id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.399 Rolnummer: A. 167078/X-14814 Zaak: Arrest 209399 - Milieuheffingen - 02/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.399 van 2 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.399 van 2 december 2010 in de zaak A. 167.078/VII-34.784. In zake : SAUDI ARABIAN AIRLINES CORPORATION, vennootschap naar Saudi-Arabisch recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gauthier van Thuyne en Werner Eyskens kantoor houdend te Brussel Tervurenlaan 268 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en François Tulkens kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 24 augustus 2005 waarbij aan Saudi Arabian Airlines Corporation een administratieve geldboete wordt opgelegd ten belope van 26.615 euro wegens inbreuken op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. VII-34.784-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jan Clement heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fee Goossens, die loco advocaat Gauthier van Thuyne verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat François Tulkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelgevende context 3.1. Artikel 9 van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving belast de gewestregering ermee alle maatregelen te nemen om de geluidshinder te beperken door onder meer de maximale immissienormen te bepalen. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van VII-34.784-2/13 geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer is uitgevaardigd op basis van deze machtiging en stelt het maximale geluidsniveau dat de overvlucht van vliegtuigen mag veroorzaken vast, gemeten op een hoogte tussen 1,5 meter en 25 meter boven de grond. 3.2. Artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu stelde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het volgende : "De persoon die een van de volgende misdrijven pleegt, is strafbaar met een administratieve geldboete van 625 tot 62.500 euro : (...) 7° in de zin van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving, de persoon die : (...)
- b)rechtstreeks of onrechtstreeks geluidshinder veroorzaakt of laat voortduren die de door de Regering gestelde normen overschrijdt". 3.3. De artikelen 35 tot 39bis van de laatstgenoemde ordonnantie luidden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt : "Art. 35 De misdrijven opgesomd in de artikelen 32 en 33 kunnen strafrechtelijk worden vervolgd of met administratieve geldboetes worden bestraft. De administratieve geldboete wordt opgelegd door de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, of, in geval van diens afwezigheid, verlof of verhindering, door de adjunctleidend ambtenaar. De geldboete wordt gestort in het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van de begrotingsfondsen. Art. 36 Een exemplaar van elk proces-verbaal van een in artikel 32 of 33 bedoeld misdrijf wordt binnen tien dagen na de vaststelling van het misdrijf bezorgd aan de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, en aan de Procureur des Konings. Art. 37 Binnen zes maanden na de verzendingsdatum van het proces-verbaal brengt de Procureur des Konings de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, VII-34.784-3/13 naargelang van het geval, op de hoogte van zijn beslissing om de vermoedelijke dader van een in de artikelen 32 of 33 bedoeld misdrijf al dan niet te vervolgen. Als de Procureur des Konings beslist de dader te vervolgen, kan geen administratieve geldboete worden opgelegd. Als de Procureur des Konings beslist de dader niet te vervolgen, of als een beslissing uitblijft binnen de krachtens het eerste lid gestelde termijn, kan een administratieve geldboete worden opgelegd. Art 38 Nadat de persoon die met een administratieve geldboete strafbaar is, zich heeft kunnen verdedigen, beslist de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, of voor het misdrijf een administratieve geldboete dient te worden opgelegd. In de beslissing wordt het bedrag van de administratieve geldboete vastgelegd en wordt de dader aangemaand om de geldboete binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing te storten op het rekeningnummer van het Fonds voor de Bescherming van het Leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, welk vermeld staat op het formulier dat bij de beslissing is gevoegd. De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen of, in voorkomend geval, de beslissing om geen administratieve geldboete op te leggen, wordt binnen tien dagen bij een ter post aangetekende brief betekend aan : 1° de persoon die met een administratieve geldboete strafbaar is; 2° de procureur des Konings. Art. 39 De strafvordering vervalt met de betaling van de administratieve geldboete. Art. 39bis Iedereen die veroordeeld is tot de betaling van een administratieve geldboete kan een beroep instellen bij het Milieucollege. Het beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij wege van verzoekschrift binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing. Het Milieucollege hoort de eiser of zijn raadsman op hun verzoek en het personeelslid dat de maatregel heeft genomen. Het Milieucollege geeft binnen twee maanden na de datum van verzending van het verzoekschrift kennis van zijn beslissing. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de partijen vragen om te worden gehoord. Bij gebreke van een beslissing binnen de in het vorige lid gestelde termijn wordt de beslissing waartegen een beroep is ingesteld, geacht bevestigd te zijn". IV. Feiten 4.1. De verzoekende partij is een luchtvaartmaatschappij. VII-34.784-4/13 4.2. In de periode van april tot augustus 2004 maakt het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna : BIM) verscheidene processen-verbaal op waarin overtredingen worden vastgesteld op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. 4.3. Voormelde processen-verbaal worden, tezamen met de metingsverslagen, overgemaakt aan de procureur des Konings te Brussel. Met betrekking tot al deze processen-verbaal laat de procureur des Konings weten dat hij geen vervolging zal instellen. 4.4. Op 22 december 2004 zet het BIM de procedure in werking die uiteindelijk zal leiden tot het opleggen van een administratieve sanctie. 4.5. Op 31 maart 2005 legt de leidend ambtenaar van het BIM aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op van 26.615 euro. 4.6. Tegen die beslissing stelt de verzoekende partij op 27 mei 2005 beroep in bij het Milieucollege. 4.7. Met de thans bestreden beslissing van 24 augustus 2005 verklaart het Milieucollege het ingestelde beroep ontvankelijk doch ongegrond. V. Rechtsmacht van de Raad van State 5.1. In zijn arresten van 15 oktober 2009 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat wanneer een administratieve overheid een privaatrechtelijke persoon een administratieve geldboete oplegt met toepassing van een bij wet, decreet of ordonnantie gestelde regel en de wetgever de bevoegdheid om daarvan kennis te nemen niet heeft opgedragen aan een justitiële rechter, de Raad van State bevoegd is met toepassing van de algemene bevoegdheid die hij heeft om te VII-34.784-5/13 oordelen of een maatregel van de overheid al dan niet met machtsoverschrijding genomen is. 5.2. De hierboven aangehaalde bepalingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu regelen, zoals ook de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest nr. 198.671 van 8 december 2009 heeft vastgesteld, het bestraffen van milieuovertredingen ofwel volgens een administratieve procedure, ofwel volgens een gerechtelijke procedure. Ze bepalen hoe de gerechtelijke en de administratieve vervolging op elkaar zijn afgestemd, zodat beide procedures niet tegelijk kunnen lopen en slechts één straf kan worden uitgesproken. Wanneer wordt gekozen voor de gerechtelijke weg, legt de bevoegde strafrechtbank, als daartoe grond bestaat, een strafrechtelijke sanctie op. Ingeval de overheid kiest voor bestraffing via een administratieve procedure, legt de leidend ambtenaar van het BIM en, na gebeurlijk beroep, het Milieucollege, als daartoe grond bestaat, een administratieve straf op. Het besluit dat het Milieucollege in die omstandigheden neemt, is een administratief besluit. Aangezien niet wordt voorzien in enig specifiek beroep tegen dit besluit, kan daartegen een annulatieberoep worden ingesteld bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met toepassing van artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 5.3. Bijgevolg wordt vastgesteld dat de Raad van State over de vereiste rechtsmacht beschikt om zich over voorliggend annulatieberoep uit te spreken. VII-34.784-6/13 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 6. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de verzoekende partij niet aantoont correct in rechte te zijn getreden en dat het verzoekschrift werd ingediend zonder de vereiste voorafgaande goedkeuring door haar juridische dienst. De verwerende partij zet uiteen wat volgt : "Blijkens stuk 2 van verzoeksters administratief dossier werd de beslissing tot het instellen van een beroep tot nietigverklaring genomen door de heer Mansour Hashim Al-Hashim. Zulks geschiedde overeenkomstig de algemene volmacht d.d. 27 augustus 1994 en gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad d.d. 20 juli 1996. Uit de bijlagen van het Belgisch Staatsblad volgt dat 'uit de algemene volmacht afgeleverd door het kantoor van de Directeur Generaal van Saudi Arabian Airlines Corporation van 27 augustus 1994 blijkt de benoeming van de heer Mansour Hashim Al-Hashim, Directeur van Saudia Benelux landen, (...) met ingang van 1 oktober 1995 als feitelijke en wettige gevolmachtigde van Saudi Arabian Airlines Corporation in België. In zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger heeft de heer Mansour Hashim Al-Hashim de bevoegdheid om : - om elke en alle stappen en juridische procedures aan te vatten, te vervolgen, te beantwoorden en te verdedigen die noodzakelijk of nuttig zouden zijn om de belangen van de Maatschappij en de rechten van de Maatschappij af te dwingen, (...) - om op basis van een voorafgaande goedkeuring van de Juridische Dienst van de Maatschappij, advocaten te machtigen de Maatschappij in haar naam en namens haar te vertegenwoordigen met alle of een deel van de machten die hier in deze volmacht zijn uiteengezet. (…)'. Overeenkomstig artikel 5 van de statuten is 'de Raad van Bestuur het hoogste orgaan dat de handel en de zaken van de vennootschap bestuurt en controleert, haar algemeen beleid uitstippelt, (...). De Raad van bestuur kan tussen zijn leden één of meer comités oprichten en een gedeelte van haar bevoegdheden aan deze comités delegeren. De Raad van bestuur mag aan haar voorzitter of aan de Directeur-Generaal van de vennootschap een gedeelte van haar bevoegdheden delegeren en mag eveneens aan één of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen specifieke taken uit te voeren'. Volgens artikel 9 van de statuten '(zal) de Directeur-Generaal de vennootschap vertegenwoordigen in haar verhoudingen met andere personen en vennootschappen en voor de rechtbanken'. Uit hogervermelde bepalingen blijkt dat de Raad van Bestuur als hoogste orgaan de beslissingsbevoegdheid heeft. Het orgaan kan tevens een gedeelte VII-34.784-7/13 van haar bevoegdheid delegeren aan diens voorzitter, de comités of aan de Directeur-Generaal. Ze kan eveneens aan één of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen specifieke taken uit te oefenen. In onderhavig geval werden de aan de heer Mansour Hashem Al-Hashem toegekende bevoegdheden verleend overeenkomstig een algemene machtiging van het kantoor van de Directeur-Generaal. Uit geen enkel stuk, noch uit de statuten blijkt dat het tot het bevoegdheidsressort behoorde van het kantoor van de Directeur-Generaal om een algemene machtiging te verlenen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid die aan de Directeur-Generaal wordt toegekend ex artikel 9 van de statuten houdt immers geen enkele beslissings- of delegatiebevoegdheid in. Bijgevolg was enkel de Raad van Bestuur bevoegd een algemene machtiging te verlenen. In de hypothese dat het kantoor van de Directeur-Generaal wel degelijk bevoegd is een algemene volmacht toe te kennen (quod non), dan nog dient onderzocht te worden of deze beslissing rechtsgeldig werd genomen. In onderhavig geval werd geen enkel stuk voorgelegd waaruit de rechtsgeldigheid van voornoemde beslissing blijkt. Zelfs indien de bevoegdheidsdelegatie aan de heer Mansour Hashem Al-Hashem rechtsgeldig plaatsvond (quod non), dan nog rijst de vraag of hij over een geldig mandaat beschikte op het ogenblik dat de beslissing werd genomen (
- om)een vordering tot nietigverklaring bij Uw Raad in te stellen. Verwerende partij kan dit niet onderzoeken, nu in de statuten geen enkele bepaling is opgenomen betreffende de duur van een mandaat. In de mate dat de ontbrekende stukken niet worden overgelegd, moet de vordering dan ook als onontvankelijk worden afgewezen. Ten slotte dient vastgesteld te worden dat de volmacht die aan de raad(s)heren van verzoekster werd verleend om het verzoekschrift tot nietigverklaring in te dienen en de belangen van de vennootschap ter zitting te behartigen ipso facto ongeldig is. Uit de bijlagen van het Belgisch Staatsblad blijkt dat de voorafgaande goedkeuring van de Juridische Dienst van de Maatschappij vereist is wanneer de heer Mansour Hashem Al-Hashem 'advocaten (...) machtig(
- t)de Maatschappij in haar naam en namens haar te vertegenwoordigen met alle of een deel van de machten die hier in deze volmacht zijn uiteengezet'. Om deze reden kon het verzoekschrift niet geldig worden ingediend. Het ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring is dan ook onontvankelijk". 7. Met betrekking tot de aangevoerde exceptie repliceert de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord : "Zoals SAA hieronder aantoont zijn de beweringen van het Gewest niet correct. (
- a)Het mandaat d.d. 27 augustus 1994 werd wel degelijk rechtsgeldig verleend De Directeur-Generaal verleende wel degelijk het mandaat d.d. 27 augustus 2004 op rechtsgeldige wijze, dit conform artikel 9 van de VII-34.784-8/13 statuten van SAA en het besluit van de raad van bestuur d.d. 19 november 1975. Artikel 9 van de statuten van SAA luidt als volgt : 'Artikel IX: Vertegenwoordiging van de Vennootschap door de Directeur-Generaal De Directeur-Generaal zal de vennootschap vertegenwoordigen in haar verhoudingen met andere personen en vennootschappen en voor de Rechtbanken. Hij zal in naam van de Vennootschap optreden voor het aanvaarden van schenkingen en bijdragen, voor het afsluiten en ondertekenen van overeenkomsten binnen de grenzen vermeld in deze statuten, de interne voorschriften van de Vennootschap en de beslissingen van de Raad van Bestuur' Uit dit artikel blijkt dan ook duidelijk dat de Directeur Generaal bevoegd is om de vennootschap ten aanzien van derden en in rechte te vertegenwoordigen. Bij besluit d.d. 19 november 1975 verleende de raad van bestuur van SAA de Directeur Generaal bovendien uitdrukkelijk de toelating om de bevoegdheden die hem conform artikel 9 van de statuten werden toegekend te delegeren aan andere personen binnen SAA (...). Het dictum van het besluit d.d. 19 november 1975 luidt met name als volgt : 'De Directeur-generaal van de firma kan sommige volmachten - vermeld in artikel 9 van de bedrijfsvoorschriften van de firma, uitgevaardigd door K.B. nr. M/24 op datum van 8/07/1385 (A.H.) verlenen aan andere verantwoordelijke personen in de firma, en dit binnen de aanvaardbare grenzen'. Er kan dan ook geen enkele betwisting over bestaan dat de Directeur-Generaal bevoegd was om de algemene volmacht d.d. 27 augustus 1994 te verlenen. (
- b)De voorafgaande goedkeuring door de juridische dienst Conform de algemene volmacht d.d. 27 augustus 1994 dienen beslissingen van de heer Mansour A. Alhasem tot machtiging van advocaten om SAA te vertegenwoordigen het voorwerp uit te maken van een voorafgaande goedkeuring door SAA's juridische dienst. SAA wijst er Uw Raad op dat de algemene volmacht deze voorafgaande goedkeuring aan geen bijzondere vormvoorschriften onderwerpt. Dergelijke toelating zou dan ook - zoals in ondernemingen vaak gebeurt - zelfs mondeling kunnen worden verleend. SAA benadrukt dat het bijkantoor te Brussel uiteraard de juridische dienst van het hoofdkantoor te Saudi Arabië raadpleegde voordat onderhavige procedure werd ingesteld en dat de juridische dienst ermee instemde om deze procedure in te stellen. Deze goedkeuring behelst uiteraard de toelating om een advocaat de opdracht te geven om SAA tijdens deze procedure te vertegenwoordigen. Dat de juridische dienst goedkeuring verleende om de procedure voor de Raad van State in te leiden en hiervoor op een advocaat beroep te doen blijkt bovendien duidelijk uit een telexbericht d.d. 5 oktober 2005 van de juridische dienst van het hoofdkantoor te Jeddah aan het bijkantoor te VII-34.784-9/13 Brussel (...). Dit telexbericht luidt als volgt : 'We should try our best to get the fine be absolved - even by appealing in the state council - our lawyer in BRU also has the identical view point - we don't have any objection - please go ahead for appeal in the state council' (Vrij vertaald in het Nederlands : We dienen indien mogelijk ontheffing van de boete te bekomen - zelfs via een beroep voor de Raad van State - onze advocaat te Brussel heeft hierover dezelfde opvatting - we hebben geen enkel bezwaar - alsjeblief, stel een beroep in bij de Raad van State). De duidelijke bewoordingen uit bovenstaand telexbericht bevestigen dat er geen ernstige betwisting over kan bestaan dat SAA's juridische dienst aan SAA's bijkantoor te Brussel toelating verleende om onderhavig procedure bij Uw Raad in te leiden en goedkeurde dat hiervoor een advocaat zou worden aangesteld". Beoordeling 8. In de laatste memorie gaat de verwerende partij niet meer in op de door haar opgeworpen exceptie en bijgevolg toont zij niet aan dat de uiteenzetting van de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord onjuist is. De exceptie wordt verworpen. VII. Prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof 9. In het auditoraatsverslag van 8 maart 2007 wordt voorgesteld om aan het Grondwettelijk Hof een aantal prejudiciële vragen te stellen. Die vragen zijn als volgt geformuleerd : "1) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu de artikelen 12, 13 en 14 van de Grondwet - al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - doordat (het) in artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een administratieve geldboete waarvan het bestuur de hoogte bepaalt voor zover het bedrag tussen 625 € en 62.500 € gelegen is en waartegen als enig rechterlijk toezicht een vordering tot schorsing en nietigverklaring bij de VII-34.784-10/13 Raad van State openstaat? 2) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang met de artikelen 12, 13, 14, 110 en 144 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat het in artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een administratieve geldboete waarvan het bestuur de hoogte bepaalt voor zover het bedrag tussen 625 € en 62.500 € gelegen is en waartegen als enig rechterlijk toezicht een vordering tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State openstaat, terwijl bij strafrechtelijke vervolging hetzelfde misdrijf met een (lagere) geldboete wordt bestraft die door de judiciaire rechter wordt opgelegd, wat onder meer impliceert dat de rechter de hoogte van de boete bepaalt en dat de mogelijkheid openstaat de zaak opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege? 3) Schendt de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen doordat het in artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie bedoelde misdrijf strafbaar wordt gesteld met een door het bestuur op te leggen administratieve geldboete, zonder dat blijkt dat voorafgaand aan de beraadslaging in de Brusselse Hoofdstedelijke regering over het voorontwerp van laatstgenoemde bepaling het eensluidend advies van de Ministerraad werd ingewonnen?". 10. In haar laatste memorie treedt de verzoekende partij de bevindingen van het auditoraatsverslag bij en sluit zij zich aan bij de gesuggereerde prejudiciële vraagstelling. 11. De gesuggereerde vragen zijn in het neergelegde auditoraatsverslag louter betrokken op de rechtsmacht van de Raad van State. Aangezien de Raad van State, op grond van de hiervoor vermelde redenen, zijn rechtsmacht heeft vastgesteld, ontbreekt het de voorgestelde vragen aan verdere relevantie. In de mate dat de bedoelde vragen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling ten gronde van het annulatieberoep, deelt het auditoraat ter terechtzitting mee dat het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof in de huidige stand van het geding voorbarig is aangezien het voormelde auditoraatsverslag van 8 maart 2007 geen aanvang heeft gemaakt met het onderzoek van de aangevoerde middelen en derhalve dat de noodzaak tot het VII-34.784-11/13 stellen van die vragen vooralsnog niet vaststaat in afwachting van de op zijn verzoek te bevelen maatregel om de zaak ten gronde te kunnen onderzoeken. De Raad van State treedt dat standpunt bij. VIII. Verzoek tot samenvoeging 12. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij, indien de Raad van State "alsnog van oordeel zou zijn om de administratieve geldboeten voorafgaand aan de prejudiciële vraagstelling te kwalificeren als straf", voorliggend annulatieberoep samen te voegen met "minstens één beroep hangende voor de Franstalige kamer (...), waar de problematiek inzake de kwalificatie van de administratieve geldboeten eveneens aan bod komt". Gelet op het voormelde arrest van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 december 2009, bestaat er geen reden om op dat verzoek tot samenvoeging in te gaan. IX. Heropening van de debatten 13. Aangezien het verslag van het auditoraat beperkt is tot het onderzoek van de rechtsmacht van de Raad van State en tot de ontvankelijkheid van het beroep, dienen de debatten te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag. BESLISSING 1. De Raad van State heropent de debatten. 2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek. VII-34.784-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-34.784-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.399 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div