← België

Arrest 209404 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.404 Rolnummer: A. 188755/VII-37218 Zaak: Arrest 209404 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.404 van 2 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 209.404 van 2 december 2010 in de zaak A. 188.755/VII-37.218. In zake : 1. de NV DRANACO 2. de NV KIEZELGROEVE VARENBERG 3. de NV VERMEULEN 4. de NV ROPRIVEST 5. de NV DE CUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te Antwerpen Meir 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 april 2008 betreffende de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing. VII-37.218-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jeroen De Coninck, die loco advocaat Pascal Mallien verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Emmanuel Verhaest, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn actief in de zandontginning en zijn eigenaar of rechthouder van percelen, gelegen in de ontginningszone genaamd "Solterheide" te Meeuwen-Gruitrode. VII-37.218-2/15 3.2. Overeenkomstig het gewestplan Neerpelt-Bree, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 22 maart 1978, was het projectgebied vóór 1994 ingekleurd als ontginningsgebied met nabestemming natuur. In 1994 wordt het gewestplan gewijzigd. Door het wijzigend besluit van 2 februari 1994 wordt de ontginningszone Solterheide agrarisch gebied, natuurgebied en agrarisch gebied met ecologisch belang. Dit besluit van 2 februari 1994 is door de Raad van State vernietigd in zijn arrest nr. 85.999 van 15 maart 2000, zodat de Solterheide opnieuw ontginningsgebied is geworden. 3.3. Op 5 augustus 2004 dient de BVBA Aeolus voor rekening van de verzoekende partijen een aanvraag in tot ontheffing van het ontbossingsverbod "in het kader van een delfstofontginning en de daarop volgende herstructurering van het gebied in functie van de beoogde nabesteming". 3.4. Op 7 oktober 2004 wordt de aanvraag door de afdeling Bos & Groen ontvankelijk en volledig bevonden. 3.5. Op 17 december 2004 verstrekt de afdeling Bos & Groen een ongunstig advies. 3.6. Op 9 februari 2005 weigert de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur aan de BVBA Aeolus de ontheffing van het verbod tot ontbossing (hierna : ministerieel besluit van 9 februari 2005). Dit besluit wordt door de verzoekende partijen bestreden met een annulatieberoep, dat bij de Raad van State bekend is onder A. 161.621/VII-33.848. Nadat in het auditoraatsverslag de nietigverklaring van de bestreden akte is voorgesteld, bezorgt de verwerende partij op 21 april 2008 aan de Raad van State een document waaruit blijkt dat inmiddels is overgegaan tot de intrekking van het bestreden besluit. In zijn arrest nr. 184.772 van 26 juni 2008 verwerpt de Raad van State het beroep bij gebrek aan voorwerp. VII-37.218-3/15 3.7. Het is met de thans bestreden beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 april 2008 dat tot de hierboven vermelde intrekking wordt besloten. Tegelijkertijd wordt opnieuw beslist de door de BVBA Aeolus voor de verzoekende partijen gevraagde ontheffing van het verbod tot ontbossing niet te verlenen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat zij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift er alle belang en voordeel bij hadden om ook de vernietiging van de intrekking van het ministerieel besluit van 9 februari 2005 te vragen. Zij stellen dat het arrest van de Raad van State nr. 184.772 van 26 juni 2008 waarbij het annulatieberoep tegen het ministerieel besluit van 9 februari 2005 is verworpen, geen gezag van gewijsde kan hebben omdat hierbij niet de wettigheid is beoordeeld van de intrekking van dit ministerieel besluit. Zij stellen voorts dat zij een actueel en rechtstreeks belang hebben bij het inroepen van de vernietiging van de intrekkingsbepaling die onwettig tot stand is gekomen. Zij voeren aan dat zij een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen bij een onwettig tot stand gekomen beslissing, waardoor is aangetoond dat zij nog steeds een voordeel hebben. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen de vernietiging van het bestreden besluit met behoud van de intrekking van het ministerieel besluit van 9 februari 2005. Beoordeling 5. Artikel 1 van het bestreden besluit luidt als volgt : "Het ministerieel besluit dd 9 februari 2005 betreffende de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing door Aeolus bvba in naam van Dranaco NV, Ropinvest N.V., Vermeulen N.V. en de Cup N.V. wordt ingetrokken". VII-37.218-4/15 Een gebeurlijke vernietiging kan de verzoekende partijen geen enkel voordeel opleveren. Er wordt bijgevolg vastgesteld dat de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang in zoverre hun annulatieberoep ook betrekking heeft op artikel 1 van het bestreden besluit, zodat het beroep tegen die beslissing onontvankelijk is. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 121 van de Grondwet, van artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de artikelen 7 en 10, § 4, van het kaderdecreet van 18 juli 2003 bestuurlijk beleid, van artikel 16, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid en van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990. Meer bepaald betwisten de verzoekende partijen de bevoegdheid van het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos om het ministerieel besluit van 9 februari 2005 in te trekken. 7. De verwerende partij werpt vooreerst op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dit middel en antwoordt voorts dat het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos wel degelijk bevoegd was. 8. In hun memorie van wederantwoord zetten de verzoekende partijen uiteen waarom zij wel degelijk belang hebben bij het eerste middel, waarna zij hun stelling uit het verzoekschrift bevestigen en verder uiteenzetten. VII-37.218-5/15 9. In hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar hun argumentatie omtrent hun belang bij het indienen van dit annulatieberoep. Beoordeling 10. Het eerste middel heeft enkel betrekking op dat gedeelte van het bestreden besluit betreffende de intrekking van het ministerieel besluit van 9 februari 2005. Aangezien huidig annulatieberoep onontvankelijk is in de mate het gericht is tegen artikel 1 van het bestreden besluit houdende de intrekking van het ministerieel besluit van 9 februari 2005, is ook het eerste middel niet ontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 11. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet, van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing (hierna : compensatiebesluit), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van de hoorplicht. De verzoekende partijen stellen dat de verwerende partij hen niet op de hoogte heeft gebracht van de gebeurlijke onvolledigheid van de ecologische evaluatie. Zij betogen dat hun aanvraag wel een ecologische evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde ingreep en de hieraan gekoppelde maatregelen bevat en dat er tevens rekening is gehouden met het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehoud- decreet). Minstens achten zij de motivering van het bestreden besluit hieromtrent ontoereikend. VII-37.218-6/15 Zij stellen voorts dat zij niet op voorhand op de hoogte werden gebracht van het voornemen van de verwerende partij om de aanvraag te weigeren, zodat zij niet de gelegenheid hebben gekregen hieromtrent hun standpunt mee te delen zodat volgens hen de hoorplicht is geschonden. Zij verwijzen, ter ondersteuning van hun standpunt, naar rechtsleer en arresten van de Raad van State. 12. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen kritiek uiten ten aanzien van een overtollig motief, aangezien het bestreden besluit ook nog is gesteund op drie andere motieven, meer bepaald "de niet overtuigende motivatie van afwijking van het verbod op ontbossing", de strijdigheid van de aanvraag met artikel 26bis, § 1, van het natuurbehouddecreet en het ontbreken van een passende beoordeling in de zin van artikel 36ter, § 3, van datzelfde decreet. De verwerende partij maakt een onderscheid tussen de luidens artikel 14, § 1, 5°, van het compensatiebesluit vereiste ecologische evaluatie, die "vooral kadert in de naleving van de zorgplicht (uit) artikel 14 Natuurbehouddecreet" en de passende beoordeling in de zin van artikel 36bis van het natuurbehouddecreet. De verwerende partij stelt dat in het bestreden besluit "op gemotiveerde wijze (wordt) uiteengezet" waarom de vereiste ecologische evaluatie onvoldoende is uitgewerkt. Zij antwoordt voorts dat te dezen niet is voorzien in een normatieve hoorplicht en dat ook de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is, aangezien het bestreden besluit niet is gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de verzoekende partijen en evenmin te beschouwen valt als een ernstige maatregel die van aard is hun belangen zwaar aan te tasten, en dat hen hiermee louter een gevraagd voordeel wordt geweigerd. Volgens de verwerende partij moesten de verzoekende partijen "reeds in hun aanvraag nauwkeurig en voldoende gemotiveerd uiteen (…) zetten waarom (...) hen in casu een ontheffing op het verbod op ontbossing kan worden verleend", temeer nu uit artikel 36ter, § 3, VII-37.218-7/15 derde lid, van het natuurbehouddecreet volgt dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het opstellen van de passende beoordeling. 13. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen aan de uiteenzetting uit hun verzoekschrift nog toe dat uit artikel 14 van het compensatiebesluit volgt dat de motivering omtrent de ecologische evaluatie niet overtollig is in het bestreden besluit. Zij stellen "dat uit de lezing van de motieven niet kan afgeleid worden dat er in hoofdorde de vier motieven zijn die door de verwerende partij (...) worden opgesomd" en verwijzen hierbij naar het motief inzake de studie van Anre en de gewestplanbestemming. Volgens hen kan in het bestreden besluit geen gradatie tussen de motieven worden teruggevonden, temeer nu ook de van toepassing zijnde reglementering terzake geen criteria bevat. Zij beklemtonen voorts dat zij in hun ecologische evaluatie hebben geprobeerd aan te tonen dat de schade vermijdbaar is, aangezien hun aanvraag gepaard ging met een uitvoering van de boscompensatie en gesteund was op een milieueffectenrapport (hierna : MER), waarin tot dezelfde conclusie werd gekomen. Bovendien wordt volgens de verzoekende partijen in het bestreden besluit enkel de aandacht gevestigd op de schade aan het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna : VEN), zonder rekening te houden "met het feit dat na de herstructurering van het projectgebied de ecologische waarde van de bossen zal toenemen" en zonder daarbij het alternatief te overwegen om de aanvraag gedeeltelijk in te willigen, met uitsluiting van het VEN- of het habitatgebied. 14. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat het bestreden besluit verkeerde feitelijke gegevens bevat, dat geen van de vier motieven elk op zich afdoende is om het bestreden besluit te schragen en dat elk motief van belang is geweest bij het nemen van het bestreden besluit. Het tweede middel moet volgens hen onderzocht worden omdat zij kritiek uiten op elk van de vier motieven. Zij stellen dat in het aanvraagdossier rekening is gehouden met de habitat en de aanwezige natuurlijke vegetaties en dat, door het negeren van de omstandigheid dat er een ecologische evaluatie is, er geen sprake kan zijn van een VII-37.218-8/15 motivatie. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat de door hen geciteerde arresten van de Raad van State naar analogie geciteerd werden. Beoordeling 15. De hoorplicht houdt als beginsel van behoorlijk bestuur in dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gestoeld is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden hieromtrent zijn standpunt op nuttige wijze uiteen te zetten. Te dezen gaat het niet om een maatregel die voortvloeit uit het persoonlijk gedrag van de verzoekende partijen. Het bestreden besluit is immers louter een toepassing in concreto van de terzake geldende decretale en reglementaire bepalingen en betreft een weigering van een door de verzoekende partijen gevraagd voordeel. 16. Wat de aangevoerde schending van de motiveringsplicht betreft, blijkt uit het bestreden besluit dat dit is gesteund op vier motieven :

  1. a)de motivering tot afwijking van het verbod tot ontbossing, voorgeschreven door artikel 14, § 1, 2°, van het compensatiebesluit, overtuigt niet;
  2. b)de luidens artikel 14, § 1, 5°, van het compensatiebesluit vereiste ecologische evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde ingreep en de hieraan gekoppelde maatregelen die worden voorgesteld ter naleving van de zorgplicht, opgelegd door artikel 14 van het natuurbehouddecreet, worden onvoldoende geacht;
  3. c)er is een schending van artikel 26bis van het natuurbehouddecreet, met name zou volgens de verwerende partij het project van de verzoekende partijen resulteren in een onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN;
  4. d)de aanvragers leggen geen passende beoordeling voor in de zin van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Er is geen gradatie tussen de respectieve motieven en geen sprake van een doorslaggevend motief. Het tweede en het derde motief zijn onderscheiden van het eerste en het vierde motief. VII-37.218-9/15 17. Wat het vierde motief betreft, is het opmaken van een passende beoordeling immers van een geheel andere orde dan het opmaken van een ecologische evaluatie aangezien beide een andere finaliteit hebben. Zo is de in artikel 36ter van het natuurbehouddecreet opgelegde verplichting veel specifieker dan deze die voortvloeit uit artikel 14, § 1, 5°, van het compensatiebesluit, aangezien, zoals in het bestreden besluit terecht wordt opgemerkt, de passende beoordeling moet worden opgevat vanuit de vraag of het project het behoud of het herstel van de gunstige staat van instandhouding van de habitats of soorten waarvoor het gebied is afgebakend, in gevaar kan brengen. Meer in concreto gaat het te dezen om een aantal habitats en soorten uit het habitatrichtlijngebied BE 2200034 Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven, die in het bestreden besluit worden opgesomd. Wat het eerste motief betreft, blijkt uit het bestreden besluit zelf een duidelijk verschil tussen de verplichting om grondig te motiveren waarop de vraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing is gestoeld enerzijds en de verplichting tot het bijvoegen van een ecologische evaluatie anderzijds. Indien zij de wettigheidstoets doorstaan, kunnen met andere woorden zowel het vierde als het eerste motief, elk afzonderlijk beschouwd, het bestreden besluit dragen. De verzoekende partijen voeren in hun derde middel kritiek aan op een gedeelte van het vierde motief en zij bekritiseren in hun vierde middel onder meer het eerste motief, zodat het antwoord op de door de verwerende partij opgeworpen vraag naar het belang bij het tweede middel afhankelijk is van de beoordeling van het derde en/of vierde middel. Zoals hierna uit de beoordeling van het derde en het vierde middel blijkt, wordt in het tweede middel louter kritiek geuit ten aanzien van overtollige motieven, zodat het niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. Het tweede middel is niet ontvankelijk. VII-37.218-10/15 C. Derde middel Standpunt van de partijen 18. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van artikel 4.1.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van artikel 2 van en bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, en van artikel 14 van het compensatiebesluit. Zij voeren aan dat het bestreden besluit "geruggensteund" is op het feit dat er een MER ontbreekt, terwijl zulks volgens de geldende regelgeving niet is vereist bij een aanvraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing. 19. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dit middel. Volgens hen gaat het om kritiek ten aanzien van een overtollig motief aangezien het bestreden besluit ook nog wordt geschraagd door andere motieven. De verwerende partij stelt voorts dat de overweging in het bestreden besluit omtrent het gebrek aan een MER moet "worden gelezen in de context van de overweging inzake het ontbreken van een passende beoordeling in de zin van artikel 36ter, §3 Natuurbehouddecreet", in die zin dat de overheid heeft willen aangeven ook geen MER te hebben ontvangen waarin de vereiste passende beoordeling werd opgenomen. Zij besluit dat het bestreden besluit niet gesteund is op het ontbreken van een project-MER als dusdanig. 20. De verzoekende partijen repliceren dat er geen sprake is van een doorslaggevend motief en menen dat "er geen rangorde in de motieven is en dat elk motief zijn belang heeft". Voorts stellen zij dat de redenering als zou de overweging betreffende het gebrek aan een MER kaderen in de overweging VII-37.218-11/15 betreffende het ontbreken van een passende beoordeling, niet kan worden teruggevonden in het bestreden besluit. Zij stellen dat de argumentatie van de verwerende partij als een motivering achteraf moet worden beschouwd. 21. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat in het tweede middel is aangetoond dat een MER voorhanden was en dat geen motiveringsschending wordt ingeroepen. Beoordeling 22. Uit het bestreden besluit blijkt dat de overweging betreffende het gebeurlijk niet voorgelegd zijn van een MER louter en alleen kadert in het motief betreffende het ontbreken van een passende beoordeling in de zin van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Het bestreden besluit luidt wat dat betreft als volgt : "dat de aanvragers geen dergelijke passende beoordeling hebben voorgelegd; dat immers de voorgelegde ecologische evaluatie niet beschouwd kan worden als een passende beoordeling in de hiervoor vermelde betekenis; dat de aanvragers evenmin het resultaat van een milieueffectrapportage hebben voorgelegd waarin een dergelijke passende beoordeling zou zijn opgenomen". In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, vormt het gebeurlijk niet voorhanden zijn van een MER geenszins een op zich staand motief van de bestreden beslissing. Zulks impliceert dat de verzoekende partijen er niet in slagen de onwettigheid aan te tonen van het vierde motief van het bestreden besluit, waarin de verzoekende partijen wordt verweten, in strijd met artikel 36ter van het natuurbehouddecreet, geen passende beoordeling voor te leggen. Dit motief volstaat op zich om het bestreden besluit te schragen. Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van het tweede middel, wordt bijgevolg vastgesteld dat in dit tweede middel louter kritiek wordt aangevoerd ten aanzien van overtollige motieven. Kritiek op een overtollig motief kan niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. VII-37.218-12/15 Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 23. De verzoekende partijen voeren in hun vierde middel de schending aan van de motiveringswet, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stellen dat het bestreden besluit onder meer is gesteund op een vernietigde gewestplanwijziging, dat geen rekening wordt gehouden met het uit het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan gebleken tekort aan zand in Limburg, noch met de studie van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie en dat niet wordt gemotiveerd waarom er moet worden afgeweken van de gewestplanbestemming onginningsgebied met nabestemming groengebied en van de resultaten van de voormelde studie. Zij stellen voorts dat het bestreden besluit is gebaseerd op "de aanwezigheid van bossen in slechts een gedeelte van het ontginningsgebied zonder rekening te houden met (...) (het) gewestplan en het voorontwerp algemeen oppervlaktedelfstoffenplan waar aangehaald wordt dat er nog behoefte is aan zandontginning in (...) Limburg". Ten slotte geeft het bestreden besluit volgens de verzoekende partijen "blijk van een onaanvaardbaar doorbreken van het evenwicht tussen maatregelen en beoogde doel". 24. De verwerende partij werpt een gebrek aan belang bij het middel op omdat de overwegingen in het bestreden besluit betreffende de VII-37.218-13/15 gewestplanbestemming en de studie van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie volgens haar overtollige motieven betreffen. De verwerende partij ontkent voorts de geldende gewestplanbestemming te negeren. Zij stelt dat in het bestreden besluit enkel verwezen wordt naar de intentie van de Vlaamse overheid om de bestemming van het gebied te wijzigen in het kader van de afweging van de ecologische evaluatie. De verwerende partij betwist ten slotte dat zij geen rekening zou hebben gehouden met de studie van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie. Zij argumenteert dat zij binnen haar discretionaire bevoegdheid, "en met inachtname van het principiële verbod op ontbossing en de noodzaak van grondige motivering indien men daarvan wil afwijken", heeft geoordeeld dat de verzoekende partijen onvoldoende uiteenzetten waarom het beboste gebied moet worden ontgonnen. 25. De verzoekende partijen repliceren dat "er geen rangorde in de motieven is en dat elk motief zijn belang heeft", zodat het vierde middel op ontvankelijke wijze is aangevoerd. De redenering van de verwerende partij als zou de verwijzing naar de intentie van de Vlaamse overheid om de bestemming van het gebied te wijzigen, kaderen in de afweging van de ecologische evaluatie, blijkt volgens hen niet uit het bestreden besluit. Zij beklemtonen voorts dat zij in hun aanvraag hebben uiteengezet dat "louter op basis van de bostypes voor en na de ingrepen kan gesteld worden dat de ecologische waarde van de bossen toeneemt, hierbij abstractie makend van leeftijd en bijhorende evolutiestadia", zodat in het bestreden besluit volgens hen niet voldoende wordt gemotiveerd waarom de voormelde studie niet als grondige motivering kan worden aanvaard. VII-37.218-14/15 Beoordeling 26. Het vierde middel slaat louter op de wettigheid van het eerste en het tweede motief, doch laat het vierde motief van het bestreden besluit onverlet. Opnieuw wordt vastgesteld dat het middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. Het vierde middel is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 875 euro, elk voor een vijfde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.218-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.