← België

Arrest 209462 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.462 Rolnummer: A. 190571/X-13980 Zaak: Arrest 209462 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.462 van 2 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.462 van 2 december 2010 in de zaak A. 190.571/X-13.

  1. In zake : Norbert BAETSLÉ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Xavier D’Hulst en Michiel Deweirdt kantoor houdend te 8500 KORTRIJK Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 2 december 2008, strekt tot de nietigverklaring van het “Besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen van 2 oktober 2008 waarbij het beroep ingesteld namens verzoeker niet wordt ingewilligd, waarbij de stedenbouwkundige vergunning aldus wordt geweigerd strekkende tot de regularisatie van een houten afsluiting op een perceel gelegen te 9032 Wondelgem, Vrouwenstraat 81, en met als kadastrale omschrijving, 30e afdeling, Sectie C, nr. 314e en 314f”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-13.980-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
  4. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefaan Desrumaux, die loco advocaten Xavier D’Hulst en Michiel Deweirdt verschijnt voor de verzoekende partij, en jurist Johan Klokočka, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is eigenaar van een landhuis, gelegen aan de Vrouwenstraat 81 te Gent (Wondelgem), dat voorkomt op de inventaris van het bouwkundig erfgoed. De omliggende weiden bij dit landhuis werden door de verzoeker verkocht aan een promotor, die op 28 juni 2007 een verkavelingsvergunning heeft verkregen voor 84 kavels. Het landhuis met zijn aanhorigheden maakt geen deel uit van deze verkaveling. Naar aanleiding van het verlenen van deze verkavelingsvergunning heeft de verzoeker zijn eigendom afgesloten met een houten afsluiting met een lengte van 333 meter en een hoogte van 2,10 meter. 3.
  7. Het betrokken perceel is gelegen in het beheersingsgebied van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Gent”, definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 16 december X-13.980-2/12 2005, waarin het aangeduid staat op het verordenend grafisch plan nr. 2 - Deelproject Buntstraat, als stedelijk woongebied, waarvoor volgende stedenbouwkundige voorschriften gelden: “Verordenend grafisch plan 2 Deelproject Buntstraat (1B) Artikel 1: Stedelijk woongebied SW Het gebied is bestemd voor wonen, openbare groene en verharde ruimten en aan het wonen verwante voorzieningen. Onder aan het wonen verwante voorzieningen worden verstaan: handel, horeca, bedrijven, kantoren en diensten, openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, openbare groene en verharde ruimten, socio- culturele inrichtingen en recreatieve voorzieningen. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft verenigbaar zijn met de omgeving. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan: - de relatie met de in de omgeving aanwezige functies; - de invloed op de omgeving wat betreft het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers; - de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid; - de relatie met de in de omgeving van het woongebied vastgelegde bestemmingen. Bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning voor een project dat een terreinoppervlakte beslaat vanaf 2 ha en/of 50 woongelegenheden, wordt door de aanvrager een inrichtingsstudie bijgevoegd. De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied. De inrichtingsstudie geeft ook aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is binnen het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied. De inrichtingsstudie maakt deel uit van het dossier betreffende de aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundig attest en wordt als dusdanig meegestuurd naar de adviesverlenende instanties overeenkomstig de toepasselijke procedure voor de behandeling van deze aanvragen. Elke nieuwe vergunningsaanvraag kan hetzij een bestaande inrichtingsstudie bevatten, hetzij een aangepaste of nieuwe inrichtingsstudie. Hemel- en afvalwater worden gescheiden afgevoerd. Bij de aanleg van het terrein m(o)et het waterbergend vermogen van het gebied zo veel mogelijk worden behouden en het overstromingsrisico worden beperkt. Hemelwater moet maximaal kunnen infiltreren in de bodem”. X-13.980-3/12 3.
  8. Het perceel is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.
  9. Op 20 mei 2008 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van de genoemde afsluiting. 3.
  10. Op 23 juni 2008 brengt de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar een ongunstig advies uit, om reden dat de verkavelingsvoorschriften uitdrukkelijk vermelden dat afsluitingen in hout niet worden toegelaten en dat deze soort afsluiting afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteiten van deze waardevolle site. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent sluit zich bij dit advies aan en weigert vervolgens bij besluit van 10 juli 2008 de gevraagde vergunning. 3.
  11. Op 31 juli 2008 stelt de verzoeker beroep in tegen het voormelde weigeringsbesluit bij de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen. 3.
  12. Bij het thans bestreden besluit van 2 oktober 2008 willigt de deputatie het beroep van de verzoeker niet in en wordt de gevraagde stedenbouwkundige vergunning geweigerd om de redenen uiteengezet in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar waarin wordt voorgesteld het beroep niet in te willigen en dat in het bestreden besluit is overgenomen, en waarbij de deputatie zich aansluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel X-13.980-4/12
  13. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, “Doordat in de bestreden beslissing de Bestendige Deputatie zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan door de vergunning te weigeren omwille van strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening. Doordat de Bestendige Deputatie zich baseert op een onzorgvuldige feitenvinding. Doordat in de bestreden beslissing ook verwijzing wordt gemaakt naar de verkavelingsvoorschriften waarin het gebruik van houten panelen in de verkaveling verboden is. Doordat de bestreden beslissing desondanks oordeelt dat de vergunning dient te worden geweigerd. Terwijl art. 4 DRO bepaalt dat de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen en dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en dat op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. En terwijl opnieuw dient aangehaald te worden dat de percelen van verzoeker evenals de houten omheining geen deel uitmaken van de verkavelingsvergunning 2007 WO 134/00 dd. 28.06.2007, evenmin de perceelsgrens uitmaakt zodat de verkavelingsvoorschriften niet van toepassing zijn. En terwijl art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. b. toelichting
  14. Dat het weliswaar de Raad van State niet toekomt zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid, maar dat hij wel tot opdracht heeft aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt, correct heeft X-13.980-5/12 vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen. Dat de beslissing van de Bestendige Deputatie echter berust op een onzorgvuldige feitenvinding en tevens onvoldoende gemotiveerd is.
  15. Dat de Bestendige Deputatie stelt dat de ‘afsluiting om esthetische redenen niet kan worden toegestaan in dit overwegend open landschap waarin verder geen houten panelen voorkomen.’ Dat de Bestendige Deputatie zich baseert op een onzorgvuldige feitenvinding door te stellen dat een dergelijke omheining niet kan in dit ‘open landschap’. Dat dit geen correcte vaststelling der feiten is en dit terwijl uit de vaste rechtspraak van Uw Raad volgt dat de bevoegde overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid inzake de goede ruimtelijke ordening slechts op basis van correct beoordeelde feiten en met inachtname van het redelijkheidsbeginsel een beslissing over een regularisatieaanvraag kan nemen. Dat de Bestendige Deputatie volledig voorbijgaat aan het feit dat de omliggende terreinen verkaveld zijn in 84 loten. Dat de Bestendige Deputatie een verkeerd beeld schetst door voor te houden dat de eigendom van verzoeker gelegen is in een ‘open landschap’. Dat dit landgoed van verzoeker in de nabije toekomst omringd zal zijn door maar liefst 84 ééngezinswoningen. Dat dus binnenkort deze verkaveling zal volgebouwd zijn. (…) In die zin is de beoordeling van de Bestendige Deputatie niet correct. Dat zij aldus niet antwoordt op de motivatie van verzoeker in haar beroepschrift. Dat verzoeker duidelijk had aangegeven dat de verkaveling een groot verschil doet ontstaan met de vroegere situatie. De vroegere weiden worden nu volgebouwd, zodat er geen sprake meer zal zijn van een ‘open landschap’. Dat verzoeker juist omwille hiervan de omheining heeft gebouwd, aldus omwille van het esthetisch en sociaal karakter. Dat de Bestendige Deputatie niet in redelijkheid kon beslissen dat houten panelen niet kunnen toegestaan worden in dit ‘open landschap’. Dat de overheid niet kon beslissen dat de houten omheining strijdig is met de goede ruimtelijke ordening. Dat de bestreden beslissing aldus kennelijk onredelijk is. De houten afsluiting is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en past perfect (…) in dit nieuwe gebied.
  16. Dat de B(e)stendige Deputatie bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening opnieuw verwijst en toepassing maakt van de verkavelingsvoorschriften uit de vergunning nr. 2007 WO 134/
  17. Dat zij immers in overweging neemt dat ‘(...), integendeel, het gebruik van houten panelen als afsluiting is in deze verkaveling uitdrukkelijk verboden.’ Dat de overheid ten onrechte toepassing maakt van deze verkavelingsvoorschriften. X-13.980-6/12 De verkavelingsvoorschriften zijn niet van toepassing op de houten omheining van verzoeker, de overheid kan hier dan ook geen toepassing van maken, geenszins verwijzen naar deze voorschriften. Dat dit een schending uitmaakt van de verkavelingsvoorschriften, welke reeds uitvoerig werd beschreven in het eerste middel.
  18. De overheid heeft de verplichting de aanvraag te toetsen aan de eisen van de goede plaatselijke ordening en de vergunning te weigeren indien de ontworpen constructie kennelijk overdreven hinder zal veroorzaken voor de buren of omwonenden, waardoor de normale ongemakken tussen de buren overschreden zullen worden, of het evenwicht tussen de naburige erven op een ernstige wijze zal verbroken worden. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 4 van het decreet van 18 mei
  19. Ook het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel vereisen dat nagegaan wordt of een aanvraag in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. Hierbij moet immers nagegaan worden welke de impact zal zijn van het bouwwerk op de aangrenzende percelen. De toetsing van een bouwwerk aan de eisen van de goede plaatselijke aanleg impliceert noodzakelijk een afweging van de belangen van de aanpalende percelen, waarbij uiteraard aspecten als bescherming van de privacy in het gedrang komen. Door het plaatsen van een houten omheining heeft verzoeker een omheining geplaatst die op een kwalitatieve manier werd ingepast op het terrein en zijn nabije en ruime omgeving. De toekomstige buren zullen op die manier aan hun achterzijde een uitzicht hebben op deze natuurlijke houten omheining, maar behouden hun zicht op de mooie historische en landschappelijke site op de achtergrond en op een manier dat hun privacy wordt beschermd. Dat op die manier de goede nabuurschap kan gerespecteerd en behouden worden. Dat in het tegenovergestelde geval de wederzijdse inkijk een schending zou vormen op de privacy van éénieder en de grenzen van het goede nabuurschap manifest zouden worden overschreden. Dat deze houten omheining de bescherming van de privacy van de toekomstige inwoners beschermt en hun rechten vrijwaart. De bestreden beslissing heeft echter geen toetsing gemaakt aan de goede ruimtelijke ordening en meer bepaald heeft ze nagelaten de situatie van de onmiddellijke toekomstige buren in ogenschouw te nemen. De overheid heeft nagelaten de concrete situatie van de verkaveling in 84 loten van de omliggende terreinen in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Hierdoor schendt de bestreden beslissing zodoende de in huidig middel weerhouden wetsbepalingen en algemene beginselen. Dat de Bestendige Deputatie aldus ook niet geantwoord heeft op de opgeworpen argumentatie van verzoeker in haar beroepschrift. Dat de motiveringsverplichting tevens geschonden is. Kortom, uit niets blijkt dat de vergunningverlenende overheid de feiten correct heeft vastgesteld en ernstig (…) rekening heeft gehouden met artikel 4 DRO en het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel”. X-13.980-7/12 Beoordeling
  20. Artikel 4 DRO bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. De vereiste in voornoemde bepaling dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, impliceert niet dat deze diverse facetten daarom ook gelijkwaardig aan bod moeten komen bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. De vergunningverlenende overheid beschikt daarbij over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht beschikt de Raad van State hieromtrent slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid.
  21. Voor het gebied, waarin het betrokken bouwperceel is gelegen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Het maakt evenmin deel uit van een vergunde, niet vervallen verkaveling. In dat geval is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit het toentertijd geldende artikel 43, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en X-13.980-8/12 feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli
  22. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  23. Het bestreden besluit is, wat betreft de beoordeling van “de goede ruimtelijke ordening”, gemotiveerd als volgt: X-13.980-9/12 “De aanvraag heeft betrekking op een domein van ± 2,4 hectare groot waarop o.a. een historisch waardevol landhuis, paardenstallen en een dienstwoning staan. Dit domein werd langs 2 zijden (deze palend aan een nieuwe verkaveling op gronden die recent van het domein afgescheiden werden) afgesloten met een dicht scherm van houten panelen van 1,80 m op 1,80 m groot, bevestigd op betonnen plinten die ± 30 cm boven het maaiveld uitsteken. De ruimere omgeving bestaat uitsluitend uit residentiële verkavelingen met alleenstaande villa’s of bungalows, ten noorden bevindt zich een 100 m brede bufferzone die momenteel uit landbouwgrond bestaat. Houten panelen worden heden ten dage meer en meer gebruikt als (gedeeltelijke) afsluiting bij vooral kleine stadstuinen omdat zij in vergelijking met bijvoorbeeld levende hagen een aantal voordelen bieden: zij vragen minder onderhoud, de bescherming inzake privacy is er direct na de plaatsing, zij zijn smal waardoor weinig oppervlakte verloren gaat, …. De geprefabriceerde houten panelen hebben echter ook een groot nadeel: alhoewel zij bestaan uit een natuurlijk materiaal vormen zij qua uitzicht absoluut geen natuurlijke afsluiting, hun uitzicht is eerder grauw en desolaat. Om deze reden kunnen dergelijke panelen slechts in beperkte mate toegestaan worden, en mits zij zo weinig mogelijk zichtbaar zijn in het straatbeeld. In onderhavig geval heeft de afsluiting een totale aaneengesloten lengte van ± 333m. De afsluiting kan om esthetische redenen niet worden toegestaan in dit overwegend open landschap waarin verder geen houten panelen (dus ook niet in de omliggende villawijk) voorkomen. De afsluiting heeft geen enkele binding met de historische waarde van het landgoed, noch met ‘de concrete situatie op de onmiddellijke aanpalende percelen, zijnde de verschillende verkavelde loten’, zoals appellant beweert, integendeel, het gebruik van houten panelen als afsluiting is in deze verkaveling uitdrukkelijk verboden. Dat net op het resterende gedeelte van het deels verkavelde landgoed een houten afsluiting van maar liefst 333 m lang geplaatst werd is dan ook een aantasting van de rechten van de toekomstige bewoners van de verkaveling en van de goede plaatselijke ordening in het algemeen”.
  24. In de voormelde motivering wordt inderdaad, maar niet uitsluitend, verwezen naar het “overwegend open landschap”, waarbij in de betrokken context de ruimere omgeving wordt bedoeld die uitsluitend blijkt te bestaan uit residentiële verkavelingen met alleenstaande villa’s of bungalows, en een bufferzone met landbouwgebied, en “waarin verder geen houten panelen (dus ook niet in de omliggende villawijk) voorkomen”. Dit laatste wordt door de verzoeker niet betwist. Verder wordt er gewezen op de impact van de omvang van de afsluiting, met name 2,10 m hoog over een totale aaneengesloten lengte van circa 333 meter, alsook op het onnatuurlijke uitzicht ervan, en wordt ook rekening gehouden met het feit dat er geen enkele binding is met de historische X-13.980-10/12 waarde van het landgoed, zijnde een landhuis in Engelse stijl uit de jaren ’20 van de vorige eeuw, en dat het gebruik van houten panelen in de onmiddellijk aanpalende verkaveling uitdrukkelijk verboden is.
  25. Uit de motivering van de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening blijkt dat de verwijzing naar de verbodsbepaling in de verkavelingvergunning enkel slaat op de “onmiddellijke aanpalende percelen” en niet op het betrokken terrein zelf.
  26. In de mate de verzoeker nog betoogt dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op de in zijn beroepschrift opgeworpen argumentatie, dient te worden vastgesteld dat, wanneer de deputatie op grond van het toentertijd geldende artikel 53 van het gecoördineerde decreet over een administratief beroep uitspraak doet zij optreedt, niet als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Zij is er derhalve, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsplicht, niet toe gehouden alle in het beroepschrift aangevoerde argumenten te beantwoorden, maar kan volstaan met het aangeven van de redenen die haar beslissing verantwoorden.
  27. De omstandigheid dat de verzoeker een andere mening heeft omtrent de goede plaatselijke ordening doet aan het voorgaande geen afbreuk.
  28. In de memorie van wederantwoord voert de verzoeker nog bijkomend aan dat het ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Gent” het betrokken perceel heeft bestemd tot stedelijk woongebied, zodat er van een open landschap duidelijk geen sprake is, en dat de plaatsing van de omheining ook moet bekeken worden in de context van artikel 647 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat iedere eigenaar zijn erf mag afsluiten, en waarvan de bestaansreden is dat het recht op afsluiting de rust en veiligheid van de buren dient. Aldus geeft de verzoeker aan zijn middel een ruimere nieuwe grondslag. Het is om deze reden alleen reeds niet ontvankelijk.
  29. Het tweede middel wordt verworpen. X-13.980-11/12 B. Eerste middel
  30. Aangezien het weigeringsmotief, genomen uit de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, volstaat om de weigering van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te verantwoorden, kan de eventuele gegrondheid van het eerste middel, waarin de schending wordt aangevoerd van het overige weigeringsmotief, gesteund op de schending van de voorschriften van de verkavelingsvergunning van 28 juni 2007, niet tot de vernietiging leiden. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.980-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.