id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.503 Rolnummer: A. 186634/X-13604 Zaak: Arrest 209503 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.503 van 6 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.503 van 6 december 2010 in de zaak A. 186.634/X-13.
- In zake : Brand PERNEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroom Beernaert kantoor houdend te 8800 ROESELARE Hugo Verrieststraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Defreyne kantoor houdende te 8870 IZEGEM Gentsestraat 25 tegen : de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 november 2007 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 27 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lichtervelde waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van 42 appartementen en 2 woningen gelegen te Lichtervelde/Statiestraat 96-98, Dr. Roelenslaan, kadastraal bekend sectie F, nrs. 585/E, 585/T, 586/G/2, 587/E/2, 587/M/2 en 587/N/
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.604-1/14 Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jeroom Beernaert en Peter Defreyne verschijnen voor de verzoeker, en Pieter Dewulf, adjunct-adviseur, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 13 oktober 2003 levert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lichtervelde aan de verzoeker een voorwaardelijk gunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 af voor het realiseren van een wooninbreidingsproject waarbij tevens een bestaande verkaveling wordt gewijzigd voor de loten 13, 14 en
- Op 31 oktober 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen de wijziging van de verkavelingsvergunning, die de uitsluiting van de loten 13, 14, en een deel van lot 15 uit de verkaveling beoogt, naar aanleiding van een toekomstig inbreidingsproject, palend aan de verkaveling. X-13.604-2/14 Op 20 januari 2006 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning tot wijziging van de verkaveling.
- Op 12 juni 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lichtervelde een stedenbouwkundige aanvraag in voor het bouwen van 42 appartementen en 2 woningen op een perceel gelegen aan de Statiestraat 96-98 - Dr. Roelenslaan te Lichtervelde, kadastraal bekend sectie F, nrs. nrs. 585/E, 585/T, 586/G/2, 587/E/2, 587/M/2 en 587/N/
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, is het perceel gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Naar aanleiding van de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden geuit, worden in de oorspronkelijke plannen enkele aanpassingen doorgevoerd aan de toegangsweg. Van 15 november 2006 tot 15 december 2006 wordt een openbaar onderzoek gehouden over het aangepaste ontwerp. Er worden twee bezwaarschriften ingediend die betrekking hebben op de hoogte en de omvang van de constructie, de schending van de privacy, de inkijk in naburige woningen, de inplanting van de constructie op de perceelgrens met de zijbuur en de dakterrassen.
- Op 27 maart 2007 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag.
- Op 27 april 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lichtervelde de gevraagde vergunning met verwijzing naar het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar. X-13.604-3/14
- Op 31 mei 2007 stelt de verzoeker bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college.
- Op 11 oktober 2007 wordt een plaatsbezoek uitgevoerd.
- Op 23 oktober 2007 wordt een hoorzitting gehouden.
- Bij het bestreden besluit van 8 november 2007 verwerpt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep van de verzoeker en weigert ze de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Het bestreden besluit luidt onder meer als volgt: “b. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De aanleg van het binnengebied is aanvaardbaar, waarbij alsnog de vraag gesteld kan worden of de acht parkeerplaatsen op het binnengebied niet beter vervangen worden door groenaanleg. Gezien de stedelijke en achterliggende parking, is dit misschien toch mogelijk, evenwel niet aangewezen. Wat goed is in dit ontwerp, is de gebundelde toegang voor mechanisch verkeer via de Dr. Roelenslaan, waarbij bouwblok 3 op eigen terrein een buffer vormt met de nog te bouwen woningen rechts van het perceel hier. Wel dient opgemerkt dat de inrit voor meer dan 40 wagens, naast de bestaande linkerbuur, niet evident is. Het aantal parkeerplaatsen, 43 voor 42 appartementen, volstaat niet. De beleidsvisie van het schepencollege wordt in zijn voorafgaand advies omschreven, stellende dat het aantal stalplaatsen onvoldoende is en een verhouding van 1,25 parkeerplaatsen per appartement nagestreefd moet worden. Bouwblok 1 dient een voortzetting te zijn van de bestaande straatgevel. Het plaatselijk afbouwen volstaat niet. Achteraan worden vier lagen voorzien, wat een te veel is, gezien het beperktere volume van de buur en de aanwezigheid van zijn tuin. De zichten vanuit de westgevel en vanop de terrassen aan de achtergevel zijn storend voor de linkerbuur. (…). Bouwblok 2, in tweede bouwdiepte, overschrijdt de draagkracht van het binnengebied. De derde bouwlaag, slechts 120cm achteruitspringend, is niet aanvaardbaar parallel met, op 12,15 m afstand van een private tuin. Daar waar in het stedenbouwkundig attest van een bouwblok met 6 woongelegenheden gesproken werd, worden er nu zo maar eventjes 15 voorzien. Dit is teveel op deze plaats in tweede bouwdiepte, met achter en naastliggende tuinen. Het is sowieso niet evident dat in tweede bouwdiepte gebouwd wordt, het woord inbreidingsproject mag geen aanleiding geven tot situaties die ruimtelijk niet goed zijn. Het zicht vanop de terrassen van de tweede verdieping in de naastliggende tuin is niet aanvaardbaar. X-13.604-4/14 Bouwblok 3 tenslotte is qua diepte en breedte, ook zoals boven gesteld in functie van een treffelijke toegang naar de ondergrondse parking, goed ontworpen. Opmerkelijk hier is wel het gegeven dat de verkavelingsvoorschriften van de toekomstige buren, rechts in de Dr. Roelenslaan dus, slechts twee bouwlagen toelaten, met een maximale bouwdiepte van 10m. Huidig project realiseert een derde bouwlaag in de achtergevel, en een bouwdiepte, inclusief terrassen, van 13,5 m. Door geen rekening te houden met de voorschriften van het naburige perceel zal het niet mogelijk zijn in de toekomst een harmonieuze overgang te voorzien. Dit is niet aanvaardbaar. Het voorstel is derhalve niet passend in zijn omgeving en niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening. c. Conclusie In principe is de site vol potenties en biedt ze mogelijkheden, zoals het voorzien van een gemeenschappelijk binnengebied, het inrijden van een ruime ondergrondse parking via de Dr. Roelenslaan en het toegankelijk maken van het terrein langs twee zijden. Dit is een mooi project, ook de architectuur is zeer aanvaardbaar, met langwerpige openingen en verspringende terrassen, met alu-ramen en passende kleuren. Het project is evenwel veel en veel te groot, het sluit niet aan bij de te verwachten bebouwing in de naastliggende verkaveling, het creëert hinderlijke zichten op de tuin van de linkerbuur. Het ontwerp wijkt in grote mate af van afspraken zoals in 2003 gemaakt in het stedenbouwkundige attest nummer 2, dat evenwichtig en grondig gedetailleerd was. Zo ook weigering in eerste aanleg. Het betreft een complex met drie bouwblokken. Geen van de drie voorgestelde volumes is passend in de plaatselijke aanleg, zoals boven beschreven. Het is in geen geval aangewezen de vergunning te verlenen, spijts de potentierijke site. Een nieuwe aanvraag is aangewezen. Hierbij kan verwezen worden naar de basisvisie die vervat zat in het stedenbouwkundige attest nr. 2 dd. 23.09.03 en in de aanvullende motiveringen nadien. Overleg met de gemeentelijke diensten is aangewezen, om huidige bezwaren weg te werken en het project een aantal verantwoorde mogelijkheden te bieden”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: X-13.604-5/14 DRO). Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat ook de schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel wordt aangevoerd. Wat betreft de schending van de motiveringswet stelt de verzoeker dat in de eigenlijke motivering van het bestreden besluit niet wordt geantwoord op de argumenten in beroep en dat niet-relevante motieven worden vermeld. Daaruit leidt hij een inbreuk op het onpartijdigheidsbeginsel af. In de aanpalende verkaveling is nog geen bebouwing aanwezig, zodat het bestreden besluit de gevraagde vergunning afhankelijk stelt van een toekomstige gebeurtenis. In zoverre het project enerzijds “totaal onaanvaardbaar” wordt geacht en anderzijds als “zeer aanvaardbaar” wordt bestempeld, is het bestreden besluit intern tegenstrijdig. Het weigeringsmotief dat steunt op de voorschriften van het naburige perceel legt hem verplichtingen op die hem vreemd zijn en waartegen hij geen bezwaren heeft kunnen inbrengen. Aangaande de schending van artikel 4 DRO bekritiseert de verzoeker het gegeven dat het bestreden besluit krampachtig vasthoudt aan de bewoordingen van het afgeleverde stedenbouwkundig attest nr. 2, terwijl een afwijking van dat attest strikt beschouwd geen juridische belemmering vormt. Het bestreden besluit beschouwt de afwijking met betrekking tot de ondergrondse garage als belangrijk omdat de draagkracht van het binnengebied mogelijks zou worden overschreden en omdat een inrit van meer dan 40 wagens naast de bestaande buur “niet evident” is. Het bestreden besluit hanteert daarmee een te subjectieve beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en weigert de gevraagde vergunning op grond van veronderstellingen, aangezien de aangehaalde motieven niet zeker en vaststaand zijn. Het bestreden besluit schendt het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel die een gunstige beoordeling van de goede ruimtelijke ordening toelaten. De aanvraag beoogt immers een gezonde sociale mix van algemeen belang en algemeen nut en ligt volkomen in de lijn van de omzendbrief RO/2002/
- Het bestreden besluit gaat voorbij aan de behoeften van de huidige en toekomstige generaties, waarin de aanvraag juist voorziet. In het oordeel dat het bouwblok in de Statiestraat te groot zou zijn, werd geen rekening gehouden met de gewenning na verloop van tijd aan iets nieuws. Overigens stemt de kroonlijsthoogte van het blok overeen met de bestaande kroonlijsthoogtes van de bebouwing in de straat. De overweging in het bestreden besluit dat de tweede X-13.604-6/14 bouwdiepte van het tweede bouwblok de draagkracht van het binnengebied overschrijdt, is tegenstrijdig met het gegeven dat het binnengebied wel aanvaardbaar wordt geacht. Voorts wordt voorbijgegaan aan de overeenkomst die met de linkerbuur werd bereikt en aan de brief van die buur waarin een oplossing voor het probleem van de schending van de privacy werd aangereikt, alsook aan de rekenkundige verantwoording waaruit blijkt dat zijn stedenbouwkundig project geen onaanvaardbare burenhinder met zich meebrengt. Het algemeen belang van het project mag niet op onredelijke wijze in het gedrang worden gebracht door het individueel belang. In zijn laatste memorie betoogt de verzoeker nog dat sinds de neerlegging van zijn verzoekschrift een duidelijke evolutie in het wonen heeft plaatsgevonden. Hij betwist de juistheid van de feitelijke gegevens waarvan de vergunningverlenende overheid is uitgegaan bij de beoordeling van zijn aanvraag en toetst ze vervolgens aan verschillende bepalingen van de beleidsverklaring van de Vlaamse regering van 13 juli 2009, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van het woonzorgdecreet van 13 maart
- Het betoog van de verzoeker komt er in wezen op neer dat zijn project een betaalbaar en uitvoerbaar alternatief inhoudt voor zorgwonen voor ouderen en voor personen met een handicap. Het project is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving, onder meer voor wat betreft de functionele inpasbaarheid, het ruimtegebruik, de mobiliteit, de visuele aspecten, de hinderaspecten, het gebruiksgenot en de veiligheid. Voorts is het project in overeenstemming met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en verklaart de verzoeker bereid te zijn te onderhandelen over een groep van assistentiewoningen. Ten slotte geeft hij een omstandige uiteenzetting over de historiek van de stedenbouwkundige relaties met zijn buren en met de vergunningverlenende overheden, met het oog op een correcte beoordeling van de feitelijke gegevens. Beoordeling
- Gelet op het suppletoir karakter van de motiveringswet, wordt de schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd X-13.604-7/14 geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), dat aan de deputatie, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de eerstgenoemde wet. Voorts is de verwerende partij, als orgaan van het actief bestuur, niet verplicht op alle argumenten van de verzoeker te antwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende, redenen die beslissing is verantwoord. De beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening moet in concreto gebeuren en moet in de eerste plaats rekening houden met de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving. Die kenmerken zijn voornamelijk afhankelijk van de aard, het gebruik en de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten. De Raad van State mag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten stedenbouwkundige beslissing is hij enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid bij het nemen van die beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond ervan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen.
- Het betoog van de verzoeker bestaat veeleer uit opportuniteitskritiek waarin zijn eigen beoordeling van de goede ruimtelijke ordening als toetsingsmaatstaf voor het bestreden besluit wordt gehanteerd. Hij toont niet aan dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, dat zij die gegevens niet correct heeft beoordeeld of dat zij kennelijk onredelijk tot haar besluit is gekomen. De overige bekritiseerde overwegingen worden door de verzoeker telkens op zichzelf, en dus los van de context, gelezen. Een bestreden beslissing dient evenwel als één geheel gelezen te worden en niet als van elkaar losstaande zinnen. X-13.604-8/14 Anders dan de verzoeker voorhoudt, is de overweging dat het een “mooi project” betreft waarvan de architectuur “zeer aanvaardbaar” is, niet tegenstrijdig met de overweging dat “geen van de drie voorgestelde volumes (…) passend (is) in de plaatselijke aanleg”. Uit de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening blijkt immers duidelijk waarom het betrokken project niet als passend in de omgeving en niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening wordt beschouwd. Evenmin zijn de overwegingen dat “de aanleg van het binnengebied (…) aanvaardbaar (is)” en dat “bouwblok 2, in tweede bouwdiepte, (…) de draagkracht van het binnengebied (overschrijdt)” tegenstrijdig. De principiële instemming met de aanleg van een binnengebied impliceert immers niet dat de verenigbaarheid van een stedenbouwkundig project met de goede ruimtelijke ordening niet meer moet worden beoordeeld. De overweging dat de afwijking op het stedenbouwkundig attest nr. 2 “strikt gezien geen juridische belemmering (vormt), (…) (maar) wel een eerste indicatie (is) die aangeeft dat de draagkracht mogelijks overschreden wordt”, is, in tegenstelling tot wat de verzoeker betoogt, geen loutere “probabiliteit”, aangezien die overweging onmiddellijk gevolgd wordt door de woorden “zoals verder omschreven” en uit de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening blijkt waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de ruimtelijke draagkracht te dezen wordt overschreden. Daargelaten de vraag of het de vergunningverlenende overheid toekwam de toelaatbaarheid van bouwblok 3 te beoordelen in het licht van de verkavelingsvoorschriften voor het naburige perceel, moet worden vastgesteld dat de verzoeker geen kritiek levert op de juistheid van de feitelijke gegevens bij de beoordeling van de bouwblokken 1 en
- Aangezien de stedenbouwkundige aanvraag een onlosmakelijk geheel vormt en door de vergunningverlenende overheid ook als zodanig werd beoordeeld, volstaat de gemotiveerde vaststelling van de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van de bouwblokken 1 en 2 op zich reeds om de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Het akkoord met de linkerbuur met betrekking tot de verstoring van de privacy is allerminst doorslaggevend voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Het komt de vergunningverlenende overheid als X-13.604-9/14 bestuursoverheid toe om te beslissen, door het verlenen of weigeren van de gevraagde vergunning, of een bepaalde wijze van uitoefenen van dat recht al dan niet verenigbaar is met de openbare belangen waarvan de zorg hem door de wet is opgedragen, te dezen de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. In zijn laatste memorie citeert de verzoeker enkele passages uit de beleidsverklaring van de Vlaamse regering van 13 juli 2009, alsook verscheidene decretale bepalingen uit de Vlaamse Codex Ruimtelijk Ordening, uit het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en uit het woonzorgdecreet van 13 maart
- Elk citaat wordt gevolgd door feitelijke vaststellingen en veronderstellingen, opportuniteitskritiek of de eigen visie van de verzoeker op de goede ruimtelijke ordening. Het betoog bevat geen concrete uiteenzetting over de wijze waarop de aangehaalde bepalingen door het bestreden besluit worden geschonden en is bijgevolg niet dienstig voor de beoordeling van het middel. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 19, § 3 DRO. De verzoeker stelt dat noch het nieuwe dienstencentrum en de seniorenflats van het OCMW, noch het aanbod van sociale en andere huurwoningen voldoen aan de noden van de snel toenemende vergrijzing. Samenwerking met de private sector biedt daarvoor voordelen en oplossingen op economisch en budgettair vlak. Bijgevolg betreft het project van de verzoeker een uitzonderingsgrond in de zin van de aangehaalde decretale bepaling, zodat kan worden afgeweken van het richtinggevend gedeelte van het structuurplan. De duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit worden niet in het gedrang gebracht, wat onder meer blijkt uit een brief van de linkerbuur die stelt dat de privacy volledig beschermd wordt. X-13.604-10/14 Beoordeling
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het tweede middel feitelijke grondslag mist, aangezien nergens in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een ruimtelijk structuurplan. Bovendien bepaalt artikel 19, § 6 DRO dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel wordt machtsmisbruik aangevoerd, alsook de schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De verzoeker bekritiseert het onevenwicht tussen het bestreden besluit en het nadeel dat hij door dat besluit ondervindt. De beperkingen die het bestreden besluit aan het initiële ontwerp oplegt, brengen immers de economische haalbaarheid van het project in het gedrang en veroorzaken een financiële catastrofe voor hem, terwijl deze beperkingen geen enkel voordeel opleveren aan de verwerende partij. Voorts heeft het bestreden besluit wat betreft de inkijk geen rekening gehouden met de briefwisseling, met de berekeningen, met de plannen met schaduwpartijen, noch met de haalbaarheidsstudie. Ten slotte mocht hij er na de duidelijke toezegging tijdens het plaatsbezoek op vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit zou nemen. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker nog dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening en voldoet aan de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Gelet op de aanwezige discriminaties en de gespannen verhouding tussen de verzoeker en het bestuur, bestaan er gegronde redenen om aan te nemen dat er machtsmisbruik bestaat in hoofde van de verwerende partij. Het bestreden besluit besteedt geen aandacht aan het algemeen belang. X-13.604-11/14 Beoordeling
- Vooreerst voert de verzoeker machtsmisbruik aan, maar laat hij in zijn verzoekschrift na uiteen te zetten waarin deze schending bestaat. De uiteenzetting hierover in de laatste memorie is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. De financiële belangen van de verzoeker zijn niet relevant voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, zodat daarmee geen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van een stedenbouwkundige aanvraag. De verzoeker toont voorts niet aan dat het bestreden besluit de goede ruimtelijke ordening op kennelijk onredelijke wijze of op grond van foutieve gegevens heeft beoordeeld. De loutere bewering in het verzoekschrift dat het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met briefwisseling, berekeningen, plannen en een studie toont niet concreet aan dat de beoordeling van de inkijk in het bestreden besluit kennelijk onjuist of onredelijk is beoordeeld. Met de loutere bewering dat er tijdens het plaatsbezoek een uitdrukkelijke toezegging zou zijn gedaan door de vergunningverlenende overheid, maakt de verzoeker nog niet aannemelijk dat het bestreden besluit het vertrouwensbeginsel schendt. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel, dat eerst in de memorie van wederantwoord wordt aangebracht, voert de verzoeker, na raadpleging van het administratief dossier, de schending aan van het hoorrecht en van artikel 54, eerste lid van het provinciedecreet van 9 december
- In een eerste onderdeel voert hij aan dat niet alle leden van de deputatie die hebben beraadslaagd en beslist over de bestreden beslissing, aanwezig waren tijdens de hoorzitting. Bovendien werd het proces-verbaal van de X-13.604-12/14 hoorzitting niet door hem ondertekend, zodat hij de inhoud ervan niet heeft kunnen controleren. In het tweede onderdeel stelt hij dat uit het bestreden besluit niet blijkt met welke stemverhouding het werd genomen, noch of zijn beroep met een volstrekte meerderheid van de stemmen werd verworpen, zodat hij de wettigheid van het bestreden besluit op dat vlak niet kon onderzoeken. In zijn laatste memorie betoogt hij nog dat uit de combinatie van artikel 54 van het provinciedecreet en van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet volgt dat het bestreden besluit de stemverhoudingen had moeten weergeven. Beoordeling
- De schending van het hoorrecht kon reeds in het verzoekschrift worden ingeroepen en raakt de openbare orde niet. Bijgevolg is het eerste middelonderdeel niet ontvankelijk. Daargelaten het gegeven dat de verzoeker niet concreet aantoont dat artikel 54, eerste lid van het provinciedecreet is geschonden, blijkt uit de gegevens van het dossier dat het bestreden besluit de naam van de verslaggever en van de aanwezige leden vermeldt, overeenkomstig de door de verzoeker aangehaalde bepaling. Tevens blijkt dat de deputatie voltallig aanwezig was. De betrokken bepaling legt ten slotte niet de verplichting op om de stemverhoudingen in de beslissing te vermelden. Het tweede middelonderdeel is bijgevolg niet gegrond. Door in zijn laatste memorie artikel 54 van het provinciedecreet te combineren met het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, geeft de verzoeker op onontvankelijke wijze een nieuwe wending aan het middel. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. X-13.604-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.604-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.503 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div