id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.356 Rolnummer: A. 161368/IX-4840 Zaak: Arrest 209356 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Arrest nr 209.356 van 30 november 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.356 van 30 november 2010 in de zaak A. 161.368/IX-4840 In zake : Martine ROOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Betty Buggenhoudt kantoor houdend te Nazareth, Drapstraat 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
(2004)ALLEEN DE KLEINE GANG ZOU HEBBEN VERZORGD, TERWIJL DIT NIET ZO WAS. Ook hier weer komt men met een absurd verhaal aandraven, aangebracht door Mevr. R.V.S., de collega met wie verzoekster dienst had. Verzoekster had volgens de omschrijving van de feiten namiddagdienst. Mevr. R.V.S. verklaart: ‘ze deed met mij de avonddienst’, hetgeen duidt op een eerste tegenstrijdigheid. Indien beide dames samen dienst hadden, hoe kan verzoekster dan bij aanvang al gezegd hebben dat zij de kleine gang alleen verzorgd had? Dit is totaal onredelijk. Bij de aanvang van werk dat dient te gebeuren, gaat men toch niet zeggen dat het werk al gedaan is? IX-4840-24/50 Verder is het materieel onmogelijk voor een verpleegkundige of een verzorgster om in haar eentje een ganse gang af te werken. Het gaat om dementerende bejaarden. Deze zijn gelet op hun leeftijd niet mobiel en in geval van dementie kunnen zij dikwijls de orders die hen worden opgedragen niet uitvoeren. Zo weten verschillende bejaarden niet meer hoe ze moeten meewerken om andere kledij aan te doen, luiers te verversen, in bed te stoppen. Een dergelijke bejaarde is totaal immobiel en letterlijk een dood gewicht. Om een luier aan te doen moet men deze bejaarde in zijn of haar bed opheffen, en dan de luier verwijderen en een nieuwe aanbrengen. Het is evident dat dit materieel onmogelijk alleen kan worden gedaan door één persoon, laat staan dat deze een ganse gang afwerkt op een mum van tijd. Verzoekster ontkent formeel dat zij zou hebben beweerd de kleine gang alleen te hebben afgewerkt en gezegd tegen haar collega dat het werk vlug gedaan zal zijn. Dit is totaal absurd. Iedereen met een greintje verstand weet dat men dergelijke taak niet alleen aankan en dat een dergelijke uitspraak op zich totaal absurd en ongeloofwaardig is. Mevr. R.V.S.’s verklaringen worden nog ongeloofwaardiger wanneer zij stelt dat verzoekster zou hebben beweerd dat zij de residenten een andere luier heeft aangedaan tijdens het opdienen van het eten. Verzoekster zou dan de tijd hebben gehad om én eten te brengen én alleen de verzorging te doen? Verzoekster zou dan met vuile handen eten hebben gebracht? Dit is totaal ongeloofwaardig en absurd. Verzoekster heeft nooit dergelijke uitspraak gedaan. De gang werd afgewerkt samen met de verzorgster op de wijze zoals het behoorde. Ook hier weer neemt Overo de op de hoorzitting van 8 juni herhaalde beschuldigingen aan als een bewijs door getuigen, zonder dat er enig objectief element bestaat dat de feiten degelijk bewijst. ONDERDEEL 5.
- GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER OP 24 MAART 2004 EEN TEMESTA GAF AAN DHR. C.J. Volgens Mevr. R.V.S. zou verzoekster op 24 maart een Temesta gegeven hebben aan een resident die dit niet nodig zou hebben. Ook deze verklaring is niet meer dan een beschuldiging die op geen enkel objectief gegeven is gestoeld. Vooreerst was deze resident niet agressief in die periode. Hij kreeg zelfs te veel Haldol toegediend, zodat hij meestal zo verdoofd was dat hij in zijn broek urineerde zonder het te beseffen. Dhr. C.J. was zo mak als een lammetje, zodat het totaal onnodig was hem een Temesta te geven. Dhr. C.J. mocht trouwens een Temesta toegediend krijgen, indien hij niet kon slapen. Dit wordt dan ook genoteerd als er een Temesta wordt gegeven. In casu is die dag door verzoekster niets afgetekend, dus is er ook geen Temesta gegeven. De verklaring van Mevr. R.V.S. is dan ook door geen enkel objectief element bewezen. Meer nog, de voorzitter brak tijdens de hoorzitting dit discussiepunt af, zodat er hoegenaamd niets bewezen werd. IX-4840-25/50 ONDERDEEL 5.15: GEEN BEWIJS VAN FOUT BIJ DE VERMEENDE ‘VERDWIJNING’ OP DE DIENST ROND 18 UUR 45 OP 24 MAART
- Ook deze bewering is niet eens gestaafd door een objectief gegeven. Het is enkel Mevr. R.V.S. die deze verklaring aanbrengt en haar eigen ongefundeerde beschuldiging weerom als getuigenbewijs laat kwalificeren. Verzoekster stelde dat zij steeds oproepbaar was via het oproepsysteem. Dit was niet eens gebruikt. Verzoekster had die dag geen oproep gekregen. Het is inderdaad mogelijk dat verzoekster bezig was een resident te helpen naar het toilet te gaan etc. zodat zij niet onmiddellijk beschikbaar was voor haar collega. Doch dit kan geen bewijs van fout in hoofde van verzoekster zijn. Zij kan onmogelijk op twee plaatsen tegelijkertijd zijn. Ook hier weer is niets bewezen.” De verzoekster besluit deze bespreking als volgt: “Slotsom is dat men enkel aan de hand van loze beschuldigingen overgaat tot het laten bevestigen van deze beschuldigen en deze als getuigenbewijs aanneemt. Echter, geen enkel aangebracht feit wordt door een andere getuige bevestigd of aannemelijk gemaakt. Het enige feit dat door meerdere getuigen zou zijn vastgesteld, betreft de beschuldiging van de verkeerde medicatie op een moment dat verzoekster niet werkte. Er kan dus totaal geen sprake zijn van een redelijke en objectieve bewijsvoering. Alle aangebrachte beweringen komen uit één rapport van de hoofdverpleegster d.d. 26 maart 2004, hetgeen verzoekster nooit heeft gezien vóór de tuchtprocedure. Dit is ook nooit met verzoekster besproken, laat staan dat de inhoud ervan ten tijde van de vermeende feiten met verzoekster is besproken. Pas een maand na dat rapport (op 20 april 2004) wordt verzoekster geacht tekst en uitleg te geven omtrent zaken die zij zou hebben gezegd aan haar collega’s of omtrent vaststellingen van collega’s waaruit zeer vergezochte gevolgtrekkingen worden genomen. Nergens is er sprake geweest van enige evaluatie van verzoekster. Verzoekster werd voor het vuurpeloton geplaatst met het enige doel haar te doen ontslaan op basis van onbewezen beweringen en veronderstellingen.” 13.
- In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekster nog het volgende gelden: “2.3.
- In eerste instantie moet worden vastgesteld dat waar de minister in zijn besluit van 3 mei 2005 verwijst naar ‘zeven verklaringen die in dezelfde richting wijzen’, in werkelijkheid: - negen personen werden opgeroepen; - waarvan er acht werden gehoord; - waarbij hoofdverpleegkundige M.S. en directeur D.D.S. geen enkel van de weerhouden feiten zelf hebben vastgesteld, doch alles wat zij menen IX-4840-26/50 te weten slechts uit tweede hand hebben vernomen van één van de andere zes gehoorde personen; - waarbij bovendien de feiten welke door N.V., I.L. en P.D. kenbaar werden gemaakt niet bewezen werden geoordeeld; zodat finaal de als bewezen weerhouden feiten uitsluitend teruggaan op de verklaringen van drie i.p.v. zeven personen, te weten M.V.M., Chr. D. en R.V.S., waarbij geen enkel feit door meer dan één persoon kan worden bevestigd. 2.3.
- De verklaringen van M.V.M. hebben betrekking op: - het toedienen van medicatie op het moment dat de resident helemaal geen medicatie diende te hebben, namelijk op 12 februari aan resident V.V.M., waardoor deze resident twee dagen suf en slaperig was (feit 1); - het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie, namelijk op 14 maart 2004 alle medicatie fout gelegd op de plateaus van de residenten, fout die hersteld werd door een collega (feit 2b); - het op het verkeerde tijdstip meten van de bloedsuikerspiegel (glycemiecontrole) (feit 5); - het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval) , namelijk op 23 maart 2004 een aanpriknaald in het bed van resident V.V.M. laten liggen (feit 7a). Wat feit 1 betreft: het toedienen van medicatie op het moment dat de resident helemaal geen medicatie diende te hebben, namelijk op 12 februari aan resident V.V.M., waardoor deze resident twee dagen suf en slaperig was (feit 1); In eerste instantie dient vastgesteld dat betrokkene het beweerde feit niet zelf heeft vastgesteld doch slechts uit tweede hand, heeft vernomen, meer bepaald van C.D. C.D. zelf werd nooit gehoord en kon dus ook nimmer door verzoekster worden ondervraagd, zodat alleen al om die reden dit feit niet in aanmerking kon worden genomen. Anderzijds dient te worden vastgesteld dat de verklaring van M.V.M. in tegenstrijd is met de verklaring van hoofdverpleegkundige M.S., volgens dewelke de feiten zouden zijn vastgesteld door C.D., die deze dan 's anderdaags aan M.V.M. zou hebben gemeld, terwijl volgens de verklaring van laatstgenoemde zij zelf de gemaakte fout op het spoor zou zijn gekomen en daarover C.D. zou hebben aangesproken. Los daarvan, blijkt uit de door hoofdverpleegkundige M.S. gegeven uitleg dat de medicatie voor de residenten daags voordien wordt klaargezet om dan de dag zelf door een ander lid van het verplegend personeel te worden verdeeld over de plateaus voor de voedselbedeling en dan tenslotte door een derde lid van het verzorgend personeel aan de betrokken resident te worden gegeven. In zulke regeling kan bezwaarlijk aan de derde in de rij worden verweten aan de desbetreffende resident de medicijnen te hebben toegediend die op de voor hem bestemde plateau werden klaargezet, nu daarvoor reeds twee controlepunten zijn ingebouwd en het niet de bedoeling kan zijn dat bij het eigenlijke uitdelen van de medicijnen tijdens de voedselbedeling nogmaals wordt nagegaan of de IX-4840-27/50 klaargezette medicijnen wel degelijk overeenstemmen met hetgeen de resident in kwestie dient in te nemen. In zoverre er daadwerkelijk verkeerdelijk bepaalde medicijnen aan de resident in kwestie werden toegediend, is dit dus geenszins te wijten aan enige fout in hoofde van verzoekster, welke enkel de medicijnen heeft toegediend die waren klaargezet, hetgeen niet door haar werd gedaan - doch integendeel, zoals blijkt uit het uurrooster van 12 februari 2004, door M.V.M. zelf (!). Wat feit 2b betreft: het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie, namelijk op 14 maart 2004 alle medicatie fout gelegd op de plateaus van de residenten. Uit het verslag van hoofdverpleegkundige M.S. blijkt dat verzoekster die dag enkel de reeds daags voordien klaargezette medicijnen over de plateaus van de residenten heeft verdeeld. Anderzijds blijkt uit de verklaring van M.V.M. dat klaarblijkelijk een deel van de medicijnen daags voordien gewoonweg niet was klaargezet, namelijk die voor ‘het klein gangske’, aangezien deze klaarblijkelijk ontbraken en de pertinente opmerking van verzoekster dienaangaande dat de medicijnen niet klaar stonden en zij de medicijnen in kwestie toch niet had weggegooid, niet door M.V.M. werd tegengesproken. Waar aldus klaarblijkelijk fouten werden gemaakt door de persoon die de medicijnen daags voordien diende klaar te zetten, is het volstrekt onduidelijk wat M.V.M. meent aan verzoekster te kunnen verwijten. Enig concreet verwijt blijkt ook niet uit haar verklaring. Er blijkt enkel uit dat er onduidelijkheid was omtrent de te verdelen medicijnen en dat zij dit klaarblijkelijk aan verzoekster meende te kunnen verwijten, doch waarom precies, welke fout verzoekster dan wel zou moeten hebben gemaakt, blijkt nergens uit. Wat feit 5 betreft: het op het verkeerde tijdstip meten van de bloedsuikerspiegel (glycemiecontrole). Het is in het geheel niet duidelijk op basis waarvan de stelling wordt geponeerd dat de glycemiecontrole om 15.00 uur werd uitgevoerd, terwijl enerzijds er niets werd genoteerd in het verzorgingsblad en anderzijds M.V.M. klaarblijkelijk niet om 15.00 uur aanwezig was en de spuit pas om 16.00 uur heeft gevonden. Aldus staat geenszins vast dat de desbetreffende spuit door verzoekster werd achtergelaten, daar waar uit de verklaring van getuige P.D. blijkt dat feitelijk nooit kan worden aangeduid door wie een spuit werd achtergelaten, reden waarom het feit van het achterlaten van een insulinespuit op de verbandkar niet werd weerhouden. Wat feit 7a betreft: het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 23 maart 2004 een aanpriknaald in het bed van resident V.V.M. laten liggen. Verzoekster verwijst naar hetgeen zij hiervóór heeft uiteengezet, meer bepaald dat de gegevens van het tuchtdossier geenszins toelaten met zekerheid te besluiten dat de spuit in kwestie door verzoekster werd achtergelaten. IX-4840-28/50 2.3.
- De verklaringen van Chr. D. hebben betrekking op: - het op het verkeerde tijdstip toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur te hebben gegeven (feit 3); - het niet toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 de avond medicatie van resident D.A. niet te hebben gegeven (feit 4a); - het onzorgvuldig omspringen met medicatie, namelijk op 23 maart 2004 3 comprimés Imovane waarvan slechts één bestemd voor een residente (feit 10); - het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 24 maart 2004 een subcutane naald laten liggen in het bed van residente E.S. (feit 7c); - het incorrect doorgeven aan collega's van heel belangrijke informatie (feit 9). Wat het feit 3 betreft: get op het verkeerde tijdstip toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur te hebben gegeven (feit 3). Ook hier is er geen enkel concreet bewijs, behalve de door verzoekster met klem betwiste verklaring van Chr. D., dewelke echter vragen oproept. Immers wordt verzoekster verweten haar werk ondoelmatig te organiseren en daardoor niet rond te komen, terwijl zij in dit geval niettemin de tijd zou hebben gevonden om haar taken te volbrengen - er is immers geen enkele klacht of enig ander spoor dat zij dat de bewuste dag niet zou hebben gedaan - en daar bovenop ook de medicijnen van 22.00 uur te verdelen, hetgeen niet tot haar taak behoorde. Bovendien wekt het verwondering dat, ervan uitgaande dat verzoekster met argusogen werd bekeken en allesbehalve het vertrouwen van de rest van het personeel genoot, Chr. D. dit feit, waaraan dan toch het voor haar belangrijke risico verbonden was dat er fouten zouden zijn gebeurd in het verdelen van de medicatie, welke dan aan haarzelf zouden worden toegeschreven, niet aan de hoofdverpleegkundige heeft vermeld, doch er louter mee heeft volstaan een briefje in de kast van verzoekster te deponeren. Overigens is dit laatste op zich al vreemd, gezien volgens de verklaring van Chr. D. één en ander haar door verzoekster zou zijn meegedeeld, zodat men niet inziet wat er Chr. D. dan van zou weerhouden hebben om onmiddellijk aan verzoekster mee te delen dit niet meer te doen, eerder dan via een briefje in haar kleerkastje. Wat betreft het feit 4a: het niet toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 de avondmedicatie van resident D.A. niet te hebben gegeven. Betrokken verklaart enkel: ‘Ja dat is waar. Want we wisten op de duur niet meer is de medicatie gegeven of niet’. Nochtans wordt de medicatie daags voordien klaargezet, zodat dan toch op eenvoudige wijze kan worden uitgemaakt of ze al dan niet werd verstrekt: indien niet, dan moeten er nog medicijnen overgebleven zijn; is dit niet het geval, dan werden alle klaargezette medicijnen klaarblijkelijk verdeeld. IX-4840-29/50 De uitleg van betrokkene is dan ook volstrekt onduidelijk. Wat betreft het feit 10: het onzorgvuldig omspringen met medicatie, namelijk op 23 maart 2004 3 comprimés Imovane waarvan slechts één bestemd voor een residente. Waar ook hier verzoekster de beweringen van Chr. D. met klem tegenspreekt, verklaarde laatstgenoemde op gegeven ogenblik dat R.V.S. bij haar stond. Evenwel is in de verklaring van laatstgenoemde daarover niets terug te vinden. Wat betreft het feit 7c: het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 24 maart 2004 een subcutane naald laten liggen in het bed van residente E.S. Dienaangaande bevestigt Chr. D. uitdrukkelijk dat het mogelijk is dat de spuit er al langer lag en niet eerder werd opgemerkt, zodat ook hier geen zekerheid bestaat dat de spuit in kwestie door verzoekster werd achtergelaten. Wat betreft het feit 9: het incorrect doorgeven aan collega's van heel belangrijke informatie. Ook dit gegeven is volstrekt oncontroleerbaar. Wel is het wederom zeer vreemd dat, indien wordt vastgesteld dat een lid van het verplegend personeel klaarblijkelijk niet over de meest elementaire kennis beschikt met als gevolg dat de gezondheid van de residenten in gevaar kan worden gebracht, zulks niet onmiddellijk aan de hoofdverpleegkundige is gemeld en daar niet de [minste] schriftelijke neerslag van bestaat. 2.3.
- De verklaringen van R.V.S. hebben betrekking op: - het niet of onvoldoende verzorgen van residenten, namelijk op 23 maart bepaalde residenten geen verse pamper te hebben aangedaan en een welbepaalde patiënte omgekeerd in bed te hebben gelegd (feit 11); - het toedienen van medicatie zonder dat er een formele opdracht is gegeven, namelijk op 24 maart 2004 een Temesta SL aan C.J. (feit 6); - het afwezig zijn op de dienst tijdens haar werkuren, namelijk gedurende twintig minuten op 24 maart 2004 omstreeks 18.45 uur (feit 8). Wat betreft het feit 11: het niet of onvoldoende verzorgen van residenten, namelijk op 23 maart bepaalde residenten geen verse pamper te hebben aangedaan en een welbepaalde patiënte omgekeerd in bed te hebben gelegd (feit 11); De beweringen van betrokkene zijn niet alleen andermaal volstrekt oncontroleerbaar, doch tevens geheel ongeloofwaardig. Verzoekster stelt dienaangaande vast dat de argumenten die zij heeft ontwikkeld voor het tuchtcollege op geen enkele wijze zijn weerlegd en het tuchtcollege integendeel gewoonweg de gezegdes van R.V.S. voor waar heeft aangenomen. IX-4840-30/50 Wat betreft het feit 6: het toedienen van medicatie zonder dat er een formele opdracht is gegeven, namelijk op 24 maart 2004 een Temesta SL aan C.J. Hier geldt hetzelfde, waarbij bovendien de voorzitter de discussie zonder meer heeft afgebroken, waaruit op zich reeds blijkt dat er klaarblijkelijk geen elementen konden worden gevonden die de echtheid van de beweringen van R.V.S. konden bevestigen, dan wel de stelling van verzoekster konden weerleggen. Wat betreft feit 8: het afwezig zijn op de dienst tijdens haar werkuren, namelijk gedurende twintig minuten op 24 maart 2004 omstreeks 18.45 uur. Waar uit de tenlastelegging zelf blijkt dat in voorkomend geval verzoekster ermee zou hebben kunnen volstaan R.V.S. te verwittigen van het feit dat zij door maagpijn werd geplaagd, blijft de vraag onbeantwoord waarom verzoekster [...] in voorkomend geval, indien zij daadwerkelijk de dienst zou hebben moeten verlaten omwille van maagpijn, dit dan niet eenvoudigweg zou hebben gedaan. Anderzijds is op geen enkele wijze verder ingegaan op de zeer plausibele verklaring van verzoekster dat zij mogelijks bezig was met het helpen van een resident op het toilet.” 13.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekster nog dat, zo de Raad van State zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen voor de beoordeling van de feiten, hij toch wel een zeker toezicht moet uitoefenen op de beslissing van de tuchtoverheid dat bepaalde feiten bewezen zijn. Te dezen zijn niet enkel de elementen waarop de tuchtstraf is gebaseerd vatbaar voor kritiek, maar getuigt ook de houding van de tuchtoverheid van lichtzinnigheid in de beoordeling van de feiten. Daardoor kon de tuchtoverheid niet in redelijkheid de feiten, of sommige ervan, voor bewezen houden. De verzoekster gaat dan opnieuw in op een aantal feiten die volgens de tuchtoverheid bewezen zijn. In verband met de onderdelen 5.1 en 5.3 van het middel (feiten van 12 februari en 14 maart 2004) voert de verzoekster aan dat het niet zo is dat omdat een geheel aan verklaringen voorligt, sommige beweerde feiten zonder meer aangenomen kunnen worden en voor bewezen kunnen worden gehouden. Er kan maar bewijswaarde aan een verklaring worden toegekend, indien deze verklaring ook bewezen is. De verzoekster stelt terzake pertinente gegevens aangebracht te hebben die aantonen dat het onmogelijk is dat zij de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd. Niet zij, maar M.V.M. heeft terzake fouten begaan. IX-4840-31/50 Ook in verband met de onderdelen 5.4, 5.13, 5.6, 5.8, 5.7, 5.15, 5.14, 5.10, 5.9 en 5.12 van het middel (feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de middagdiensten van 23 en 24 maart 2004) voert de verzoekster aan dat de enkele omstandigheid dat een geheel van verklaringen voorligt, die alle in dezelfde zin wijzen, niet met zich brengt dat bewijswaarde aan die verklaringen gehecht moet worden.
- De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat de verzoekster in haar bezwaar bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad Oost-Vlaanderen geen opmerkingen gemaakt heeft over een gebrek aan bewijs van de haar ten laste gelegde feiten. Voor het overige achten de verwerende partijen het middel ongegrond. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- In verband met de ontvankelijkheid van het middel moet worden vastgesteld dat de verzoekster in het kader van de goedkeuringsprocedure voor de bestendige deputatie een bezwaarschrift heeft ingediend, en dat zij daarin inderdaad niet met zoveel woorden heeft aangevoerd dat de raad van beheer van OVERO zijn beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn. Er moet echter ook worden vastgesteld dat de verzoekster het bewijs van de feiten wel heeft betwist in haar beroep bij de Vlaamse regering, en dat de Vlaamse minister in het bestreden besluit van 3 februari 2005 deze bezwaren uitdrukkelijk en ten gronde heeft onderzocht. In die omstandigheden kan de verzoekster haar grieven in verband met het bewijs van de feiten ook voor de Raad van State aanvoeren. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-4840-32/50
- Ambtshalve moet worden vastgesteld dat de onderdelen 5.2 (“Geen bewijs van het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie op 5 maart 2004”) en 5.11 (“Geen bewijs dat verzoekster een insulinespuit zou hebben achtergelaten [...] op de verbandkar in de linnenkamer op 23 maart 2004”) betrekking hebben op feiten die volgens het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO niet bewezen zijn. Onderdeel 5.5 (“Geen bewijs dat verzoekster een strip Xanax heeft ontvreemd”) heeft voorts betrekking op een feit waarover in het voornoemde besluit met geen woord wordt gerept, zoals de verzoekster trouwens zelf aangeeft. De bedoelde onderdelen van het middel zijn dus deels gericht tegen overwegingen in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO die voor de verzoekster niet griefhoudend zijn, en bevatten deels beschouwingen die vreemd zijn aan de bestreden besluiten. De verzoekster heeft dan ook geen belang bij die onderdelen. In zoverre is het middel onontvankelijk. Gegrondheid van het middel
- In het schorsingsarrest nr. 149.026 van 19 september 2005 heeft de Raad van State het middel als volgt beoordeeld: “5.3.2.
- Overwegende dat, zoals de tweede verwerende partij overigens terecht opmerkt, de Raad van State in dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat het niet zijn taak is om in de plaats van de tuchtoverheid het onderzoek van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten over te doen en te oordelen over het bewezen zijn van deze feiten; dat hij enkel vermag na te gaan of de tuchtoverheid op grond van het voorliggende dossier in recht en redelijkheid tot het bewezen zijn van de feiten kon besluiten; 5.3.2.
- Overwegende dat in het ministerieel besluit van 3 mei 2005 houdende de verwerping van verzoeksters beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie met betrekking tot het middel wordt overwogen: ‘Overwegende dat het vreemd lijkt dat zeven verklaringen die in dezelfde richting wijzen, zouden moeten worden beschouwd als zijnde absurde onjuiste verklaringen; dat de getuigenissen daarentegen zeer concreet zijn; dat er door mevrouw Roos geen getuigen werden opgeroepen die haar verklaringen konden staven en de tenlasteleggingen weerleggen, verzachten of een ander licht op de zaak werpen; dat zij evenmin concrete tegenargumenten opwerpt waaruit zou blijken dat de getuigenissen onbetrouwbaar of onjuist zouden zijn. IX-4840-33/50 Overwegende dat er geen aanwijzingen zijn in de verslagen van de hoorzittingen om te besluiten dat lichtzinnig werd omgesprongen met de verklaringen van de collega's van Martine Roos; dat uit niets kan worden afgeleid dat al die verklaringen onjuist zouden zijn, noch dat Overo niet zorgvuldig de zaken heeft onderzocht of zonder voldoende ernst tot haar besluit is gekomen; dat Overo met andere woorden niet manifest onzorgvuldig is te werk gegaan, noch kennelijk onredelijk tot een besluit gekomen op basis van de getuigenverklaringen; dat deze getuigenverklaringen redelijkerwijze als bewijs konden worden aanvaard’; 5.3.2.
- Overwegende dat verzoekster deze overwegingen niet bekritiseert; dat zij in haar verzoekschrift tot schorsing zich ertoe beperkt letterlijk de argumentatie te herhalen die zij met betrekking tot het middel in haar beroepschrift bij de minister heeft ontwikkeld, maar die door de minister op grond van de bovenstaande overwegingen werd verworpen; dat die overwegingen van de minister kunnen worden bijgevallen; dat in de huidige stand van de rechtspleging, na een prima facie-onderzoek dat aan het administratief kort geding eigen is, aan deze overwegingen niets wezenlijks toegevoegd kan worden; dat het vijfde middel evenmin ernstig is;”
- De Raad van State bevestigt de aangehaalde overwegingen van het schorsingsarrest, inzonderheid in zoverre overwogen wordt dat de Raad van State ten aanzien van de beoordeling van de feiten slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt en in zoverre verwezen wordt naar de overwegingen van het bestreden ministerieel besluit van 3 mei 2005 houdende verwerping van verzoeksters beroep tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie van 12 augustus 2004, overwegingen die de verzoekster in haar verzoekschrift niet als zodanig bekritiseert. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekster erop dat de Raad van State in zijn schorsingsarrest slechts heeft beslist op basis van een prima facie-onderzoek van het middel. Zij nodigt de Raad uit, in het kader van het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring, tot een “meer diepgaand nazicht” van de elementen waarop de bestreden tuchtstraf is gebaseerd. In wat hierna volgt zal de Raad nader ingaan op de onderscheiden onderdelen van het middel, mede aan de hand van hetgeen de verzoekster bijkomend in haar memorie van wederantwoord en haar laatste memorie heeft uiteengezet.
- Onderdeel 5.1 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 12 februari 2004 medicatie heeft toegediend aan V.V.M., terwijl deze resident helemaal geen medicatie behoefde. IX-4840-34/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het slechts om een getuigenis uit tweede hand gaat, dat er een tegenstrijdigheid is tussen het getuigenis van M.V.M. en dat van de hoofdverpleegkundige M.S. omtrent de wijze waarop M.V.M. van het feit kennis zou hebben gekregen, en dat aan de verzoekster, die slechts het eten en de medicatie naar de residenten heeft gebracht, niet kan worden verweten dat zij aan de resident verkeerde medicijnen heeft toegediend, als het een andere persoon is die de medicijnen per kamernummer moest klaarzetten op medicatieplateaus en het nog een andere persoon is die de medicijnen op de maaltijdplateaus voor elke kamer legde. Noch het verweer dat het een verklaring uit tweede hand betreft, noch het verweer dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan omtrent de wijze waarop M.V.M. van het feit kennis zou hebben gekregen, is van die aard dat het de bewijswaarde van de voormelde getuigenverklaring aantast, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. Wat betreft het verweer gesteund op het bestaan van een soort cascadesysteem waarbij verscheidene personen opeenvolgend betrokken zijn bij het bezorgen van medicatie aan de residenten, stelt de Raad van State vast dat de verzoekster haar eigen rol wel minimaliseert, maar niet aantoont dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M. volgens welke het in die cascade van taken de verzoekster is die verantwoordelijk was voor de toediening van medicatie die niet vereist was, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.3 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 14 maart 2004 de medicatie op de plateaus van de residenten foutief heeft klaargezet. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M., die precieze voorbeelden gaf (“op de plateau van 34/2, stonden de medicatie van 34/2 en de medicatie van 26/2”, “de druppels en de pilletjes van 20 stonden bij 28”). Hiertegen voert de verzoekster aan dat de medicatie voor bepaalde residenten ontbrak, hetgeen zij trouwens aan M.V.M. is gaan melden, en dat de resterende medicatie door elkaar geschud was, maar de verzoekster niettemin getracht heeft die medicatie te sorteren. IX-4840-35/50 De argumentatie van de verzoekster beperkt zich tot het wijzen op een moeilijkheid bij het sorteren van de medicatie. Daarmee toont de verzoekster niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M., volgens welke de verzoekster fouten heeft begaan bij het sorteren van de medicatie, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.4 is gericht tegen de vaststellingen in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO, enerzijds, dat de verzoekster op 23 maart 2004 bij resident V.V.M. om 15 uur i.p.v. 18 uur een glycemiecontrole heeft uitgevoerd, en anderzijds, dat zij die dag een aanpriknaald in het bed van V.V.M. heeft laten liggen en aan de familie van V.V.M. heeft verklaard dat ze niet meer wist dat ze deze resident geprikt had. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M., volgens wie er die dag slechts één glucoscot werd genomen. Hiertegen voert de verzoekster aan dat enkel vaststaat dat om 16 uur een spuit is gevonden in het bed van V.V.M. en dat zij die dag middagdienst had, waaruit dan wordt afgeleid dat het de verzoekster is die om 15 uur die spuit zou hebben gegeven en dat de gevonden naald afkomstig is van de door de verzoekster gebruikte spuit. Zij wijst er ook op dat op het verzorgingsblad niets genoteerd stond in verband met een glucoscot. De argumentatie van de verzoekster komt erop neer dat er geen administratief spoor is van het nemen van een glucoscot, en dat het bewijs van de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten steunt op allerlei gevolgtrekkingen. Daarmee toont de verzoekster evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.6 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur heeft gegeven. IX-4840-36/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het tegenstrijdig is te verklaren, enerzijds, dat de verzoekster haar werk ondoelmatig organiseert en daardoor niet rond komt, en anderzijds, dat zij bovenop haar normale taken ook de medicijnen van 22 uur verdeeld zou hebben. Voorts “wekt het verwondering” dat Chr. D. dit feit niet aan de hoofdverpleegkundige heeft gemeld, en hierover slechts een briefje in de kleerkast van de verzoekster heeft gedeponeerd. Ten slotte voert de verzoekster aan dat Chr. D. verklaard heeft dat één en ander haar door de verzoekster zelf zou zijn meegedeeld, zodat men niet goed inziet waarom Chr. D. haar dan niet onmiddellijk heeft gevraagd dit niet meer te doen, eerder dan haar dat via een briefje in de kleerkast te vragen. Het verweer van de verzoekster is niet van die aard dat het de bewijswaarde van de voormelde getuigenverklaring aantast, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.7 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de medicatie voor D.A. op 23 maart 2004 door de verzoekster niet zou zijn toegediend. Voor de beoordeling van het onderdeel moet vooreerst worden gewezen op het feit dat in het bestreden besluit enkel wordt vastgesteld dat op 23 maart 2004 de avondmedicatie niet is gegeven aan resident D.A. Anders dan de verzoekster laat uitschijnen, wordt niet vastgesteld dat zij het was die voor het toedienen van die medicatie verantwoordelijk was. Uit het administratief dossier kan voorts worden afgeleid dat de vaststelling dat de medicatie niet is toegediend steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Deze getuige, die nachtdienst had na de namiddagdienst van de verzoekster, heeft verklaard niet met zekerheid te weten of de medicatie voor D.A. al dan niet reeds door de verzoekster was gegeven, en dat zij om die reden aan D.A. geen medicatie meer durfde geven. Zij heeft ook verklaard aan de verzoekster een briefje te hebben geschreven met de vraag om voortaan de medicatie van 22 uur niet meer te geven, zodat geen fouten gemaakt konden worden. Aan de verzoekster wordt dus verweten, niet dat zij zelf heeft nagelaten om de medicatie aan D.A. te geven, wel dat haar handelingen (het IX-4840-37/50 toedienen van de medicatie van 22 uur om 20 uur) ertoe geleid hebben dat de voorziene avondmedicatie voor D.A. is blijven liggen (en dus misschien in het geheel niet is toegediend). Uitgaande van die lezing van het bestreden besluit is er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaring van de getuige dat de verzoekster de medicatie van 22 uur reeds om 20 uur zou hebben gegeven (verklaring die het voorwerp vormt van het hiervóór besproken onderdeel 5.6) en haar verklaring dat de avondmedicatie van D.A. is blijven staan tot de volgende morgen (verklaring die het voorwerp vormt van het thans besproken onderdeel 5.7). In zoverre de verzoekster aan het bestreden besluit verwijt dat dit de verzoekster verantwoordelijk stelt voor iets dat niet tot haar taken behoorde, gaat zij uit van een verkeerde lezing van het besluit. In zoverre de verzoekster aan het bestreden besluit verwijt dat dit geen details bevat over de medicatie die is blijven staan, moet opgemerkt dat verdere details niet nodig zijn voor een goed begrip van de aan de verzoekster verweten tekortkoming. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster ook nog aan dat de verklaring van Chr. D. onduidelijk is, in zoverre deze getuige zelf verklaart dat zij op de duur niet wist of de medicatie nu gegeven was of niet. Afgezien van de vraag of deze grief zelf wel voldoende duidelijk is en gericht is tegen de bestreden beslissing, moet in elk geval opgemerkt worden dat het gaat om een nieuwe grief, die niet voor het eerst in een memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd.
- Onderdeel 5.8 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 drie comprimés Imovane (een slaapmiddel) in haar hand had, waarvan één bedoeld zou zijn voor de residente M.V.S. en niet duidelijk was voor wie de twee andere bedoeld waren. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat haar verhaal “totaal absurd” is en door niets bewezen wordt. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekster hieraan toe dat over het IX-4840-38/50 betrokken feit met geen woord gerept wordt door getuige R.V.S., alhoewel deze getuige volgens getuige Chr. D. bij deze laatste stond. De argumentatie van de verzoekster komt erop neer dat de verklaring van Chr. D. ongeloofwaardig is. De verzoekster toont evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van Chr. D., mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. De omstandigheid dat R.V.S. het niet gehad heeft over de drie comprimés Imovane, doet aan die conclusie geen afbreuk. Deze getuige is over dat feit eenvoudig niet ondervraagd.
- Onderdeel 5.9 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 een subcutane naald heeft laten liggen in het bed van residente E.S. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D., die de spuit +s nachts heeft gevonden. Hiertegen voert de verzoekster in de eerste plaats aan dat uit een tijdens de hoorzitting gevoerde discussie met de getuige blijkt dat er geen zekerheid is omtrent de inhoud van de spuit. Zij voert voorts aan dat in elk geval niet vaststaat dat de spuit door haar is achtergelaten, en dat de spuit integendeel door eender wie kon zijn achtergelaten. Voor de beoordeling van het onderdeel moet vooreerst worden gewezen op het feit dat in het tuchtverslag weliswaar sprake is van een “spuit morfine”, maar dat in het bestreden besluit in meer algemene bewoordingen gehandeld wordt over een “subcutane naald”. De in het onderdeel opgeworpen kwestie van de inhoud van de spuit is op zich niet relevant voor de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit, ook al kan uit het administratief dossier worden afgeleid dat wel degelijk een spuit met morfine is bedoeld. Voor het overige verwijt de verzoekster aan het bestreden besluit dat dit steunt op een getuigenverklaring waaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat het wel de verzoekster is die de spuit heeft achtergelaten. De verzoekster verwijst hiervoor naar de mogelijkheid dat er in de spuit iets anders zat dan morfine (zijnde het product dat bij E.S. werd ingespoten) en naar de mogelijkheid dat de spuit al in het bed van E.S. lag voordat de verzoekster haar dienst begonnen was. De IX-4840-39/50 enkele mogelijkheid dat niet de verzoekster, maar een andere persoon verantwoordelijk was voor het achterlaten van de spuit, brengt echter niet met zich dat het kennelijk onredelijk is om uit het door Chr. D. vastgestelde feit van een achtergelaten spuit -dat overigens op zich door de verzoekster niet betwist werd- bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.10 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 aan een verzorgende meedeelde dat zij coca-cola had gegeven aan een residente met hyperglycemie en dat zij, op de reactie van die verzorgende dat coca-cola enkel aan personen met hypoglycemie mocht worden gegeven, antwoordde dat het dan wel een hypoglycemie geweest moest zijn. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat de aangehaalde feiten zich nooit hebben afgespeeld, dat zij dus nooit cola heeft gegeven aan de betrokken residente, en dat er geen objectief bewijs is van het incident. De argumentatie van de verzoekster beperkt zich tot het ontkennen van het bestaan van de feiten. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige Chr. D. en om uit die verklaring af te leiden dat de verzoekster “heel belangrijke informatie” op een incorrecte wijze doorgaf aan haar collega, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.12 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat op 24 maart 2004 op de dossierkast nog een medicatiepotje stond met één niet te identificeren pilletje, een ander potje met niet te identificeren druppels en ook nog één pilletje Temesta, en tegen de conclusie dat die medicatie niet is toegediend aan één of meer residenten. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige P.D. In het tuchtverslag wordt het betrokken feit als volgt omschreven: IX-4840-40/50 “Er wordt +s anderendaags op de dossierkast 1 groen medicatiepotje gevonden met 1 wit pilletje in (product niet te identificeren) en 1 potje met druppeltje (niet te identificeren). Dit werd vastgesteld door P.D. die bij het klaarzetten van de medicatie in de avondplateau (van de voorgaande dag) 1 wit pilletje vindt (Temesta).” Hiertegen voert de verzoekster aan dat uit het feit dat potjes medicatie zijn gevonden, niet zomaar kan worden afgeleid dat ze door haar zijn achtergelaten. Volgens de verzoekster wordt de medicatie op verschillende ogenblikken van de dag door verschillende personen klaargezet, daarna op de eetplateaus gelegd en uiteindelijk uitgedeeld aan de residenten. De verzoekster voert ook aan dat zij werkte met blauwe potjes, niet met groene potjes. Zij wijst er ten slotte op dat, wat de Temesta betreft, de getuige niet eens zeker was dat het een Temesta was en slechts veronderstelde dat het een slaappil was, omdat die op het avondplateau lag. Voor de beoordeling van het onderdeel moet rekening gehouden worden met de feitelijke situatie zoals die door getuige P.D. en de verzoekster zijn beschreven op de hoorzitting van 13 mei
- Daaruit blijkt dat er groene potjes zijn voor de medicatie van 18 uur, die geplaatst moeten worden op een plateau waarop “18 uur” vermeld is, en dat er blauwe potjes zijn voor de medicatie van 20 uur, die geplaatst moeten worden op een plateau waarop “20 uur” vermeld is. P.D. verklaarde voorts dat zij een groen en een blauw potje terugvond op de dossierkast, en een wit pilletje, zonder potje, op het plateau van 20 uur. De verzoekster betwist niet de verklaring van P.D. dat deze op 25 maart 2004 medicatie heeft gevonden die de dag tevoren niet is uitgedeeld. De enkele mogelijkheid dat niet de verzoekster, maar een andere persoon de medicatie heeft achtergelaten, brengt niet met zich dat het kennelijk onredelijk is om uit het door P.D. vastgestelde feit van de achtergelaten pillen en druppeltjes bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het feit dat de verzoekster op 24 maart 2004 namiddagdienst (14 tot 22 u) had, en op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.13 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 aan een collega verklaarde dat zij de residenten van de kleine gang verzorgd had, terwijl bij controle bleek dat de residenten geen verse pamper aan hadden en dat residente R.D. omgekeerd in bed lag. IX-4840-41/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S. Hiertegen voert de verzoekster in essentie aan dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het feit dat de verzoekster op 23 maart 2004 namiddagdienst had, enerzijds, en de verklaring van R.V.S. dat zij samen met de verzoekster avonddienst had, anderzijds. Voorts voert de verzoekster aan dat de woorden die haar in de mond gelegd worden, absurd zijn. In zoverre de verzoekster wijst op een fout in de verklaring van R.V.S., wat de periode van de dienst betreft, moet vastgesteld worden dat uit de bedoelde verklaring blijkt dat deze getuige bedoelde dat zij en de verzoekster dienst hadden in de periode vóór de “nachtdienst” (toen Chr. D. aankwam), d.w.z. tijdens de namiddag. De loutere omstandigheid dat zij op een bepaald ogenblik verklaarde “avonddienst” te hebben, doet hieraan geen afbreuk, gelet op de uren waarover de namiddagdienst zich uitstrekte (van 14 u tot 22 u). Voor het overige beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van het feit dat zij aan haar collega verklaard zou hebben dat zij bij het begin van haar dienst de kleine gang al afgewerkt zou hebben. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige R.V.S. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Onderdeel 5.14 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 aan resident C.J. zonder aanleiding een comprimé Temesta, zijnde een kalmerend middel, heeft gegeven. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het ten laste gelegde feit door geen enkel objectief gegeven is bewezen. Het zou trouwens vreemd zijn om aan C.J. een Temesta te geven nu hij in die periode helemaal niet agressief, maar integendeel “zo mak als een lammetje” was. Aan C.J. mocht wel een Temesta gegeven worden als hij niet kon slapen, maar in dat geval werd dat genoteerd, en voor de betrokken dag was door de verzoekster niets opgetekend. De verzoekster voert ook aan dat de voorzitter dit discussiepunt op IX-4840-42/50 de hoorzitting heeft afgebroken, hetgeen bewijst dat er klaarblijkelijk geen elementen gevonden konden worden om de verklaring van R.V.S. te bevestigen. Ten gronde beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van de feiten en het aanvoeren dat de verklaring van R.V.S. ongeloofwaardig is. De verzoekster toont evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van R.V.S., mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. In zoverre de verzoekster aanvoert dat de voorzitter het discussiepunt zou hebben afgebroken, moet vastgesteld worden dat uit het proces- verbaal van de hoorzitting van 8 juni 2004 blijkt dat de voorzitter na afloop van de discussie tussen de getuige en de verzoekster en haar vertegenwoordiger over de betrokken tenlastelegging is overgegaan tot de behandeling van de volgende tenlastelegging. Er is geen spoor van enig “afbreken” van de discussie.
- Onderdeel 5.15 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 gedurende 20 minuten spoorloos verdwenen was, zonder haar collega te verwittigen. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S., die voorts verklaarde dat de verzoekster bij haar terugkeer zegde dat ze pijn had aan haar maag. Hiertegen voert de verzoekster aan dat zij steeds opgeroepen kon worden via het oproepsysteem, en dat het mogelijk was dat zij een resident aan het helpen was bij het naar het toilet gaan. In haar memorie van wederantwoord voegt zij eraan toe dat , als zij inderdaad omwille van maagpijn de dienst had moeten verlaten, er geen reden was waarom zij haar collega dan niet verwittigd zou hebben. In zoverre de verzoekster aanvoert dat de getuige haar had kunnen oproepen, gaat het om een verweer dat, zelfs indien de bewering van de verzoekster in feite correct zou zijn, de wettigheid van het bestreden besluit niet in het gedrang zou kunnen brengen. Immers, ook al is in het bestreden besluit sprake van de onmogelijkheid om op de verzoekster een beroep te doen in geval van “eventuele nood aan assistentie, de tenlastelegging heeft primair betrekking op het feit zelf van het verlaten van de dienst zonder een vooraf kenbaar gemaakte gegronde reden. IX-4840-43/50 Voor het overige beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van het feit dat zij de dienst verlaten zou hebben en dat zij daarvoor achteraf maagpijn ingeroepen zou hebben. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige R.V.S. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
- Uit het voorgaande blijkt dat het middel in geen van zijn onderdelen kan worden aangenomen. D. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekster roept een zesde middel in, afgeleid uit de schending van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, en uit de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 305, § 3, en 307 van de Nieuwe Gemeentewet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekster voert aan dat zij ervan beschuldigd werd een strip Xanax te hebben ontvreemd, terwijl het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 daarover geen uitspraak doet, en daaraan zelfs geen motivering wijdt. Beoordeling
- Het middel heeft, zoals de verzoekster zelf aangeeft, betrekking op een feit waarover in het bestreden besluit met geen woord wordt gerept. Het middel bevat aldus beschouwingen die vreemd zijn aan het bestreden besluit. Net zomin als met betrekking tot het desbetreffende onderdeel 5.5 van het vijfde middel (zie overweging 16), heeft de verzoekster belang bij het zesde middel. IX-4840-44/50 Ambtshalve moet worden vastgesteld dat het middel onontvankelijk is. E. Zevende middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster roept een zevende middel in, afgeleid uit het gebrek aan objectiviteit en de schending van de onpartijdigheid. Zij voert aan dat één van de leden van de raad van beheer met beslissende stem, Marin Den Haerinck, familie is van één van de getuigen (M.V.M.), op wier verklaringen de bestreden tuchtmaatregel mede is gesteund. Zij laat gelden dat de voornoemde beheerder om puur menselijke redenen uiteraard niet meer objectief kan oordelen als één van zijn familieleden komt getuigen tegen de persoon tegen wie een tuchtonderzoek lopende is. De verzoekster verwijst in dit verband naar het adagium “Justice should not only be done, but also seen to be done”.
- De tweede verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Volgens die verwerende partij heeft de verzoekster in de loop van de procedure voor de tuchtoverheid verzuimd om bezwaar te maken tegen de aanwezigheid van Marin Den Haerinck. Voor het overige achten de verwerende partijen het middel ongegrond. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de verzoekster tijdens het verhoor van getuige M.V.M. door de raad van beheer van OVERO of op enig ander ogenblik tijdens de tuchtprocedure enig bezwaar zou hebben gemaakt tegen de aanwezigheid van beheerder Marin Den Haerinck. Zij heeft in dit verband ook geen bezwaar geformuleerd voor de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen of voor de Vlaamse regering. IX-4840-45/50 Tot staving van het zevende middel legt de verzoekster een kopie neer van een dankbetuiging naar aanleiding van het overlijden van V.V.M., waaruit blijkt dat M.V.M. en Marin Den Haerinck familielid van de overledene zijn. Dat bericht dateert van 16 februari 2005, d.w.z. van na het afsluiten van de tuchtprocedure voor de raad van beheer van OVERO. Uit niets blijkt dat de verzoekster voordien op de hoogte was van het bestaan van een familieband. De vraag of de opgeworpen exceptie in de gegeven omstandigheden gegrond is, kan opengelaten worden. Uit de bespreking hierna blijkt dat het middel in elk geval niet kan worden aangenomen. Gegrondheid van het middel
- Het in het middel ingeroepen onpartijdigheidsbeginsel is van toepassing in tuchtaangelegenheden die binnen het actieve bestuur hun beslag krijgen, voor zover de naleving van dat beginsel verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Uit het enkele feit dat een lid van het tuchtrechtelijk bevoegde orgaan verwant is met een persoon die als getuige wordt opgeroepen, kan echter niet worden afgeleid dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon objectieve redenen heeft om te twijfelen aan de onpartijdigheid of het gebrek aan objectiviteit van dat lid.
- In dit verband kan ook verwezen worden naar artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet, dat krachtens artikel 126, § 1, van die wet van toepassing is op verenigingen als OVERO. Artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet luidt als volgt: “Het is de leden van de raad verboden:
- Tegenwoordig te zijn bij beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.” Daargelaten of deze wetsbepaling eraan in de weg zou kunnen staan dat een lid van de raad van beheer deelneemt aan de beraadslaging en de beslissing over een tuchtzaak waarin een bloed- of aanverwant als getuige optreedt, IX-4840-46/50 moet in elk geval worden vastgesteld dat de verwantschap tussen beheerder Marin Den Haerinck en getuige M.V.M. volgens de eerste verwerende partij slechts van de zesde graad is. Die feitelijke precisering wordt door de verzoekster niet tegengesproken. De aangehaalde wetsbepaling verzet zich te dezen dan ook niet tegen de deelname van Marin Den Haerinck aan de beraadslaging en de beslissing over de tuchtvervolging tegen de verzoekster. Die vaststelling versterkt de conclusie dat ook de in het middel aangehaalde beginselen, die van meer algemene aard zijn, niet zijn geschonden.
- Het middel kan niet worden aangenomen. F. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
- In het achtste middel roept de verzoekster de schending van het evenredigheidsbeginsel in. Zij voert aan dat, voor zover de haar ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht, de opgelegde tuchtmaatregel totaal onevenredig is met die feiten. In dit verband voert zij in het bijzonder aan dat zij pas drie maanden op de dienst “RVT+1” was tewerkgesteld in een part time-betrekking, zodat zij nog diende te wennen aan de nieuwe situatie, collega’s, werkritme, taken, enz.; dat zij in die periode nooit is gewezen op fouten, zodat zij niet het nodige kon doen om eventuele fouten recht te zetten; dat zij opeens preventief werd geschorst en kort daarna van ambtswege is ontslagen, wat de op één na hoogste tuchtstraf is. Beoordeling
- In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. De Raad van State heeft bij de toetsing van de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf slechts een marginale bevoegdheid, hetgeen betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar enkel kan nagaan of de overheid geen straf heeft opgelegd die in een wanverhouding staat tot de feiten, dit wil zeggen een straf die geen enkele in redelijkheid oordelende overheid voor die feiten zou opleggen. IX-4840-47/50
- In het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 wordt het volgende overwogen: “Door vermelde feiten heeft mevrouw Martine Roos: / een aanzienlijk en niet te verantwoorden gezondheidsrisico geschapen ten aanzien van diverse residenten. Mogelijks was hierbij in bepaalde gevallen zelfs sprake van het veroorzaken van lichamelijke schade. / deontologisch en op vakkundig gebied blijk gegeven van een onverantwoordelijk gedrag strijdig met elementaire ethische normen eigen aan een verzorgende/verplegende dienstverlening. / laten blijken elementaire basiskennis, eigen aan het beroep, niet te kunnen aanwenden in de werksituatie.” Inzonderheid het gegeven dat de verzoekster door haar laakbaar gedrag een gezondheidsrisico creëert voor de residenten van het rusthuis, noopt tot het besluit dat de opgelegde tuchtmaatregel niet onevenredig is met de haar ten laste gelegde tuchtfeiten. In zoverre de verzoekster aanvoert dat zij nog maar pas op de dienst werkzaam was, dat zij zich derhalve nog diende aan te passen, en dat zij nooit op haar tekortkomingen is gewezen, wijst de eerste verwerende partij er in haar memorie van antwoord terecht op dat de verzoekster eerder al tewerkgesteld was op de dienst “RVT-0”. Uit de door die partij neergelegde stukken blijkt dat ook de hoofdverpleegkundige in die dienst klachten had over de wijze waarop de verzoekster haar dienst waarnam, onder meer in verband met het klaarzetten van medicatie. Op 15 december 2003 kreeg de verzoekster voor haar functioneren in die dienst de evaluatie “zwak”. De moeilijkheden die de verzoekster op die dienst berokkende hebben overigens aanleiding gegeven tot haar overplaatsing naar de dienst “RVT+1”. Blijkens de verklaring van M.S., hoofdverpleegkundige van de laatstgenoemde dienst, tijdens het verhoor door de raad van beheer op 13 mei 2004 heeft ook zij de verzoekster een aantal keren ter verantwoording geroepen voor vastgestelde tekortkomingen.
- Het middel kan niet worden aangenomen. IX-4840-48/50 G. Negende middel Uiteenzetting van het middel
- In haar negende middel roept de verzoekster de schending in van “procedureregels”, met name artikel 53 van de OCMW-wet. Zij voert aan dat artikel 53 van de OCMW-wet geschonden is doordat de bestreden beslissing van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen is goedgekeurd zonder dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Ronse advies heeft gegeven, minstens voordat de termijn voor het geven van dat advies is verstreken. Beoordeling
- Artikel 53, § 1, van de OCMW-wet bepaalt: “De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepen alsmede aan de goedkeuring van de bestendige deputatie. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad anders beslist.” Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een tuchtstraf van onder meer het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken, dient te worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepenen en de goedkeuring van de bestendige deputatie. Het is in het kader van het bijzonder administratief toezicht door de bestendige deputatie dat de wetgever heeft bepaald dat door het college een advies wordt verleend. Dit advies is aldus bedoeld om de bestendige deputatie voor te lichten bij de uitoefening van haar goedkeuringstaak.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eerste verwerende partij het bestreden besluit van 6 juli 2004 met een brief van 8 juli 2004 voor advies heeft bezorgd aan het College van burgemeester en schepenen van de stad Ronse, en met een brief van dezelfde datum voor goedkeuring aan de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Het college van burgemeester en schepenen heeft op 2 augustus 2004 een gunstig advies verleend, en daarvan met een faxbericht IX-4840-49/50 van 6 augustus 2004 kennis gegeven aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen. In een nota van de administratie van het provinciebestuur aan de bestendige deputatie, eveneens van 6 augustus 2004, wordt melding gemaakt van dit gunstige advies. Op 12 augustus 2004 heeft de bestendige deputatie het besluit aangenomen tot goedkeuring van het besluit van de raad van beheer. Uit dit overzicht van feiten blijkt dat het college van burgemeester en schepenen advies gegeven heeft over het besluit van de raad van bestuur van OVERO, en dat de bestendige deputatie kennis gekregen heeft van dit advies voordat ze beslist heeft over de goedkeuring van het besluit van de raad van beheer.
- Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-4840-50/50 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.356 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div