← België

Arrest 209459 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 02/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.459 Rolnummer: A. 169446/X-12658 Zaak: Arrest 209459 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 02/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.459 van 2 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.459 van 2 december 2010 in de zaak A. 169.446/X-12.658. In zake : 1. Philippe VAN ERMEN 2. de v.z.w. VRIENDEN VAN HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 LEUVEN Vaartstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Bever kantoor houdend te 1850 GRIMBERGEN Pastoor Woutersstraat 32, bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de Katholieke Universiteit Leuven bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 oktober 2005 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het planonderdeel “Universiteitspark” van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, X-12.658-1/34 Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november 2005. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 190.762 van 24 februari 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephanie Vanthienen, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Kristine De Luyck, die loco advocaat Marc Van Bever verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-12.658-2/34 III. Feiten 3. Het gebied gelegen aan de Boudewijnlaan te Leuven (Heverlee), Campus Dijlevallei, is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in een gebied “voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen”. De Vlaamse regering heeft bij besluit van 27 mei 1997 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, dit gebied bestemd tot “universiteitspark”. 4. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 27 oktober 1997 tot en met 25 december 1997, worden 620 bezwaarschriften ingediend, waaronder twee door de tweede verzoekende partij. 5. De Regionale Commissie van Advies voor Ruimtelijke Ordening Vlaams-Brabant brengt op 23 en 30 maart 1998, 22 april 1998 en 18 mei 1998 advies uit. Dit advies wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 11 september 1998. 6. Bij besluit van 23 juni 1998 stelt de Vlaamse regering definitief het plan vast tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de voormelde gemeenten, en wordt het bovengenoemde gebied bestemd tot “universiteitspark” (kaartblad 32/2). 7. Bij arrest nr. 148.037 van 4 augustus 2005 vernietigt de Raad van State het besluit van 23 juni 1998 in zoverre het gebied gelegen te Leuven (Heverlee), Boudewijnlaan, campus Dijlevallei, wordt bestemd tot “universiteitspark”. X-12.658-3/34 8. Na op 24 augustus 2005 beslist te hebben tot verlenging van de termijn tot definitieve vaststelling van een onderdeel van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het voormelde gewestplan, verzoekt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, op 8 september 2005, de afdeling wetgeving van de Raad van State om advies over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het planonderdeel “universiteitspark” van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren”. Dit advies (39.067/1) wordt op 13 oktober 2005 verstrekt. 9. Op 21 oktober 2005 wordt het bestreden besluit genomen. Het betrokken gebied wordt opnieuw bestemd tot “universiteitspark”. IV. Onderzoek van de middelen 10. Het eerste middel werd ongegrond bevonden in het arrest nr. 190.762 van 24 februari 2009. A. Tweede middel Standpunt van de partijen 11. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Meer bepaald stellen zij het volgende: “Artikel 3 van het bestreden besluit stelt, zoals het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State aangeeft, een ernstig probleem. X-12.658-4/34 Artikel 3 impliceert immers dat de vastgestelde bestemming slechts kan worden gerealiseerd voor zover een bijzonder plan van aanleg is tot stand gekomen. Een in een gewestplan vastgelegde bestemming heeft echter uit zichzelf rechtsgevolgen. Dit blijkt duidelijk uit art. 43 van het decreet ruimtelijke ordening. Het is duidelijk dat door de uitvoerbaarheid van de nieuwe bestemming afhankelijk te maken van een nog te nemen gemeenlijk initiatief het bestreden besluit de rechten van de betrokkenen schendt; De afdeling Wetgeving van de Raad van State verwees in dit verband ook terecht naar het arrest van uw Raad dd. 21.03.2003 met nr. 117347. Het middel is gegrond”. 12. De verwerende partij repliceert het volgende: “In opvolging van de opmerking van (...) de Raad van State werd het bewuste artikel echter uit het besluit geschrapt. Voor wat betreft het vermelde aspect wordt namelijk niet meer afgeweken van het advies van de regionale commissie van advies die ook reeds vraagtekens had geplaatst bij de wettigheid van het opleggen van een verplichting om nog een BPA vast te stellen. Het bijzonder voorschrift dat het universiteitspark beheerst wordt overeenkomstig aangepast. Ook daar wordt de verwijzing naar de opmaak van een BPA geschrapt. Deze aanpassing aan het voorschrift is conform met het advies van de regionale commissie van advies en met het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving”. Beoordeling 13. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit de verplichting tot opmaak van een bijzonder plan van aanleg niet bevat. Het tweede middel mist feitelijke grondslag. B. Derde middel Standpunt van de partijen 14. Het derde middel is genomen uit de schending van: X-12.658-5/34 “artikel 1.2.1 §2 3 ̊, artikel 1.2.1 §2 en 1.2.1 §3 van het decr.Vl. Reg. (dd.) 5/4/1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DAB),en (uit) de schending van de artikelen 6, 8, 13, 14, 16 § I en §4 en 25 decr. Vl. R. 21/10/1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna DNB) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Doordat het bestreden besluit voor Heverlee Boudewijnlaan de volgende wijziging voorziet : van zone van openbaar nut naar universiteitspark En doordat in dit gebied belangrijke natuurwaarden voorkomen, zoals samenhangende bosjes in een open gebied met mantel- en veldzomen, rijke avifauna en enkele bijzondere insectensoorten en het bovendien gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van een goed gedifferentieerd stelsel van komgronden en oeverwallen, door een grote variatie aan vegetatie, de aanwezigheid van kwelgemeenschappen, grote vijvers en graslanden en het eveneens een grote ecologische waarde heeft door de nabijheid van Egenhovenbos (natuurgebied en EGVogelrichtlijngebied). Terwijl de bepalingen waarvan in dit middel de schending wordt voorgehouden normatief zijn voor de beleidsbeslissingen die het milieu en de natuur raken, zoals daar zijn, het standstillbeginsel, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het preventief handelen, het integratiebeginsel en het compensatiebeginsel en de Vlaamse regering in het bestreden besluit met deze beginselen duidelijk geen rekening heeft gehouden. Toelichting Het DAB en het DNB hebben elk met een eigen optiek, het eerste m.b.t. het milieubeleid in het algemeen en het tweede m.b.t. het natuurbehoudsbeleid in het bijzonder, specifiek tot doel om in het milieubeleid de begrippen duurzaamheid en kwaliteit te introduceren, en een geïntegreerd beleid te organiseren, d.w.z. dat de basisdoelstellingen van i.e. het natuurbehoudsbeleid moet worden teruggevonden in alle beleidsbeslissingen van o.m. de Vlaamse regering (zie specifiek artikel 1.2.1 § 3 DAB en artikel 16 DNB) Het standstillbeginsel (artikel 1.2.1 § 2 en artikel 8 DNB) houdt in ‘dat minimaal de bestaande kwaliteit en kwantiteit van i. c. de natuurelementen behouden blijft. Er moet worden voorkomen dat natuur en de hieraan verbonden al of niet bijzondere ruimtelijke ecologische kwaliteiten achteruitgaan’ (…). Gezien de slechte toestand waarin het milieu zich bevindt, moet alleszins een verdere achteruitgang worden tegengegaan (…) Het standstillbeginsel vormt samen met het voorzorgsbeginsel (artik(e)l 1.2.1 § 2 DAB en artikel 14 DNB) en het beginsel van (h)et preventief handelen (idem) een sluitend basisprincipe van normen dat, gelet op het reeds genoemde integratiebeginsel, rechtstreeks wordt overtreden indien, zoals n.a.v. de voorgestelde wijziging van het gewestplan, de natuurwaarden ter plaatse worden vernietigd zonder compensatie. Het voorzorgsbeginsel houdt in dat men niet wacht op een wetenschappelijke consensus over (h)et verband tussen oorzaken en effecten om een mogelijk probleem aan te pakken (…). Samen met de toepassing van het voorkomingsbeginsel (preventief optreden) moet dit betekenen dat de definitieve wijziging van (h)et gewestplan niet kan X-12.658-6/34 doorgevoerd worden zolang niet (wetenschappelijk) vaststaat dat geen nadeel wordt toegebracht aan de natuurwaarden. De grote ecologische waarde van het gebied gelegen aan de Boudewijnlaan te Heverlee staat buiten kijf. Het gebied waarin in het (deels) bestreden besluit de bestemming ‘universiteitspark’ is voorzien, is thans een grote groene ruimte (waarvan de structuur in (h)et centrale stuk sterk lijkt op natuurlijk bos), gelegen in de Dijlevallei (de Dijle kent er Dog een niet-ingedijkt en natuurlijk verloop) en aansluitend bij Egenhovenbos. Het gebied wordt o.m. gekenmerkt door de aanwezigheid van samenhangende bosjes in een open gebied met mantel- en veldzomen. Bovendien herbergt het een rijke avifauna en enkele bijzondere insectensoorten. De ecologische waarde van (h)et gebied wordt ook mede bepaald door de nabijheid van Egenhovenbos (natuurgebied en EG- Vogelrichtlijngebied). Er is namelijk een intense wisselwerking tussen beide gebieden die als onafscheidelijk moeten gezien worden. Versnippering (door de geplande infrastructuurwerken) heeft een onomkeerbaar nefast effect. Het betrokken gebied wordt op de Biologische Waarderingskaart aangeduid als waardevol en plaatselijk zeer waardevol gebied. Daarenboven behoorde (h)et volgens het ontwerp- Groene Hoofdstructuur (destijds) gedeeltelijk tot Natuurkerngebied. ‘Natuurkerngebied’ is een begrip dat gehanteerd werd in (h)et voorontwerp van (h)et decreet op (h)et natuurbehoud en werd gedefinieerd als: Gebieden van ten minste SO ha. Ze hebben een i e natuurwaarden en een goede biotoopontwikkeling over een oppervlakte van tenminste de helft van het gebied. Het kan ook gaan om gebieden waarin een specifiek en belangrijk natuurelement aanwezig is. In deze natuurkerngebieden worden de natuurwaarden of natuurelementen beschermd en ontwikkeld met voorrang boven de andere functies. De natuurfunctie geldt dus als hoofdfunctie. Dit betekent dat andere functies enkel toe gelaten zijn indien ze volledig ecologisch inpasbaar zijn. Bijgevolg zullen deze functies moeten verdwijnen ten voordele van het natuurbehoud indien ze daarmee onverenigbaar zijn. (…). Het begrip ‘Natuurkerngebied’ werd in het DNB vervangen door ‘GEN’, zijnde Grote Eenheden Natuur (artikel I S DNB). Beide begrippen dekken echter dezelfde lading. ‘GEN’ wordt gedefinieerd als : Gebieden die hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is. Volgens artikel 25 van het DNB dient de Vlaamse regering in de GEN de nodige maatregelen te nemen om, bij voorrang ten opzichte van de andere functies, de natuur en het natuurlijk milieu, te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. De Vlaamse Regering diende derhalve de voorschriften zoals bepaald in hoofdstuk IV ( art. 13 -16 DNB) en afdeling 4 van hoofdstuk IV na te leven. Alhoewel de Vlaamse regering tot op heden nog geen GEN-gebieden heeft afgebakend, bewijst de indeling van het gebied Heverlee Boudewijnlaan als natuurkerngebied (vroeger gehanteerde terminologie) dat dit gebied een hoge natuurwaarde en een goede biotoopontwikkeling heeft en dat er specifieke en belangrijke natuurelementen aanwezig zijn. X-12.658-7/34 De Vlaamse regering had in het bestreden besluit bijgevolg rekening dienen te houden met de hierboven vermelde bepalingen van artikel 25 DNB en de artikelen 13-16 en afdeling 4 van hoofdstuk V van hetzelfde decreet. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt gesteld dat de Dijlevallei zeer belangrijk is door de aanwezigheid van een goed gedifferentieerd stelsel van komgronden en oeverwallen, door de grote variatie aan vegetatie, de aanwezigheid van kwelgemeenschappen, grote vijvers en graslanden. De Dijlevallei speelt een belangrijke rol in de vogeltrek. Het derde middel is gegrond”. 15. De verwerende partij repliceert dat “wel degelijk rekening gehouden (

  1. is)met de natuur”, meer bepaald stelt zij “de belangrijkste natuurwaarden in de Dijlevallei gevrijwaard” te hebben en “de verschillende maatschappelijke activiteiten met elkaar afgewogen” te hebben. Voorts wijst zij “op het feit dat het gebied voorheen zone van openbaar nut was (en niet natuurgebied)”. 16. De tussenkomende partij stelt het volgende in haar memorie: “I. Het past vooraf er de nadruk op te leggen dat het BVR d.d. 23 juni 1998, waarvan het thans bestreden besluit de gedeeltelijke restauratie is voor een gebied van 13,5 ha, wat de bekritiseerde beoordeling betreft, in zijn geheel moet worden gelezen. De besluiten van 23 juni 1998 en 21 oktober 2000 hebben een relatief groot aantal wijzigingen aangebracht aan het op 7 april 1977 goedgekeurd gewestplan Leuven. Het kan niet worden betwist dat van de gehele operatie de onderliggende gedachte is geweest voldoende ruimte te vrijwaren voor de natuur- en landbouwfunctie, betrachting die de verzoekende partijen nauw aan het hart ligt. Vanuit die hoofdbetrachting is de noodzakelijk te maken afweging gebeurd om, acht slaande op alle in het geding zijnde maatschappelijke activiteiten en sociale en economische behoeften, deze gebieden aldus te herbestemmen en de andere gebieden alzo. Vanuit dat vertrekpunt maakt de gehele wijzigingsonderneming één geheel uit. Dit is o.m. zeer duidelijk het geval met de Dijlevallei, zoals blijkt uit de motivering van zowel het besluit van 23 juni 1998 zelf, als de bijlage nr. 28. Zo overweegt het besluit o.m. wat volgt: ‘Overwegende dat om voldoende ruimte te vrijwaren voor de landbouwfunctie en de natuurfunctie, om goed gestructureerde gehelen voor de natuur-, de bos- en de landbouwfunctie te voorzien, om versnippering van open gebieden tegen te gaan, om de afstemming van het ruimtelijk beleid en het milieubeleid op basis van het fysisch systeem in de vallei- en grondgebieden te bevorderen en X-12.658-8/34 om de natuurfunctie te bufferen t.o.v. aangrenzende functies, aanpassingen van de bestemmingen worden doorgevoerd in de valleien van de Dijle, de Demer, de Gete en Molenbeek en de Velpe en in het heidegebied van Rotselaar (...)’. Men had gewis kunnen argumenteren dat de vordering, die heeft geleid tot ’s raads arrest nr. 148.037 van 4 augustus 2005, onontvankelijk was, minstens had moeten betrekking hebben op het gehele gebied van 75,6 ha, bedoeld onder ‘A.23. Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2)’. Dat immers bij de uitwerking van de gewestplanwijziging minstens dit gebiedsdeel door de verwerende partij als één eenheid werd opgevat, blijkt onbetwistbaar uit de in bijlage 28 van het besluit van 23 juni 1998 opgenomen motivering, die als volgt luidt: ‘A23. Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2) Wijziging van gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen naar universiteitspark (13,5 ha), bufferzone (1,3 ha), natuurgebied (26,5 ha), parkgebied (24,3
  2. ha)en reservegebied voor openbaar nut (6,3
  3. ha)in overdruk. motivering: universiteitspark - Leuven profileren als centrum voor hoogtechnologische ontwikkelingen - onmiddellijke nabijheid van campus en IMEC - eigendom of binnen onteigeningsbevoegdheid KUL - komt neer op het verruimen van huidige bestemming - makkelijke ontsluiting naar de Boudewijnlaan - landschappelijk minder waardevol gebied buffer: overgangszone tussen studentenhuisvesting Groenveldresidenties en universiteitspark natuurgebied en park: COMPENSATIE voor wijzigingen waarbij open ruimte ingenomen wordt, gelet op het feit dat er voldoende oppervlakte voorzien is voor de toekomstige noden van KUL reservegebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen: voldoende oppervlakte in functie van onderwijsopdracht van KUL; eventuele uitbreiding na gebruik van alle huidige aangeduide openbare nutszones moet gebonden worden aan een duidelijke fasering en strikte voorwaarden’. Zoals reeds aangestipt door de verwerende partij was voordien gans dit gebied bestemd voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. Teneinde de natuurfunctie maximaal te vrijwaren eensdeels, en, anderdeels, toch ook aan de behoefte aan bedrijventerreinen tegemoet te komen ‘incluis universiteitspark, gelet op de ligging in de Vlaamse Ruit en de specifieke troeven van Leuven’ (…) en op de omstandigheid dat het ‘ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zowel de luchthaven van Zaventem als de Leuvense universiteit als motoren van de economie (erkent)’ (…), werd beslist niet voor het ganse gebied de feitelijke toestand van landschappelijk waardevol agrarisch gebied te verjuridiseren - wat ook reeds een vergaande landschappelijke bescherming had mogelijk gemaakt -, maar een gedeelte van het gebied (nl. 13,5 ha), omwille van zijn onmiddellijke aansluiting bij de campus waardoor niet alleen de informatieve en virtuele maar vooral ook de ‘menselijke’ samenwerkingsmogelijkheden geoptimaliseerd kunnen worden, uitsluitend tot universiteitspark te bestemmen (en dus niet voor X-12.658-9/34 andere dan onderzoeksondernemingen), in compensatie waarvan dan het overige van het gebied een maximale natuurbescherming zou krijgen als bufferzone, natuurgebied en parkgebied. Om die betrachting maximaal te realiseren, is zelfs nog afgeweken van het op 27 mei 1997 goedgekeurd ontwerp, zoals blijkt uit voormelde bijlage 28, die op blz. 2 vermeldt wat volgt: ‘Boudewijn Campus Dijlevallei. De begrenzing van het natuurgebied wordt aangepast zodat de bestaande bebouwing en parking van IMEC de bestemming openbaar nut behoudt. Aansluitend bij de zone bestemd als universiteitspark wordt de bestemming openbaar nut behouden voor een overstort op de Voer en een bergingsbekken voor de sanering en de waterbeheersing van de Voer’. Bij de afweging van de verschillende belangen is dat groter subgebied kennelijk als één planologische eenheid opgevat geworden. Het arrest nr. 148.037 heeft weliswaar geoordeeld dat ook na een gedeeltelijke annulatie van het besluit van 23 juni 1998 de door het arrest ongemoeid gelaten delen nog zinvol konden blijven bestaan, maar het heeft desalniettemin onderschreven dat de gewestplanwijziging van 23 juni 1998 inderdaad is ingegeven ‘door bepaalde beleidsopties’. Het thans bestreden besluit heeft die optie en die visie bevestigd. (...) Weze eraan herinnerd dat het te dezen niet gaat om de opheffing van een bestaande natuurbestemming, maar wel van een bestemming gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut”. 17. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen “het feit dat het standstillbeginsel vervat in artikel 1.2.1 § 2 en artikel 8 DNB ook vervat ligt in artikel 23 van de Grondwet” en “(h)et milieubeleidsdecreet (...) grondwetsconform geïnterpreteerd (moet) worden”. Bijgevolg stellen zij “dat wanneer artikel 1.2.1 §2 en artikel 8 DNB gelezen worden in het licht van artikel 23, derde lid, 4, van de Grondwet, waarin het beginsel van het recht op een gezond leefmilieu ingeschreven is, ze wel degelijk een verplichting voor het bestuur instelt die voor de rechter kan worden afgedwongen”. Beoordeling 18. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 1.2.1, §2, 3°, 1.2.1, §2 en 1.2.1, §3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: het decreet milieubeleid). In zoverre de verzoekende partijen de schending aanvoeren van X-12.658-10/34 artikel 1.2.1, §2, 3° van het decreet milieubeleid dient te worden vastgesteld dat dit niet bestaat. Artikel 1.2.1. van het decreet milieubeleid luidt als volgt: “§ 1. Ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties heeft het milieubeleid tot doel: 1° het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grondstoffen en de natuur; 2° de bescherming, tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven; 3° het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn. § 2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt. § 3. De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. De voormelde bepalingen bevatten algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. De verzoekende partijen brengen geen concrete gegevens bij waaruit blijkt in welk opzicht precies elk van deze algemene beleidsdoelstellingen zijn miskend bij de kwestieuze bestemmingswijziging van “gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen” tot “universiteitspark”. Dit voorschrift kan enkel geschonden worden door een beslissing die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen, en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. De verzoekende partijen brengen geen argumenten aan die tot dergelijke conclusie kunnen leiden. X-12.658-11/34 Zij toetsen de huidige aanleg van de plaats evenmin aan het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift “Art. 6. Universiteitspark”. Uit de wetsgeschiedenis van de betrokken bepalingen blijkt dat, wat het in §2 vervatte stand-stillbeginsel betreft, dit bij amendement werd ingevoegd bij de overige in voornoemde paragraaf vervatte algemene principes (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-2, 2). Wat deze algemene beginselen betreft, is in § 3 bepaald dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Luidens de memorie van toelichting impliceert dit dat onder meer een afweging van de sociaal- economische gevolgen van het milieubeleid noodzakelijk is (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 25). Ter zake blijkt nog uit de memorie van toelichting dat “het voor de Vlaamse regering overigens evident (
  4. is)dat in de praktijk van het milieubeleid rekening gehouden wordt met de sociaal-economische implicaties ervan” (ibid.) en, wat het in § 3 vervatte integratiebeginsel betreft, dit beginsel inhoudt “dat de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid geïntegreerd moeten worden in de andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest” (ibid.). Luidens de memorie van toelichting was de Vlaamse regering van oordeel dat “uitdrukkelijk moet bepaald worden dat aan het milieuvraagstuk een belangrijke plaats moet toekomen, ook in de andere beleidsdomeinen”, dat “(h)iermee wordt onderstreept dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de milieubelangen”, maar dat “(w)aar precies deze milieubelangen moeten geplaatst worden op de schaal van de beleids-prioriteiten (...) niet (wordt) gezegd”, en dat “(i)n bepaalde gevallen (
  5. ze)zullen (...) moeten wijken voor andere, meer essentieel geachte beleids-prioriteiten” (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 26). Uit het voorgaande blijkt dat het aangehaalde stand-stillbeginsel een ruime appreciatiebevoegdheid toelaat in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een wijziging aan het gewestplan en dit niet lijkt in te houden dat gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat, zoals in casu, in een gewestplan is voorzien, op grond van dit beginsel nooit een andere bestemming zou kunnen krijgen. Het komt de Raad van State niet toe de opportuniteit van de afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten door de overheid te X-12.658-12/34 beoordelen. De Raad van State is in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht enkel bevoegd de concrete invulling van die afweging marginaal te toetsen. De verzoekende partijen voeren niet aan waarin de vermeende schending van het redelijkheidsbeginsel is gelegen. 19. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 6, 8, 13, 14, 16, §1 en §4 en 25 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud). Voor wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 6, 8 en 25 van het decreet natuurbehoud, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet aantonen op welke wijze deze artikelen door het bestreden besluit zouden zijn geschonden. 20. Artikel 16 van het decreet natuurbehoud luidt als volgt: “§ 1. In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen §2 (...) §3 (...)”. In zoverre de verzoekende partijen de schending aanvoeren van artikel 16, §4 van het decreet natuurbehoud dient te worden vastgesteld dat dit niet bestaat. Met toepassing van het voormelde artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud dient elke overheid die wordt gevat door een vergunningsaanvraag of een vraag tot toestemming er zorg voor te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of de toestemming er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. Het voormelde artikel is van toepassing op het verlenen van vergunningen, doch niet op het uitvaardigen van reglementaire akten of verordeningen, zoals in casu de wijziging van een gewestplan. X-12.658-13/34 21. Artikel 13, § 1 van het decreet natuurbehoud bepaalt dat “de Vlaamse Regering (...) alle nodige maatregelen (kan) nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de natuur” en dit “ongeacht de bestemming van het betrokken gebied”. Het toentertijd geldende gecoördineerde decreet wordt hierdoor niet buiten toepassing gesteld. Het decreet natuurbehoud houdt geen regelgeving in die rechtstreeks betrekking heeft op het bestemmen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Artikel 9 van het decreet natuurbehoud bepaalt daarentegen dat maatregelen van natuurbehoud de verwezenlijking van bestemmingen van ruimtelijke ordening niet vermogen te verhinderen. Die bepaling, zoals geldend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, luidt immers als volgt : “§ 1. De maatregelen bedoeld in artikel 8, artikel 13, artikel 36ter, §§ 1, 2 en 5, tweede lid en Hoofdstuk VI kunnen beperkingen opleggen maar, met uitzondering van de maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 voor zover deze expliciet zijn opgenomen in een goedgekeurd natuurrichtplan, evenwel geen beperkingen vaststellen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen. (...)”. 22. Artikel 14 van het decreet natuurbehoud, zoals geldend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, bepaalt het volgende: “Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. De Vlaamse regering kan een code van goede natuurpraktijk vaststellen die de in het voorgaande lid bedoelde zorgplicht verduidelijkt”. De voormelde bepaling is niet gericht tot de Vlaamse regering wanneer zij reglementaire akten vaststelt of uitvaardigt. 23. Zoals gesteld blijkt er geen schending van het in artikel 1.2.1, § 2 van het decreet milieubeleid vervatte stand-stillbeginsel. In het licht daarvan valt niet in te zien wat de pertinentie is van het door de verzoekende partijen in X-12.658-14/34 hun laatste memorie aangehaalde argument dat dit stand-stillbeginsel “ook vervat ligt in artikel 23 van de Grondwet”. Het derde middel is niet gegrond. C. Vierde middel Standpunt van de partijen 24. De verzoekende partijen voeren in het vierde middel de schending aan van: “- het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 05.04.1995 (bijgesteld op 31.01.1996, bevestigd op 02.04.1996), - De artt. 7 §2 en §3 en 11 §2 van het Decreet houdende de ruimtelijke planning dd. 24.07.1996 - het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 24.07.1996 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, - het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 23.09.1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - het Decreet dd. 17.12.1997 houdende vaststelling van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meerbepaald het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel het adagium ‘patere legem quem ipse fecisti’ Doordat bij de voorlopige vaststelling van de gewestplanwijziging het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als toetskader gold en bij de definitieve vaststelling van de gewestplanwijziging het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als toetskader geldt voor de wijzigingen in de bestemmingen, zodat de Vlaamse Regering met de principes van het RSV rekening dient te houden en niet mag afwijken van het bindend gedeelte, noch van het richtinggevend gedeelte (zonder motivering) Terwijl de Vlaamse Regering weliswaar formeel voorhoudt dat bij het uitwerken van de gewestplanwijziging de principes van het ontwerp- Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als kader werden gehanteerd, doch dit inhoudelijk geenszins het geval is en de Vlaamse Regering het bindend en het richtinggevend gedeelte van het RSV heeft geschonden. Toelichting In de aanhef van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 27.05.1997 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven wordt uitdrukkelijk verwezen naar het Besluit van de Vlaamse Regering van 05.04.1995 (zoals bijgesteld op 31.01.1996 en bevestigd op 02.04.1996). In dit laatste besluit wordt gesteld dat het voorontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als toetskader X-12.658-15/34 moet worden genomen voor wijzigingen van de bestemmingen van de vigerende gewestplannen. In de loop van de procedure tot wijziging van het gewestplan Leuven werden op 24.07.1996 het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (ontwerp-RSV) en op 23.09.1997 het definitieve RSV goedgekeurd, en op 17.12.1997 werden ook de bindende bepalingen van het RSV bekrachtigd, zodat deze logischerwijze van toepassing zijn op het (deels) bestreden besluit. In eerste instantie stellen de verzoekende partijen vast dat de Vlaamse Regering het bindend gedeelte van het RSV niet heeft gerespecteerd. Overeenkomstig art. 7 § 2 van het planningsdecreet zijn de bepalingen van het bindend gedeelte van het RSV bindend voor Vlaamse Gewest, de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. In de memorie van toelichting bij het planningsdecreet wordt daaromtrent gesteld dat dergelijke vorm van verbindendheid voor de overheid in principe onderworpen is aan de rechterlijke controle en indien de betrokken overheid afwijkt van de bindende bepalingen, bijvoorbeeld bij de vaststelling van een plan van aanleg, het aan de bevoegde rechter toekomt zich uit te spreken over de eventuele strijdigheid met de bindende bepalingen (Gedr. St.,Vlaams Parlement, 1995-96, nr. 360/1, 9). In het RSV (…) worden deze bindende bepalingen overigens omschreven als zijnde de spil tussen de in het richtinggevend gedeelte uitgewerkte gewenste ruimtelijke structuur en de realisatie ervan. Hun functie bestaat erin het dwingend kader aan te geven voor de uitvoering van het ruimtelijk structuurplan via uitvoerende instrumenten. In het RSV wordt er, algemeen gesteld, een onderscheid gemaakt tussen stedelijke gebieden en buitengebied (naast tewerkstellingsgebieden en de sector mobiliteit). In de bindende bepalingen van het RSV wordt (o.m.) bepaald dat de regionaalstedelijke gebieden waaronder Leuven, door het Vlaamse Gewest in samenspraak met de betrokken bestuursniveaus worden afgebakend in gewestplannenplannen (of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen) (…). De bedoeling is een duidelijk onderscheid te creëren tussen groot- of regionaalstedelijke gebieden en buitengebieden, waarin telkens andere klemtonen inzake beleid worden gelegd. Deze afbakening van regionaalstedelijk gebied is de facto echter nog niet gebeurd: Er zijn tot op heden zelfs nog geen criteria noch methodiek bepaald om over te gaan tot dergelijke afbakening. Het gebied dat thans de bestemming ‘universiteitspark’ krijgt, is nu net gelegen aan de stadsrand (bebouwd gebied), doch is onbebouwd. Door er thans een universiteitspark te voorzien, gaat dit gebied behoren tot het (bebouwde) regionaalstedelijk gebied. De Vlaamse Regering kan dus nog niet beslissen over de inplanting van een dergelijk universiteitspark, aangezien hiermee plaatselijk reeds een afbakening wordt doorgevoerd van het regionaalstedelijk gebied, zonder dat hiertoe objectieve criteria bestaan en zonder dat er een grondig onderzoek is aan vooraf gegaan. Er dient bij dergelijke afbakening immers rekening gehouden te worden met de (bindende) bepalingen i.v.m. de gezamenlijke oppervlakte van de X-12.658-16/34 verschillende deelgebieden van het buitengebied evenals de ruimtebalans tussen stedelijke gebieden en buitengebieden. Er moet tevens een studie worden gemaakt van het gehele betrokken gebied en een gelijktijdige afweging van de ruimtebehoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Het is daarenboven belangrijk dat er door een gewestplanwijziging geen hypotheek mag gelegd worden op de uitvoeringsmaatregelen die op basis van het RSV zullen genomen worden. Een bestemmingswijziging kan dan ook slechts doorgevoerd worden indien er een voldoende consensus aanwezig is, en er voldoende onderzoek is gewijd (…). Door de inplanting van een universiteitspark wordt er echter wel degelijk een hypotheek gelegd op de verdere uitvoering van het RSV en meer bepaald op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Leuven, en daarenboven is dit gebeurd zonder voldoende onderzoek. Verder is de afbakening van de stedelijke gebieden een noodzakelijke voorwaarde voor een verdere detaillering inzake bestemming en ontwikkeling van de gebieden die erin en die erbuiten liggen. De logica van de planningshiërarchie vereist dus dat bestemmingen slechts kunnen gewijzigd worden op het ogenblik dat de stedelijke gebieden zeer concreet zijn afgebakend. In casu heeft de Vlaamse Regering nu precies het omgekeerde gedaan. Zij heeft nl. eerst de bestemming vastgelegd van de verschillende zones en moet thans nog overgaan tot de afbakening van het regionaalstedelijk gebied in de regio Leuven (schending van het adagium ‘patere legem quern ipse fecisti’). Daarenboven werd uitdrukkelijk bepaald in het RSV (…) dat de afbakening van deze stedelijke gebieden dient te gebeuren in overleg met de betrokken bestuursniveaus. Van enig overleg is er in casu geen sprake geweest. Hiermee schendt de Vlaamse Regering aldus het bindend gedeelte van het RSV, minstens schendt zij het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen stellen verder dat het richtinggevend gedeelte van het RSV niet wordt nageleefd. Art. 7 §3 van het planningsdecreet definieert het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan als dat deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De decreetgever heeft aldus zeer duidelijk willen beklemtonen dat bet algemeen principe is dat van bet richtinggevend gedeelte met wordt afgeweken. De afwijking; is een uitzondering, die zeer restrictief moet worden toegepast. LUST bevestigt dat ook hier uiteraard rechterlijke controle mogelijk is op de geldigheid van de uitvoeringsbeslissingen, en zal de bevoegde rechter sanctionerend kunnen optreden indien zou blijken dat van het richtinggevend gedeelte van een structuurplan zou worden afgeweken in strijd met art. 7 §3 van het planningsdecreet (…). De verzoekende partijen tonen verder aan dat er geenszins wordt rekening gehouden met de doelstellingen geformuleerd in het X-12.658-17/34 richtinggevend gedeelte van het RSV, en dit zonder dat hiervoor enige motivering wordt gegeven. Dit houdt minstens een schending in van de zorgvuldigheidsplicht. In het richtinggevend gedeelte worden de basisdoelstellingen en de principes vastgelegd m.b.t. de wijze waarop in de toekomst met het ruimtegebruik in Vlaanderen zal worden omgegaan. Er worden m.a.w. op verschillende domeinen, zoals de beoordeling van de ruimte-aanspraken, de afbakening van stedelijke gebieden, enz. fundamentele keuzes gemaakt, die kaderen in een globale visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling. De bedoeling is een kader te bieden voor concrete beleidsbeslissingen, of m.a.w. een garantie tegen losstaande maatregelen zonder veel ruimtelijke verantwoording. De thans (deels) bestreden gewestplanwijziging is precies een dergelijke losstaande maatregel zonder veel ruimtelijke verantwoording. Dit geldt des te meer aangezien er twee cruciale gebiedsdelen het voorwerp vormen van twee afzonderlijke procedures. Het betreft de omzetting van agrarisch gebied naar researchpark in de omgeving Termunckveld en de omzetting naar regionaal bedrijventerrein in de omgeving Parkveld. In de toelichtingsnota ((…) bij (h)et deels bestreden besluit dd. 23.06.1998) wordt er trouwens verwezen naar de doelstellingen en opties voor het buitengebied, waaronder o.m. de Dijlevallei. De doelstellingen worden als volgt geformuleerd : vrijwaren van de ruimte voor natuurfunctie om de structuur van (h)et buitengebied te versterken, streven naar goed gestructureerde gehelen voor de natuur- en bosfunctie, tegengaan van versnippering van de natuurlijke structuur door bebouwing, afstemming van (h)et ruimtelijk beleid en het milieubeleid op basis van (h)et fysisch systeem in valleigebieden, het bufferen van de natuurfunctie ten opzichte van de aangrenzende functie, enz: Er wordt verder gesteld (…) dat op het niveau van Vlaanderen de rivier- en beekvalleien en de grote natuurgebieden de belangrijkste elementen zijn van de natuurlijke structuur. Om de natuurlijke structuur goed te laten functioneren, moeten beleidsmatig voldoende omvangrijke en samenhangende gebieden worden gerealiseerd, met elkaar worden verbonden en voldoende worden gebufferd tegen externe invloeden. Specifiek voor beken en rivieren moet dit ruimtelijk beleid worden ontwikkeld in relatie tot de omgevende valleien. Dit betekent dat er ruimtelijke voorwaarden worden gecreëerd die het integraal waterbeheer ondersteunen en die de relaties tussen de waterloop en de omgevende vallei versterken. Hierbij wordt het behoud en de versterking nagestreefd van het niet- bebouwd karakter, het kenmerkend abiotisch milieu (relief, microrelief en hydrografisch patroon), het kenmerkend biotisch milieu en de kenmerkende ruimtelijke relaties tussen een waterloop en de omgevende vallei. Tegelijkertijd wordt bevestigd dat de vallei van de Dijle voor de natuurlijke structuur een structuurbepalend element op Vlaams en zelfs op internationaal niveau is, gelet op de erkenning van een groot gedeelte van de Dijlevallei als vogelrichtlijngebied. De natuurwaarden vormen er een redelijk aaneengesloten zone, waarin bos en open gebied elkaar afwisselen. Overal is de waterstand hoog en komen talrijke sloten, plassen en oude meanders voor. Deze afwisseling van natuurwaarden (bossen, plassen, X-12.658-18/34 vochtige weilanden, meanders) dient te worden gegarandeerd door een gepaste gewestplanbestemming. De verzoekende partijen merken nog op dat dezelfde doelstellingen worden geformuleerd in de eerste beleidsnota van de provincieraad dd. 21.04.1998 m.b.t. een (nog te realiseren) Structuurplan Vlaams-Brabant (…). Deze stelling is dus fundamenteel in strijd met de bestemming van ‘universiteitspark’ die het gebied van de Dijlevallei thans (gedeeltelijk) krijgt. Er kan tenslotte ten algemenen titel worden opgemerkt dat een gewestplan een concretisering moet inhouden van de principes bepaald in (het richtinggevend gedeelte van) het RSV. Het getuigt niet van zorgvuldig bestuur om een gewestplanwijziging door te voeren zonder dat het RSV concreet werd uitgewerkt op de diverse bestuursniveaus. Hieruit blijkt eens te meer dat er absoluut geen sprake is van een weldoordachte visie op de ruimtelijke ordening voor de regio Leuven, en dat de Vlaamse Regering getracht heeft nog snel even een aantal bestemmingswijzigingen door te voeren zonder daarbij reeds gebonden te kunnen zijn door de concrete uitvoeringsplannen van het RSV. Een coherente aanpak van de actuele problemen inzake ruimtelijke ordening (o.m. het vrijwaren en waar mogelijk versterken van de nog resterende open ruimten, behoud van randstedelijke groengebieden, aaneensluiten van gebieden met natuurfunctie tot grotere gehelen) wordt met deze werkwijze onmogelijk gemaakt, daar waar dit nu net de essentiële doelstelling vormt van het RSV. Het vierde middel is gegrond”. 25. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord het volgende: “1. Wat betreft de vermeende schending van het bindend gedeelte van het RSV (...) *Wat betreft de afbakening van stedelijke gebieden wordt in de rechtsleer het volgende gesteld: ‘62. de afbakening van een stedelijk gebied kenmerkt zich door een procesmatig karakter. Denken over kwaliteit, het uitstippelen van een beleid voor het betrokken stedelijk gebied, is een continu proces. Vandaar dat de afbakening oog moet hebben voor het proces van visievorming over de ontwikkeling van het stedelijk gebied en voor het opstellen van samenhangende voorstellen inzake het stedelijk- gebiedbeleid die ook gedragen worden door de betrokken partners met name de sectoren en de andere bestuursniveau’s. (…) Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen vormt het ruimtelijk kader voor het doorvoeren van bestemmingswijzigingen voor aangelegenheden op Vlaams niveau; de voorliggende bestemmingswijzigingen zijn niet afhankelijk van het finaliseren van planningsprocessen op gemeentelijk en provinciaal niveau. X-12.658-19/34 *Overeenkomstig artikel 11 Decreet Ruimtelijke Ordening behoort het dan ook tot de bevoegdheid van de Vlaamse regering om de gebieden te bepalen waarvoor een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd, zoals de overheid in casu ook heeft gedaan. De stelling dat geen gewestplanwijziging aan de rand van het stedelijk gebied kan doorgevoerd worden zolang de afbakening niet is afgerond is absurd. Het zou immers betekenen dat de Vlaamse regering het stedelijk gebied-beleid pas kan opstarten nadat de stedelijke gebieden zijn afgebakend. Dit is nog jaren werk en staat haaks op de benadering van de structuurplanning, waarbij ook op korte termijn acties kunnen doorgevoerd worden om de lange termijnvisie te ondersteunen. De grens van het stedelijk gebied ten zuiden van Leuven is inderdaad nog niet gekend. Wel is het duidelijk dat de universiteit essentieel is voor dat stedelijk gebied. Het is onmogelijk de universiteit weg te denken ter hoogte van Arenberg. Vanuit die kennis is reeds een keuze gemaakt over de ontwikkelingsmogelijkheden van de universiteit, omdat er voldoende kennis was over de ruimtebehoeften en de natuurwaarden om een beslissing te nemen. 2. Wat betreft de vermeende schending van het richtinggevend gedeelte van het RSV (...) Zoals onder punt 1 reeds werd aangetoond, betreft het hier allerminst een losstaande maatregel. Essentieel is dat voor de Dijlevallei ter hoogte van de Arenbergcampus een ruimtelijke afweging is gemaakt waardoor het mogelijk was om een deel van de vallei om te zetten van ‘openbaar nut’ naar natuur. Er is gekozen voor het echte valleigedeelte dat de hoogste natuurwaarde heeft en dat daardoor van bebouwing gevrijwaard blijft. Dit deel is ook minst geschikt voor bebouwing, omdat de ondergrond er niet voor geschikt is. Daardoor wordt dus in overeenstemming met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de belangrijkste natuurwaarden in de Dijlevallei gevrijwaard. Anderzijds is ook de aanwezigheid van de KUL in Egenhoven een vaststaand feit en wordt ook in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen erkend dat er ontwikkelingsmogelijkheden moeten geboden worden voor hoogtechnologische ontwikkelingen gekoppeld aan de universiteiten. In Leuven zijn er vooral mogelijkheden ter hoogte van Egenhoven/Arenbergcampus. Hierdoor wordt ruimte ingenomen die inderdaad natuurwaarde heeft. Het is nu eenmaal zo dat ruimtelijke ordening een afweging is tussen verschillende ruimteclaims. Concreet is de Dijle inderdaad bepalend voor de natuurlijke structuur van Vlaanderen. Precies om die reden is een omzetting doorgevoerd van openbaar nut naar natuurgebied”. 26. De verzoekende partijen dupliceren in de memorie van wederantwoord het volgende: X-12.658-20/34 “De verzoekende partijen tonen verder aan dat er geenszins wordt rekening gehouden met de doelstellingen geformuleerd in het richtinggevend gedeelte van het RSV, en dit zonder dat hiervoor enige motivering wordt gegeven. Dit houdt minstens een schending in van de zorgvuldigheidsplicht. Wat de schending van het bindend gedeelte betreft, citeert de tegenpartij LIEKENS die terecht stelt dat de afbakening van stedelijke gebieden zich kenmerkt door een procesmatig karakter. Hiermee doet de verwerende partij niets anders dan het standpunt van verzoekers te bevestigen. Een proces veronderstelt immers in essentie dat men stapsgewijs werkt, waarbij tegelijkertijd een bepaalde hiërarchie (van het hogere naar het lagere niveau) wordt gerespecteerd. In casu betekent dit dat het RSV een aantal bindende richtlijnen oplegt m.b.t. de door te voeren bestemmingswijzigingen. Eén van deze bindende richtlijnen betreft de afbakening van een regionaalstedelijk gebied. Het belang hiervan is zeer groot omdat het de enige manier is om een goede en doordachte ruimtelijke ordening op lange termijn mogelijk te maken. Pas wanneer dit kader is vastgesteld, kan men zinvol verder gaan met verfijning en uitwerking via concrete gewestplanwijzigingen. Dergelijke werkwijze is volstrekt logisch en geenszins absurd. Voor wat de regio Leuven betreft, is deze afbakening van regionaalstedelijk gebied nog niet gebeurd. Een essentiële voorwaarde om te kunnen beslissen over een bestemmingswijziging is m.a.w. niet vervuld. De tegenpartij geeft in haar memorie toe dat de stedelijke afbakening van Leuven nog niet gekend is. Zij stelt als argument dat het ‘wel duidelijk is dat de universiteit essentieel is voor dat stedelijk gebied en dat het onmogelijk is de universiteit weg te denken ter hoogte van Arenberg’. Hier dient opgemerkt dat het gaat om groene ruimte en niet zonder meer stedelijk gebied zoals beweerd. Bovendien is er een wezenlijk verschil tussen het ‘wegdenken van de universiteit’ en het toelaten dat een groene ruimte wordt volgebouwd tot veel verder dan waar de universiteitsgebouwen op heden reiken en behalve door universiteitsgebouwen ook door allerhande bedrijven. Zoals reeds supra aangehaald motiveert de tegenpartij niet waarom een ‘universiteitspark’ zou moeten worden ingebouwd in een landschappelijk waardevol gebied. Het enige argument voor de locatie van het ‘universiteitspark’ in de Voer- en Dijlevallei is de ‘ruimtelijke nabijheid’. Het richtinggevend gedeelte van het RSV laat geen twijfel bestaan over de grote waarde van de Dijlevallei en daarmee van het betrokken gebied. De tegenpartij haalt echter als enig argument en slechts in haar memorie aan dat ‘het nu eenmaal zo is dat ruimtelijke ordening een afweging is tussen verschillende ruimteclaims’. Ruimtelijke ordening is inderdaad een afweging van verschillende soms tegenstrijdige ruimteclaims. Juist daarom is het van fundamenteel belang een objectieve afweging te maken binnen een vast omlijnd kader én na grondig onderzoek. X-12.658-21/34 In casu is geen objectieve afweging gemaakt van het grote ecologisch belang voor de regio en het economisch belang van een juist daar gelokaliseerd ‘universiteitspark’. De tegenpartij heeft nagelaten een grondig onderzoek te voeren naar minder schadelijke alternatieven. Alle adviezen en overwegingen berusten daarentegen op subjectieve meningen en veronderstellingen. Ook de bewering dat er onderzoek werd gedaan naar alternatieve locaties wordt door niets gestaafd. Het gaat dus in casu om loze beweringen. Het vierde middel is gegrond”. 27. De tussenkomende partij beantwoordt in haar memorie het vierde middel, in haar repliek op het vijfde middel, als volgt: “1. Schending van het ‘besluit van de Vlaamse regering dd. 5 april 1995’ (bijgesteld op 31 januari 1996, bevestigd op 2 april 1996) kan bezwaarlijk voorhanden zijn, vermits zulk bindend en in het staatsblad afgekondigd besluit niet eens bestaat. De verzoekende partijen lezen het B.V.R. dd. 27 mei 1997 tot voorlopige vaststelling van het bestreden gewijzigd gewestplan verkeerd. In de aanhef daarvan is geen sprake van enig ‘besluit’ van de Vlaamse regering van die datum, maar wel van een ‘beslissing’ van de Vlaamse regering van die datum. Het betreft derhalve geenszins een door de Vlaamse regering genomen besluit, als bedoeld door de art. 121, 122 en 123 van de grondwet, tot stand gekomen overeenkomstig de art. 68 en 69 BWHI dd. 8 augustus 1980. Het spreekt overigens nogal voor zich dat de Vlaamse regering geen enkele bevoegdheid zou hebben om aan een ontwerp van regeringsbesluit, dat door het Vlaams parlement moet worden bekrachtigd, ... reeds bindende kracht te geven! Zulk besluit zou evident bij toepassing van art. 159 van de grondwet voor onbestaande moeten gehouden worden. Voor zover de Vlaamse regering inderdaad op 5 april 1995 mocht beslist hebben het ontwerp van RSV alvast als een soort referentiepunt te gebruiken bij de opmaak van nieuwe en/of de herziening van bestaande plannen, kan het hoogstens gaan om een soort interne beleidsbeslissing. Zoals tegen zulke opportunistische en vrijblijvende beslissing, waarvan niet eens geweten is of zij geformaliseerd is, niet tot annulatie voor Uw Raad kan opgekomen worden, kan evenmin uit het eventuele afwijken van zulke beleidsintentie een wettig annulatiemiddel geput worden (art. 14 gecoördineerde wetten). 2. Voor zover schending wordt ingeroepen van de besluit van de Vlaamse regering dd. 23 september 1997 en 17 december 1997, dient te worden verwezen naar: • de omstandigheid dat het bindend gedeelte van het RSV slechts bij decreet van 17 december 1997 werd bekrachtigd, decreet dat eerst op 21 maart 1998 in het staatsblad verscheen en mitsdien pas op 31 maart 1998 van toepassing werd; X-12.658-22/34 • dat ook het besluit van 23 september 1997 tot definitieve v(a)ststelling van het RSV eerst op 21 maart 1998 werd gepubliceerd, en mitsdien ook pas 10 dagen later van toepassing werd; terwijl art. 11, §2, van het destijds toepasselijk planningsdecreet d.d. 24 juli 1996 - inmiddels opgeheven met ingang van 1 mei 2000 door art. 170 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - bepaalt wat volgt: ‘De voorschriften van plannen van aanleg waarvan de procedure tot opmaak of herziening begint na het vaststellen van het ruimtelijk structuurplan, Vlaanderen mogen geen strijdende bepalingen bevatten met dit structuurplan, met de verordeningen opgemaakt ter uitvoering ervan of het gewestelijke verordeningen in het algemeen’ Vermits de herzieningsprocedure, afgesloten bij het besluit van 23 juni 1998, werd aangevat lang vóór het RSV definitief werd vastgesteld en van toepassing werd, moest met de bepalingen ervan geen rekening worden gehouden, ook al werd de herzieningsprocedure slechts beëindigd nadat die besluiten reeds van toepassing waren geworden. Er was dus hoegenaamd geen reden om met de vaststelling van het gewestplan te wachten tot na de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Leuven. In die omstandigheden kan uit de eventuele schending, quod non, van de ingeroepen besluiten geen annulatiemiddel worden geput. (…)”. Beoordeling 28. De verzoekende partijen geven niet concreet aan hoe het bestreden besluit “het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 05.04.1995 (bijgesteld op 31.01.1996, bevestigd op 02.04.1996)” zou hebben geschonden. 29. Het toentertijd geldende artikel 11, §2 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning luidt als volgt : “§ 2. De voorschriften van plannen van aanleg waarvan de procedure tot opmaak of herziening begint na het vaststellen van het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen mogen geen strijdige bepalingen bevatten met dit structuurplan, met de verordeningen opgemaakt ter uitvoering ervan of met gewestelijke verordeningen in het algemeen”. 30. Na verwezen te hebben naar “het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 1997 houdende de definitieve vaststelling van het X-12.658-23/34 Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, bekrachtigd bij decreet van 17 december 1997, wat de bindende bepalingen betreft”, en naar “het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 houdende de definitieve vaststelling van een herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, bekrachtigd bij het decreet van 19 maart 2004, wat de bindende bepalingen betreft”, overweegt het bestreden besluit het volgende: “(...) Overwegende dat het ontwerpgewestplan werd opgemaakt vóór de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat daarbij derhalve de principes van het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als kader werden gehanteerd; dat deze opties in overeenstemming zijn met de principes en de inhoudelijke opties van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat de motieven voor bestemmingswijziging zijn opgenomen in de toelichtingsnota in bijlage bij dit besluit; (...)”. 31. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 en de bindende bepalingen ervan werden bekrachtigd bij decreet van 17 december 1997. Bij besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 werd het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud- Heverlee, Rotselaar en Tervuren voorlopig vastgesteld, dit is voor de vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Aangezien de procedure tot opmaak van het gewestplan werd aangevat vóór het vaststellen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kunnen de bepalingen van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen te dezen niet dienstig worden ingeroepen, ook al beoogde de verwerende partij de principes ervan “als kader” te hanteren. Het vierde middel is niet gegrond. X-12.658-24/34 D. Vijfde middel Standpunt van de partijen 32. In het vijfde middel voeren de verzoekende partijen het volgende aan: “Genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht, Doordat er op een aantal bezwaren van de verzoekende partijen niet, of minstens op onvoldoende wijze wordt geantwoord, Terwijl voor de bezwaarindiener uit het advies van de Regionale Commissie voor Advies of uit het Besluit van de Vlaamse Regering op begrijpelijke wijze moet blijken waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. Toelichting (...) Uit het advies van de Regionale Commissie voor advies of uit het besluit van de Vlaamse Regering (moet) op voor de bezwaarindiener begrijpelijke wijze (…) blijken waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. De bezwaarindiener moet m.a.w. in de tekst zelf een afdoend antwoord op zijn bezwaren vinden (...). Dit is niet het geval. De bezwaren van de tweede verzoekende partij kunnen als volgt worden samengevat : • de inplanting van een universiteitspark leidt tot verdere vernieling van Egenhovenhos, dat met de inplanting van IMEC en de uitbreiding van Terbank al zware klappen kreeg. De ecologische waarde van (E)genhovenbos is groot en verdient een verdere en betere bescherming, te meer daar het aansluit bij de zuidelijke natuurgebieden en een strategische buffer vormt aan de westkant van Leuven • het project is in tegenspraak met de richtlijnen van het RSV, omdat het stadsbestuur voorafgaandelijk geen afweging heeft gemaakt met de andere locaties in Leuven, met kostenanalyses en becijfering van beschikbare gronden en alternatieven (cfr. kanaalzone,researchpark Haasrode) • dat het universiteitspark in de onmiddellijke nabijheid van de bestaande campus moet liggen is in deze tijd van informatiesnelwegen en internet-communicatie absoluut geen vereiste. • de ontsluiting - zowel wat betreft autoverkeer als openbaar vervoer is problematisch en zal voor ernstige verkeersoverlast en sluikverkeer in de omliggende wijken zorgen • de randen van het Egenhovenbos steeds meer worden ingesloten door bebouwing waardoor er geen bufferzone meer is, hetgeen echter noodzakelijk is voor het behoud van de fauna en flora van het bos. X-12.658-25/34 • de vraag naar bebouwing gaat toenemen, niet enkel door de bouw van het universiteitspark zelf, doch tevens onrechtstreeks (waar gaan de werknemers wonen) De Regionale Commissie voor Advies antwoordt als volgt : ‘De bestemmingswijziging van zone voor openbaar nut naar universiteitspark houdt reeds aanzienlijke bescherming in van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het gebied. De nood aan bijkomende ruimte voor de universiteit en de bestaande onderzoekscentra, en nabijheid van deze instellingen maakt deze plaats tot de meest geschikte locatie voor de aanleg van een universiteitspark. Andere inplantingsplaatsen werden onderzocht maar bleken door de ligging en de bestaande situatie van de omgeving ongeschikt voor de functies van universiteitspark en bleken meer aangewezen voor andere stedelijke functies. Gelet op het specifiek karakter van het universiteitspark nl. de vestiging van de onderzoekslaboratoria, instellingen en kleinschalige bedrijven, waarvan een belangrijk component van de activiteit op wetenschappelijk onderzoek is afgestemd in samenwerking met de universitaire onderzoeksinstellingen, is de nabijheid van de universiteit en de aanverwante instellingen essentieel. Zo kunnen de instellingen maximaal gebruik maken van de geografische nabijheid van de academische onderzoekcentra door de veelvuldige menselijke contacten tussen beiden. De ontsluiting van de bedrijven zal gebeuren via een parallelweg aan de Boudewijnlaan. In toelichtingsnota bij het bestreden besluit worden volgende motieven aangegeven : - Leuven profileren als centrum voor hoogtechnologische ontwikkelingen - onmiddellijke nabijheid van campus en IMEC - eigendom of binnen onteigeningsbevoegdheid KUL - komt neer op het verruimen van huidige bestemming - makkelijke ontsluiting naar de (B)oudewijnlaanlandschappelijk minder waardevol gebied De verzoekende partijen zien allereerst niet in hoe de bestemming ‘universiteitspark’ ook maar enige bescherming kan inhouden van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het gebied. Het betrokken gebied kan immers volledig volgebouwd worden, hetgeen noodzakelijkerwijs leidt tot de volledige vernietiging van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. De verzoekende partijen tonen aan (…) dat de bestemmingswijziging betrekking heeft op een waardevol natuurgebied, en dus geenszins op een landschappelijk minder waardevol gebied. De verregaande gevolgen voor natuur en ruimtelijke ordening worden op geen enkel ogenblik onderzocht en de noodzaak van de aantasting ervan wordt niet gemotiveerd. Juist gelet op het feit dat het gebied in kwestie ecologisch belangrijk is, had de overheid eerst een grondig onderzoek dienen te voeren naar de mogelijke alternatieven die er in en rond het Leuvense wel degelijk bestaan (gebouwen aan de Vaartkom, researchpark te Haasrode, ...). X-12.658-26/34 Het onderzoek naar alternatieve inplantingsplaatsen is, in tegenstelling tot wat beweerd wordt, echter niet gebeurd, zeker niet op voldoende grondige wijze (geen cijfers of statistieken, geen kostenanalyses, enz.). Er wordt anderzijds ook niet gemotiveerd waarom het universiteitspark op loopafstand moet gesitueerd zijn van de campus. Het antwoord op dit fundamentele bezwaar is dan ook te vaag geformuleerd en onvoldoende onderbouwd met concrete gegevens die deze keuze ook effectief kunnen verantwoorden. Op het probleem van toenemende bebouwing, verregaande insluiting van Egenhovenbos en de verkeersoverlast wordt helemaal niet geantwoord. Het is dan ook zonder meer duidelijk dat de overheid haar verantwoordelijkheid tracht te ontlopen door bij wijze van vage algemeenheden haar standpunt te motiveren. Het vijfde middel is gegrond”. 33. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord het volgende: “(…) (…) in het voorschrift wordt inderdaad opgenomen dat er bij de inrichting van het ‘universiteitspark’ rekening moet worden gehouden met de lanschaps- en natuurkwaliteiten van het gebied. Het is trouwens belangrijk om erop te wijzen dat voorheen -voor de gewestplanwijziging- een zone voor openbaar nut was voorzien, m.a.w. was er evenmin een garantie dat de ruimte niet zou worden aangesneden! Dit was m.a.w. een gebied dat bestemd was om voorzieningen, zoals scholen, administratieve gebouwen, ... te ontvangen. Verzoekers willen de indruk geven dat de gewestplanwijziging ertoe geleid heeft dat er nu kan gebouwd worden, terwijl dat voorheen ook reeds mogelijk was. Anders was het geweest mocht voorheen het gebied tot natuurgebied bestemd zijn geweest. (...) -Met betrekking tot de evaluatie van andere inplantingsplaatsen is uiteindelijk het argument van ruimtelijke nabijheid doorslaggevend gebleken. Door het universiteitspark in de onmiddellijke nabijheid van de campus Boudewijnlaan in te planten wordt de uitwisseling tussen de universiteit en de spin-off bedrijven in elk geval vergemakkelijkt. Op andere plaatsen is die wisselwerking veel moeilijker. Zo heeft de RCA tevens gewezen op het belang van de menselijke contacten. Deze contacten vereisen een geografische nabijheid. Er is inderdaad behoefte aan specifieke bedrijventerreinen voor bedrijven die dicht aanleunen bij de onderzoeksactiviteiten van de Universiteit en die veelvuldige contacten hebben met de onderzoekers van de universiteiten (gemeenschappelijke onderzoeken, congressen, uitwisseling van kennis en personeel, enz.) Het spreekt aldus voor zich dat de ruimtelijke nabijheid van cruciaal belang is! X-12.658-27/34 Verzoekers bieden als alternatief de gebouwen aan de Vaartkom en het researchpark te Haasrode aan. Gelet op het voorgaande konden deze niet als volwaardig alternatief worden beschouwd. (...) Het universiteitspark is in de onmiddellijke omgeving van de Boudewijnlaan gelegen zodat een hoogwaardige ontsluiting zeker mogelijk is. Over de concrete aanleg van ontsluitingswegen is geen beslissing genomen. Dit aspect wordt in de gewestplanwijziging niet vastgelegd”. 34. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen als volgt: “De Regionale Commissie voor Advies heeft zich ‘het antwoord op de bezwaarschriften en adviezen’ niet eigen gemaakt. Zelfs indien zij niet verplicht is op elke individueel bezwaar te antwoorden (zoals opgeworpen door de tegenpartij) kan er onmogelijk gesteld worden dat er discussie is gevoerd. De Commissie heeft hoogstens geantwoord in vage algemeenheden die in geen geval een concreet en afdoend antwoord uitmaken, hetgeen volgens vaste rechtspraak van uw Raad een schending van de materiële motiveringsplicht oplevert. De tegenpartij betwist dit niet expliciet, maar citeert enkel de zeer beperkt en zowel vage als algemene motivering gegeven door de Regionale Commissie voor Advies en voegt er nu zelf een bijkomende (eigen) motivering voor bepaalde aspecten aan toe. Hiermee wordt uiteraard het gebrek aan afdoende motivering niet rechtgezet. De tegenpartij voegt aan haar poging tot weerlegging van dit middel een ‘Commentaar’ toe die losstaat van de al dan niet deugdelijke motivering door tegenpartij, maar die betrekking heeft op de opportuniteit van de lokalisatie van het ‘universiteitspark’ aan de Boudewijnlaan. Geheel ondergeschikt reageren verzoekers hierop door het volgende; Tegenpartij verwijst in dat onderdeel dat de bestemming voor de gewestplanwijziging, zijnde een bestemming van openbaar nut het gebied bestemde tot ‘voorzieningen, zoals scholen en administratieve gebouwen’. Het dient opgemerkt dat het gebied een groene ruimte is waarin tot op heden zulke gebouwen niet staan. En hoewel ze er wel kunnen staan, gaat het enkel om gebouwen met als doel gemeenschappelijke voorzieningen hetgeen iets heel anders is dan bedrijfsgebouwen gelinkt aan de universiteit en hetgeen een duidelijk kleinere impact zou hebben op het leefmilieu en de leefkwaliteit van deze laatsten. In een tweede ‘Commentaar’ onder dezelfde hoofding stelt de tegenpartij het volgende: ‘Met betrekking tot de evaluatie van andere inplantingsplaatsen is uiteindelijk het argument van ruimtelijke nabijheid doorslaggevend gebleken’. X-12.658-28/34 Dit argument houdt geen steek aangezien er meerder terreinen zijn in Leuven die ruimtelijk nabij zijn. Dat deze op wandelafstand van elkaar zouden moeten zijn, houdt natuurlijk geen steek. Bedrijven maken nog meer dan particulieren gebruik van moderne communicatie via internet, fax, email en telefoon. Voorbeelden in binnen- en buitenland tonen aan dat de onmiddellijke ruimtelijke nabijheid absoluut geen voorwaarde vormt voor een succesvol universiteits- of researchpark. Zo verloopt de samenwerking tussen de VUB en het researchpark van Zellik of deze tussen de KUL en het researchpark in Haasrode perfect, hoewel in beide gevallen er 10 à 20 km. afstand is. De ruimtelijke nabijheid is er één ingeroepen ‘pour les besoins de la cause’. De waarde ervan is marginaal en weegt in geen geval op tegen de schade die wordt berokkend door de inplanting van het ‘universiteitspark’ in een groene ruimte. Het vijfde middel is gegrond”. 35. De tussenkomende partij beantwoordt in haar memorie het vijfde middel, in haar repliek op het vierde middel, als volgt : “Opdat voldaan zou zijn aan de motiveringsplicht moet de particulier in de tekst zelf van het advies van de regionale commissie - of van het regeringsbesluit - een afdoend antwoord op zijn bezwaarschrift kunnen vinden, hetzij in een individuele stellingname, hetzij in een algemene richtlijn van de commissie die op zijn individueel bezwaar begrijpelijk toepasselijk is, hetzij in het antwoord op een advies, bezwaar of opmerking van een ander particulier of van een overheidsinstantie (...). Er moet dus met het geheel van de opmerkingen van de RCA worden rekening gehouden, des te meer wanneer het annulatieberoep slechts een onderdeel van een veel ruimer plangebied tot voorwerp heeft, hetwelk in zijn geheel het voorwerp van een globale stedenbouwkundige beoordeling heeft uitgemaakt. (...) (…) de verzoekers (halen) zelf uitgebreid de opgegeven redenen aan. Voeg daaraan nog aan toe: • de beschouwing in het besluit van 27 mei 1997 houdende de voorlopige vaststelling van het wijzigingsontwerp, nl.: ‘overwegende dat er een behoefte bestaat aan terreinen voor de vestiging van hoogtechnologische bedrijven in nauwe samenwerking met de universiteit van Leuven en dat het wenselijk is dat deze terreinen zo kort mogelijk aansluiten bij de bestaande campus van Heverlee; dat derhalve een universiteitspark wordt aangeduid’ en de overweging dat ‘de Dijlevallei van bebouwing kan gevrijwaard blijven en/als park- of natuurgebied wordt aangeduid’ doordat voortaan een specifieke ‘ruimte wordt voorzien voor de inplanting van een universiteitspark’, daar waar voorheen op het gehele subgebied gebouwen voor gemeenschap- X-12.658-29/34 en voorzieningen konden verschijnen van zelfs véél omvangrijker aard en omvang als de thans (enig toegelaten) onderzoeksondernemingen en labo’s; • de verwijzing door de RCA naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen dat zowel de luchthaven van Zaventem als de universiteit van Leuven ‘als motoren voor de economie’ aanziet; • de verwijzing (…) naar de omstandigheid dat Leuven in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen wordt erkend als deel uitmakend van de Vlaamse Ruit (…). Al deze gegevens zijn ter kennis van de verzoekende partijen en maken in hun geheel onbetwistbaar duidelijk en begrijpelijk waarom op hun bezwaren niet is ingegaan. Het spreekt voor zich dat, nu de verzoekende partijen finaal de door de overheid gemaakte afweging bekritiseren en mitsdien in werkelijkheid een opportuniteitskritiek uiten en geen rechtskritiek, de enkele omstandigheid dat zij het met de opgegeven motieven niet eens zijn, niet pertinent is, nu verschil van mening op zich geen motiveringsgebrek kan opleveren en de wettigheid van een besluit niet aantast. De verzoekende partijen zeggen enkel de aanvoeringen niet te begrijpen of onvoldoende te vinden. Zij tonen niet aan dat zij in feite onjuist en in rechte niet pertinent zijn, zodat hun kritiek ongegrond is. (...) In het RCA is wel degelijk gesproken over andere inplantingplaatsen. Zo werd de Philips-site aangehaald, maar afgewezen, omdat ze bestemd werd voor stedelijke ontwikkeling. Er werd in de commissie ook verwezen naar Haasrode, dat onder vroegere reglementering blijkt tot stand gekomen te zijn en dat, blijkbaar ook wegens ‘de afstandsregels’ (…) geen succes blijkt geweest te zijn. Daar er echter, door te overwegen dat het, trouwens in het kader van het BVR d.d. 6 juli 1994 houdende de erkenning en de subsidiëring van researchparken, thans het BVR van 5 september 2003 houdende subsidiëring van o.m. wetenschapsparken, wenselijk is een researchpark zo dicht mogelijk bij de universitaire campus te laten aanleunen - wat toch een evidentie blijkt te zijn; zie ook de definitie van wetenschapspark (…) van het RSV - hoefde de verwerende partij geenszins meer in te gaan op de suggestie van de verzoekende partijen naar een ander vestiging uit te zien. (...) Zo voorts afstanden in deze tijd inderdaad wellicht minder onoverbrugbaar zijn geworden, kan aan de door de RCA vastgestelde noodzaak ‘van veelvuldige menselijke contacten tussen beide’ niet voorbijgegaan worden. Zo mogelijks natuurverenigingen zulk intermenselijk contact minder of zelfs geheel onbelangrijk achten, kan dit niet met zich brengen dat een motiveringsgebrek aan de orde zou zijn”. 36. In de laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat “in de tekst zelf van het advies een afdoende antwoord op het bezwaar” dient vervat te zitten en “dat de uitdrukking in het advies manifest onvoldoende en zelfs onbegrijpelijk is”. X-12.658-30/34 Beoordeling 37. De verzoekende partijen citeren het bezwaarschrift van de tweede verzoekende partij als volgt : “In de omgeving van Campus Arenberg wordt er te veel aangesloten bij mistoestanden uit het verleden (site van IMEC, ...). Alternatieve inplantingen voor het universiteitspark worden niet of onvoldoende onderzocht en dit met als enig argument dat het park op loopafstand moet gesitueerd zijn van de bestaande campus. Dit argument is evenwel in een tijdperk van telecommunicatieontwikkelingen volledig voorbijgestreefd. Er wordt op gewezen dat het geplande universiteitspark niet op een bevredigende manier kan ontsloten worden, zeker niet in de richting van de universiteit. Tevens wordt de bufferzone van een waardevol natuurgebied ingenomen. Meer principieel wordt met deze inplanting de vraag naar bebouwing verhoogd (niet alleen rechtstreeks (het park), maar ook onrechtstreeks (waar wonen de werknemers)) en zal tenminste de verkeersbelasting nog gevoelig toenemen. (M.b.t. de bestemming reservegebied voor openbaar nut: ) Gelet op de beschikbare ruimte voor bijkomende gebouwen op de campus Arenberg, wordt het voorgestelde reservegebied overbodig geacht. Door de rand van het Egenhovenbos steeds meer in te sluiten met bebouwing, verliest het bos zijn buffergebied dat zo noodzakelijk is voor veel bosbewoners.Tevens verdwijnt het typisch zicht op de Dijlevallei. Daarbij komt nog dat in dit deel, in het kader van hoogwaterbescherming van Leuven een slibvang zou voorzien zijn”. 38. Aangaande de bezwaren betreffende de “verdere vernieling van (het) Egenhovenbos” stellen de verzoekende partijen dat daarop “niet, of minstens op onvoldoende wijze wordt geantwoord”. De Regionale Commissie van Advies stelt hieromtrent het volgende: “De bestemmingswijziging van zone voor openbaar nut naar universiteitspark houdt reeds een aanzienlijke bescherming in van (
  6. de)natuurlijk(
  7. e)en landschappelijke kwaliteiten van het gebied”. 39. Uit de toelichtingsnota bij het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, X-12.658-31/34 Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, waarnaar ook de verzoekende partijen verwijzen in hun verzoekschrift, blijkt dat het bestaande grote gebied, bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, voor het grootste gedeelte herbestemd wordt tot bufferzone (1,3 ha), natuurgebied (28,7
  8. ha)en parkgebied (24,3 ha). Slechts een kleiner gedeelte van dit gebied wordt bestemd als universiteitspark (13,5
  9. ha)en reservegebied voor openbaar nut (6,3
  10. ha)in overdruk. Uit de samenlezing van het antwoord van de Regionale Commissie van Advies en de voormelde toelichtingsnota blijkt afdoende waarom “de bestemmingswijziging van zone voor openbaar nut naar universiteitspark (...) reeds een aanzienlijke bescherming in(houdt) van (
  11. de)natuurlijk(
  12. e)en landschappelijke kwaliteiten van het gebied”. 40. Aangaande de bezwaren van de tweede verzoekende partij betreffende de keuze van de inplantingsplaats voor het universiteitspark en de “problematische” ontsluiting van zowel het autoverkeer als het openbaar vervoer, waarvan het middel eveneens gewag maakt, stelt de Regionale Commissie van Advies het volgende: “De nood aan bijkomende ruimte voor de universiteit en de bestaande onderzoekcentra, en nabijheid van deze instellingen maakt deze plaats tot de meest geschikte locatie voor de aanleg van een universiteitspark. Andere inplantingsplaatsen werden onderzocht maar bleken door de ligging en de bestaande situatie van de omgeving ongeschikt voor de functies van het universiteitspark en bleken meer aangewezen voor andere stedelijke functies. Gelet op het specifiek karakter van het universiteitspark, namelijk de vestiging van onderzoekslaboratoria, instellingen en kleinschalige bedrijven, waarvan een belangrijk component van de activiteit op wetenschappelijk onderzoek is afgestemd in samenwerking met de universitaire onderzoeksinstellingen, is de nabijheid van de universiteit en aanverwante instellingen essentieel. Zo kunnen deze instellingen maximaal gebruik maken van de geografische nabijheid van de academische onderzoekcentra door de veelvuldige menselijke contacten tussen beiden. De ontsluiting van de bedrijven zal gebeuren via een parallelweg aan de Boudewijnlaan”. 41. Te dezen beperken de verzoekende partijen zich ertoe te stellen dat “(h)et onderzoek naar alternatieve inplantingsplaatsen (...), in tegenstelling tot X-12.658-32/34 wat beweerd wordt, echter niet gebeurd (is), zeker niet op voldoende grondige wijze (geen cijfers of statistieken, geen kostenanalyses, enz.)” en dat er “anderzijds ook niet (wordt) gemotiveerd waarom het universiteitspark op loopafstand moet gesitueerd zijn van de campus”. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, bevat het voormelde antwoord van de Regionale Commissie van Advies wel degelijk een voldoende en duidelijk antwoord aangaande het gegeven van de loopafstand tussen de “universiteit en aanverwante instellingen”. 42. Aangaande het bezwaar van de tweede verzoekende partij betreffende de toenemende bebouwing aan de randen van het Egenhovenbos, stelt de Regionale Commissie van Advies het volgende: “De uitbreiding van het woongebied betreft de geplande uitbreiding van de verkaveling Toverberg (fase 7, 8 en 9). Het dossier van deze uitbreiding, opgestart in 1991 wordt momenteel niet meer verder afgehandeld gezien de maatschappij Hugral in vereffening is. Een toekomstige uitbreiding en afwerking van de verkaveling Toverberg is gezien de reeds gerealiseerde aanzetten wenselijk. De voorziene uitbreiding omvat een 70-tal percelen voor alleenstaande woningen. De gronden tussen de verkaveling Toverberg en de eerste fase van de verkaveling Doleeg worden omgezet naar parkgebied. Deze gronden zijn van geen nut voor de landbouw en vormen een aangewezen groenzone binnen het woongebied”. De verzoekende partijen kunnen niet worden gevolgd waar zij stellen dat “er geen bufferzone meer is, hetgeen echter noodzakelijk is voor het behoud van de fauna en flora van het bos” aangezien er een groenzone wordt voorzien. 43. De stelling van de verzoekende partijen dat het onderzoek naar alternatieve inplantingsplaatsen onvoldoende grondig zou zijn gevoerd, houdt geen verband met het aangevoerde middel, meer bepaald dat “op een aantal bezwaren van de verzoekende partijen niet, of minstens op onvoldoende wijze wordt geantwoord” door de Regionale Commissie van Advies. Die partijen geven ook niet aan welke regel een dergelijk onderzoek oplegt. Het vijfde middel is niet gegrond. X-12.658-33/34 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.658-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.459 Gerelateerde publicatie(
  13. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.