← België

Arrest 209356 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.356 Rolnummer: A. 161368/IX-4840 Zaak: Arrest 209356 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:28 Fiche Arrest nr 209.356 van 30 november 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.356 van 30 november 2010 in de zaak A. 161.368/IX-4840 In zake : Martine ROOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Betty Buggenhoudt kantoor houdend te Nazareth, Drapstraat 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de Openbare Vereniging Ronse (OVERO) gevestigd te RONSE Oscar Delghuststraat 62
  2. de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 31 maart 2005, strekt tot de nietigverkla- ring van: - het besluit van de raad van beheer van de Openbare Vereniging Ronse van 6 juli 2004, waarbij Martine Roos bij tuchtmaatregel met ingang van 1 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen, goedgekeurd bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 12 augustus 2004; - het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering van 3 februari 2005, waarbij het beroep tegen het voormelde goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard. IX-4840-1/50 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 149.026 van 19 september 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten verworpen. De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
  5. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karen Vanbinst, die loco advocaat Betty Buggenhoudt verschijnt voor de verzoekster, advocaat Ann Louf, die loco advocaat Jean Verdonck verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. IX-4840-2/50 III. Feiten
  7. Ten tijde van de bestreden besluiten is de verzoekster werkzaam als vast benoemd gebrevetteerd verpleegkundige in dienst van de Openbare Vereniging Ronse (hierna: OVERO), een vereniging als bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet), opgericht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Ronse. De verzoekster werkt halftijds in het rust- en verzorgingstehuis “De Linde” te Ronse. Aanvankelijk werkt zij op de dienst “RVT-0” (of “RVT- gelijkvloers”). Nadat de hoofdverpleegkundige van deze dienst klachten heeft geuit over de wijze waarop zij haar dienst waarneemt en haar functioneren als “zwak” is geëvalueerd, wordt zij met ingang van 1 januari 2004 overgeplaatst naar de dienst “RVT+1” (of “RVT-verdieping”). 4.
  8. Op 27 maart 2004 stelt de secretaris van OVERO een tuchtverslag op ten laste van de verzoekster. Dit verslag bevat de letterlijke overname van de tekst van een nota van M.S., hoofdverpleegkundige van de dienst “RVT+1”, van 26 maart 2004, waarin aan de verzoekster verscheidene feiten ten laste worden gelegd, en van een commentaar daarop van D.D., directeur van het rusthuis “De Linde”, eveneens van 26 maart
  9. Het betreft vooral fouten bij het toedienen van medicatie aan residenten, onzorgvuldigheid, afwezigheid tijdens de diensturen, incorrect doorgeven van belangrijke informatie en gebrekkige verzorging van residenten. Volgens de secretaris moeten vijftien van deze feiten als ernstige tekortkomingen aan de beroepsplichten worden beschouwd. De secretaris stelt voor, gelet op de ernst van de feiten die voor de residenten een gezondheidsrisico hebben doen ontstaan, om aan de verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 4.
  10. Op 29 maart 2004 beslist de raad van beheer van OVERO een tuchtprocedure op te starten wegens de bedoelde vijftien tekortkomingen in de uitoefening van verzoeksters functie. De raad van beheer beslist om de verzoekster in het kader van de tuchtprocedure te horen op 20 april
  11. IX-4840-3/50 Dezelfde dag beslist de raad van beheer ook om de verzoekster bij hoogdringendheid preventief te schorsen, met inhouding van de helft van haar wedde, en dit gedurende een periode van vier maanden, welke ingaat op 30 maart
  12. De raad van beheer beslist om de verzoekster in het kader van de preventieve schorsing te horen op 8 april
  13. Op 30 maart 2004 wordt aan de verzoekster mondeling meegedeeld dat haar de toegang tot het rusthuis is ontzegd, en dat zij op 8 en 20 april 2004 gehoord zal worden, respectievelijk in het kader van de preventieve schorsing en de tuchtprocedure. Bij een schrijven gedateerd op 29 maart 2004 wordt aan de verzoekster de beslissing van de raad van beheer in verband met de preventieve schorsing meegedeeld, en wordt de verzoekster opgeroepen voor de hoorzitting van 8 april
  14. Bij afzonderlijk schrijven, eveneens gedateerd op 29 maart 2004, wordt aan de verzoekster de beslissing van de raad van beheer tot het opstarten van een tuchtprocedure meegedeeld, en wordt de verzoekster opgeroepen voor de hoorzitting van 20 april
  15. De verzoekster ondertekent beide brieven op 30 maart 2004 voor ontvangst. 4.
  16. In het kader van de tuchtprocedure wordt de verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, op 20 april 2004 effectief door de raad van beheer gehoord. De raad van beheer besluit tijdens dezelfde zitting om op 13 mei 2004 een bijkomende hoorzitting te organiseren teneinde de personeelsleden wier verklaringen aan de basis liggen van de tuchtprocedure ten laste van de verzoekster, evenals de hoofdverpleegkundige van de dienst “RVT+1” en de directeur van het rusthuis, als getuigen te horen. Op 13 mei 2004 worden de getuigen in aanwezigheid van de verzoekster gehoord. Omdat twee van de opgeroepen getuigen niet aanwezig kunnen zijn, volgt nog een hoorzitting op 8 juni
  17. Van beide hoorzittingen wordt een proces-verbaal opgesteld. Met een aangetekende brief van 1 juni 2004 legt de verzoekster een “schriftelijke weerlegging” neer van de feiten die haar ten laste worden gelegd IX-4840-4/50 Op 8 juni 2004 legt zij een “weerlegging van het getuigenverhoor” neer. Met een aangetekende brief van 21 juni 2004 formuleert zij nog opmerkingen bij het getuigenverhoor van 8 juni
  18. 4.
  19. Op 6 juli 2004 besluit de raad van beheer dat de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten bewezen zijn, met uitzondering van twee van die feiten. Meer bepaald worden de volgende dertien feiten bewezen verklaard, met de stemverhoudingen als hierna vermeld: “MET ALGEMENE STEMMEN: - het toedienen van medicatie op een moment waarop de resident helemaal geen medicatie diende te hebben: op 12 februari aan resident V.V.M. waardoor deze resident gedurende twee dagen suf en slaperig was. - het foutief klaarzetten van medicatie: / op 14 maart 2004: alle medicatie fout gelegd op de plateau’s van de residenten. Fout hersteld door collega. - het op het verkeerde tijdstip toedienen van medicatie: / op 23 maart 2004: alle medicatie van 22 uur werd door betrokkene gegeven om 20 uur. Dit met mogelijk negatieve gevolgen voor diabetici, voor residenten met slaapproblemen e. d. - het niet toedienen van medicatie: / op 23 maart 2004: de avondmedicatie van resident D.A. werd niet gegeven. / op 24 maart 2004 werd vastgesteld dat er op de dossierkast nog een medicatiepotje stond met één wit niet te identificeren pilletje, één potje niet te identificeren druppels en 1 pilletje Temesta, medicatie die niet toegediend werd aan één of meerdere residenten (aan wie?). - het op het verkeerde tijdstip meten van de bloedsuikerspiegel (glycemiecontrole): / op 23 maart 2004 glycemiecontrole bij resident V.V.M. om 15 uur i.p.v. om 18 uur met mogelijke negatieve gevolgen voor dosering medicatie. - het toedienen van medicatie zonder dat er een formele opdracht is gegeven: / op 24 maart 2004 heeft betrokkene aan resident C.J. zonder aanleiding één comprimé Temesta S.L. gegeven. Het betreft hier een kalmerend middel. - het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanprik- naalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval): / op 23 maart 2004 een aanpriknaald in bed van resident V.V.M. laten liggen. Betrokkene deelde mee aan de familie die haar de aanpriknaald IX-4840-5/50 (glycemiecontrole) brachten dat ze niet meer wist dat ze deze resident geprikt had. MET 3 JA STEMMEN, 1 NEEN STEM EN 1 ONTHOUDING: / op 24 maart 2004 een subcutane naald laten liggen in het bed van resident E.S. MET ALGEMENE STEMMEN: - het afwezig zijn van de dienst tijdens haar werkuren: op 24 maart 2004 was betrokkene omstreeks 18 uur 45 gedurende 20 minuten spoorloos verdwenen. Haar collega kon derhalve geen beroep op betrokkene doen bij eventuele nood aan assistentie. Indien betrokkene zich inderdaad niet goed zou gevoeld hebben dan had ze haar collega moeten verwittigen over haar afwezigheid. - het incorrect doorgeven aan collega's van heel belangrijke informatie: op 24 maart 2004 deelt ze mee aan een verzorgende dat residente mevrouw T. een hyperglycemie (teveel aan suiker) gedaan heeft en dat zij haar coca-cola gegeven heeft waarop de verzorgende antwoordde dat coca-cola drinken alleen mag bij een hypoglycemie (te weinig aan suiker) en waarop mevrouw Martine ROOS dan reageerde dat het dan wel een hypoglycemie moet geweest zijn. - het onzorgvuldig omspringen met medicatie: op 23 maart 2004 had mevrouw Martine ROOS 3 comprimés Imovane (slaapmiddel) in haar hand in de gang waarvan één bedoeld was voor residente M.V.S. En de andere twee? - het niet of onvoldoende verzorgen van residenten: op 23 maart 2004 heeft betrokkene aan een collega meegedeeld dat ze de residenten van de kleine gang (Kamer 2101 tot Kamer 2111) verzorgd heeft. Bij controle bleek dat de residenten geen verse pamper aanhadden en dat residente R.D. omgekeerd in bed lag.” Volgens de raad heeft de verzoekster door deze feiten: “- een aanzienlijk en niet te verantwoorden gezondheidsrisico geschapen ten aanzien van diverse residenten. Mogelijks was hierbij in bepaalde gevallen zelfs sprake van het veroorzaken van lichamelijke schade. - deontologisch en op vakkundig gebied blijk gegeven van een onverantwoordelijk gedrag strijdig met elementaire ethische normen eigen aan een verzorgende/verplegende dienstverlening. - laten blijken elementaire basiskennis, eigen aan het beroep, niet te kunnen aanwenden in de werksituatie.” Ten slotte beslist de raad van beheer met algemene stemmen om de verzoekster op grond van de bewezen feiten als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege op te leggen, met ingang van 1 juli
  20. IX-4840-6/50 Deze beslissing vormt het eerste voorwerp van het voorliggende beroep. 4.
  21. Op 2 augustus 2004 brengt het College van burgemeester en schepenen van de stad Ronse een gunstig advies uit over de aan de verzoekster opgelegde tuchtmaatregel. 4.
  22. Op 12 augustus 2004 verleent de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen haar goedkeuring aan de beslissing van de raad van beheer van OVERO. Met een aangetekende brief van 13 augustus 2004 zendt het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen een afschrift van het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie naar de verzoekster, met de vermelding dat tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring, al dan niet vergezeld van een vordering tot schorsing, kan worden ingesteld bij de Raad van State. 4.
  23. De verzoekster vordert bij de Raad van State de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van beheer van OVERO van 6 juli
  24. Dat beroep tot nietigverklaring en de bijhorende vordering tot schorsing worden echter bij arrest nr. 137.420 van 22 november 2004 verworpen. De Raad van State stelt vast dat de verzoekster het georganiseerde administratief beroep bij de Vlaamse regering, bedoeld in artikel 53, § 3, van de OCMW-wet, niet heeft uitgeput, en besluit dat de vordering voorbarig en bijgevolg kennelijk niet ontvankelijk is. 4.
  25. Ondertussen heeft de verzoekster met een aangetekende brief van 29 oktober 2004 beroep ingesteld bij de Vlaamse regering tegen het genoemde besluit van de bestendige deputatie van 12 augustus
  26. Op 3 februari 2005 besluit de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering dat dit beroep ontvankelijk, doch ongegrond is. Dit ministerieel besluit maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. IX-4840-7/50 IX-4840-8/50 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste, tweede en derde middel Standpunt van de partijen 5.
  27. In een eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 299, 301 en 302 van de Nieuwe Gemeentewet, voert de verzoekster de nietigheid van de tuchtprocedure aan doordat zij wel een oproepingsbrief gedateerd op 29 maart 2004 heeft ontvangen, teneinde gehoord te worden in het kader van de preventieve schorsing, maar geen regelmatige oproepingsbrief in het kader van de tuchtprocedure. Zij laat gelden dat zij in het kader van de tegen haar ingestelde tuchtprocedure geen oproepingsbrief voor haar verhoor op 20 april 2004 heeft ontvangen, die voldoet aan de voormelde bepalingen van de Nieuwe Gemeentewet. Zij werd door de secretaris slechts mondeling op de hoogte gebracht van de datum van de hoorzitting. De verzoekster is niet formeel in kennis gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd, noch van de sanctie die haar boven het hoofd zou hangen, noch van de wijze waarop zij haar verdediging kon waarnemen. Het feit dat zij op de hoorzitting is verschenen, doet geen afbreuk aan het feit dat de procedure niet regelmatig is verlopen. 5.
  28. In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van de rechten van de verdediging, doordat haar geen oproepingsbrief is overhandigd conform de artikelen 299, 301 en 302 van de Nieuwe Gemeentewet. De verzoekster laat gelden dat OVERO haar geen schriftelijke oproeping gestuurd heeft om gehoord te worden in het kader van de tuchtprocedure, maar haar slechts mondeling gemeld heeft dat zij op 20 april 2004 zou worden gehoord inzake de tuchtmaatregel. Door het ontbreken van een oproepingsbrief zijn verzoeksters rechten van de verdediging geschonden. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat zij op de hoorzitting van 20 april 2004 aanwezig was. Zij had er immers het raden naar hoe zij haar verdediging moest waarnemen, welke rechten de Nieuwe Gemeentewet haar toekent, welke sanctie werd overwogen, en of de termijnen voor het inzien van het tuchtdossier waren geëerbiedigd. De verzoekster werd “voor de leeuwen gegooid”. IX-4840-9/50 5.
  29. De verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekster voert aan dat de oproepingsbrief formeel gemotiveerd moet zijn, in die zin dat hij dient te vermelden waarom een ambtenaar het voorwerp uitmaakt van een tuchtsanctie, welke sanctie hem boven het hoofd hangt en welke feiten in aanmerking worden genomen die kunnen leiden tot het opleggen van die sanctie. Door geen oproepingsbrief te versturen heeft OVERO haar motiveringsplicht niet nageleefd. Door geen oproepingsbrief te versturen heeft OVERO ook de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht niet nageleefd.
  30. De tweede verwerende partij werpt tegen elk van de eerste drie middelen een exceptie van onontvankelijkheid op. Volgens die verwerende partij heeft de verzoekster noch in de loop van de procedure voor de tuchtoverheid, noch in haar bezwaar voor de bestendige deputatie een schending van de rechten van de verdediging laten gelden. De verzoekster is volgens de verwerende partij ertoe gehouden om onmiddellijk de schending van de rechten van de verdediging op te werpen, indien zij meent dat dit het geval is. Zij kan dit niet voor het eerst doen in de procedure voor de Raad van State. Voor het overige betwisten de verwerende partijen ook de gegrondheid van de middelen. Beoordeling
  31. Van een persoon die voor een tuchtoverheid verschijnt, mag verwacht worden dat hij aan die overheid zijn direct zichtbare administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt, zodoende die overheid voor de indruk behoedend dat hij over die bezwaren heenstapt. In beginsel kan een ambtenaar dan ook niet voor het eerst voor de Raad van State inroepen dat zijn recht van verdediging tijdens de tuchtprocedure is geschonden. De verzoekster heeft de grieven die het voorwerp uitmaken van de eerste drie middelen niet laten gelden in het kader van de procedure voor de raad IX-4840-10/50 van beheer van OVERO. Nu deze grieven de openbare orde niet raken, kunnen ze niet voor het eerst in de procedure voor de Raad van State worden ingeroepen. De omstandigheid dat de verzoekster die grieven wel heeft aangevoerd in haar beroep bij de Vlaamse regering tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie, doet aan die conclusie geen afbreuk. In de uitoefening van hun goedkeuringstoezicht dienden de bestendige deputatie en de Vlaamse minister immers niet de hele tuchtvordering tegen de verzoekster over te doen, maar slechts na te gaan of de raad van beheer van OVERO, als bevoegde tuchtoverheid, wettig tot zijn besluit was gekomen en het algemeen belang niet had geschaad. De exceptie van onontvankelijkheid is gegrond.
  32. Mede gelet op het feit dat de verzoekster de bedoelde grieven, zoals gezegd, heeft ingeroepen voor de Vlaamse regering, en de Vlaamse minister in het bestreden besluit van 3 februari 2005 die grieven ook uitdrukkelijk en ten gronde heeft onderzocht, acht de Raad van State het evenwel nuttig om ten overvloede ook nader in te gaan op de eerste drie middelen. 8.
  33. De drie middelen steunen alle op het ontbreken van een schriftelijke oproeping om gehoord te worden op 20 april
  34. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat de verzoekster op 30 maart 2004 een schrijven van 29 maart 2004 voor ontvangst heeft ondertekend, en dat zij bij dat schrijven onder meer wordt opgeroepen voor de hoorzitting van 20 april
  35. Die brief bevat voorts een opsomming van de vijftien aan de verzoekster ten laste gelegde feiten. Bij de brief is ook een kopie gevoegd van de beslissing van de raad van beheer van 29 maart 2004, waarin de tekst van het tuchtvoorstel van de secretaris letterlijk is overgenomen. Voorts zijn er twee bijlagen in verband met de wijze waarop de verzoekster haar verdediging op de hoorzitting kan voeren. Uit de brief en de bijlagen blijkt dat aan de verzoekster alle gegevens zijn meegedeeld die bij artikel 301 van de Nieuwe Gemeentewet worden voorgeschreven. Met name bevatten de brief en de bijlagen een vermelding van al de ten laste gelegde feiten, van het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd, van de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting, van het recht van de verzoekster om zich te laten bijstaan door een verdediger van haar keuze, van de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan IX-4840-11/50 worden ingezien, van het recht van de verzoekster om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, en van het recht om het horen van bepaalde getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor. In zoverre de middelen een schending aanvoeren van de artikelen 301 van de Nieuwe Gemeentewet, van het algemeen beginsel betreffende de rechten van de verdediging, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, missen ze dus in elk geval feitelijke grondslag. 8.
  36. In zoverre in het eerste middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 299 en 302 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt niet nader uiteengezet waarin de schending van die bepalingen zou bestaan. In zoverre is dat middel ook om die reden onontvankelijk. B. Vierde middel Standpunt van de partijen
  37. In een vierde middel voert de verzoekster de schending aan van de rechten van verdediging. Zij voert aan dat de beslissing tot het instellen van de tuchtsanctie en het voorstellen van de op te leggen sanctie is genomen door een kleiner aantal personen dan die welke uiteindelijk hebben gestemd over de op te leggen tuchtmaatregel. De verzoekster voert aan dat “de personen die de tuchtprocedure instellen slechts die personen mogen zijn die deelnemen aan de beslissing tot het opleggen van de tuchtsanctie”, en dit “teneinde de rechten van de verdediging niet te schenden”. Zij zet uiteen dat Patrick Vanneste, die lid is van de raad van beheer van OVERO, niet heeft deelgenomen aan de beslissing van de raad van beheer van 29 maart 2004 om een tuchtprocedure tegen haar op te starten, maar wel aanwezig was op de hoorzittingen en ook heeft deelgenomen aan de bestreden beslissing van 6 juli
  38. De verzoekster is van oordeel dat indien Patrick Vanneste zou hebben deelgenomen aan de beslissing om een tuchtprocedure tegen haar op te starten, het mogelijk was geweest dat er helemaal geen tuchtprocedure tegen haar geweest zou zijn. In de gegeven omstandigheden is Patrick Vanneste “als het ware meegetrokken” door het feit dat een tuchtprocedure is opgestart. Voorts is de verzoekster van oordeel dat haar rechten van verdediging zijn geschonden doordat IX-4840-12/50 iemand mee beslist heeft over het bewijs van de ten laste gelegde feiten en over de uiteindelijke sanctie, terwijl die persoon niet beslist heeft over het opstarten van de tuchtprocedure en over de feiten die in die procedure in aanmerking zouden worden genomen.
  39. De tweede verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Volgens die verwerende partij heeft de verzoekster in de loop van de procedure voor de tuchtoverheid verzuimd om de vermeende schending van de rechten van de verdediging op te werpen. Voor het overige betwisten de verwerende partijen de gegrondheid van het middel. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  40. Wat betreft de ontvankelijkheid van het middel, moet opgemerkt worden dat de verzoekster niet aanwezig was op de vergadering van de raad van beheer van 6 juli 2004, waarop over de op te leggen tuchtmaatregel is beraadslaagd en gestemd. De verzoekster heeft ten aanzien van de raad van beheer dan ook geen bezwaar kunnen maken over de deelname van Patrick Vanneste aan de beraadslaging en de stemming over de tegen haar te nemen tuchtmaatregel. Het feit dat zij eventueel wel had kunnen opwerpen dat Patrick Vanneste ten onrechte deelnam aan de hoorzittingen, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Overigens blijkt uit de stukken van het dossier dat de verzoekster de grief in verband met de regelmatigheid van de samenstelling van de raad van beheer wel heeft ingeroepen in haar beroep bij de Vlaamse regering, en dat de Vlaamse minister in het bestreden besluit van 3 februari 2005 die grief ook uitdrukkelijk en ten gronde heeft onderzocht, Deze vaststellingen volstaan om te besluiten dat de exceptie niet kan worden aangenomen. IX-4840-13/50 Gegrondheid van het middel
  41. Met betrekking tot de gegrondheid van het middel, gaat de Raad van State ervan uit dat de verzoekster in feite twee grieven aanvoert: enerzijds verwijt zij aan de beslissing van de raad van beheer van 29 maart 2004 tot het opstarten van de tuchtprocedure dat deze is genomen zonder dat daaraan is deelgenomen door alle leden van de raad van beheer, anderzijds verwijt zij aan de bestreden beslissing van 6 juli 2004 dat deze mede is genomen door een lid dat niet meegewerkt heeft aan de beslissing tot het opstarten van de tuchtprocedure. 12.
  42. Wat betreft de eerste grief, stelt de Raad van State vast dat geen enkele wettelijke of statutaire bepaling de raad van beheer van OVERO verplichtte om een beslissing over het instellen van een tuchtprocedure tegen een personeelslid te nemen met medewerking van al zijn leden. Integendeel, luidens artikel 25 van de statuten van OVERO moeten, opdat de raad van beheer geldig zou kunnen beraadslagen en beslissen, ten minste drie leden van de raad van beheer aanwezig zijn. Artikel 26 van dezelfde statuten bepaalt voorts dat de beslissingen van de raad van beheer worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De beslissing van de raad van beheer van 29 maart 2004 om ten laste van de verzoekster een tuchtprocedure op te starten, is genomen in aanwezigheid van vier beheerders die beslissingsrecht hebben en met algemeenheid van stemmen. De bedoelde beslissing is derhalve, niettegenstaande de afwezigheid van het vijfde lid met beslissingsrecht, Patrick Vanneste, overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van de statuten van de vereniging tot stand gekomen. De enkele mogelijkheid dat de beslissing van 29 maart 2004 anders had kunnen zijn indien ook Patrick Vanneste aan de beraadslaging en de stemming over het instellen van een tuchtprocedure had deelgenomen, doet geen afbreuk aan de regelmatigheid van de genomen beslissing. De eerste grief kan dan ook niet aangenomen worden. 12.
  43. Wat betreft de tweede grief, stelt de Raad van State vast dat geen enkele wettelijke of statutaire bepaling verbiedt dat een beheerder die niet heeft deelgenomen aan de beslissing over het instellen van een tuchtprocedure, aan het verdere verloop van die tuchtprocedure deelneemt, en met name de hoorzittingen IX-4840-14/50 bijwoont en deelneemt aan de beraadslaging en de besluitvorming over de beoordeling van de ten laste gelegde feiten en de op te leggen tuchtmaatregel. De enige beperking die aan de deelname van bepaalde leden aan de bedoelde beraadslaging en besluitvorming wordt opgelegd, is te vinden in artikel 305, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet, dat krachtens de artikelen 52 en 128, § 1, van de OCMW-wet van overeenkomstige toepassing is op het vast benoemd personeel van een vereniging als bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet. Artikel 305, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet luidt als volgt: “De leden van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel.” Te dezen wordt overigens niet betwist dat alle leden van de raad van beheer die hebben deelgenomen aan de beraadslaging en de stemming over de aan de verzoekster op te leggen tuchtmaatregel, voordien ook alle hoorzittingen hebben bijgewoond. Ook de tweede grief kan niet worden aangenomen. C. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  44. In het vijfde middel voert de verzoekster gebrek aan afdoende bewijs van de feiten, gebrek aan bewijsvoering en schending van de rechten van de verdediging aan. 13.
  45. In het algemeen voert de verzoekster aan dat het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 aanneemt dat de haar ten laste gelegde feiten bewezen zijn, niettegenstaande geen afdoende bewijs voorhanden is, zoals zij verder in detail uiteenzet (zie hierna). Zij voert voorts aan dat afbreuk wordt gedaan aan een regelmatige en redelijke bewijsvoering, doordat de verklaringen van de opgevoerde getuigen, die tevens beweren de vermeende feiten vastgesteld of gemeld te hebben, klakkeloos worden aangenomen als bewijs van deze feiten. De rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijsvoering worden ook geschonden doordat voor sommige feiten absurde verklaringen, IX-4840-15/50 onduidelijkheden of ongestaafde redeneringen worden aangenomen als bewijs van die feiten. De verzoekster stelt voorts dat aan de regels inzake de bewijsvoering en de rechten van de verdediging eveneens afbreuk wordt gedaan doordat geen rekening wordt gehouden met de verdediging en de tegenargumentatie van de verzoekster. Volgens haar moet ook rekening worden gehouden met het feit dat er voor al deze feiten nooit enige voorafgaande melding is geweest, noch enige tegensprekelijke schriftelijke beoordeling of evaluatie omtrent het functioneren van de verzoekster. De verzoekster concludeert dat de eerste verwerende partij minstens de plicht had op een gedegen en gefundeerde manier bewijzen te verzamelen, maar dat zulks niet is gebeurd. Vervolgens tracht de verzoekster, in vijftien onderdelen, elk van de haar ten laste gelegde feiten te weerleggen. Zij doet dit als volgt: “ONDERDEEL 5.
  46. GEEN BEWIJS VAN OP 12 FEBRUARI 2004 HET TOEDIENEN VAN MEDICATIE AAN EEN RESIDENT DIE GEEN MEDICATIE BEHOEFDE. Dit vermeende feit wordt zogezegd opgemerkt door Mevr. C.D. Verzoekster liet hiertegen haar twijfels gelden op de hoorzitting van 20 april zodat Mevr. C.D. werd opgeroepen op de zitting van 13 mei
  47. Deze bleek echter niet aanwezig te zijn, doch de dochter van de resident aan wie de pillen zouden zijn gegeven, Mevr. M.V.M., tevens collega van verzoekster, komt getuigen. Uit de formulering van de tenlastelegging alleen al blijkt dat deze persoon pas de dag na het vermeende feit op de hoogte zou zijn gesteld van het geven van verkeerde medicatie. Bijgevolg kan deze getuige hoegenaamd niets hebben vastgesteld, laat staan dat verzoekster verkeerde medicatie zou hebben toegediend! Mevr. M.V.M. heeft vermeende gemelde feit zelfs nooit ter sprake gebracht bij verzoekster, zoals blijkt uit haar eigen verklaring d.d. 13 mei 2004! Verzoekster diende voor het eerst n.a.v. de tuchtprocedure hiervan kennis te nemen en zich ertegen te verdedigen. De resident in kwestie betrof een oude man die medicatie nodig had en gelet op zijn leeftijd de ene dag al suffer en minder actief was dan de andere. Mevr. M.V.M. zelf bevestigt dat haar vader dergelijke mindere dagen wel eens meer heeft. Uit geen enkel objectief element kan worden afgeleid dat verzoekster de verkeerde medicatie zou hebben toegediend. Verder werd Mevr. C.D., de collega die de vermeende feiten zou hebben gemeld aan Mevr. M.V.M., nooit opgeroepen om te komen getuigen. Zij was steeds afwezig om medische redenen. IX-4840-16/50 Bovendien wordt de medicatie voor de residenten van het rust- en verzorgingstehuis tot 24 uur op voorhand klaargezet. Die bewuste periode had Mevr. M.V.M. zelf de medicatie klaargezet voor haar vader. Dit blijkt uit het uurrooster van 12 februari
  48. Uit geen enkel objectief gegeven kan dus worden afgeleid dat: • er inderdaad verkeerde medicatie was toegediend. • de toestand van de resident al dan niet te maken had met deze medicatie, dan wel of deze resident al dan niet een mindere dag had. • wie dergelijke medicatie heeft toegediend • of dit al dan niet op voorschrift was geweest • laat staan dat verzoekster zelf verantwoordelijk was voor het toedienen van verkeerde medicatie. Verzoekster wil verder nog opmerken dat het systeem van het klaarzetten van de medicatie en het toedienen van medicatie in het rusthuis zeer omslachtig in elkaar steekt. Zo wordt de medicatie reeds 24, soms 48 uur, op voorhand klaargezet op medicatie-plateaus en gerangschikt per kamernummer. Dit gebeurt door een eerste persoon. Een tweede persoon is de dag nadien verantwoordelijk om de medicatie die reeds gerangschikt is per kamernummer te leggen op de maaltijd-plateaus waarop het eten wordt bedeeld aan de residenten. En een derde persoon draagt het eten naar de residenten en ziet erop toe dat deze hun medicatie innemen. Alleen de eerste persoon zelf ziet welke medicatie hij/zij dient klaar te zetten volgens de voorschriften. De tweede persoon legt gewoon de medicatie die per kamernummer is gerangschikt op de plateaus van het eten waarop de overeenstemmende kamernummer vermeld is. Deze taak wordt nog moeilijker wanneer meerdere residenten per kamer verblijven. Men werkt immers per kamernummer en niet op naam van de resident! Deze persoon dient [erop] te vertrouwen dat de eerste persoon de juiste medicatie heeft toebedeeld. De derde persoon, die het eten ronddraagt en erop toeziet dat de residenten hun medicatie innemen, moet erop vertrouwen dat de tweede persoon zich niet heeft vergist bij het leggen van de medicatie op de plateaus met het eten en dat de eerste persoon niet de verkeerde medicatie heeft klaargezet. In casu diende verzoekster het eten op en gaf zij de meegegeven medicatie. Hoe kan zij dan objectief aansprakelijk zijn indien er toch verkeerde medicatie is toebedeeld? Verzoekster had die dag voor het eerst die dienstronde en heeft enkel de instructies uitgevoerd die haar waren gegeven. Indien er verkeerde medicatie zou zijn gegeven, hoe kan Overo bewijzen dat deze niet is verkeerd klaargezet of verkeerd is verdeeld op de rond te dragen plateaus met de maaltijden, hetgeen verzoekster taak die dag niet was? Uit een loze beschuldiging, die door geen enkel objectief gegeven wordt bevestigd, meent Overo te kunnen afleiden dat de feiten wel degelijk gebeurd zijn en dat verzoekster hiervoor verantwoordelijk is. Dergelijke zaken kunnen niet objectief worden beschouwd als een bewijs. ONDERDEEL 5.
  49. GEEN BEWIJS VAN HET BIJ HERHALING FOUTIEF KLAARZETTEN VAN MEDICATIE OP 5 MAART
  50. IX-4840-17/50 Verzoekster werd ten laste gelegd dat zij op 5 maart 2004 de medicatie Immodium en Motilium verkeerd zou hebben klaargezet. Mevr. I.L. en Mevr. N.V. komen getuigen dat verzoekster op 5 maart de verkeerde medicatie heeft klaargezet. Er werd evenwel objectief bewezen dat verzoekster die dag afwezig was en geen dienst had. De beweringen van Mevr. I.L. als zou verzoekster hieromtrent ’s anderendaags zijn aangesproken door de hoofdverpleegster, raken evenmin kant noch wal aangezien de hoofdverpleegster en verzoekster op die dag niet aanwezig waren, zoals ook blijkt uit de verklaringen uit het verhoor d.d. 13 mei
  51. Ook getuige N.V. valt door de mand door te verklaren dat zij daags na vrijdag 5 maart 2004 zou hebben vastgesteld dat de verkeerde medicatie klaar lag. Op zaterdag 6 maart werkte deze betrokken verpleegkundige niet! ‘Getuige’ N.V. verandert dan het geweer van schouder door te stellen dat de medicatie al door verzoekster in de week zou zijn klaargelegd, dinsdag of woensdag. Ook op die dagen werkte verzoekster niet. Hoe kan [N.V.] dan feiten hebben vastgesteld op een moment dat zij niet aanwezig was op haar werk? Ook de hoofdverpleegster wordt op 13 mei omtrent deze feiten verhoord, doch deze kan evenmin de beschuldiging hard maken en haar verklaringen wijken trouwens totaal af van de zaak. Deze feiten worden door Overo uiteindelijk niet weerhouden, maar illustreren het absurde hoe men aan de hand van beweerde getuigen die iets zouden hebben vastgesteld op momenten dat noch zij, noch verzoekster in het rusthuis aanwezig waren! (sic) ONDERDEEL 5.
  52. GEEN BEWIJS VAN VERKEERD LEGGEN VAN MEDICATIE OP 14 MAART
  53. Zoals in onderdeel 5.1 uiteengezet, gaat het hier weer om een onduidelijkheid door de omslachtige manier van werken bij het klaarzetten van de medicatie en het bedelen van de medicatie. De medicatie voor 14 maart 2004 werd door Mevr. M.V.M. klaargezet, althans volgens het uurrooster. Zij fungeerde als eerste persoon. Verzoekster diende als tweede persoon de medicatie van iedere kamer op de maaltijd-plateaus van het te brengen middageten te leggen. Echter, verzoekster diende vast te stellen dat de medicatie van de kleine gang ontbrak. Het was namelijk zo dat tussen de periode dat Mevr. M.V.M. de medicatie op 13 maart klaarzette en de periode dat verzoekster deze medicatie bij het eten diende te zetten, in bepaalde gevallen de pillen en de siropen in elkaar waren gelopen. M.a.w. de medicatie was grotendeels onherkenbaar. IX-4840-18/50 Verzoekster is dit gaan melden aan Mevr. M.V.M.: ‘Je bent binnen komen vragen aan mij van het klein gangske, die stonden er ook niet op’ en ‘Ik kon zelfs geen onderscheid meer maken tussen de potjes met de druppeltjes en voor alle veiligheid heb ik ze uitgekiept. Ik kon geen onderscheid meer maken.’ Mevr. M.V.M. heeft zelf de medicatie weggegooid. Om die reden was deze niet klaargezet en kon verzoekster deze ook niet klaarzetten op de maaltijdplateau. Waar ligt in dit geval dan het bewijs van eventuele fouten? Verzoekster had de grootste moeite om de resterende medicatie die ietwat duidelijk was te sorteren, omdat tussen 13 en 14 maart klaarblijkelijk iets met de klaarstaande plateau was gebeurd waardoor een en ander letterlijk door elkaar is geschud. Hoe kan verzoekster dan fouten worden aangewreven indien zij de toestand zelf is komen melden aan de persoon die destijds de medicatie heeft klaargezet? De betichting dat het opnieuw klaarzetten van de medicatie van de residenten meer dan een uur heeft geduurd is al te belachelijk. Verzoekster en de getuige dienden het eten op te dienen. Dat werd niet te laat bedeeld. Bovendien ging Mevr. M.V.M. er nog prat op dat zij van buiten weet welke residenten welke medicatie nodig hebben. Verzoekster wil hierbij opmerken dat blijkbaar het klaarzetten van medicatie door sommige collega's volledig routineus en los uit het geheugen wordt klaargezet. En dan wordt verzoekster beschuldigd van het toedienen van verkeerde medicatie (zie onderdeel 5.1)? Begrijpe wie begrijpe kan. Ook hier wordt beweerd dat de fouten aan de hoofdverpleegster werden gemeld en ook hier denkt de getuige - doch zij weet het niet - dat de hoofdverpleegster hiervoor verzoekster zou hebben aangesproken. Verzoekster merkt op dat het feit dat de medicatie ontbrak en door elkaar is gelopen niet haar fout is. Zij heeft dit zelfs plichtsbewust komen melden. Noch kan haar verweten worden te trachten de medicatie die wel herkenbaar was te leggen op de voedselplateaus. En verder is evenmin onomstotelijk aangetoond dat de medicatie juist was klaargezet door Mevr. M.V.M., die blijkbaar zomaar vanbuiten weet welke resident welke medicatie nodig heeft. Ook hier ligt geen enkel objectief element van bewijs van beroepsfouten door verzoekster voor! ONDERDEEL 5.
  54. GEBREK AAN BEWIJS EN FOUT VAN DE VERMEENDE FEITEN OP 23 MAART
  55. Diverse fouten worden verzoekster ten laste gelegd. Zo zou een glucoscotnaald gevonden zijn in het bed van de vader van Mevr.M.V.M. Mevr. M.V.M. en haar moeder zouden deze spuit gevonden hebben in bed om 16h
  56. Verzoekster wordt verweten deze naald te hebben achtergelaten omdat zij om 15 uur een glocoscot zou hebben gedaan in plaats van om 18 uur. Ook hier komt de beschuldiging van Mevr. M.V.M., die rotsvast ervan overtuigd is dat de gevonden naald diegene is die verzoekster zou hebben gegeven. IX-4840-19/50 Normaal gezien worden dergelijke Glucoscots steeds genoteerd op het verzorgingsblad, zo ook is dat deze dag gebeurd. Die dag stond er niets genoteerd. Verzoekster is er zeker van dat zij geenszins deze spuit heeft gegeven aan de betrokken resident, anders stond het op het verzorgingsblad. Men vertrekt van een beweerd vaststaand gegeven dat om 16 uur een spuit is gevonden in het bed van een resident en het vaststaand gegeven dat verzoekster middagdienst had. Bijgevolg leidt men hieruit af dat verzoekster om 15 uur deze spuit zou hebben gegeven, zonder evenwel het bewijs hiervan te leveren. En daaruit leidt men eveneens af dat de gevonden spuit deze is die afkomstig is van verzoekster. De logische gevolgtrekkingen en bewijsvoering zijn hier ver te zoeken! Er kan niet eens bewezen worden dat verzoekster dergelijke spuit heeft gegeven, laat staan dat de gevonden naald door haar achtergelaten zou zijn! De bewijswaarde van deze feiten is niet aangetoond. Over de andere feiten weet Mevr. M.V.M. niets te melden. Verzoekster merkt verder nog op dat het hier zeer onorthodox overkomt dat een van de beslissende raadslieden, Dhr. M.D.H., dient te oordelen omtrent nalatigheden die door het personeel zouden zijn gepleegd waarbij zijn peter slachtoffer zou zijn. In die optiek is er dan ook geen enkele objectiviteit meer bij de oordeelsvorming bij OVERO. ONDERDEEL 5.
  57. GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER EEN STRIP XANAX HEEFT ONTVREEMD. Op 24 maart 2004 ontdekt Mevr. M.V.M. dat een strip Xanax is verdwenen uit de medicatiekast. Zonder evenwel een mogelijke dader aan te duiden of verdenkingen te hebben meldt Mevr. M.V.M. dit feit. Dit feit wordt dan maar als een van de tenlastenleggingen opgesomd ten nadele van verzoekster. Echter, ook hier ontbreekt enig bewijs dat verzoekster deze Xanax zou hebben weggenomen. Zelfs Mevr. M.V.M. dient te verklaren dat zij geen verdenkingen lastens verzoekster koestert: ‘Ik heb U nooit beschuldigd’. ‘Ik heb juist gemeld, Martine, dat het verdwenen was. Ik heb nooit gezegd dat jij het was. Alleen gemeld.’ Over die strip Xanax wordt echter niets meer vermeld in de beslissing d.d. 6 juli 2004, ondanks het feit dat dit behoort tot één van de tenlastenleggingen aan het adres van verzoekster. De rechten van de verdediging zijn ook hier geschonden (zie ook zesde middel). Immers, indien verzoekster van dergelijk feit wordt beticht, heeft zij het recht om zich hieromtrent te verdedigen en een uitspraak hieromtrent te kunnen verwachten, teneinde de nodige rechtsmiddelen aan te wenden indien nodig. Hier heeft Overo geen uitspraak gedaan, zodat verzoekster zich op dat punt ook niet verder kon verdedigen. IX-4840-20/50 ONDERDEEL 5.
  58. GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER ALLE MEDICATIE VAN 22 UUR OM 20 UUR ZOU HEBBEN GEGEVEN OP 23 MAART
  59. Deze loze bewering wordt geuit door Mevr. Chr. D. Zij wordt eveneens op de zitting van 13 mei 2004 gehoord om haar eigen verklaringen te bevestigen. De confrontatie met verzoekster omtrent dat punt mondt uit in een woordenwisseling. Mevr. Chr. D. verklaart: ‘Martine, ik denk niet dat ik zoiets moet slikken van u he. Dat doet hier niet terzake en dat kan niet. Als 't zo is ga ik onmiddellijk voort.’ Over de tenlastenlegging wordt echter niets meer gerept en dit punt eindigt in een patstelling van beschuldiging en ontkenning. Verder is deze verklaring totaal tegenstrijdig. Verzoekster heeft genoeg werk om handen om haar eigen ronde te doen, laat staan dat ze de taken van de nachtverpleegster er nog bij dient te nemen. Verzoekster weet zelfs niet dat er medicatieplateaus zouden bestaan voor 22 uur, laat staan dat ze die zou geven aan de residenten. In elk geval is deze verklaring en beschuldiging van Mevr. Chr. D. door geen enkel objectief gegeven gestaafd en bijgevolg ook niet naar recht en rede bewezen! ONDERDEEL 5.
  60. GEEN BEWIJS DAT DE MEDICATIE VAN DHR. D.A. DOOR VERZOEKSTER NIET ZOU ZIJN TOEGEDIEND OP 23 MAART
  61. Ook deze tenlastenlegging komt van de nachtverpleegster Mevr. Chr. D. In deze tenelastenlegging ligt toch een zware tegenstrijdigheid met de tenlastenlegging onder 5.
  62. Eerst wordt verzoekster ervan beschuldigd de medicatie van 22 uur bestemd voor de nachtverpleegster te hebben gegeven om 20 uur, daarna wordt haar verweten dat de medicatie van een resident te hebben laten staan. Het is of het een of het ander. Beide beschuldigingen zijn niet met elkaar verzoenbaar. Bovendien is de laatste medicatie van 22 uur een taak van de nachtverpleegster. Als er medicatie is blijven staan voor Dhr. D.A. kan dit alleen die zijn die bestemd is voor de nachtverpleegster. Er is trouwens niet eens bewezen welk potje medicatie is blijven staan voor Dhr. D.A., welke datum dit potje droeg en voor welk uur en welke dienst deze medicatie bestemd was om te geven aan de resident. Toch wordt totaal ten onrechte aangenomen dat verzoekster deze medicatie vergeten zou hebben. Ook hier weer wordt deze beschuldiging door geen enkel objectief element hard gemaakt, net zomin als onder het vorig onderdeel. Er wordt alleen verwezen naar een nooit gevonden briefje, dat zelfs niet eens deel uitmaakt van het tuchtdossier! IX-4840-21/50 ONDERDEEL 5.
  63. GEEN BEWIJS OMTRENT HET IMMOVANE VERHAAL VAN 23 MAART
  64. Ook hier wordt een totaal absurd verhaal opgedist omtrent het feit als zou verzoekster drie Immovane pillen in haar hand hebben gehad. Bij de confrontatie met verzoekster weet Mevr. Chr. D. enkel maar te verwijzen naar een nooit gevonden briefje dat zij in de kast van verzoekster zou hebben gelegd. Ook dat verhaal omtrent dit briefje is totaal ongeloofwaardig. Al die feiten (in onderdeel 5.6, 5.7 en 5.8) zouden door Mevr. Chr. D. gemeld zijn door middel van een briefje aan verzoekster. Dit is zeer vreemd aangezien verzoekster en Mevr. Chr. D. elkaar die dag bij de afwisseling van de diensten hebben ontmoet en over onderdeel 5.6 en 5.7 zou dan geen woord zijn gerept, doch Mevr. Chr. D. zou briefjes in de kast van verzoekster hebben achtergelaten om haar op de fouten te wijzen? Dergelijke eigenaardige gang van zaken doet eens te meer vermoeden dat de tenlastenleggingen op niets berusten, laat staan dat er enig objectief bewijs wordt geleverd van dergelijke beschuldigingen. ONDERDEEL 5.
  65. GEEN BEWIJS VAN HET FEIT DAT VERZOEKSTER EEN SPUIT MORFINE ACHTERLIET IN HET BED VAN EEN PATIENTE OP 24 MAART
  66. Verzoekster had de middagdienst op 24 maart
  67. De nachtverpleegster Mevr. Chr. D. vindt 's nachts in het bed van Mevr. E.S. een spuit met morfine. Verzoekster wordt ervan beticht deze spuit achtergelaten te hebben. Nochtans kan Mevr. Chr. D. niet antwoorden of het een volle of een lege spuit was: Mevr. Martine Roos: ‘Ja, maar was ze vol of leeg. Zat er nog niets in?’ Mevr. Chr. D.: ‘Neen. Ik denk...’ Mevr. Martine Roos: ‘Awel chapeau, ge zijt gij een slim mens. Want ik zou een spuit vinden, ik zou niet weten dat daar morfine in zit.’ Bijgevolg staat het niet eens vast of het wel een morfinespuit betrof! Terecht merkte verzoekster op dat men op het eerste gezicht niet kan herkennen welke substantie in een spuit zit. Het staat zelfs niet eens vast dat de betrokken resident alleen maar morfine toegediend kreeg. En zelfs al zou er een morfinespuit zijn gevonden, er is geen enkel bewijs geleverd dat deze spuit door verzoekster zou zijn achtergelaten. Mevr. L.V.: ‘Kan het zijn mevrouw, dat die spuit daar al langer lag?’ Mevr. Chr. D.: ‘Ja het kan altijd dat niemand ze opmerkte, maar 't was een terminale patiënte dus die mensen krijgen regelmatig controle.’ Bijgevolg geeft Mevr. Chr. D. toe dat dergelijke spuit al veel eerder in het bed heeft kunnen liggen. Verder blijkt ook uit het tuchtdossier dat de betrokken resident meerdere morfinespuiten per dag kreeg, zodat om het even wie dergelijke spuit achtergelaten kon hebben. IX-4840-22/50 Ook hier faalt men onomstotelijk aan te tonen dat verzoekster enige beroepsfout zou hebben gemaakt. Men vertrekt weer vanuit enkele feiten die door de beschuldigende als getuigenbewijs worden aangenomen en koppelt daaraan niet gefundeerde veronderstellingen om zo uit te komen bij verzoekster als de oorzaak van de vermeende fouten. Dergelijke redeneringen zijn geen rechtmatige bewijsvoering. ONDERDEEL 5.
  68. GEEN BEWIJS VAN HET GEVEN VAN EEN COCA-COLA AAN EEN PATIENT DIE LEED AAN HYPERGLYCEMIE. Verzoekster wordt op basis van verklaringen van Mevr. Chr. D. beschuldigd van een coca-cola te hebben toegediend aan een resident die leed aan hyperglycemie, terwijl dit enkel mag indien men lijdt aan hypoglycemie. Verzoekster zou gemeld hebben dat zij een coca-cola heeft gegeven en toen Mevr. Chr. D. stelde dat dit niet mag bij een hyperglycemie, zou verzoekster hebben geantwoord dat het dan wel een hyperglycemie zou zijn. Dergelijke feiten hebben zich nooit afgespeeld. Verzoekster heeft geen coca-cola gegeven aan die resident. Dit heeft zij dan ook formeel ontkend. Ook hier faalt Overo om het objectief bewijs te leveren dat de feiten zijn bewezen. Enkel de verklaringen van degene die verzoekster van de feiten beschuldigt, worden herhaald en als getuigenverklaring aangenomen. Zelfs Mevr. Chr. D. was niet eens getuige van dergelijke feiten. Zij beweert alleen dat verzoekster zelf haar zou hebben gezegd dat zij coca-cola heeft toegediend aan een resident met hyperglycemie. Er is niet eens bewezen dat de betrokken resident inderdaad aan hyper- of hypoglycemie had geleden, laat staan dat iemand zou hebben vastgesteld dat verzoekster bij hyperglycemie een coca-cola had toegediend. ONDERDEEL 5.
  69. GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER EEN INSULINESPUIT ZOU HEBBEN ACHTERGELATEN OP DE VERBANDKAR IN DE LINNENKAMER OP 23 MAART
  70. De bestuursraad van Overo beslist terecht dat verzoekster niet verantwoordelijk is voor de gevonden insulinespuit in de linnenkamer. Immers, tussen de dienst van verzoekster en het aantreffen van de spuit lag een volledige dag. Iedereen kan in en uit de linnenkamer en verzoekster had de verbandkar op haar dienst niet nodig. Het feit dat verzoekster hiervan toch werd beschuldigd, toont aan met welke soort klopjacht Overo bezig is om iedere tekortkoming in de dienst RVT+1 van het rusthuis in de schoenen van verzoekster te schuiven. ONDERDEEL 5.
  71. GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER OP 24 MAART 2004 OP DE DOSSIERKAST NOG MEDICATIE ZOU ACHTERGELATEN HEBBEN EN BIJGEVOLG AAN EEN OF MEERDERE RESIDENTEN DEZE MEDICATIE NIET ZOU HEBBEN GEGEVEN Deze feiten worden gemeld door Mevr. P.D. aan de hoofdverpleegster, zonder dat verzoekster daarvan achteraf ook op de hoogte wordt gebracht. Ook IX-4840-23/50 hier diende verzoekster deze vermeende feiten voor het eerst te vernemen bij het lezen van het tuchtdossier. Ook hier weer wordt afgeleid uit het feit dat er potjes medicatie zijn gevonden, dat verzoekster deze zou hebben achtergelaten en niet zou hebben toebedeeld aan de residenten. Nochtans kan geen enkele getuige objectief bewijzen of een verklaring geven dat deze potjes achtergelaten werden door verzoekster. Ook hier wordt een beschuldiging en een eigen verklaring als getuigenbewijs aangenomen. Bovendien is er sprake van groene potjes met medicatie. De potjes waarmee verzoekster werkte waren blauwe potjes! Verder wordt verwezen naar het onhandige systeem van het klaarzetten en geven van de medicatie (zie supra). Het is inderdaad zoals verzoekster op de hoorzitting verklaarde een kwestie van vertrouwen. Degene die de medicatie klaarzet is niet noodzakelijk dezelfde als diegene die de medicatie op de eetplateaus legt en is niet dezelfde als diegene die de medicatie uitdeelt aan de residenten. Op verschillende tijdstippen wordt er medicatie door verschillende personen klaargezet en uitgedeeld. Verzoekster had op 24 maart de middagdienst. Pas op 25 maart, de dag nadien, worden de bewuste potjes met de pillen gevonden. Om het even wie kan die potjes daar hebben ofwel klaargezet ofwel hebben achtergelaten. Mevr. P.D. trekt net zoals alle andere ‘getuigen’ voorbarige conclusies. Verzoekster wordt ervan beschuldigd een Temesta te hebben achtergelaten. Nochtans valt zij door de mand door te verklaren: ‘Op de avondplateau, lag er een wit pilletje en ik veronderstel dat het een Temesta is.’ ‘'t Zal wel een slaappil zijn geweest want het was 's avonds.’ Uit loze veronderstellingen kan men moeilijk een bewijs aannemen. Ook hier is geen afdoende bewijs geleverd en worden twijfelachtige veronderstellingen ten onrechte als een getuigenis aangenomen. ONDERDEEL 5.
  72. GEEN BEWIJS VAN HET FEIT DAT VERZOEKSTER ZOU HEBBEN GEZEGD DAT ZIJ OP 23 MAART

(2004)ALLEEN DE KLEINE GANG ZOU HEBBEN VERZORGD, TERWIJL DIT NIET ZO WAS. Ook hier weer komt men met een absurd verhaal aandraven, aangebracht door Mevr. R.V.S., de collega met wie verzoekster dienst had. Verzoekster had volgens de omschrijving van de feiten namiddagdienst. Mevr. R.V.S. verklaart: ‘ze deed met mij de avonddienst’, hetgeen duidt op een eerste tegenstrijdigheid. Indien beide dames samen dienst hadden, hoe kan verzoekster dan bij aanvang al gezegd hebben dat zij de kleine gang alleen verzorgd had? Dit is totaal onredelijk. Bij de aanvang van werk dat dient te gebeuren, gaat men toch niet zeggen dat het werk al gedaan is? IX-4840-24/50 Verder is het materieel onmogelijk voor een verpleegkundige of een verzorgster om in haar eentje een ganse gang af te werken. Het gaat om dementerende bejaarden. Deze zijn gelet op hun leeftijd niet mobiel en in geval van dementie kunnen zij dikwijls de orders die hen worden opgedragen niet uitvoeren. Zo weten verschillende bejaarden niet meer hoe ze moeten meewerken om andere kledij aan te doen, luiers te verversen, in bed te stoppen. Een dergelijke bejaarde is totaal immobiel en letterlijk een dood gewicht. Om een luier aan te doen moet men deze bejaarde in zijn of haar bed opheffen, en dan de luier verwijderen en een nieuwe aanbrengen. Het is evident dat dit materieel onmogelijk alleen kan worden gedaan door één persoon, laat staan dat deze een ganse gang afwerkt op een mum van tijd. Verzoekster ontkent formeel dat zij zou hebben beweerd de kleine gang alleen te hebben afgewerkt en gezegd tegen haar collega dat het werk vlug gedaan zal zijn. Dit is totaal absurd. Iedereen met een greintje verstand weet dat men dergelijke taak niet alleen aankan en dat een dergelijke uitspraak op zich totaal absurd en ongeloofwaardig is. Mevr. R.V.S.’s verklaringen worden nog ongeloofwaardiger wanneer zij stelt dat verzoekster zou hebben beweerd dat zij de residenten een andere luier heeft aangedaan tijdens het opdienen van het eten. Verzoekster zou dan de tijd hebben gehad om én eten te brengen én alleen de verzorging te doen? Verzoekster zou dan met vuile handen eten hebben gebracht? Dit is totaal ongeloofwaardig en absurd. Verzoekster heeft nooit dergelijke uitspraak gedaan. De gang werd afgewerkt samen met de verzorgster op de wijze zoals het behoorde. Ook hier weer neemt Overo de op de hoorzitting van 8 juni herhaalde beschuldigingen aan als een bewijs door getuigen, zonder dat er enig objectief element bestaat dat de feiten degelijk bewijst. ONDERDEEL 5.
  1. GEEN BEWIJS DAT VERZOEKSTER OP 24 MAART 2004 EEN TEMESTA GAF AAN DHR. C.J. Volgens Mevr. R.V.S. zou verzoekster op 24 maart een Temesta gegeven hebben aan een resident die dit niet nodig zou hebben. Ook deze verklaring is niet meer dan een beschuldiging die op geen enkel objectief gegeven is gestoeld. Vooreerst was deze resident niet agressief in die periode. Hij kreeg zelfs te veel Haldol toegediend, zodat hij meestal zo verdoofd was dat hij in zijn broek urineerde zonder het te beseffen. Dhr. C.J. was zo mak als een lammetje, zodat het totaal onnodig was hem een Temesta te geven. Dhr. C.J. mocht trouwens een Temesta toegediend krijgen, indien hij niet kon slapen. Dit wordt dan ook genoteerd als er een Temesta wordt gegeven. In casu is die dag door verzoekster niets afgetekend, dus is er ook geen Temesta gegeven. De verklaring van Mevr. R.V.S. is dan ook door geen enkel objectief element bewezen. Meer nog, de voorzitter brak tijdens de hoorzitting dit discussiepunt af, zodat er hoegenaamd niets bewezen werd. IX-4840-25/50 ONDERDEEL 5.15: GEEN BEWIJS VAN FOUT BIJ DE VERMEENDE ‘VERDWIJNING’ OP DE DIENST ROND 18 UUR 45 OP 24 MAART
  2. Ook deze bewering is niet eens gestaafd door een objectief gegeven. Het is enkel Mevr. R.V.S. die deze verklaring aanbrengt en haar eigen ongefundeerde beschuldiging weerom als getuigenbewijs laat kwalificeren. Verzoekster stelde dat zij steeds oproepbaar was via het oproepsysteem. Dit was niet eens gebruikt. Verzoekster had die dag geen oproep gekregen. Het is inderdaad mogelijk dat verzoekster bezig was een resident te helpen naar het toilet te gaan etc. zodat zij niet onmiddellijk beschikbaar was voor haar collega. Doch dit kan geen bewijs van fout in hoofde van verzoekster zijn. Zij kan onmogelijk op twee plaatsen tegelijkertijd zijn. Ook hier weer is niets bewezen.” De verzoekster besluit deze bespreking als volgt: “Slotsom is dat men enkel aan de hand van loze beschuldigingen overgaat tot het laten bevestigen van deze beschuldigen en deze als getuigenbewijs aanneemt. Echter, geen enkel aangebracht feit wordt door een andere getuige bevestigd of aannemelijk gemaakt. Het enige feit dat door meerdere getuigen zou zijn vastgesteld, betreft de beschuldiging van de verkeerde medicatie op een moment dat verzoekster niet werkte. Er kan dus totaal geen sprake zijn van een redelijke en objectieve bewijsvoering. Alle aangebrachte beweringen komen uit één rapport van de hoofdverpleegster d.d. 26 maart 2004, hetgeen verzoekster nooit heeft gezien vóór de tuchtprocedure. Dit is ook nooit met verzoekster besproken, laat staan dat de inhoud ervan ten tijde van de vermeende feiten met verzoekster is besproken. Pas een maand na dat rapport (op 20 april 2004) wordt verzoekster geacht tekst en uitleg te geven omtrent zaken die zij zou hebben gezegd aan haar collega’s of omtrent vaststellingen van collega’s waaruit zeer vergezochte gevolgtrekkingen worden genomen. Nergens is er sprake geweest van enige evaluatie van verzoekster. Verzoekster werd voor het vuurpeloton geplaatst met het enige doel haar te doen ontslaan op basis van onbewezen beweringen en veronderstellingen.” 13.
  3. In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekster nog het volgende gelden: “2.3.
  4. In eerste instantie moet worden vastgesteld dat waar de minister in zijn besluit van 3 mei 2005 verwijst naar ‘zeven verklaringen die in dezelfde richting wijzen’, in werkelijkheid: - negen personen werden opgeroepen; - waarvan er acht werden gehoord; - waarbij hoofdverpleegkundige M.S. en directeur D.D.S. geen enkel van de weerhouden feiten zelf hebben vastgesteld, doch alles wat zij menen IX-4840-26/50 te weten slechts uit tweede hand hebben vernomen van één van de andere zes gehoorde personen; - waarbij bovendien de feiten welke door N.V., I.L. en P.D. kenbaar werden gemaakt niet bewezen werden geoordeeld; zodat finaal de als bewezen weerhouden feiten uitsluitend teruggaan op de verklaringen van drie i.p.v. zeven personen, te weten M.V.M., Chr. D. en R.V.S., waarbij geen enkel feit door meer dan één persoon kan worden bevestigd. 2.3.
  5. De verklaringen van M.V.M. hebben betrekking op: - het toedienen van medicatie op het moment dat de resident helemaal geen medicatie diende te hebben, namelijk op 12 februari aan resident V.V.M., waardoor deze resident twee dagen suf en slaperig was (feit 1); - het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie, namelijk op 14 maart 2004 alle medicatie fout gelegd op de plateaus van de residenten, fout die hersteld werd door een collega (feit 2b); - het op het verkeerde tijdstip meten van de bloedsuikerspiegel (glycemiecontrole) (feit 5); - het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval) , namelijk op 23 maart 2004 een aanpriknaald in het bed van resident V.V.M. laten liggen (feit 7a). Wat feit 1 betreft: het toedienen van medicatie op het moment dat de resident helemaal geen medicatie diende te hebben, namelijk op 12 februari aan resident V.V.M., waardoor deze resident twee dagen suf en slaperig was (feit 1); In eerste instantie dient vastgesteld dat betrokkene het beweerde feit niet zelf heeft vastgesteld doch slechts uit tweede hand, heeft vernomen, meer bepaald van C.D. C.D. zelf werd nooit gehoord en kon dus ook nimmer door verzoekster worden ondervraagd, zodat alleen al om die reden dit feit niet in aanmerking kon worden genomen. Anderzijds dient te worden vastgesteld dat de verklaring van M.V.M. in tegenstrijd is met de verklaring van hoofdverpleegkundige M.S., volgens dewelke de feiten zouden zijn vastgesteld door C.D., die deze dan 's anderdaags aan M.V.M. zou hebben gemeld, terwijl volgens de verklaring van laatstgenoemde zij zelf de gemaakte fout op het spoor zou zijn gekomen en daarover C.D. zou hebben aangesproken. Los daarvan, blijkt uit de door hoofdverpleegkundige M.S. gegeven uitleg dat de medicatie voor de residenten daags voordien wordt klaargezet om dan de dag zelf door een ander lid van het verplegend personeel te worden verdeeld over de plateaus voor de voedselbedeling en dan tenslotte door een derde lid van het verzorgend personeel aan de betrokken resident te worden gegeven. In zulke regeling kan bezwaarlijk aan de derde in de rij worden verweten aan de desbetreffende resident de medicijnen te hebben toegediend die op de voor hem bestemde plateau werden klaargezet, nu daarvoor reeds twee controlepunten zijn ingebouwd en het niet de bedoeling kan zijn dat bij het eigenlijke uitdelen van de medicijnen tijdens de voedselbedeling nogmaals wordt nagegaan of de IX-4840-27/50 klaargezette medicijnen wel degelijk overeenstemmen met hetgeen de resident in kwestie dient in te nemen. In zoverre er daadwerkelijk verkeerdelijk bepaalde medicijnen aan de resident in kwestie werden toegediend, is dit dus geenszins te wijten aan enige fout in hoofde van verzoekster, welke enkel de medicijnen heeft toegediend die waren klaargezet, hetgeen niet door haar werd gedaan - doch integendeel, zoals blijkt uit het uurrooster van 12 februari 2004, door M.V.M. zelf (!). Wat feit 2b betreft: het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie, namelijk op 14 maart 2004 alle medicatie fout gelegd op de plateaus van de residenten. Uit het verslag van hoofdverpleegkundige M.S. blijkt dat verzoekster die dag enkel de reeds daags voordien klaargezette medicijnen over de plateaus van de residenten heeft verdeeld. Anderzijds blijkt uit de verklaring van M.V.M. dat klaarblijkelijk een deel van de medicijnen daags voordien gewoonweg niet was klaargezet, namelijk die voor ‘het klein gangske’, aangezien deze klaarblijkelijk ontbraken en de pertinente opmerking van verzoekster dienaangaande dat de medicijnen niet klaar stonden en zij de medicijnen in kwestie toch niet had weggegooid, niet door M.V.M. werd tegengesproken. Waar aldus klaarblijkelijk fouten werden gemaakt door de persoon die de medicijnen daags voordien diende klaar te zetten, is het volstrekt onduidelijk wat M.V.M. meent aan verzoekster te kunnen verwijten. Enig concreet verwijt blijkt ook niet uit haar verklaring. Er blijkt enkel uit dat er onduidelijkheid was omtrent de te verdelen medicijnen en dat zij dit klaarblijkelijk aan verzoekster meende te kunnen verwijten, doch waarom precies, welke fout verzoekster dan wel zou moeten hebben gemaakt, blijkt nergens uit. Wat feit 5 betreft: het op het verkeerde tijdstip meten van de bloedsuikerspiegel (glycemiecontrole). Het is in het geheel niet duidelijk op basis waarvan de stelling wordt geponeerd dat de glycemiecontrole om 15.00 uur werd uitgevoerd, terwijl enerzijds er niets werd genoteerd in het verzorgingsblad en anderzijds M.V.M. klaarblijkelijk niet om 15.00 uur aanwezig was en de spuit pas om 16.00 uur heeft gevonden. Aldus staat geenszins vast dat de desbetreffende spuit door verzoekster werd achtergelaten, daar waar uit de verklaring van getuige P.D. blijkt dat feitelijk nooit kan worden aangeduid door wie een spuit werd achtergelaten, reden waarom het feit van het achterlaten van een insulinespuit op de verbandkar niet werd weerhouden. Wat feit 7a betreft: het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 23 maart 2004 een aanpriknaald in het bed van resident V.V.M. laten liggen. Verzoekster verwijst naar hetgeen zij hiervóór heeft uiteengezet, meer bepaald dat de gegevens van het tuchtdossier geenszins toelaten met zekerheid te besluiten dat de spuit in kwestie door verzoekster werd achtergelaten. IX-4840-28/50 2.3.
  6. De verklaringen van Chr. D. hebben betrekking op: - het op het verkeerde tijdstip toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur te hebben gegeven (feit 3); - het niet toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 de avond medicatie van resident D.A. niet te hebben gegeven (feit 4a); - het onzorgvuldig omspringen met medicatie, namelijk op 23 maart 2004 3 comprimés Imovane waarvan slechts één bestemd voor een residente (feit 10); - het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 24 maart 2004 een subcutane naald laten liggen in het bed van residente E.S. (feit 7c); - het incorrect doorgeven aan collega's van heel belangrijke informatie (feit 9). Wat het feit 3 betreft: get op het verkeerde tijdstip toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur te hebben gegeven (feit 3). Ook hier is er geen enkel concreet bewijs, behalve de door verzoekster met klem betwiste verklaring van Chr. D., dewelke echter vragen oproept. Immers wordt verzoekster verweten haar werk ondoelmatig te organiseren en daardoor niet rond te komen, terwijl zij in dit geval niettemin de tijd zou hebben gevonden om haar taken te volbrengen - er is immers geen enkele klacht of enig ander spoor dat zij dat de bewuste dag niet zou hebben gedaan - en daar bovenop ook de medicijnen van 22.00 uur te verdelen, hetgeen niet tot haar taak behoorde. Bovendien wekt het verwondering dat, ervan uitgaande dat verzoekster met argusogen werd bekeken en allesbehalve het vertrouwen van de rest van het personeel genoot, Chr. D. dit feit, waaraan dan toch het voor haar belangrijke risico verbonden was dat er fouten zouden zijn gebeurd in het verdelen van de medicatie, welke dan aan haarzelf zouden worden toegeschreven, niet aan de hoofdverpleegkundige heeft vermeld, doch er louter mee heeft volstaan een briefje in de kast van verzoekster te deponeren. Overigens is dit laatste op zich al vreemd, gezien volgens de verklaring van Chr. D. één en ander haar door verzoekster zou zijn meegedeeld, zodat men niet inziet wat er Chr. D. dan van zou weerhouden hebben om onmiddellijk aan verzoekster mee te delen dit niet meer te doen, eerder dan via een briefje in haar kleerkastje. Wat betreft het feit 4a: het niet toedienen van medicatie, namelijk op 23 maart 2004 de avondmedicatie van resident D.A. niet te hebben gegeven. Betrokken verklaart enkel: ‘Ja dat is waar. Want we wisten op de duur niet meer is de medicatie gegeven of niet’. Nochtans wordt de medicatie daags voordien klaargezet, zodat dan toch op eenvoudige wijze kan worden uitgemaakt of ze al dan niet werd verstrekt: indien niet, dan moeten er nog medicijnen overgebleven zijn; is dit niet het geval, dan werden alle klaargezette medicijnen klaarblijkelijk verdeeld. IX-4840-29/50 De uitleg van betrokkene is dan ook volstrekt onduidelijk. Wat betreft het feit 10: het onzorgvuldig omspringen met medicatie, namelijk op 23 maart 2004 3 comprimés Imovane waarvan slechts één bestemd voor een residente. Waar ook hier verzoekster de beweringen van Chr. D. met klem tegenspreekt, verklaarde laatstgenoemde op gegeven ogenblik dat R.V.S. bij haar stond. Evenwel is in de verklaring van laatstgenoemde daarover niets terug te vinden. Wat betreft het feit 7c: het meer dan onzorgvuldig omspringen met gebruikte spuiten of aanpriknaalden ondanks de procedure (conform kwaliteitshandboek) en met risico voor de resident en de andere personeelsleden (mogelijkheid tot prikongeval), namelijk op 24 maart 2004 een subcutane naald laten liggen in het bed van residente E.S. Dienaangaande bevestigt Chr. D. uitdrukkelijk dat het mogelijk is dat de spuit er al langer lag en niet eerder werd opgemerkt, zodat ook hier geen zekerheid bestaat dat de spuit in kwestie door verzoekster werd achtergelaten. Wat betreft het feit 9: het incorrect doorgeven aan collega's van heel belangrijke informatie. Ook dit gegeven is volstrekt oncontroleerbaar. Wel is het wederom zeer vreemd dat, indien wordt vastgesteld dat een lid van het verplegend personeel klaarblijkelijk niet over de meest elementaire kennis beschikt met als gevolg dat de gezondheid van de residenten in gevaar kan worden gebracht, zulks niet onmiddellijk aan de hoofdverpleegkundige is gemeld en daar niet de [minste] schriftelijke neerslag van bestaat. 2.3.
  7. De verklaringen van R.V.S. hebben betrekking op: - het niet of onvoldoende verzorgen van residenten, namelijk op 23 maart bepaalde residenten geen verse pamper te hebben aangedaan en een welbepaalde patiënte omgekeerd in bed te hebben gelegd (feit 11); - het toedienen van medicatie zonder dat er een formele opdracht is gegeven, namelijk op 24 maart 2004 een Temesta SL aan C.J. (feit 6); - het afwezig zijn op de dienst tijdens haar werkuren, namelijk gedurende twintig minuten op 24 maart 2004 omstreeks 18.45 uur (feit 8). Wat betreft het feit 11: het niet of onvoldoende verzorgen van residenten, namelijk op 23 maart bepaalde residenten geen verse pamper te hebben aangedaan en een welbepaalde patiënte omgekeerd in bed te hebben gelegd (feit 11); De beweringen van betrokkene zijn niet alleen andermaal volstrekt oncontroleerbaar, doch tevens geheel ongeloofwaardig. Verzoekster stelt dienaangaande vast dat de argumenten die zij heeft ontwikkeld voor het tuchtcollege op geen enkele wijze zijn weerlegd en het tuchtcollege integendeel gewoonweg de gezegdes van R.V.S. voor waar heeft aangenomen. IX-4840-30/50 Wat betreft het feit 6: het toedienen van medicatie zonder dat er een formele opdracht is gegeven, namelijk op 24 maart 2004 een Temesta SL aan C.J. Hier geldt hetzelfde, waarbij bovendien de voorzitter de discussie zonder meer heeft afgebroken, waaruit op zich reeds blijkt dat er klaarblijkelijk geen elementen konden worden gevonden die de echtheid van de beweringen van R.V.S. konden bevestigen, dan wel de stelling van verzoekster konden weerleggen. Wat betreft feit 8: het afwezig zijn op de dienst tijdens haar werkuren, namelijk gedurende twintig minuten op 24 maart 2004 omstreeks 18.45 uur. Waar uit de tenlastelegging zelf blijkt dat in voorkomend geval verzoekster ermee zou hebben kunnen volstaan R.V.S. te verwittigen van het feit dat zij door maagpijn werd geplaagd, blijft de vraag onbeantwoord waarom verzoekster [...] in voorkomend geval, indien zij daadwerkelijk de dienst zou hebben moeten verlaten omwille van maagpijn, dit dan niet eenvoudigweg zou hebben gedaan. Anderzijds is op geen enkele wijze verder ingegaan op de zeer plausibele verklaring van verzoekster dat zij mogelijks bezig was met het helpen van een resident op het toilet.” 13.
  8. In haar laatste memorie stelt de verzoekster nog dat, zo de Raad van State zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen voor de beoordeling van de feiten, hij toch wel een zeker toezicht moet uitoefenen op de beslissing van de tuchtoverheid dat bepaalde feiten bewezen zijn. Te dezen zijn niet enkel de elementen waarop de tuchtstraf is gebaseerd vatbaar voor kritiek, maar getuigt ook de houding van de tuchtoverheid van lichtzinnigheid in de beoordeling van de feiten. Daardoor kon de tuchtoverheid niet in redelijkheid de feiten, of sommige ervan, voor bewezen houden. De verzoekster gaat dan opnieuw in op een aantal feiten die volgens de tuchtoverheid bewezen zijn. In verband met de onderdelen 5.1 en 5.3 van het middel (feiten van 12 februari en 14 maart 2004) voert de verzoekster aan dat het niet zo is dat omdat een geheel aan verklaringen voorligt, sommige beweerde feiten zonder meer aangenomen kunnen worden en voor bewezen kunnen worden gehouden. Er kan maar bewijswaarde aan een verklaring worden toegekend, indien deze verklaring ook bewezen is. De verzoekster stelt terzake pertinente gegevens aangebracht te hebben die aantonen dat het onmogelijk is dat zij de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd. Niet zij, maar M.V.M. heeft terzake fouten begaan. IX-4840-31/50 Ook in verband met de onderdelen 5.4, 5.13, 5.6, 5.8, 5.7, 5.15, 5.14, 5.10, 5.9 en 5.12 van het middel (feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de middagdiensten van 23 en 24 maart 2004) voert de verzoekster aan dat de enkele omstandigheid dat een geheel van verklaringen voorligt, die alle in dezelfde zin wijzen, niet met zich brengt dat bewijswaarde aan die verklaringen gehecht moet worden.
  9. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat de verzoekster in haar bezwaar bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad Oost-Vlaanderen geen opmerkingen gemaakt heeft over een gebrek aan bewijs van de haar ten laste gelegde feiten. Voor het overige achten de verwerende partijen het middel ongegrond. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  10. In verband met de ontvankelijkheid van het middel moet worden vastgesteld dat de verzoekster in het kader van de goedkeuringsprocedure voor de bestendige deputatie een bezwaarschrift heeft ingediend, en dat zij daarin inderdaad niet met zoveel woorden heeft aangevoerd dat de raad van beheer van OVERO zijn beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn. Er moet echter ook worden vastgesteld dat de verzoekster het bewijs van de feiten wel heeft betwist in haar beroep bij de Vlaamse regering, en dat de Vlaamse minister in het bestreden besluit van 3 februari 2005 deze bezwaren uitdrukkelijk en ten gronde heeft onderzocht. In die omstandigheden kan de verzoekster haar grieven in verband met het bewijs van de feiten ook voor de Raad van State aanvoeren. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-4840-32/50
  11. Ambtshalve moet worden vastgesteld dat de onderdelen 5.2 (“Geen bewijs van het bij herhaling foutief klaarzetten van medicatie op 5 maart 2004”) en 5.11 (“Geen bewijs dat verzoekster een insulinespuit zou hebben achtergelaten [...] op de verbandkar in de linnenkamer op 23 maart 2004”) betrekking hebben op feiten die volgens het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO niet bewezen zijn. Onderdeel 5.5 (“Geen bewijs dat verzoekster een strip Xanax heeft ontvreemd”) heeft voorts betrekking op een feit waarover in het voornoemde besluit met geen woord wordt gerept, zoals de verzoekster trouwens zelf aangeeft. De bedoelde onderdelen van het middel zijn dus deels gericht tegen overwegingen in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO die voor de verzoekster niet griefhoudend zijn, en bevatten deels beschouwingen die vreemd zijn aan de bestreden besluiten. De verzoekster heeft dan ook geen belang bij die onderdelen. In zoverre is het middel onontvankelijk. Gegrondheid van het middel
  12. In het schorsingsarrest nr. 149.026 van 19 september 2005 heeft de Raad van State het middel als volgt beoordeeld: “5.3.2.
  13. Overwegende dat, zoals de tweede verwerende partij overigens terecht opmerkt, de Raad van State in dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat het niet zijn taak is om in de plaats van de tuchtoverheid het onderzoek van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten over te doen en te oordelen over het bewezen zijn van deze feiten; dat hij enkel vermag na te gaan of de tuchtoverheid op grond van het voorliggende dossier in recht en redelijkheid tot het bewezen zijn van de feiten kon besluiten; 5.3.2.
  14. Overwegende dat in het ministerieel besluit van 3 mei 2005 houdende de verwerping van verzoeksters beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie met betrekking tot het middel wordt overwogen: ‘Overwegende dat het vreemd lijkt dat zeven verklaringen die in dezelfde richting wijzen, zouden moeten worden beschouwd als zijnde absurde onjuiste verklaringen; dat de getuigenissen daarentegen zeer concreet zijn; dat er door mevrouw Roos geen getuigen werden opgeroepen die haar verklaringen konden staven en de tenlasteleggingen weerleggen, verzachten of een ander licht op de zaak werpen; dat zij evenmin concrete tegenargumenten opwerpt waaruit zou blijken dat de getuigenissen onbetrouwbaar of onjuist zouden zijn. IX-4840-33/50 Overwegende dat er geen aanwijzingen zijn in de verslagen van de hoorzittingen om te besluiten dat lichtzinnig werd omgesprongen met de verklaringen van de collega's van Martine Roos; dat uit niets kan worden afgeleid dat al die verklaringen onjuist zouden zijn, noch dat Overo niet zorgvuldig de zaken heeft onderzocht of zonder voldoende ernst tot haar besluit is gekomen; dat Overo met andere woorden niet manifest onzorgvuldig is te werk gegaan, noch kennelijk onredelijk tot een besluit gekomen op basis van de getuigenverklaringen; dat deze getuigenverklaringen redelijkerwijze als bewijs konden worden aanvaard’; 5.3.2.
  15. Overwegende dat verzoekster deze overwegingen niet bekritiseert; dat zij in haar verzoekschrift tot schorsing zich ertoe beperkt letterlijk de argumentatie te herhalen die zij met betrekking tot het middel in haar beroepschrift bij de minister heeft ontwikkeld, maar die door de minister op grond van de bovenstaande overwegingen werd verworpen; dat die overwegingen van de minister kunnen worden bijgevallen; dat in de huidige stand van de rechtspleging, na een prima facie-onderzoek dat aan het administratief kort geding eigen is, aan deze overwegingen niets wezenlijks toegevoegd kan worden; dat het vijfde middel evenmin ernstig is;”
  16. De Raad van State bevestigt de aangehaalde overwegingen van het schorsingsarrest, inzonderheid in zoverre overwogen wordt dat de Raad van State ten aanzien van de beoordeling van de feiten slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt en in zoverre verwezen wordt naar de overwegingen van het bestreden ministerieel besluit van 3 mei 2005 houdende verwerping van verzoeksters beroep tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie van 12 augustus 2004, overwegingen die de verzoekster in haar verzoekschrift niet als zodanig bekritiseert. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekster erop dat de Raad van State in zijn schorsingsarrest slechts heeft beslist op basis van een prima facie-onderzoek van het middel. Zij nodigt de Raad uit, in het kader van het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring, tot een “meer diepgaand nazicht” van de elementen waarop de bestreden tuchtstraf is gebaseerd. In wat hierna volgt zal de Raad nader ingaan op de onderscheiden onderdelen van het middel, mede aan de hand van hetgeen de verzoekster bijkomend in haar memorie van wederantwoord en haar laatste memorie heeft uiteengezet.
  17. Onderdeel 5.1 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 12 februari 2004 medicatie heeft toegediend aan V.V.M., terwijl deze resident helemaal geen medicatie behoefde. IX-4840-34/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het slechts om een getuigenis uit tweede hand gaat, dat er een tegenstrijdigheid is tussen het getuigenis van M.V.M. en dat van de hoofdverpleegkundige M.S. omtrent de wijze waarop M.V.M. van het feit kennis zou hebben gekregen, en dat aan de verzoekster, die slechts het eten en de medicatie naar de residenten heeft gebracht, niet kan worden verweten dat zij aan de resident verkeerde medicijnen heeft toegediend, als het een andere persoon is die de medicijnen per kamernummer moest klaarzetten op medicatieplateaus en het nog een andere persoon is die de medicijnen op de maaltijdplateaus voor elke kamer legde. Noch het verweer dat het een verklaring uit tweede hand betreft, noch het verweer dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan omtrent de wijze waarop M.V.M. van het feit kennis zou hebben gekregen, is van die aard dat het de bewijswaarde van de voormelde getuigenverklaring aantast, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. Wat betreft het verweer gesteund op het bestaan van een soort cascadesysteem waarbij verscheidene personen opeenvolgend betrokken zijn bij het bezorgen van medicatie aan de residenten, stelt de Raad van State vast dat de verzoekster haar eigen rol wel minimaliseert, maar niet aantoont dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M. volgens welke het in die cascade van taken de verzoekster is die verantwoordelijk was voor de toediening van medicatie die niet vereist was, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  18. Onderdeel 5.3 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 14 maart 2004 de medicatie op de plateaus van de residenten foutief heeft klaargezet. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M., die precieze voorbeelden gaf (“op de plateau van 34/2, stonden de medicatie van 34/2 en de medicatie van 26/2”, “de druppels en de pilletjes van 20 stonden bij 28”). Hiertegen voert de verzoekster aan dat de medicatie voor bepaalde residenten ontbrak, hetgeen zij trouwens aan M.V.M. is gaan melden, en dat de resterende medicatie door elkaar geschud was, maar de verzoekster niettemin getracht heeft die medicatie te sorteren. IX-4840-35/50 De argumentatie van de verzoekster beperkt zich tot het wijzen op een moeilijkheid bij het sorteren van de medicatie. Daarmee toont de verzoekster niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M., volgens welke de verzoekster fouten heeft begaan bij het sorteren van de medicatie, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  19. Onderdeel 5.4 is gericht tegen de vaststellingen in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO, enerzijds, dat de verzoekster op 23 maart 2004 bij resident V.V.M. om 15 uur i.p.v. 18 uur een glycemiecontrole heeft uitgevoerd, en anderzijds, dat zij die dag een aanpriknaald in het bed van V.V.M. heeft laten liggen en aan de familie van V.V.M. heeft verklaard dat ze niet meer wist dat ze deze resident geprikt had. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige M.V.M., volgens wie er die dag slechts één glucoscot werd genomen. Hiertegen voert de verzoekster aan dat enkel vaststaat dat om 16 uur een spuit is gevonden in het bed van V.V.M. en dat zij die dag middagdienst had, waaruit dan wordt afgeleid dat het de verzoekster is die om 15 uur die spuit zou hebben gegeven en dat de gevonden naald afkomstig is van de door de verzoekster gebruikte spuit. Zij wijst er ook op dat op het verzorgingsblad niets genoteerd stond in verband met een glucoscot. De argumentatie van de verzoekster komt erop neer dat er geen administratief spoor is van het nemen van een glucoscot, en dat het bewijs van de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten steunt op allerlei gevolgtrekkingen. Daarmee toont de verzoekster evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige M.V.M. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  20. Onderdeel 5.6 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 alle medicatie van 22 uur om 20 uur heeft gegeven. IX-4840-36/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het tegenstrijdig is te verklaren, enerzijds, dat de verzoekster haar werk ondoelmatig organiseert en daardoor niet rond komt, en anderzijds, dat zij bovenop haar normale taken ook de medicijnen van 22 uur verdeeld zou hebben. Voorts “wekt het verwondering” dat Chr. D. dit feit niet aan de hoofdverpleegkundige heeft gemeld, en hierover slechts een briefje in de kleerkast van de verzoekster heeft gedeponeerd. Ten slotte voert de verzoekster aan dat Chr. D. verklaard heeft dat één en ander haar door de verzoekster zelf zou zijn meegedeeld, zodat men niet goed inziet waarom Chr. D. haar dan niet onmiddellijk heeft gevraagd dit niet meer te doen, eerder dan haar dat via een briefje in de kleerkast te vragen. Het verweer van de verzoekster is niet van die aard dat het de bewijswaarde van de voormelde getuigenverklaring aantast, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  21. Onderdeel 5.7 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de medicatie voor D.A. op 23 maart 2004 door de verzoekster niet zou zijn toegediend. Voor de beoordeling van het onderdeel moet vooreerst worden gewezen op het feit dat in het bestreden besluit enkel wordt vastgesteld dat op 23 maart 2004 de avondmedicatie niet is gegeven aan resident D.A. Anders dan de verzoekster laat uitschijnen, wordt niet vastgesteld dat zij het was die voor het toedienen van die medicatie verantwoordelijk was. Uit het administratief dossier kan voorts worden afgeleid dat de vaststelling dat de medicatie niet is toegediend steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Deze getuige, die nachtdienst had na de namiddagdienst van de verzoekster, heeft verklaard niet met zekerheid te weten of de medicatie voor D.A. al dan niet reeds door de verzoekster was gegeven, en dat zij om die reden aan D.A. geen medicatie meer durfde geven. Zij heeft ook verklaard aan de verzoekster een briefje te hebben geschreven met de vraag om voortaan de medicatie van 22 uur niet meer te geven, zodat geen fouten gemaakt konden worden. Aan de verzoekster wordt dus verweten, niet dat zij zelf heeft nagelaten om de medicatie aan D.A. te geven, wel dat haar handelingen (het IX-4840-37/50 toedienen van de medicatie van 22 uur om 20 uur) ertoe geleid hebben dat de voorziene avondmedicatie voor D.A. is blijven liggen (en dus misschien in het geheel niet is toegediend). Uitgaande van die lezing van het bestreden besluit is er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaring van de getuige dat de verzoekster de medicatie van 22 uur reeds om 20 uur zou hebben gegeven (verklaring die het voorwerp vormt van het hiervóór besproken onderdeel 5.6) en haar verklaring dat de avondmedicatie van D.A. is blijven staan tot de volgende morgen (verklaring die het voorwerp vormt van het thans besproken onderdeel 5.7). In zoverre de verzoekster aan het bestreden besluit verwijt dat dit de verzoekster verantwoordelijk stelt voor iets dat niet tot haar taken behoorde, gaat zij uit van een verkeerde lezing van het besluit. In zoverre de verzoekster aan het bestreden besluit verwijt dat dit geen details bevat over de medicatie die is blijven staan, moet opgemerkt dat verdere details niet nodig zijn voor een goed begrip van de aan de verzoekster verweten tekortkoming. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster ook nog aan dat de verklaring van Chr. D. onduidelijk is, in zoverre deze getuige zelf verklaart dat zij op de duur niet wist of de medicatie nu gegeven was of niet. Afgezien van de vraag of deze grief zelf wel voldoende duidelijk is en gericht is tegen de bestreden beslissing, moet in elk geval opgemerkt worden dat het gaat om een nieuwe grief, die niet voor het eerst in een memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd.
  22. Onderdeel 5.8 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 drie comprimés Imovane (een slaapmiddel) in haar hand had, waarvan één bedoeld zou zijn voor de residente M.V.S. en niet duidelijk was voor wie de twee andere bedoeld waren. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat haar verhaal “totaal absurd” is en door niets bewezen wordt. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekster hieraan toe dat over het IX-4840-38/50 betrokken feit met geen woord gerept wordt door getuige R.V.S., alhoewel deze getuige volgens getuige Chr. D. bij deze laatste stond. De argumentatie van de verzoekster komt erop neer dat de verklaring van Chr. D. ongeloofwaardig is. De verzoekster toont evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van Chr. D., mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. De omstandigheid dat R.V.S. het niet gehad heeft over de drie comprimés Imovane, doet aan die conclusie geen afbreuk. Deze getuige is over dat feit eenvoudig niet ondervraagd.
  23. Onderdeel 5.9 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 een subcutane naald heeft laten liggen in het bed van residente E.S. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D., die de spuit +s nachts heeft gevonden. Hiertegen voert de verzoekster in de eerste plaats aan dat uit een tijdens de hoorzitting gevoerde discussie met de getuige blijkt dat er geen zekerheid is omtrent de inhoud van de spuit. Zij voert voorts aan dat in elk geval niet vaststaat dat de spuit door haar is achtergelaten, en dat de spuit integendeel door eender wie kon zijn achtergelaten. Voor de beoordeling van het onderdeel moet vooreerst worden gewezen op het feit dat in het tuchtverslag weliswaar sprake is van een “spuit morfine”, maar dat in het bestreden besluit in meer algemene bewoordingen gehandeld wordt over een “subcutane naald”. De in het onderdeel opgeworpen kwestie van de inhoud van de spuit is op zich niet relevant voor de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit, ook al kan uit het administratief dossier worden afgeleid dat wel degelijk een spuit met morfine is bedoeld. Voor het overige verwijt de verzoekster aan het bestreden besluit dat dit steunt op een getuigenverklaring waaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat het wel de verzoekster is die de spuit heeft achtergelaten. De verzoekster verwijst hiervoor naar de mogelijkheid dat er in de spuit iets anders zat dan morfine (zijnde het product dat bij E.S. werd ingespoten) en naar de mogelijkheid dat de spuit al in het bed van E.S. lag voordat de verzoekster haar dienst begonnen was. De IX-4840-39/50 enkele mogelijkheid dat niet de verzoekster, maar een andere persoon verantwoordelijk was voor het achterlaten van de spuit, brengt echter niet met zich dat het kennelijk onredelijk is om uit het door Chr. D. vastgestelde feit van een achtergelaten spuit -dat overigens op zich door de verzoekster niet betwist werd- bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  24. Onderdeel 5.10 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 aan een verzorgende meedeelde dat zij coca-cola had gegeven aan een residente met hyperglycemie en dat zij, op de reactie van die verzorgende dat coca-cola enkel aan personen met hypoglycemie mocht worden gegeven, antwoordde dat het dan wel een hypoglycemie geweest moest zijn. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige Chr. D. Hiertegen voert de verzoekster aan dat de aangehaalde feiten zich nooit hebben afgespeeld, dat zij dus nooit cola heeft gegeven aan de betrokken residente, en dat er geen objectief bewijs is van het incident. De argumentatie van de verzoekster beperkt zich tot het ontkennen van het bestaan van de feiten. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige Chr. D. en om uit die verklaring af te leiden dat de verzoekster “heel belangrijke informatie” op een incorrecte wijze doorgaf aan haar collega, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  25. Onderdeel 5.12 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat op 24 maart 2004 op de dossierkast nog een medicatiepotje stond met één niet te identificeren pilletje, een ander potje met niet te identificeren druppels en ook nog één pilletje Temesta, en tegen de conclusie dat die medicatie niet is toegediend aan één of meer residenten. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige P.D. In het tuchtverslag wordt het betrokken feit als volgt omschreven: IX-4840-40/50 “Er wordt +s anderendaags op de dossierkast 1 groen medicatiepotje gevonden met 1 wit pilletje in (product niet te identificeren) en 1 potje met druppeltje (niet te identificeren). Dit werd vastgesteld door P.D. die bij het klaarzetten van de medicatie in de avondplateau (van de voorgaande dag) 1 wit pilletje vindt (Temesta).” Hiertegen voert de verzoekster aan dat uit het feit dat potjes medicatie zijn gevonden, niet zomaar kan worden afgeleid dat ze door haar zijn achtergelaten. Volgens de verzoekster wordt de medicatie op verschillende ogenblikken van de dag door verschillende personen klaargezet, daarna op de eetplateaus gelegd en uiteindelijk uitgedeeld aan de residenten. De verzoekster voert ook aan dat zij werkte met blauwe potjes, niet met groene potjes. Zij wijst er ten slotte op dat, wat de Temesta betreft, de getuige niet eens zeker was dat het een Temesta was en slechts veronderstelde dat het een slaappil was, omdat die op het avondplateau lag. Voor de beoordeling van het onderdeel moet rekening gehouden worden met de feitelijke situatie zoals die door getuige P.D. en de verzoekster zijn beschreven op de hoorzitting van 13 mei
  26. Daaruit blijkt dat er groene potjes zijn voor de medicatie van 18 uur, die geplaatst moeten worden op een plateau waarop “18 uur” vermeld is, en dat er blauwe potjes zijn voor de medicatie van 20 uur, die geplaatst moeten worden op een plateau waarop “20 uur” vermeld is. P.D. verklaarde voorts dat zij een groen en een blauw potje terugvond op de dossierkast, en een wit pilletje, zonder potje, op het plateau van 20 uur. De verzoekster betwist niet de verklaring van P.D. dat deze op 25 maart 2004 medicatie heeft gevonden die de dag tevoren niet is uitgedeeld. De enkele mogelijkheid dat niet de verzoekster, maar een andere persoon de medicatie heeft achtergelaten, brengt niet met zich dat het kennelijk onredelijk is om uit het door P.D. vastgestelde feit van de achtergelaten pillen en druppeltjes bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het feit dat de verzoekster op 24 maart 2004 namiddagdienst (14 tot 22 u) had, en op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  27. Onderdeel 5.13 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 23 maart 2004 aan een collega verklaarde dat zij de residenten van de kleine gang verzorgd had, terwijl bij controle bleek dat de residenten geen verse pamper aan hadden en dat residente R.D. omgekeerd in bed lag. IX-4840-41/50 Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S. Hiertegen voert de verzoekster in essentie aan dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het feit dat de verzoekster op 23 maart 2004 namiddagdienst had, enerzijds, en de verklaring van R.V.S. dat zij samen met de verzoekster avonddienst had, anderzijds. Voorts voert de verzoekster aan dat de woorden die haar in de mond gelegd worden, absurd zijn. In zoverre de verzoekster wijst op een fout in de verklaring van R.V.S., wat de periode van de dienst betreft, moet vastgesteld worden dat uit de bedoelde verklaring blijkt dat deze getuige bedoelde dat zij en de verzoekster dienst hadden in de periode vóór de “nachtdienst” (toen Chr. D. aankwam), d.w.z. tijdens de namiddag. De loutere omstandigheid dat zij op een bepaald ogenblik verklaarde “avonddienst” te hebben, doet hieraan geen afbreuk, gelet op de uren waarover de namiddagdienst zich uitstrekte (van 14 u tot 22 u). Voor het overige beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van het feit dat zij aan haar collega verklaard zou hebben dat zij bij het begin van haar dienst de kleine gang al afgewerkt zou hebben. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige R.V.S. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  28. Onderdeel 5.14 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 aan resident C.J. zonder aanleiding een comprimé Temesta, zijnde een kalmerend middel, heeft gegeven. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S. Hiertegen voert de verzoekster aan dat het ten laste gelegde feit door geen enkel objectief gegeven is bewezen. Het zou trouwens vreemd zijn om aan C.J. een Temesta te geven nu hij in die periode helemaal niet agressief, maar integendeel “zo mak als een lammetje” was. Aan C.J. mocht wel een Temesta gegeven worden als hij niet kon slapen, maar in dat geval werd dat genoteerd, en voor de betrokken dag was door de verzoekster niets opgetekend. De verzoekster voert ook aan dat de voorzitter dit discussiepunt op IX-4840-42/50 de hoorzitting heeft afgebroken, hetgeen bewijst dat er klaarblijkelijk geen elementen gevonden konden worden om de verklaring van R.V.S. te bevestigen. Ten gronde beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van de feiten en het aanvoeren dat de verklaring van R.V.S. ongeloofwaardig is. De verzoekster toont evenwel niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van R.V.S., mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten. In zoverre de verzoekster aanvoert dat de voorzitter het discussiepunt zou hebben afgebroken, moet vastgesteld worden dat uit het proces- verbaal van de hoorzitting van 8 juni 2004 blijkt dat de voorzitter na afloop van de discussie tussen de getuige en de verzoekster en haar vertegenwoordiger over de betrokken tenlastelegging is overgegaan tot de behandeling van de volgende tenlastelegging. Er is geen spoor van enig “afbreken” van de discussie.
  29. Onderdeel 5.15 is gericht tegen de vaststelling in het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO dat de verzoekster op 24 maart 2004 gedurende 20 minuten spoorloos verdwenen was, zonder haar collega te verwittigen. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat deze vaststelling steunt op de verklaring van getuige R.V.S., die voorts verklaarde dat de verzoekster bij haar terugkeer zegde dat ze pijn had aan haar maag. Hiertegen voert de verzoekster aan dat zij steeds opgeroepen kon worden via het oproepsysteem, en dat het mogelijk was dat zij een resident aan het helpen was bij het naar het toilet gaan. In haar memorie van wederantwoord voegt zij eraan toe dat , als zij inderdaad omwille van maagpijn de dienst had moeten verlaten, er geen reden was waarom zij haar collega dan niet verwittigd zou hebben. In zoverre de verzoekster aanvoert dat de getuige haar had kunnen oproepen, gaat het om een verweer dat, zelfs indien de bewering van de verzoekster in feite correct zou zijn, de wettigheid van het bestreden besluit niet in het gedrang zou kunnen brengen. Immers, ook al is in het bestreden besluit sprake van de onmogelijkheid om op de verzoekster een beroep te doen in geval van “eventuele nood aan assistentie, de tenlastelegging heeft primair betrekking op het feit zelf van het verlaten van de dienst zonder een vooraf kenbaar gemaakte gegronde reden. IX-4840-43/50 Voor het overige beperkt de argumentatie van de verzoekster zich tot het ontkennen van het feit dat zij de dienst verlaten zou hebben en dat zij daarvoor achteraf maagpijn ingeroepen zou hebben. De verzoekster toont daarmee echter niet aan dat het kennelijk onredelijk is om bewijswaarde toe te kennen aan de verklaring van getuige R.V.S. en om uit de door haar vastgestelde feiten bepaalde gevolgen af te leiden, mede gelet op het geheel van verklaringen die het hebben over tekortkomingen van de verzoekster aan haar beroepsplichten.
  30. Uit het voorgaande blijkt dat het middel in geen van zijn onderdelen kan worden aangenomen. D. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  31. De verzoekster roept een zesde middel in, afgeleid uit de schending van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, en uit de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 305, § 3, en 307 van de Nieuwe Gemeentewet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekster voert aan dat zij ervan beschuldigd werd een strip Xanax te hebben ontvreemd, terwijl het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 daarover geen uitspraak doet, en daaraan zelfs geen motivering wijdt. Beoordeling
  32. Het middel heeft, zoals de verzoekster zelf aangeeft, betrekking op een feit waarover in het bestreden besluit met geen woord wordt gerept. Het middel bevat aldus beschouwingen die vreemd zijn aan het bestreden besluit. Net zomin als met betrekking tot het desbetreffende onderdeel 5.5 van het vijfde middel (zie overweging 16), heeft de verzoekster belang bij het zesde middel. IX-4840-44/50 Ambtshalve moet worden vastgesteld dat het middel onontvankelijk is. E. Zevende middel Standpunt van de partijen
  33. De verzoekster roept een zevende middel in, afgeleid uit het gebrek aan objectiviteit en de schending van de onpartijdigheid. Zij voert aan dat één van de leden van de raad van beheer met beslissende stem, Marin Den Haerinck, familie is van één van de getuigen (M.V.M.), op wier verklaringen de bestreden tuchtmaatregel mede is gesteund. Zij laat gelden dat de voornoemde beheerder om puur menselijke redenen uiteraard niet meer objectief kan oordelen als één van zijn familieleden komt getuigen tegen de persoon tegen wie een tuchtonderzoek lopende is. De verzoekster verwijst in dit verband naar het adagium “Justice should not only be done, but also seen to be done”.
  34. De tweede verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Volgens die verwerende partij heeft de verzoekster in de loop van de procedure voor de tuchtoverheid verzuimd om bezwaar te maken tegen de aanwezigheid van Marin Den Haerinck. Voor het overige achten de verwerende partijen het middel ongegrond. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  35. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de verzoekster tijdens het verhoor van getuige M.V.M. door de raad van beheer van OVERO of op enig ander ogenblik tijdens de tuchtprocedure enig bezwaar zou hebben gemaakt tegen de aanwezigheid van beheerder Marin Den Haerinck. Zij heeft in dit verband ook geen bezwaar geformuleerd voor de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen of voor de Vlaamse regering. IX-4840-45/50 Tot staving van het zevende middel legt de verzoekster een kopie neer van een dankbetuiging naar aanleiding van het overlijden van V.V.M., waaruit blijkt dat M.V.M. en Marin Den Haerinck familielid van de overledene zijn. Dat bericht dateert van 16 februari 2005, d.w.z. van na het afsluiten van de tuchtprocedure voor de raad van beheer van OVERO. Uit niets blijkt dat de verzoekster voordien op de hoogte was van het bestaan van een familieband. De vraag of de opgeworpen exceptie in de gegeven omstandigheden gegrond is, kan opengelaten worden. Uit de bespreking hierna blijkt dat het middel in elk geval niet kan worden aangenomen. Gegrondheid van het middel
  36. Het in het middel ingeroepen onpartijdigheidsbeginsel is van toepassing in tuchtaangelegenheden die binnen het actieve bestuur hun beslag krijgen, voor zover de naleving van dat beginsel verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Uit het enkele feit dat een lid van het tuchtrechtelijk bevoegde orgaan verwant is met een persoon die als getuige wordt opgeroepen, kan echter niet worden afgeleid dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon objectieve redenen heeft om te twijfelen aan de onpartijdigheid of het gebrek aan objectiviteit van dat lid.
  37. In dit verband kan ook verwezen worden naar artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet, dat krachtens artikel 126, § 1, van die wet van toepassing is op verenigingen als OVERO. Artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet luidt als volgt: “Het is de leden van de raad verboden:
  38. Tegenwoordig te zijn bij beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.” Daargelaten of deze wetsbepaling eraan in de weg zou kunnen staan dat een lid van de raad van beheer deelneemt aan de beraadslaging en de beslissing over een tuchtzaak waarin een bloed- of aanverwant als getuige optreedt, IX-4840-46/50 moet in elk geval worden vastgesteld dat de verwantschap tussen beheerder Marin Den Haerinck en getuige M.V.M. volgens de eerste verwerende partij slechts van de zesde graad is. Die feitelijke precisering wordt door de verzoekster niet tegengesproken. De aangehaalde wetsbepaling verzet zich te dezen dan ook niet tegen de deelname van Marin Den Haerinck aan de beraadslaging en de beslissing over de tuchtvervolging tegen de verzoekster. Die vaststelling versterkt de conclusie dat ook de in het middel aangehaalde beginselen, die van meer algemene aard zijn, niet zijn geschonden.
  39. Het middel kan niet worden aangenomen. F. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
  40. In het achtste middel roept de verzoekster de schending van het evenredigheidsbeginsel in. Zij voert aan dat, voor zover de haar ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht, de opgelegde tuchtmaatregel totaal onevenredig is met die feiten. In dit verband voert zij in het bijzonder aan dat zij pas drie maanden op de dienst “RVT+1” was tewerkgesteld in een part time-betrekking, zodat zij nog diende te wennen aan de nieuwe situatie, collega’s, werkritme, taken, enz.; dat zij in die periode nooit is gewezen op fouten, zodat zij niet het nodige kon doen om eventuele fouten recht te zetten; dat zij opeens preventief werd geschorst en kort daarna van ambtswege is ontslagen, wat de op één na hoogste tuchtstraf is. Beoordeling
  41. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. De Raad van State heeft bij de toetsing van de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf slechts een marginale bevoegdheid, hetgeen betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar enkel kan nagaan of de overheid geen straf heeft opgelegd die in een wanverhouding staat tot de feiten, dit wil zeggen een straf die geen enkele in redelijkheid oordelende overheid voor die feiten zou opleggen. IX-4840-47/50
  42. In het bestreden besluit van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 wordt het volgende overwogen: “Door vermelde feiten heeft mevrouw Martine Roos: / een aanzienlijk en niet te verantwoorden gezondheidsrisico geschapen ten aanzien van diverse residenten. Mogelijks was hierbij in bepaalde gevallen zelfs sprake van het veroorzaken van lichamelijke schade. / deontologisch en op vakkundig gebied blijk gegeven van een onverantwoordelijk gedrag strijdig met elementaire ethische normen eigen aan een verzorgende/verplegende dienstverlening. / laten blijken elementaire basiskennis, eigen aan het beroep, niet te kunnen aanwenden in de werksituatie.” Inzonderheid het gegeven dat de verzoekster door haar laakbaar gedrag een gezondheidsrisico creëert voor de residenten van het rusthuis, noopt tot het besluit dat de opgelegde tuchtmaatregel niet onevenredig is met de haar ten laste gelegde tuchtfeiten. In zoverre de verzoekster aanvoert dat zij nog maar pas op de dienst werkzaam was, dat zij zich derhalve nog diende aan te passen, en dat zij nooit op haar tekortkomingen is gewezen, wijst de eerste verwerende partij er in haar memorie van antwoord terecht op dat de verzoekster eerder al tewerkgesteld was op de dienst “RVT-0”. Uit de door die partij neergelegde stukken blijkt dat ook de hoofdverpleegkundige in die dienst klachten had over de wijze waarop de verzoekster haar dienst waarnam, onder meer in verband met het klaarzetten van medicatie. Op 15 december 2003 kreeg de verzoekster voor haar functioneren in die dienst de evaluatie “zwak”. De moeilijkheden die de verzoekster op die dienst berokkende hebben overigens aanleiding gegeven tot haar overplaatsing naar de dienst “RVT+1”. Blijkens de verklaring van M.S., hoofdverpleegkundige van de laatstgenoemde dienst, tijdens het verhoor door de raad van beheer op 13 mei 2004 heeft ook zij de verzoekster een aantal keren ter verantwoording geroepen voor vastgestelde tekortkomingen.
  43. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-4840-48/50 G. Negende middel Uiteenzetting van het middel
  44. In haar negende middel roept de verzoekster de schending in van “procedureregels”, met name artikel 53 van de OCMW-wet. Zij voert aan dat artikel 53 van de OCMW-wet geschonden is doordat de bestreden beslissing van de raad van beheer van OVERO van 6 juli 2004 door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen is goedgekeurd zonder dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Ronse advies heeft gegeven, minstens voordat de termijn voor het geven van dat advies is verstreken. Beoordeling
  45. Artikel 53, § 1, van de OCMW-wet bepaalt: “De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepen alsmede aan de goedkeuring van de bestendige deputatie. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad anders beslist.” Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een tuchtstraf van onder meer het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken, dient te worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepenen en de goedkeuring van de bestendige deputatie. Het is in het kader van het bijzonder administratief toezicht door de bestendige deputatie dat de wetgever heeft bepaald dat door het college een advies wordt verleend. Dit advies is aldus bedoeld om de bestendige deputatie voor te lichten bij de uitoefening van haar goedkeuringstaak.
  46. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eerste verwerende partij het bestreden besluit van 6 juli 2004 met een brief van 8 juli 2004 voor advies heeft bezorgd aan het College van burgemeester en schepenen van de stad Ronse, en met een brief van dezelfde datum voor goedkeuring aan de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Het college van burgemeester en schepenen heeft op 2 augustus 2004 een gunstig advies verleend, en daarvan met een faxbericht IX-4840-49/50 van 6 augustus 2004 kennis gegeven aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen. In een nota van de administratie van het provinciebestuur aan de bestendige deputatie, eveneens van 6 augustus 2004, wordt melding gemaakt van dit gunstige advies. Op 12 augustus 2004 heeft de bestendige deputatie het besluit aangenomen tot goedkeuring van het besluit van de raad van beheer. Uit dit overzicht van feiten blijkt dat het college van burgemeester en schepenen advies gegeven heeft over het besluit van de raad van bestuur van OVERO, en dat de bestendige deputatie kennis gekregen heeft van dit advies voordat ze beslist heeft over de goedkeuring van het besluit van de raad van beheer.
  47. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. BESLISSING
  48. De Raad van State verwerpt het beroep.
  49. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-4840-50/50 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.356 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.