← België

Arrest 209388 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.388 Rolnummer: A. 190568/X-13977 Zaak: Arrest 209388 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.388 van 1 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.388 van 1 december 2010 in de zaak A. 190.568/X-13.

  1. In zake :
  2. Marc VANDEVENNE
  3. Linda ELSEVIERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Stijns kantoor houdend te 3001 LEUVEN Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  4. de gemeente HERENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 SINT-NIKLAAS Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen
  5. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij :
  6. de v.z.w. TOVERBERG
  7. de b.v.b.a. ’t WIMPELHOF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Nachtergaele kantoor houdend te 3020 HERENT Rijweg 74 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  8. Het beroep, ingesteld op 3 december 2008, strekt tot de nietigverklaring van : X-13.977-1/10 - het besluit van 10 juni 2008 van de gemeenteraad van Herent houdende definitieve vaststelling van deelplan 3 “Manege Toverberg” van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “zonevreemde sport- en recreatie 1e fase” van de gemeente Herent, en - het besluit van 31 juli 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant houdende goedkeuring van het voormelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 oktober
  9. II. Verloop van de rechtspleging
  10. Bij arrest nr. 191.544 van 17 maart 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 25 juni
  11. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  12. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. X-13.977-2/10 Advocaat Tessa Cornelissen, die loco advocaat Jan Stijns verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bram De Smet, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Luc Nachtergaele, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  13. III. Feiten
  14. Voor de uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar het arrest nr. 191.544 van 17 maart
  15. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste onderdeel van het derde middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van artikel 19, §§ 2 en 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). In een eerste onderdeel van het middel voeren ze aan dat deelplan 3 “Manege Toverberg” van het betrokken gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant, dat de inplanting van nieuwe maneges in open ruimte gebieden aan bepaalde voorwaarden onderwerpt. Volgens de verzoekende partijen diende het project in deelplan 3 aan deze X-13.977-3/10 voorwaarden te worden getoetst, nu de op het terrein aanwezige manege in strijd is met de stedenbouw- en milieuvergunningswetgeving en het project derhalve de inplanting van een nieuwe manege beoogt. De verzoekende partijen preciseren dat er op 27 oktober 1986 enkel een regularisatievergunning werd verleend voor een “demonteerbare verplaatsbare loods voor paardenmateriaal”, doch dat uit fotomateriaal duidelijk blijkt dat de manege bestaat uit constructies die noch demonteerbaar, noch verplaatsbaar zijn, waaruit dient te worden besloten dat de bestaande constructies ofwel niet werden geregulariseerd ofwel na 1986 zonder vergunning werden uitgevoerd. De verzoekende partijen wijzen er bovendien op dat het bestaande terrein door het project meer dan verdubbeld wordt en dat er een volledig nieuwe infrastructuur wordt voorzien, tot zes maal groter dan de bestaande. Ze voeren aan dat, hoewel het deelplan 3 aldus duidelijk de inplanting van een nieuwe manege beoogt, niet voldaan is aan de zes cumulatieve voorwaarden die in het provinciaal ruimtelijk structuurplan worden gesteld. Volgens de verzoekende partijen “ligt (het deelplan immers) absoluut niet in een toeristisch recreatief netwerk

(1), noch is er enige informatie over de aanwezigheid van ruiterpaden
(2)”, “beoogt (het plan) geen herbestemming van een landbouwbedrijf
(3), daar er geen sprake is van een landbouwbedrijf”, “wordt duidelijk voorzien in de oprichting van geheel nieuwe constructies
(4)”, “wordt (de eigenheid van de streek) volledig teniet gedaan (in plaats van de eigenheid van de streek te accentueren)
(5)” en “vertoont (de manege ten slotte) door haar omvang en doelstellingen alles behalve een laagdynamisch karakter
(6)”. De verzoekende partijen besluiten dan ook dat het deelplan 3 strijdig is met artikel 19, § 3 DRO vermits het afwijkt van de bepalingen van het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan, zonder dit uitgebreid te motiveren. 5. In haar memorie van antwoord citeert de eerste verwerende partij een passage uit het advies van de Gecoro van 20 mei 2008, waarin de Gecoro zich met betrekking tot de aangevoerde strijdigheid met het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Vlaams- Brabant uitdrukkelijk heeft aangesloten bij het advies van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, waarin geen strijdigheid met het provinciaal ruimtelijk structuurplan werd vastgesteld. Voorts voert de eerste verwerende X-13.977-4/10 partij aan dat uit de specifieke toelichting bij deelplan 3 duidelijk blijkt dat het wel degelijk een bestaande manege betreft, dewelke wordt geherlokaliseerd, terwijl de bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, enkel betrekking hebben op nieuwe vestigingen. 6. De tweede verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat “de toetsing aan het provinciaal ruimtelijk structuurplan (…) op een zeer grondige manier (
  1. is)uitgevoerd” en dat ze “met betrekking tot deelplan 3 (…) terecht tot de conclusie (
  2. is)kunnen komen dat de gekozen opties kwalitatief ruimtelijk onderbouwd en uitgewerkt zijn en dat het plan kadert binnen de ruimtelijke principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams- Brabant”. Ze stelt dat “in het goedkeuringsbesluit (…) dienaangaande nog uitdrukkelijk gemotiveerd (wordt) dat de provincie de uitbouw van laagdynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur maximaal wenst te ondersteunen” en dat “ook het Agentschap R-O Vlaanderen (…) hieromtrent geen opmerkingen (heeft) geformuleerd”. Verder stelt de tweede verwerende partij dat “dient opgemerkt dat er in het provinciaal ruimtelijk structuurplan geen bindende bepalingen worden opgenomen met betrekking tot lokale recreatie en dat Herent niet wordt geselecteerd als een toeristisch-recreatief knooppunt”, “dat het kanaal Mechelen-Leuven, gelegen aan haar grens, (…) evenwel (wordt) opgenomen als een gebundeld lijnelement”, dat “de lijnelementen (…) maximaal ingeschakeld (worden) in en tussen de verschillende toeristisch-recreatieve netwerken” en dat “binnen de samenhangende structuur van natuurkerngebied, bos en open agrarische landschapskamers, sport- en recreatie- infrastructuur zich uitsluitend binnen of aan de rand van de gebouwde gebieden dienen te bevinden en (…) een landschappelijke integratie (dient) voorop te staan”. De tweede verwerende partij betoogt voorts dat “los van het feit dat er zelfs geen manifeste tegenstrijdigheid voorhanden is met de aangehaalde voorschriften van punt 4.7 Maneges, (…) in deze (dient) opgemerkt dat het eerder om een herlokalisatie van een bestaande manege gaat in de overgang van het bebouwd gebied van Veltem- Beisem en het zuidelijk open ruimtegebied”. 7. Ook de tussenkomende partijen betogen in hun verzoekschrift tot tussenkomst dat het project geen nieuwe manege betreft, “maar enkel de X-13.977-5/10 verbetering van een bestaande manège die geherpositioneerd wordt met een merkelijke verbetering voor alle omwonenden”. Voorts voeren ze aan dat de deputatie “niet geacht (kan) worden tegen haar eigen structuurplan in te handelen, zodat de wettelijke voorwaarden vervuld geacht worden te zijn”, dat “de herpositionering zich niet voordoet in open ruimte, zoals door verzoekende partijen feitelijk onjuist beweerd wordt, maar wel degelijk (…) aansluit bij de bestaande bebouwing” en dat “verzoekende partijen het (beschouwen) alsof de door hen aangehaalde voorwaarden als cumulatief zouden moeten worden beschouwd, terwijl zulks nergens uit de teksten zelf blijkt”. 8. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat de verwerende partijen niet betwisten dat de bestaande constructies niet vergund zijn, zodat bezwaarlijk van een bestaande manege kan worden gesproken. Voorts voeren ze aan dat de bestaande onvergunde constructies zullen worden afgebroken en dat de toekomstige infrastructuur tot zes maal groter zal zijn zodat “spreken van een herlocalisatie van de bestaande manege (…) dan ook volledig in(gaat) tegen elke logica, alsook tegen de bedoeling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan”. Beoordeling 9. Het toentertijd geldende artikel 19, § 3 DRO bepaalde wat volgt: “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. (…)”. X-13.977-6/10 10. In het richtinggevend gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant wordt aangaande de inplanting van nieuwe maneges het volgende bepaald: “4.7. Maneges Volgens de huidige wetgeving kunnen maneges niet aanzien worden als para-agrarische bedrijven en kunnen ze niet toegelaten worden in het agrarisch gebied. Bijgevolg kunnen ze alleen terecht in het woongebied of recreatiegebied. Aangezien er voor de nodige accommodatie grote perceelsoppervlakten nodig zijn en de bouwgrond duur is, is het bijna onmogelijk om nieuwe vestigingen op te starten. Er moet immers voldoende weiland aanwezig zijn in de omgeving. Vanuit deze specifieke problematiek en de wens van de provincie om in een aantal agrarische gebieden specifieke vormen van laagdynamische toeristisch-recreatieve infrastructuur te stimuleren, stelt de provincie dat onder bepaalde voorwaarde nieuwe maneges in openruimtegebieden kunnen worden ingeplant. De inplanting van nieuwe maneges zal getoetst worden aan volgende elementen: - ze zijn bij voorkeur gelegen in een toeristisch-recreatief netwerk; - de aanwezigheid van ruiterpaden voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen van de ruiters is verzekerd; - ze worden een herbestemming van een gedesaffecteerd landbouwbedrijf; - er dienen geen nieuwe constructies opgericht; - ze accentueren de eigenheid van de streek - ze blijven laagdynamisch van karakter”. 11. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden deelplan 3 “Manege Toverberg” aan de voormelde voorwaarden uit het provinciaal ruimtelijk structuurplan diende te worden getoetst. Volgens de verzoekende partijen beoogt het deelplan immers de inplanting van een nieuwe manege, nu op het terrein enkel onvergunde constructies aanwezig zijn. 12. In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt met betrekking tot “deelplan 3: Manege Toverberg” onder “Bestaande juridische toestand” enkel een bouwvergunning vermeld van 27 oktober 1986 “mbt het bouwen van een demonteerbare verplaatsbare loods voor paardenmateriaal (regularisatieaanvraag)”. Voorts is er sprake van een milieuvergunning “Klasse 2 van 09/04/2001 tot 09/04/2021 mbt paardenhouderij (met 30 paarden) op voorwaarde dat (een) bouwaanvraag wordt verkregen”. X-13.977-7/10 Aangaande de “Bestaande feitelijke toestand” wordt in de toelichtingsnota gesteld dat “de aanwezige infrastructuur (zich) beperkt (…) tot twee gebouwen, een stal voor ca. 35 paarden en een berging (samen ca. 700m²) en een rijpiste in open lucht van ca. 700m²”. Uit de aldaar weergegeven foto’s blijkt dat de verzoekende partijen terecht opmerken dat de op het terrein aanwezige constructies noch demonteerbaar, noch verplaatsbaar zijn. Uit deze gegevens, die door de verwerende en de tussenkomende partijen niet worden betwist, laat staan weerlegd, dient te worden afgeleid dat de op het terrein aanwezige infrastructuur niet overeenstemt met de op 27 oktober 1986 verleende bouwvergunning en aldus niet vergund is. Dit houdt in dat het decretaal verbod voor de aldaar uitgevoerde vergunningsplichtige werken, handelingen en/of (functie)wijzigingen, niet werd opgeheven. In die omstandigheden kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat er sprake is van een bestaande manege. Met de verzoekende partijen dient derhalve te worden vastgesteld dat het bestreden deelplan 3 wel degelijk betrekking heeft op de inplanting van een nieuwe manege. Tevens dient te worden vastgesteld dat deze inplanting zich, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen voorhouden, in open ruimte gebied situeert. In het provinciaal ruimtelijk structuurplan wordt “open ruimte” als volgt gedefinieerd: “De open ruimte omvat de gebieden waarin de onbebouwde ruimte overweegt. De open ruimtefragmenten verschillen naar vorm, functie en samenstelling. De open ruimte omvat de natuurlijke structuur, de agrarische structuur en de landschappelijke structuur. Open ruimte is een thematisch begrip”. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de terreinen waarop de manege zal worden ingeplant, volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven hoofdzakelijk gelegen zijn in agrarisch gebied en in het zuiden grenzen aan het Bertembos. De stelling van de tussenkomende partijen dat de inplanting zich niet voordoet in open ruimte vermits ze aansluit bij de bestaande bebouwing, kan niet worden aangenomen. X-13.977-8/10 Nu aldus blijkt dat deelplan 3 “Manege Toverberg” van het betrokken gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de inplanting van een nieuwe manege in open ruimte gebied beoogt, diende dit deelplan aan de hierboven geciteerde voorwaarden van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant te worden getoetst, hetgeen niet is gebeurd. Bovendien maken de verzoekende partijen aannemelijk dat aan minstens een aantal van de in het provinciaal ruimtelijk structuurplan gestelde voorwaarden niet is voldaan. Derhalve wijkt het deelplan 3 “Manege Toverberg” van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “zonevreemde sport- en recreatie 1e fase” van de gemeente Herent af van de richtinggevende bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant, zonder dat hiervoor een motivering wordt gegeven zoals vereist in artikel 19, § 3 DRO, zodat dit artikel werd geschonden. Het eerste onderdeel van het derde middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt: - het besluit van 10 juni 2008 van de gemeenteraad van Herent houdende definitieve vaststelling van deelplan 3 “Manege Toverberg” van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “zonevreemde sport- en recreatie 1e fase” van de gemeente Herent, en - het besluit van 31 juli 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende goedkeuring van het voormelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 oktober 2008. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede vernietigde besluit. 3. De gemeente Herent en het Vlaamse Gewest worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. X-13.977-9/10 De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.977-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.388 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.