id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.499 Rolnummer: A. 187554/X-13699 Zaak: Arrest 209499 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:29 Fiche Arrest nr 209.499 van 3 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.499 van 3 december 2010 in de zaak A. 187.554/X-13.
- In zake :
- de n.v. ALAMA
- de n.v. IMMOBILIÈRE DE LA SAPINIÈRE
- Paula DE ROOVER
- John PEPERMANS
- Elly PEPERMANS
- Guy PEPERMANS
- Ghislaine THIRY
- Michel DE SMEDT
- Pierre DE SMEDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de gemeente KNOKKE-HEIST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 december 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke-Heist waarbij aan de n.v. Rodelco de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een zwembad op een perceel gelegen te Knokke-Heist, Windenvang, kadastraal bekend sectie F, nrs. 611 en
- X-13.699-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 189.781 van 26 januari 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jo Goethals, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-13.699-2/15 III. Feiten
- Op 4 april 2006 verkrijgt de aanvrager van de bestreden stedenbouwkundige vergunning de eigendom van een onroerend goed gelegen aan de Windenvang 8 te Knokke-Heist, kadastraal bekend sectie F, nrs. 611 en
- Het perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust gelegen in woongebied. Het is tevens gelegen binnen het gebied van het bijzonder plan van aanleg “K-12 Berkenlaan”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 18 december 1992 (hierna: het BPA), meer bepaald in een zone voor eengezinswoningen. De bestemmingsvoorschriften bij het BPA bepalen onder meer het volgende: “Zone 1: eengezinswoningenzone 1.
- Algemene bepalingen (…) - Volgende bestemmingscategori(e)ën kunnen in onderhavige zone van toepassing zijn: -W1: alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen - voor percelen tot maximaal 2.000m² - met een maximale terreinbezetting van 20 % - met een maximale bebouwde grondoppervlakte van 300m² -W2: alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen en dubbelwoonsten - voor percelen vanaf 2.000m² - met een maximale terreinbezetting van 15 % - met een maximale bebouwde grondoppervlakte van 450m² (…) -GB 3: tuinzone Onder “tuinzone” dient verstaan de niet grafisch aangeduide oppervlakte van het perceel welke overblijft na aftrek van de bebouwde oppervlakte (bovengrondse); - deze tuinzone is hoofdzakelijk bestemd voor een degelijk onderhouden groenaanleg onder vorm van grasperken, hoog- en laagstammige beplantingen - maximaal 30 % van de oppervlakte van deze zone mag verhard worden - toegangstrappen dienen aangelegd in de natuurlijke glooiing van het terrein - binnen deze zone is openluchtrecreatie toegelaten zoals: open zwembad, tennisterrein enz., dit binnen de perken van de toegelaten 30 %. X-13.699-3/15 (…) -GB 14: aanvullende algemene bepalingen 1) samenvoeging van percelen is toegelaten 2) splitsing van percelen is toegelaten onder voorwaarde dat de oppervlakte van elk van de te vormen kavels niet minder dan 1200m² bedraagt 3) voor nieuw te verkavelen achterliggende percelen die door middel van een private weg worden ontsloten, vervalt de minimum-kavelbreedte van 20 m, maar geldt dan een minimum-kaveloppervlakte van 2.000 m² (…)”. Op 15 januari 2008 verschijnt in het Belgisch Staatsblad het bericht dat de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit van 29 november 2007 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Wijk Berkenlaan” van de gemeente Knokke-Heist (hierna: het GRUP) heeft goedgekeurd. Dit GRUP voorziet in de actualisatie van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA en houdt onder meer in dat het splitsen van percelen in functie van het creëren van meerdere woongelegenheden niet meer wordt toegelaten.
- Op 27 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke-Heist aan de aanvrager van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een voorwaardelijke verkavelingsvergunning voor het verkavelen van zijn grond in twee loten. De stedenbouwkundige voorschriften bij deze verkavelingsvergunning bepalen onder meer het volgende: “1) Algemene bepalingen 1.1) bestemming Alleenstaande ééngezinswoningen met een maximale terreinbezetting van 20% en met een maximale bebouwde grondoppervlakte van 300 m² (…) 1.3) tuinzone Onder “tuinzone” dient verstaan de oppervlakte van het perceel welke overblijft na aftrek van de bebouwde oppervlakte (bovengrondse); Deze tuinzone is hoofdzakelijk bestemd voor een degelijk onderhouden groenaanleg onder vorm van grasperken, hoog- en laagstammige beplantingen. Het aantal te rooien hoogstam(m)ige bomen bij de bouw van de woningen dient zo beperkt mogelijk te blijven. Voor iedere boom die gerooid wordt dient minstens één nieuwe hoogstammige boom aangeplant te worden. Het bestaande reliëf dient behouden te blijven. Maximaal 30 % van de oppervlakte van deze zone mag verhard worden. X-13.699-4/15 Toegangstrappen dienen aangelegd in de natuurlijke glooiing van het terrein. Binnen deze zone is openluchtrecreatie toegelaten zoals: open zwembad, tennisterrein, enz., dit binnen de perken van de toegelaten 30 %”.
- Op 19 januari 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke-Heist aan de aanvrager van de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van twee villa’s, op te richten op de twee voormelde loten, na afbraak van de bestaande woning.
- Op 29 juni 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient B. Roemaet in naam van de n.v. Rodelco bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke-Heist een stedenbouwkundige aanvraag in voor het aanleggen van een zwembad met een oppervlakte van 67.16 m² bij de villa op lot 2 van de op 27 oktober 2006 vergunde verkaveling.
- Bij aangetekend schrijven van 30 juli 2007 dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in tegen de betrokken stedenbouwkundige aanvraag. Het college van burgemeester en schepenen oordeelt dat het bezwaar niet ontvankelijk is omdat over de aanvraag geen openbaar onderzoek is gehouden en dat zij niet bevoegd is om gevolg te geven aan de opmerkingen van de verzoekende partijen.
- Op 28 augustus 2007 laat het agentschap voor Natuur en Bos aan het college van burgemeester en schepenen weten “geen principiële bezwaren” te hebben tegen de bouw van het zwembad. Op 2 oktober 2007 laat ook het agentschap RO Vlaanderen weten dat het “geen bezwaren (heeft) tegen de voorgestelde aanleg van een zwembad”.
- Bij het bestreden besluit van 20 december 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke-Heist de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd: X-13.699-5/15 “De aanvraag omvat het bouwen van een openluchtzwembad van 67m² in de achtertuinstrook. Ingevolge Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 mei 2004 volstaat voor de aanvraag een eenvoudig dossier, (art 2, 4° f: het aanleggen of wijzigen van een zwembad met een totale oppervlakte van maximum 150m² in de openlucht, op minstens 2 meter afstand van de perceelsgrenzen en gebouwen). Het dossier is volledig. De aanvraag is in overeenstemming met de goedgekeurde verkaveling, die in de tuinzone een openluchtzwembad toelaat mits de oppervlakte ervan niet groter is dan 30 % van de betrokken zone, wat het geval is (zie de bijgevoegde berekening: 13,58 %). Voor het overige doet de aanvraag geen afbreuk aan de regels van de goede ruimtelijke ordening, zoals die zijn vastgelegd in voormeld bijzonder plan van aanleg en verkavelingsvergunning. Gelet op het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 28 augustus 2007 (…), dat geen principiële bezwaren naar voor brengt. Aan de bestaande vergunde toestand van de verharding in de voortuinstrook, die overigens niet het voorwerp van de aanvraag is, wordt niets gewijzigd. Gelet op het gunstig advies van het Agentschap R.O. West-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, dd. 2 oktober 2007 (…), dat evenmin bezwaren heeft naar voor gebracht. (…)”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de bestemmingsvoorschriften voor eengezinswoningen in het BPA, van de materiële motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens wordt machtsafwending aangevoerd. In een eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het toepasselijke BPA een maximale terreinbezetting van 20 % van het perceel toelaat en dat de betrokken aanvraag een terreinbezetting van 29,04 % tot gevolg heeft. Overigens is ook de voorafgaande stedenbouwkundige vergunning voor de af te breken villa op hetzelfde perceel in strijd met de bestemmingsvoorschriften inzake de terreinbezetting, aangezien het gebouw en X-13.699-6/15 de verhardingen in de voortuin 23,45 % van het perceel bezetten. Bovendien voorziet ook het recente GRUP in een maximale terreinbezetting van 20 % van de oppervlakte, zodat de gevraagde vergunning zowel in strijd is met het BPA als met het GRUP. De ligging van het betrokken perceel in het gebied van een verkavelingsvergunning ontslaat de vergunningverlenende overheid niet van haar plicht om de stedenbouwkundige aanvraag te toetsen aan de van kracht zijnde bepalingen van het BPA en het GRUP. In een tweede middelonderdeel argumenteren de verzoekende partijen dat de betrokken aanvraag niet werd getoetst aan de voorschriften van het BPA inzake de maximale terreinbezetting, terwijl zij daarover een bezwaar hadden ingediend, waarnaar ook in het advies van het agentschap voor Natuur en Bos wordt verwezen. Voorts is de overweging in het bestreden besluit dat de aanvraag in overeenstemming zou zijn met het toepasselijke BPA, feitelijk onjuist en onaanvaardbaar. In een derde middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat naar aanleiding van de stedenbouwkundige vergunning van 19 januari 2007 voor het bouwen van onder meer de nieuwe villa op het betrokken perceel, de initiële aanvraag moest worden aangepast wegens onduidelijkheid over de oppervlaktes, de verhardingen en de terreinbezetting en wegens foutieve berekeningen van de bebouwde oppervlakte door de architect. Ook na de aanpassing van de oorspronkelijke plannen werd de maximale terreinbezetting overschreden. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de villa op het betrokken perceel werd vergund. Voorts is het merkwaardig dat de bebouwde en onbebouwde oppervlakten in het betrokken aanvraagdossier verschillen van de oppervlakten uit eerdere berekeningen, terwijl de plannen dezelfde zijn. Het is eveneens merkwaardig dat de betrokken aanvraag niet voorziet in terrassen bij of toegangspaden naar het zwembad. De verwerende partij had daarover toelichting moeten vragen. Het plan voorziet in een boordsteen met een breedte van 30 cm, wat bijzonder smal is voor een zwembad met een oppervlakte van 65m². Nochtans wordt op de verkoopaffiches een zwembad afgebeeld met een ruime verharding rondom. Ten slotte is er slechts een week verlopen tussen de afgifte van het ontvangstbewijs van de gewijzigde vergunningsaanvraag en de vergunningsbeslissing, zodat het onderzoek over de aanvraag wellicht zeer summier en alleszins onvoldoende is geweest en betreft de aanvraag een X-13.699-7/15 regularisatievergunning. Uit dit alles blijkt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het bestreden besluit is bijgevolg genomen met machtsafwending, vermits een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor een aanvraag die manifest niet vergunbaar is. Beoordeling
- Wat het eerste middelonderdeel betreft, blijkt dat het perceel waarvoor de bestreden vergunning werd verleend, gelegen is in het gebied van een vergunde verkaveling. Aangezien de betrokken verkavelingsvergunning niet binnen de beroepstermijn met een annulatieberoep werd bestreden, is zij definitief geworden. Wanneer het voorwerp van een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning gelegen is in het gebied van een vergunde verkaveling, volstaat het na te gaan of de stedenbouwkundige aanvraag voldoet aan de voorschriften van die verkaveling en is de toetsing van de aanvraag aan de voorschriften van het BPA of het GRUP niet relevant. In zoverre in het middelonderdeel de schending van de voorschriften van het BPA of het GRUP wordt aangevoerd, kan het derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden, nog afgezien van de vraag of de vergunningverlenende overheid rekening moest houden met het - op het tijdstip van het nemen van het bestreden besluit - toekomstige GRUP. In het tweede middelonderdeel argumenteren de verzoekende partijen in wezen dat de aanvraag niet werd getoetst aan de voorschriften van het BPA en niet in overeenstemming is met de voorschriften van het voormelde BPA. Om de zo-even uiteengezette reden bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel, kan het tweede middelonderdeel evenmin tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Wat betreft het derde middelonderdeel zijn noch de opmerkingen die worden gemaakt over het “onbegrijpelijke” karakter van de bestreden vergunning, noch de beweringen dat het “merkwaardig” is dat de berekeningen van de oppervlaktes verschillen en dat op de plannen geen terrassen, toegangspaden of bredere boorden aan het zwembad voorkomen, van X-13.699-8/15 aard om te besluiten tot een onzorgvuldige handelwijze van of beoordeling door de vergunningverlenende overheid. In de uiteenzetting van het middel komen de verzoekende partijen niet verder dan het formuleren van beweringen en veronderstellingen. Zij brengen geen concrete gegevens bij ter staving van de door hen aangevoerde machtsafwending, met name dat het college van burgemeester en schepenen zijn bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening uitsluitend zou hebben gebruikt ter verwezenlijking van een ander doel dan datgene waarvoor hem deze bevoegdheid door de wet is toegewezen, in casu de vrijwaring in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening. Aangezien de uiteenzetting feitelijke grondslag mist, is er geen reden om de zaak met toepassing van artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verwijzen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2, 1° van het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering betreffende de adviesverlening inzake aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, van artikel 3, § 3, 7° van het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen (hierna: het besluit over het openbaar onderzoek van aanvragen) en van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). In een eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat, aangezien de bestreden beslissing betrekking heeft op een perceel dat paalt aan een beschermd monument, met name de villa “Tregenna Hall”, en aangezien de aanvraag in het gezichtsveld van het monument gelegen is, ten onrechte geen advies werd gevraagd aan de afdeling Onroerend Erfgoed. Voorts is de aanvraag niet in overeenstemming met de bepalingen van het BPA, zodat een openbaar onderzoek over de aanvraag vereist was. De algemene regel in het besluit over X-13.699-9/15 het openbaar onderzoek van aanvragen, die voorschrijft dat voor een aanvraag met betrekking tot een perceel gelegen in het gebied van een BPA, een GRUP of een niet-vervallen verkavelingsvergunning en die in overeenstemming is met de bepalingen ervan, geen openbaar onderzoek is vereist, is ondergeschikt aan de bijzondere bepaling in hetzelfde besluit die een openbaar onderzoek vereist voor aanvragen die betrekking hebben op werken, handelingen en wijzigingen aan of palend aan een beschermd monument. In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat uit de doelstellingen van het BPA en het vervangende GRUP blijkt dat de goede ruimtelijke ordening in het betrokken gebied inhoudt dat op duurzame wijze moet worden gestreefd naar het verder behoud van ruime groene percelen met een beperkte verhardingsgraad. De verkaveling van het betrokken perceel in twee kleinere kavels, waarbij het grootste gedeelte van de bomen wordt gerooid en het betrokken perceel in ruime mate zal worden verhard door de aanleg van het gevraagde zwembad op basis van onduidelijke en waarschijnlijk onjuiste gegevens, strijdt manifest met de gemeentelijke visie op een duurzame, kwaliteitsvolle ruimtelijke ordening. Doordat de gerooide bomen gelegen waren aan de zijde van de “Tregenna Hall” en de nieuwe aanplanting elders wordt voorzien, wordt bovendien het aanzien en de omgeving van het beschermde monument wezenlijk aangetast. Beoordeling
- Uit het bestreden besluit en uit de gegevens van het dossier blijkt dat de afdeling Onroerend Erfgoed van het agentschap Ruimtelijke Ordening West-Vlaanderen op 2 oktober 2007 een gunstig advies heeft gegeven over de betrokken aanvraag. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden besluit een advies van “de bevoegde entiteit van het agentschap RO- Vlaanderen” ontbeert, mist het middel derhalve feitelijke grondslag.
- De gevallen waarin een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning aan een openbaar onderzoek dient te worden onderworpen, worden bepaald in artikel 3, § 3 van het besluit over het openbaar onderzoek van aanvragen. X-13.699-10/15 Als algemene uitzondering op de in deze bepaling opgelegde verplichting wordt in artikel 3, § 2 van hetzelfde besluit bepaald dat een openbaar onderzoek niet is vereist indien voor het gebied waarin het perceel is gelegen een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg of een niet-vervallen verkaveling bestaat en de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in overeenstemming is met de bepalingen ervan. De verzoekende partijen betogen dat de betrokken aanvraag aan een openbaar onderzoek onderworpen moest worden omwille van de strijdigheid van de aanvraag met het BPA. Uit de beoordeling van het eerste middel is evenwel gebleken dat de aanvraag te dezen enkel moest worden getoetst aan de voorschriften van de verkavelingsvergunning. In zoverre de verzoekende partijen de schending van de verplichting tot het houden van een openbaar onderzoek verbinden aan de schending van het BPA, kan het middelonderdeel dan ook niet worden aangenomen. Het eerste middelonderdeel kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden.
- In het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het bestreden besluit indruist tegen de goede ruimtelijke ordening, waarvan de beginselen zouden zijn vastgelegd in het BPA en in het vervangende GRUP. De verzoekende partijen gaan evenwel voorbij aan het gegeven dat het betrokken perceel is gelegen in het gebied van een verkaveling. In dat geval volstaat het, voor de beoordeling en de motivering van de overeenstemming van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning met de goede ruimtelijke ordening, dat de aanvraag wordt getoetst aan de voorschriften van de verkavelingsvergunning en dat naar de verenigbaarheid met die voorschriften wordt verwezen. Voorts toont de bewering van de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing “om een groot zwembad, op basis van onduidelijk en waarschijnlijk onjuiste gegevens m.b.t. de aan te leggen verharding” te vergunnen, niet aan dat de goede ruimtelijke ordening manifest wordt geschonden. Voor het overige is de kritiek van de verzoekende partijen vooral gericht tegen de verkavelingsvergunning en tegen de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de villa, die niet het voorwerp uitmaken van het annulatieberoep. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. X-13.699-11/15
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 101 DRO, van de materiële motiveringsverplichting en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. De verzoekende partijen betwisten de wettigheid van de verkavelingsvergunning die van kracht is voor het gebied waarin het betrokken perceel is gelegen. Het BPA bepaalt immers dat voor nieuw te verkavelen achterliggende percelen die door middel van een private weg worden ontsloten, de minimale kaveloppervlakte 2.000m² moet bedragen. Het private karakter van de betrokken weg blijkt uit de eigendomsaktes met betrekking tot de percelen die er gelegen zijn en waarin een erfdienstbaarheid van doorgang wordt voorzien, ter ontsluiting van het betrokken gebied. Bijgevolg moet te dezen elke kavel minstens 2.000m² groot zijn om te kunnen worden vergund. De betrokken kavels hebben een oppervlakte van 1.200m² en 1.246m². Bijgevolg strijdt de verkavelingsvergunning met de bepaling van het voormelde BPA ter zake. Het is bevreemdend dat de betrokken verkavelingsvergunning niet werd getoetst aan de bepalingen van het BPA, temeer daar het beleid erop is gericht om verdere splitsing van de kavels te vermijden. Voorts werd over deze vergunning geen openbaar onderzoek gehouden, en werd geen advies gevraagd aan de afdeling Onroerend Erfgoed. Hieruit volgt dat de verkavelingsvergunning manifest onwettig is en dat de vergunningverlenende overheid er ten onrechte is van uitgegaan dat het betrokken perceel in een behoorlijk vergunde verkaveling is gelegen. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 159 van de Grondwet ook van toepassing is op individuele administratieve handelingen en dat het te allen tijde kan worden aangevoerd. De vaste rechtspraak ter zake van de Raad van State is onjuist of ten minste voor ernstige kritiek vatbaar. De toepasbaarheid van artikel 159 van de Grondwet beperken, gaat immers in tegen de tekst en de wil van de grondwetgever. Indien artikel 159 X-13.699-12/15 van de Grondwet zodanig wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op individuele administratieve rechtshandelingen, houdt het een schending in van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de rechtzoekende een andere rechtsbescherming geniet naargelang het al dan niet individueel en rechtenverlenend karakter van de onregelmatige overheidsbeslissing. Dit onderscheid wordt niet gemaakt in de aangehaalde bepaling en is niet duidelijk en objectief, noch redelijk te verantwoorden. De wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan kan immers wel met een exceptie van onwettigheid worden betwist, terwijl een ruimtelijk uitvoeringsplan toch dermate gedetailleerd kan zijn dat de vergunningverlenende overheid, net als bij een verkavelingsvergunning, nog slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. Daarnaast kan het rechtszekerheidsbeginsel niet worden ingeroepen tegen een grondwettelijk voorschrift. Bovendien kan de wettigheid van een verkavelingsvergunning steeds in vraag worden gesteld langs burgerrechtelijke en strafrechtelijke weg, zodat de niet-toepassing van artikel 159 van de Grondwet te dezen niet dienstig is voor de rechtszekerheid. De verzoekende partijen vragen om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt het beginsel van de rechtszekerheid in zoverre het wordt ingeroepen om art. 159 van de Grondwet niet toe te passen op onwettige algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen die individuele rechten verlenen, het artikel 159 Grondwet (sic) alsook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”? In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen dat de onwettigheid van een individuele, rechtsverlenende administratieve handeling steeds moet kunnen worden opgeworpen om het verlenen van bijkomende onwettige subjectieve rechten, die hun grondslag hebben in een onwettige vergunning, tegen te gaan, aangezien een verdere uitbreiding van een onwettige toestand strijdt met het rechtszekerheidsbeginsel. Beoordeling
- In zoverre de verzoekende partijen de exceptie van onwettigheid tegen de verkavelingsvergunning aanvoeren, is het middel niet X-13.699-13/15 ontvankelijk, aangezien een verkavelingsvergunning een akte is met een individueel karakter. Het inroepen van de exceptie van onwettigheid tegen een dergelijke constitutieve akte, die rechten toekent en die definitief is geworden, druist in tegen het rechtszekerheidsbeginsel en strijdt met het beginsel van de eerbiediging van verworven rechten Verder tonen de verzoekende partijen niet concreet aan op welke wijze het toentertijd geldende artikel 101 DRO geschonden zou zijn. Evenmin maken zij concreet aannemelijk dat de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet geschonden zouden zijn. Voor wat betreft de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag, is het Grondwettelijk Hof slechts bevoegd om bij wijze van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over wetten, decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels. Het Hof is bijgevolg niet bevoegd om uitspraak te doen over “het beginsel van de rechtszekerheid”. Er bestaat geen grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die niet tot zijn bevoegdheid behoort. Er kan dan ook niet worden ingegaan op het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Het derde middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 3.150 euro, elk voor een negende. X-13.699-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.699-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.499 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div