toe te staan, maar rechtstreeks de vergunning geweigerd heeft, komt de aanvraag ook in beroep niet voor vergunning in aanmerking. Het beroep kan niet worden ingewilligd”.
  13. De hoorzitting vindt plaats op 2 december
  14. Bij besluit van 17 december 2008 willigt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep tegen de voormelde beslissing van het college van burgmeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo niet in en weigert zij de stedenbouwkundige vergunning. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  15. De verzoeker voert in het enig middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald “het materieel motiveringsbeginsel”: “Doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning rechtstreeks weigerde en overeenkomstig de bepalingen van art. 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en latere wijzigingen, en dat een afwijking enkel kan worden toegestaan op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen en dat aangezien het college geen afwijking wenste toe te staan, maar rechtstreeks de vergunning geweigerd heeft de aanvraag in beroep ook niet voor vergunning in aanmerking komt en het beroep derhalve niet kan worden ingewilligd. Terwijl er niet wordt ingegaan op de argumenten van verzoeker, welke stelt dat de bezwaarindieners op voorhand hun schriftelijk akkoord gegeven X-14.084- 4/12 hebben met de ingediende plannen en er nauwelijks enige motivering terug te vinden is op welke gronden de aanvraag niet voor vergunning of voor beroep in aanmerking zou komen. Toelichting bij het middel Verzoeker kan geenszins akkoord gaan met de stelling van de bestendige deputatie dat omwille van het feit dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning rechtstreeks weigerde en er geen afwijking werd toegestaan, de vergunning niet voor beroep in aanmerking zou kunnen komen, hetgeen geenszins gemotiveerd wordt door de bestendige deputatie. Er wordt niet aangeduid op basis van welke regelgeving dergelijke stelling wordt ingenomen, terwijl er op de grond van de zaak nauwelijks wordt ingegaan. De bestreden beslissing is een opsomming van de argumenten die terug te vinden zijn in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij gewoon wordt herhaald dat er een bezwaar werd ingediend betreffende het feit dat de constructie achter het bestaande appartement erg hinderlijk zou zijn, aangezien het dak van de constructie boven de eerste bouwlaag zou uitsteken en het uitzicht op het dakterras van de verdieping 1 erg zou hinderen. Dat in de bestreden beslissing verder gewezen wordt op het feit dat de aanvraag in feite een regularisatie betreft, gezien het afdak ondertussen reeds werd geplaatst en dat het perceel, waarop de aanvraag betrekking heeft, gelegen is in het BPA ‘(Kraanhof)’ en dat er een totale bouwdiepte van 23 m wordt gevraagd i.p.v. maximum 19 m, hetgeen een afwijking inhoudt op de voorschriften; Dat dit een klakkeloze herneming is van de argumentatie van het college van burgemeester en schepenen en er op geen enkel ogenblik gemotiveerd wordt aan de hand van welke juridische argumenten de bestreden beslissing wordt genomen; Dat het uiteraard niet juist is dat aangezien het college geen afwijkingen wenste toe te staan de aanvraag in beroep niet voor vergunning in aanmerking zou komen, rekening houdend met het feit dat er geen redenen worden opgegeven waarom het college van burgemeester en schepenen geen afwijking zou wensen toe te staan met betrekking tot de aangevraagde vergunning. Dat inderdaad een openbaar onderzoek werd georganiseerd van 8 juli 2008 tot 7 augustus 2008 en dat er één bezwaarschrift werd ingediend, m.n. dat van mevrouw Olga VANDEPAER, die op voorhand nochtans de plannen heeft ingekeken en uitdrukkelijk haar akkoord heeft laten geworden op een verklaring die werd ingediend samen met de vergunningsaanvraag en waarop vermeld wordt dat zij akkoord gaat met de uitvoering volgens het bijgevoegde plan. Dat in die omstandigheden er dan ook geen enkel probleem is voor de bezwaarindienster, gezien zij op voorhand haar akkoord heeft gegeven met de ingediende plannen. Dat al deze argumenten door verzoeker aangehaald in zijn beroepschrift bij de bestendige deputatie op geen enkele wijze zijn beantwoord; De materiële motiveringsplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur en betekent dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn. De materiële motiveringsplicht impliceert dat de X-14.084- 5/12 motieven kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn, d.i. de beslissing effectief kunnen dragen en verantwoorden. Wat de kenbaarheid betreft volstaat het in het kader van de materiële motiveringsplicht dat deze motieven terug te vinden zijn in het administratief dossier. (...) De motiveringsplicht houdt ook in dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen in de beslissing zelf moeten terug te vinden zijn. Een administratieve beslissing dient ook te voldoen aan de formele of uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Met deze wet wordt de van oudsher bestaande materiële motiveringsplicht van het bestuur aangevuld met een formele motiveringsplicht. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt medegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet omvatten maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing genomen werd. Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelde(n) die aan de beslissing ten grondslag liggen. Tevens moet, naar luid van hetzelfde artikel, de motivering ‘afdoende’ zijn. De term afdoende vereist dat de motivering meer is dan een loutere stijlformule. De motivering moet pertinent zijn. Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Uw Raad heeft aanvaard dat ook een indirecte vorm van motivering kan worden toegepast doordat men in de motivering naar andere stukken verwijst. Dit kan echter enkel wanneer cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan: - de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht hetzij voor de beslissing is genomen, hetzij samen met de eindbeslissing; - het stuk waarnaar verwezen wordt moet zelf afdoende gemotiveerd zijn - de voorstellen of adviezen moeten worden bijgetreden in de uiteindelijke beslissing - er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn (…) Wordt het advies niet gevolgd of bestaan er tegenstrijdige adviezen, dan maakt een loutere verwijzing naar een advies geen uitdrukkelijke motivering uit. Uit de bestuurshandeling moet dan duidelijk de redenen blijken waarom het advies niet werd gevolgd (…) Het is duidelijk dat de motivering ‘afdoende’ moet zijn. De term afdoende vereist dat de motivering meer is dan een loutere stijlformule. De motivering moet pertinent zijn. Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Dit impliceert dat de motieven, die kenbaar moeten worden gemaakt, moeten beantwoorden aan de realiteit, en draagkrachtig zijn, m.a.w. de beslissing effectief verantwoorden (…). (...) X-14.084- 6/12 Het fundamentele beginsel van de motiveringsplicht eist daarenboven dat het besluit een antwoord bevat van de in beroep naar voren gebrachte argumenten. (...) Al te gemakkelijke of oppervlakkige motiveringen (...), algemene beschouwingen (...) of een nietszeggende clichématige weerlegging van omstandige gedetailleerde juridische kritiek (...) voldoen niet aan de motiveringsverplichting. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering vallen niet samen met een ‘afdoende’ motivering (…). De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn met het belang van de genomen beslissing, ze moet evenredig zijn met de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover het bestuur beschikt en ze moet de beslissing verantwoorden. Wanneer de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, met name wanneer het bestuur de vrijheid heeft om al dan niet een beslissing te nemen, of de keuze heeft tussen verschillende mogelijke beslissingen dan moet het bestuur zijn keuze verplicht verantwoorden en moeten precieze, juiste, pertinente volledige, duidelijke en niet tegenstrijdige motieven uitdrukkelijk en nauwkeurig worden vermeld (…). De motieven van de overheidsbeslissing moeten duidelijk, logisch en consistent zijn, aanvaardbaar zijn met het oog op recht, de feiten en het beleid. Een motivering van een besluit waarbij aan het bestuur beleidsvrijheid gelaten wordt kan enkel als draagkrachtig worden aanvaard zo daarbij aangeknoopt wordt bij een beleid. De motivering wordt derhalve aan het beleid getoetst dat vaak is neergelegd in richtlijnen en beleidsregels (…). Een stedenbouwkundige vergunning moet het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar overnemen conform artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  16. Deze verplichting ontslaat het college van burgemeester en schepenen er echter niet van zelf de zaak te onderzoeken en in de beslissing de eigen motieven tot het verlenen of het weigeren van een vergunning te vermelden, te meer daar het college de plaatselijke situatie zoveel beter kent dan de gemachtigde ambtenaar. Wanneer de beslissing zich enkel beperkt tot het overnemen van het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar en geen eigen motieven bevat, is de formele motiveringsplicht duidelijk geschonden (…). (...) De motivering waarom iets stedenbouwkundig verenigbaar is met een bepaalde omgeving of de goede plaatselijke aanleg niet verstoort, is immers per definitie een beoordeling in feite en de Raad van State moet al de feitelijke gegevens die de beslissing kunnen verantwoorden hierin aantreffen. Stijlformules zijn dan ook uit den boze (…). In ieder geval kan in voorliggend geval zonder enige twijfel gesteld worden dat de precieze, juiste, pertinente volledige, duidelijke en niet tegenstrijdige motieven noch uitdrukkelijk noch nauwkeurig worden vermeld maar duidelijk afwezig zijn. X-14.084- 7/12 Het bestreden besluit schendt dan ook de motiveringsplicht. Onverminderd alle andere middelen, aan te vullen na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de raad van state stelt verzoeker het volgende middel tot nietigverklaring voor”.
  17. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord, met verwijzing naar de artikelen 49 en 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), dat zij in het bestreden besluit uitdrukkelijk naar artikel 49 van het gecoördineerde decreet heeft verwezen waarmee zij “heeft aangeduid op basis van welke regelgeving zij tot het besluit is gekomen dat de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komt”. Zij stelt dat “een afwijking van de voorschriften van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg slechts mogelijk is op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen” en dat zij bijgevolg geen afwijking van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg “Kraanhof” kan toestaan aangezien niet wordt betwist dat er geen gemotiveerd afwijkingsvoorstel van het college van burgemeester en schepenen is. Bovendien verwijst zij naar de onder randnummer 8 hierboven vermelde nota van de derde directie van het provinciebestuur waarom de aanvraag ongunstig wordt geadviseerd. Voorts repliceert zij dat het bestreden besluit afdoende gemotiveerd is en zij als orgaan van actief bestuur “er niet toe gehouden is al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden, (maar) dat het volstaat dat in de beslissing duidelijk wordt aangegeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord”.
  18. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker het volgende: “In de memorie van antwoord van de deputatie wordt melding gemaakt van een nota van 26 november 2008 van de derde directie van het provinciebestuur sectie ruimtelijke ordening - vergunningen, welke een ongunstig advies heeft verleend aan de deputatie van de provincie Limburg met betrekking tot het ingediende beroep (…). In dit advies wordt gesteld dat overeenkomstig art. 5 § 1 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen de woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf, voor zover deze takken X-14.084- 8/12 van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd zijn bestemd in het gewestplan als woongebied. De ordening ter plaatse is bepaald volgens dit advies met het BPA Kraanhof, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 april
  19. Verder wordt gemeld dat overeenkomstig art. 19 van het inrichtingsbesluit de vergunning, ook al is de aanvraag niet strijdig met de bestemming van het gewestplan, slechts afgegeven wordt zo de uitvoering van de werken en de handelingen verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening. Dit alles staat evenwel niet vermeld in de bestreden beslissing. Erger nog, thans wordt een document bijgebracht in de argumentatie van de deputatie, m.n. de nota van de derde directie van het provinciebestuur van 28 november 2008, waarvan voorheen nooit sprake was en waarnaar ook niet verwezen werd in de bestreden beslissing. Verzoekende partij kreeg nooit kennis van dit document en kon er dan ook niet op reageren tijdens de hoorzitting. Het gaat uiteraard niet op als argumentatie thans in de procedure voor de raad van state te verwijzen naar een document van de derde directie, m.n. een advies waarop de beslissing van de deputatie gesteund is zonder dat ooit naar dit advies werd verwezen of zonder dat er ooit melding van werd gemaakt of dat daarin aangehaalde argumenten worden weergegeven. Het is uiteraard niet omdat de deputatie het recht heeft om te oordelen of de aanvraag strijdig is met de voorschriften, zoals opgelegd in het goedgekeurde BPA Kraanhof dat er niet zou moeten geargumenteerd worden om welke reden het beroep van verzoekende partij bij de deputatie ongegrond zou zijn. Men mag minimaal verwachten van een administratieve beroepsprocedure bij de deputatie dat men antwoordt op de argumenten die worden weergegeven. Het is uiteraard niet omdat de deputatie een orgaan van actief bestuur is dat er geen argumentatie zou moeten worden gegeven met betrekking tot de gefundeerde argumenten die werden aangehaald door verzoekende partij”.
  20. In de laatste memorie verwijst de verzoeker naar het bezwaarschrift dat door Olga Vandepaer, “eigenares van het appartement 69/2”, naar aanleiding van het openbaar onderzoek is ingediend, terwijl zij nochtans “de plannen heeft ingekeken en uitdrukkelijk haar schriftelijk akkoord heeft laten geworden”. Beoordeling
  21. Gelet op het suppletoir karakter van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, wordt de X-14.084- 9/12 schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het gecoördineerde decreet, dat aan de deputatie, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de eerst genoemde wet. Aan de door voormelde decreetsbepaling opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen vermeldt waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Wanneer de deputatie over een op grond van artikel 53 van het gecoördineerde decreet ingesteld administratief beroep uitspraak doet, treedt zij op, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Zij kan als zodanig volstaan met in haar besluit de redenen aan te geven waarop zij haar beslissing steunt, en is er daarbij niet toe gehouden alle door de partijen aangevoerde argumenten te beantwoorden.
  22. Het bestreden besluit overweegt onder meer wat volgt: “Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te verkrijgen voor het plaatsen van een afdak boven een bestaand terras bij een appartement op het kadastraal perceel eerste afdeling sectie A, nr. 710S 5 aan de Neerstraat 69 te Tessenderlo; (...) Overwegende dat de ordening ter plaatse verder bepaald is met het bij ministerieel besluit van 28 april 1986 goedgekeurde BPA ‘(Kraanhof)’, (...); dat het perceel volgens dit BPA gesitueerd is in een zone voor gesloten bebouwing/zone aanhorigheden; (...) Overwegende dat de aanvraag werd onderworpen aan de speciale reglementen van openbaarmaking, bepaald bij besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000; dat er één bezwaarschrift werd ingediend; (...) dat het ingediende bezwaar wijst op het feit dat de constructie achter het bestaande appartement erg hinderlijk is (visueel) aangezien het dak van deze constructie boven de eerste bouwlaag uitsteekt en het uitzicht op het dakterras van verdieping 1 erg hindert; Overwegende dat huidige aanvraag in feite een regularisatie betreft, aangezien het afdak ondertussen reeds werd geplaatst; dat het perceel, X-14.084- 10/12 waarop de aanvraag betrekking heeft, gelegen is in het BPA ‘(Kraanhof)’; dat er een totale bouwdiepte van 23 m wordt gevraagd i.p.v. maximum 19m, hetgeen een afwijking inhoudt op de voorschriften; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning rechtstreeks weigerde; dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en latere wijzigingen, een afwijking enkel kan worden toegestaan op een met reden omkleed voorstel van het college van burgmeester en schepenen; dat aangezien het college geen afwijking wenste toe te staan, maar rechtstreeks de vergunning geweigerd heeft, de aanvraag ook in beroep niet voor vergunning in aanmerking komt; dat het beroep niet kan worden ingewilligd”.
  23. Het wordt niet betwist dat de aanvraag een afwijking inhoudt van de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg “Kraanhof”. Evenmin wordt betwist dat geen voorstel van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo tot afwijking van dat bijzonder plan van aanleg voorligt.
  24. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “§
  25. De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed. De vergunning kan worden geweigerd om dezelfde redenen, worden verleend onder de voorwaarden of kan de afwijkingen toestaan, bedoeld in de artikelen 43, 44 en 49”. In tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden besluit wel degelijk de rechtens vereiste juridische grondslag aangeduid op grond waarvan de vergunning wordt geweigerd.
  26. Het toentertijd geldende artikel 49 van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de X-14.084- 11/12 afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. In casu ligt geen met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tessenderlo voor op grond waarvan de deputatie een afwijking van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg had kunnen toestaan. De verwerende partij kon dan ook niet anders doen dan, zoals zij heeft gedaan, vaststellen dat om die reden de aanvraag “niet voor vergunning in aanmerking komt”. De argumentatie van de verzoeker is voor het overige dan ook niet pertinent. Het enig middel is ongegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-14.084- 12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.