← België

Arrest 209520 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.520 Rolnummer: A. 181112/IX-5569 Zaak: Arrest 209520 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.520 van 6 december 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 209.520 van 6 december 2010 in de zaak A. 181.112/IX-5569 In zake : Sofie DE BOECK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc De Deken kantoor houdend te Antwerpen Emiel Banningstraat 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 120 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 21 december 2006 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij aan Sofie De Boeck de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 172.072 van 11 juni 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX- 5569-1/19 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Delmotte, die loco advocaat Luc De Deken verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 172.072 van 11 juni 2007 waarbij uitspraak gedaan is over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. IX- 5569-2/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  6. In het eerste middel voert de verzoekster aan dat de bestreden beslissing laattijdig genomen is. Zij verwijst naar artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en stelt dat zij op 30 juni 2006 kennis kreeg van het inleidend verslag, dat zij tot 30 juli 2006 haar verweer kon indienen en dat het bestuur binnen de vijftien volgende dagen een voorstel van tuchtstraf diende te formuleren. In de mate het advies van de procureur des Konings ten onrechte werd ingewonnen is het voorstel van tuchtstraf haar laattijdig betekend, met name op 23 augustus
  7. De verwerende partij antwoordt in essentie: - dat de verzoekster op 30 juni 2006 kennis kreeg van het inleidend verslag, dat de termijn bepaald in artikel 38quater van de tuchtwet liep tot 30 juli 2006 en dat, aangezien zij van oordeel was dat de feiten kaderden in de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie, zij om het advies van de procureur des Konings gevraagd heeft. De procureur was blijkbaar dezelfde mening toegedaan, want hij heeft een advies verleend. Door het inwinnen van het advies beschikte de hogere tuchtoverheid over een langere termijn om een voorstel van tuchtstraf ter kennis te brengen, met name tot 3 september
  8. De verzoekster heeft op 23 augustus 2006 en dus tijdig het voorstel ontvangen. - dat de verzoekster, die overigens slechts bij wege van vraagstelling opmerkt dat de hogere tuchtoverheid ten onrechte het advies van de procureur des Konings ingewonnen heeft, niet aantoont dat de vraag onterecht was. - dat de verzoekster het probleem van het verplicht advies van de procureur des Konings reeds aan de tuchtraad had voorgelegd, dat de tuchtoverheid voor die instantie verklaard heeft dat het achterhouden van informatie kadert in een IX- 5569-3/19 opdracht van gerechtelijke politie en dat de algemene inspectie met dat standpunt akkoord was, terwijl de tuchtraad in zijn advies gesteld heeft dat het aanvragen van een advies, behoudens aangetoonde fraude om aan de vervaltermijn te ontsnappen, de termijn om een voorstel mede te delen verlengt.
  9. De verzoekster herhaalt in haar memorie van wederantwoord vooreerst dat de vraag om advies slechts verzonden is op het ogenblik dat de oorspronkelijke beslissingstermijn verlopen was. Zij benadrukt nu dat er geen advies ingewonnen moest worden, aangezien de verwerende partij niet aantoont dat de feiten rechtstreeks betrekking hadden op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. Integendeel, omdat de feiten zich voordeden in haar privéleven, mocht van de verwerende partij verwacht worden dat zij het verband met een opdracht van gerechtelijke politie zou aantonen; achterhouden van informatie is een daad die de waardigheid van het ambt aantast maar heeft niets van doen met een opdracht van gerechtelijke politie, zeker nu zij niet betrokken was bij het opgestart gerechtelijk onderzoek. Het advies werd enkel ingewonnen om een verlenging van de beslissingstermijn te rechtvaardigen en dat kan geenszins de bedoeling zijn van artikel 24 en 38 van de tuchtwet. Beoordeling
  10. Artikel 24, tweede en derde lid, van de tuchtwet bepalen: “[...] Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde dienst van de federale politie, waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. [...] De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken.” IX- 5569-4/19 Artikel 38quater van de tuchtwet bepaalt: “Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen.” Artikel 38sexies, eerste en vierde lid, van de tuchtwet bepaalt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. [...] [...] Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing wordt genomen binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met [...], wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die de betrokkene ten laste gelegd werden. [...].”
  11. Het inleidend verslag is op 30 juni 2006 ter kennis van de verzoekster gebracht. Zij kon dus tot 30 juli 2006 een verweerschrift indienen. Daags nadien ving de termijn van vijftien dagen aan waarbinnen de burgemeester een voorstel van tuchtstraf ter kennis van de verzoekster kon brengen. In dit geval heeft de burgemeester, binnen die periode, op 2 augustus 2006 en met verwijzing naar artikel 24 van de tuchtwet, het advies van de procureur des Konings ingewonnen. Overeenkomstig artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet beschikte de burgemeester daardoor over een langere termijn om zijn voorstel van tuchtstraf ter kennis van de verzoekster te brengen. Blijkens de tekst van artikel 38sexies, vierde lid, bedraagt de verlenging van de termijn twintig dagen. Berekend vanaf 31 juli 2006, liep de termijn waarbinnen de burgemeester een IX- 5569-5/19 strafvoorstel ter kennis van de verzoekster diende te brengen dan ook tot 3 september
  12. Aangezien de verzoekster kennis gekregen heeft van het strafvoorstel op 23 augustus 2006, zijn de wettelijke termijnen nageleefd. Het middel is vanuit dat oogpunt niet gegrond.
  13. De verzoekster is van oordeel dat de termijn, bepaald in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet overschreden is omdat het advies van de procureur des Konings niet verplicht ingewonnen moest worden en omdat de burgemeester niet verantwoordt waarom hij dat advies wel degelijk nodig vond, met name waarom de feiten wel degelijk betrekking hebben “op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie”. De verwerende partij daarentegen is van oordeel dat de verzoekster niet aantoont waarom de feiten geen betrekking hadden op een opdracht van gerechtelijke politie.
  14. De parlementaire voorbereiding van artikel 24 van de tuchtwet verduidelijkt niet wat verstaan moet worden onder feiten “die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie”. Het begrip “opdracht van gerechtelijke politie” komt wel voor in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, waar het geplaatst wordt tegenover “opdrachten van bestuurlijke politie” en doelt op elke opdacht waarbij de politieambtenaar meewerkt aan de opsporing en de vaststelling van misdrijven zoals omschreven in artikel 15 van die wet. Het achterhouden van informatie en met name het verzwijgen van een misdrijf houdt verband met de opdracht van de politie inzake de opsporing van misdrijven en kadert derhalve rechtstreeks in een opdracht van gerechtelijke politie van de politiedienst. Het advies van de procureur des Konings was vereist. De verzoekster verwijt aan de verwerende partij dat zij haar raadpleging van de procureur des Konings niet verantwoord heeft. In de adviesaanvraag van 2 augustus 2006 wordt evenwel uitdrukkelijk verwezen naar de tekst van artikel 24 van de tuchtwet, waaruit duidelijk blijkt dat de burgemeester IX- 5569-6/19 van oordeel was dat de feiten onder die bepaling vielen. Geen bepaling verplichtte hem op dat ogenblik zijn adviesaanvraag nader te motiveren. De verzoekster verwijt aan de verwerende partij dat de vraag om advies er enkel toe strekte de beoordelingstermijn voor het formuleren van een strafvoorstel te verlengen. Die stelling wordt evenwel niet uitgewerkt en zij wordt ook door geen aanwijzing in het dossier gedragen. Het is derhalve een loutere bewering waarmee de verzoekster de bewijslast die op haar rust, niet kan omkeren. Overigens, aangenomen dat de burgemeester kon twijfelen over de juridische verplichting om het advies van de procureur des Konings in te winnen, is de houding die hij in dit geval aangenomen heeft volstrekt gerechtvaardigd, omdat de korte termijnverlenging die in het nadeel van de betrokken ambtenaar speelt, niet opweegt tegen de onregelmatigheid die hij begaat wanneer hij het advies niet inwint in de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt.
  15. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  16. In het tweede middel voert de verzoekster de verjaring van de tuchtvordering aan. Zij stelt, wat de eerste tenlastelegging betreft, dat het inleidend verslag gewag maakt van het achterhouden van informatie en dat zulks een inbreuk vormt op artikel 44/11 van de wet op het politieambt, dat dergelijke inbreuken strafrechtelijk sanctioneert. Voor die inbreuk is evenwel geen strafprocedure opgestart en dus is de verjaringstermijn voor deze inbreuk aangevangen op het ogenblik van de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid. In de brief van de procureur des Konings van 17 september 2004 is melding gemaakt van de miskenning van de verplichting om de procureur in te lichten van strafbare feiten die zij kende en van de nauwe banden die zij met iemand uit het criminele milieu onderhield en de verzoekster heeft bij haar ondervraging ook verklaard dat zij IX- 5569-7/19 nuttige informatie achtergehouden heeft. Gerekend vanaf 17 september 2004 is de tuchtvordering, die op 28 juni 2006 voor dat feit ingesteld is, verjaard. In ieder geval heeft de verzoekster zelf aan het bestuur medegedeeld dat zij informatie achtergehouden heeft en is zij daarvoor ook nooit strafrechtelijk vervolgd. Wat de tweede tenlastelegging betreft stelt zij dat het hof van beroep te Antwerpen haar heeft vrijgesproken voor de schending van het beroepsgeheim en dat zij vervolgens tuchtrechtelijk vervolgd is geworden wegens gedragingen die strijden met de waardigheid van het ambt. Maar ook voor die feiten is er nooit een strafonderzoek gevoerd en bijgevolg is ook te dien aanzien de verjaring ingegaan op het ogenblik van de kennisneming van de feiten. Dit gebeurde op 29 november 2005, toen de burgemeester de beschikking van de raadkamer ontving waarin gesteld is dat de verzoekster in de gevangenis administratieve stukken nagekeken heeft in verband met de opsluiting van een bepaald persoon. Vanaf die datum gerekend, is het inleidend verzoekschrift laattijdig opgesteld.
  17. De verwerende partij antwoordt daar, samengevat, op dat het strafrechtelijk onderzoek en nadien de strafvervolging werd ingesteld voor feiten die eveneens aan de basis liggen van het tuchtrechtelijk luik en dat de tuchtoverheid in die context, binnen het kader van de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de kennisname en het onderzoek van de feiten, diende te wachten totdat de strafrechter een definitieve uitspraak had gedaan en zij kennis kon krijgen van die uitspraak en van het strafonderzoek. Zij voegt daaraan toe dat uit het dossier blijkt dat de tuchtoverheid niet lijdzaam de rechterlijke eindbeslissing heeft afgewacht.
  18. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekster aan haar uiteenzetting in het verzoekschrift nog toe dat over het achterhouden van informatie geen strafonderzoek gevoerd is, dat de kwalificatie van de feiten van geen belang is en dat er derhalve geen reden was om de tuchtvordering uit te stellen op grond van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. IX- 5569-8/19 Beoordeling
  19. Artikel 56 van de tuchtwet bepaalt: “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”
  20. De tuchtvervolging tegen de verzoekster, die twee afzonderlijke tenlasteleggingen betreft, steunt volledig op gegevens die aan het licht gekomen zijn door het strafonderzoek. Er zijn geen andere feiten bij de tuchtvervolging betrokken.
  21. De procureur des Konings heeft in zijn brief van 17 september 2004 aan de burgemeester meegedeeld dat de verzoekster kennis had van strafbare feiten, dat zij criminele milieus frequenteerde en dat er sprake kon zijn van de schending van het beroepsgeheim, maar die rudimentaire inlichtingen volstonden zeker niet om te begrijpen wat de verzoekster precies had misdaan. Gelet op het -zeer ruim gesteld- voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek, zoals haar dat was medegedeeld, beschikte de verwerende partij met die inlichtingen zeker niet over alle gegevens om de misdraging van de verzoekster te duiden in het licht van haar tuchtbevoegdheid. Zij kon dit te dezen slechts na de inzage van het strafdossier. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet liep de verjaringstermijn niet tot aan de mededeling van de eindbeslissing op strafrechtelijk vlak op 5 mei
  22. Het middel is niet gegrond. IX- 5569-9/19 C. Derde middel Standpunt van de partijen
  23. De verzoekster voert aan dat de redelijke termijn voor het treffen van een beslissing overschreden werd. Verwijzend naar de kennisgeving van 17 september 2004, en voor wat het nazicht van administratieve stukken in de gevangenis betreft, de kennisneming op 30 november 2005 van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, heeft de verwerende partij de tuchtzaak te lang laten aanslepen. Met een administratief verhoor van de verzoekster kort na die kennisgeving, had de verwerende partij zich een beeld kunnen vormen van de feitelijke gegevens. Het gebrek aan diligentie vanwege het bestuur heeft tot gevolg dat op 21 december 2006 geen tuchtstraf meer opgelegd kon worden.
  24. De verwerende partij antwoordt dat zij meer dan eens geïnformeerd heeft naar de stand van het strafonderzoek en de toelating gevraagd heeft om het strafdossier in de tuchtzaak te mogen gebruiken. Zij voegt daaraan toe dat artikel 56 van de tuchtwet het bestuur toelaat te wachten met de tuchtvordering totdat het strafgeding beëindigd is.
  25. In haar memorie van wederantwoord herneemt de verzoekster de uiteenzetting uit haar verzoekschrift. Beoordeling
  26. In het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 inzake Darville heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gewezen dat een wettelijke bepaling die het bestuur niet verplicht maar enkel toelaat om de tuchtvordering uit te stellen totdat de uitkomst van de strafvordering bekend is, het bestuur niet vrijstelt van de verplichting om binnen een redelijke termijn tot een besluit in de tuchtzaak te komen, hetgeen impliceert IX- 5569-10/19 dat het, waar mogelijk, zelf initiatieven moet nemen om klaarheid in de zaak te brengen en de tuchtvordering los van het gerechtelijk onderzoek te voeren.
  27. Zich alignerend op die rechtspraak, moet in het kader van dit middel onderzocht worden of de burgemeester zich na de eerste berichtgeving over de feiten en ondanks het aan de gang zijnde gerechtelijk onderdeel, voldoende diligent heeft opgesteld en de nodige initiatieven heeft genomen om op basis van een eigen administratief onderzoek de feiten vast te stellen die aan de verzoekster ten laste gelegd konden worden.
  28. Gewis had de tuchtoverheid tegenover de verzoekster de grootste duidelijkheid kunnen scheppen door haar mede te delen dat en waarom zij met de brief van 17 september 2004 van de procureur des Konings over onvoldoende gegevens beschikte om de tuchtvordering op te starten zodat zij de vereiste duidelijkheid slechts zou kunnen verkrijgen door het verder verloop van de strafprocedure af te wachten; in dat geval had de verzoekster daarover standpunt kunnen innemen en desgevallend met eigen verduidelijkingen de tuchtoverheid op het spoor zetten om de nodige duidelijkheid te verkrijgen. De beslissingen over de verlenging van de preventieve schorsing vormen een goede gelegenheid om telkens dat onderzoek te doen.
  29. De verwerende partij heeft de verzoekster niet ingelicht dat zij redenen had om de uitslag van het gerechtelijk onderzoek af te wachten. Onderzocht moet worden of uit de houding, die zij concreet heeft aangenomen, blijkt dat zij zich voldoende diligent opgesteld heeft en initiatieven genomen heeft om de zaak voortgang te laten vinden. In het kader van de voorlopige schorsing onmiddellijk na 17 september 2004, heeft de verzoekster wel verklaard dat zij “nuttige informatie achtergehouden heeft”, maar dat moest de burgemeester niet weerhouden om de informatie uit het strafonderzoek af te wachten, gelet op de complexiteit van de zaak die zich op dat ogenblik aandiende. De verzoekster zelf heeft hangende het IX- 5569-11/19 verder gerechtelijk onderzoek, geen bijdrage geleverd om tegenover de tuchtoverheid de zaak te verduidelijken. Bij de verlenging van haar preventieve schorsing in december 2004 heeft zij wel uiteengezet dat de verdenking met betrekking tot de verdovende middelen betrekking had op een vriendendienst aangaande spierversterkende middelen in fitnessmiddens, maar zij is de tenlastelegging van de deelname aan een criminele organisatie blijven betwisten en heeft verwezen naar het verder strafrechtelijk onderzoek. Zijnerzijds heeft de burgemeester telkens naar aanleiding van de verlenging van de preventieve schorsing bij de procureur des Konings geïnformeerd naar de stand van de zaak en om inzage van het dossier gevraagd, hetgeen hem geweigerd werd tot 2 mei 2006, waarna een voorafgaand onderzoek gevoerd is dat geleid heeft tot de kennisgeving van het inleidend verslag op 30 juni
  30. Een en ander leidt tot het besluit dat de verwerende partij de redelijke termijneis niet geschonden heeft. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  31. De verzoekster voert de schending van het vertrouwensbeginsel aan. Zij stelt dat zij op 6 april 2006 vrijgesproken is voor het misdrijf van de schending van het beroepsgeheim en dat zij op 15 april 2006 een inleidend verslag ontvangen heeft voor overtreding van de hormonenwetgeving, waarvoor zij door de strafrechter schuldig verklaard is. Op dat ogenblik mocht zij ervan uitgaan dat er haar geen andere feiten meer ten laste gelegd zouden worden. Tot haar verbazing heeft zij moeten vaststellen dat er nadien een nieuw inleidend verslag opgesteld is voor feiten waarvoor zij vrijgesproken was. Een correct handelende tuchtoverheid had één inleidend verslag opgesteld.
  32. In haar memorie van wederantwoord benadrukt zij nog dat de nieuwe tuchtvervolging geenszins volledig andere feiten betrof. IX- 5569-12/19 Beoordeling
  33. In het op 21 maart 2006 gedateerd inleidend verslag betreffende de inbreuk op de hormonenwetgeving, dat op 18 april 2006 aan de verzoekster werd betekend, wordt verwezen

(1)naar de brief van 21 oktober 2005 van de procureur-generaal, waarin deze het door de procureur des Konings ingenomen standpunt bijtreedt dat het, vermits de verzoekster beroep heeft aangetekend voor wat betreft haar veroordeling inzake de tenlastelegging “schending van het beroepsgeheim”, voorbarig is een afschrift van het vonnis van 30 september 2005 en van het dossier over te maken,
(2)naar de brief van 29 november 2005 van de procureur-generaal, waarbij alsnog een afschrift van het vonnis van 30 september 2005 aan de tuchtoverheid wordt bezorgd, maar waarin uitdrukkelijk gewezen wordt op het feit dat de verzoekster hoger beroep voor een bepaald aspect van de veroordeling heeft aangetekend en
(3)naar de brief van 28 december 2005 van de procureur des Konings, waarin hij aan de tuchtoverheid meedeelt dat het, gelet de hangende beroepsprocedure, thans niet mogelijk is toelating tot inzage en afschrift van bepaalde stukken van het strafdossier te verlenen.
  1. Die brieven, alsook de aan de procureur des Konings gerichte brief van 7 december 2005 van de gewone tuchtoverheid, waarin zij enerzijds kennis neemt van de mededeling dat het momenteel voorbarig is om een afschrift van het gerechtelijk dossier aan de tuchtoverheid over te maken, en anderzijds meedeelt dat een tuchtdossier zal worden opgestart voor de veroordeling voor de feiten van invoer, handel en bezit van verdovende middelen, vermits de verjaringstermijn reeds is beginnen lopen op 24 oktober 2005, maakten deel uit van het tuchtdossier dat aan de grondslag lag van de beslissing van 19 juni 2006 waarbij haar de zware tuchtstraf van de inhouding van de bruto maandwedde met 10% gedurende één maand werd opgelegd. IX- 5569-13/19 Alleen al op grond van de in die brieven vervatte mededelingen mocht de verzoekster er niet op vertrouwen dat de tuchtoverheid, na kennisname van het strafdossier, geen andere tuchtfeiten zou vervolgen.
  2. De verzoekster kan ook niet worden bijgetreden waar zij stelt dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden doordat de nieuwe tuchtvergrijpen niet tezamen met het eerste feit (waarvoor op 18 april 2006 een inleidend verslag werd betekend) werden behandeld, vermits zij reeds op 22 mei 2006, dus nog vooraleer in de eerste zaak een voorstel tot zware tuchtstraf werd geformuleerd, door de vooronderzoeker geconfronteerd werd met de verklaringen die zij tijdens het gerechtelijk onderzoek aflegde, en zij uit het door de tuchtoverheid bevolen onderzoek alleen al kon afleiden dat die overheid het voornemen had om haar, ondanks de tussengekomen vrijspraak, alsnog tuchtrechtelijk te vervolgen voor de inbreuken die op dat ogenblik bewezen waren.
  3. Het middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  4. De verzoekster voert de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Zij stelt dat bij de beoordeling van de tenlastelegging van het verzwijgen van een drugstrafiek rekening gehouden moet worden
(1)met de bedreiging met represailles door haar toenmalige vriend zodat zij niet zomaar de feiten “oogluikend toegelaten” heeft,
(2)met het feit dat zij strafrechtelijk niet vervolgd is voor het misdrijf van achterhouden van informatie,
(3)met het feit dat ook de burgemeester oog had voor de mogelijke aantasting van haar fysieke integriteit en
(4)dat het zogenaamd achterhouden van informatie het gerechtelijk onderzoek geenszins geschaad heeft. Zij voegt daaraan toe dat de burgemeester in de bestreden beslissing voor het eerst gewag maakt van het feit dat zij zich sinds 1997-1998 in een crimineel milieu bewogen zou hebben en dat zij ongeoorloofde IX- 5569-14/19 nevenactiviteiten in een dancing uitgeoefend heeft terwijl zij zich daarover niet heeft kunnen verdedigen. Wat betreft de mededeling van gegevens uit de gevangenisadministratie stelt zij dat dit gegeven haar vriend van geen nut is geweest, dat dergelijke mededeling op zich niet volstaat om te spreken van het in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt en dat de gegeven informatie door middel van een eenvoudig telefoontje aan de griffie van de gevangenis door elkeen verkregen kan worden. Zij besluit: “Gelet op de volledige vrijspraak van verzoekster op strafrechtelijk vlak, het feit dat verzoekster naar aanleiding van de hele ‘historie’ reeds een zware tuchtstraf heeft gekregen, zij nu bijna 2 jaar geschorst is met loonsverlies, zij enkel informatie heeft achtergehouden onder fysieke bedreigingen, en zij geenszins op actieve wijze heeft gezocht naar informatie, zou de zware maatregel ontslag van ambtswege een kennelijk onredelijke straf uitmaken.”
  1. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekster nog dat zij door het hof van beroep vrijgesproken is voor het misdrijf van de schending van het beroepsgeheim en dat, in de mate vastgesteld kan worden dat de tuchtvordering voor het vergrijp van het achterhouden van informatie verjaard was, de straf kennelijk onredelijk is. Beoordeling
  2. De Raad van State bezit slechts een marginale toetsingsbevoegdheid bij het beoordelen van het aangepast karakter van de straf aan de feiten.
  3. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het belang van de dienst. Er wordt in dat verband aangestipt dat de verzoekster tewerkgesteld was “in een dienst die belast is met het voorkomen, bestrijden en opsporen van misdrijven” en dat, binnen dat kader, een politieambtenaar een maatschappelijke voorbeeldfunctie te vervullen heeft, dat hij daarom moet voldoen aan een streng verwachtingspatroon dat ook betrekking kan hebben op zijn activiteiten buiten de diensttijd. Op grond van dat uitgangspunt wordt dan gesteld dat het IX- 5569-15/19 onaanvaardbaar is “dat een politieambtenaar buiten de dienst oogluikend een misdrijf laat gebeuren dat beroepshalve moet opgespoord en geverbaliseerd worden” en dat het verder blijven functioneren van dergelijk politieambtenaar het vertrouwen van het publiek en van de overheden ontoelaatbaar in het gedrang dreigt te brengen. Concreet wordt dan over de verzoekster gesteld dat een politieambtenaar die een relatie aangaat met iemand uit het crimineel milieu en die aldus kennis krijgt van het voorbereiden en uitvoeren van een drugstrafiek maar dit oogluikend laat gebeuren en die ten behoeve van die vriend een register in de gevangenis nakijkt, blijk geeft van “een verregaande vorm van normvervaging” zodat hij geen politiefunctionaris meer kan zijn. Die motieven vormen een redelijke verantwoording voor de opgelegde tuchtstraf. Noch de omstandigheid dat de achtergehouden informatie van geen belang was voor een strafrechtelijk onderzoek of dat de ingewonnen informatie in de gevangenis haar vriend geen voordeel heeft opgeleverd, noch het feit dat zij strafrechtelijk niet vervolgd werd voor achterhouden van informatie, noch de overweging dat zij door haar vriend onder druk werd gezet, evenmin als de vaststelling dat de informatie uit het gevangenisregister gemakkelijk toegankelijk is, zijn van aard om de opgelegde straf toch kennelijk onredelijk te bevinden.
  4. Het evenredigheidsbeginsel betreft de verhouding tussen de ernst van de feiten die door het bestuur voor bewezen gehouden zijn en de zwaarte van de opgelegde tuchtstraf. Te dezen heeft de verwerende partij voor bewezen gehouden dat de verzoekster op vraag van haar vriend een register in de gevangenis ingekeken heeft en dit wordt haar als onwaardig gedrag en normvervaging aangerekend. Die invalshoek van het bestuur maakt dat de vrijspraak van de verzoekster voor het misdrijf van de schending van het beroepsgeheim niet betrokken diende te worden bij de beoordeling van de strafmaat. Bij de bespreking van het tweede en het derde middel is besloten dat de tuchtvordering voor de eerste tenlastelegging -achterhouden van informatie over criminele feiten- niet verjaard was en dat het bestuur ook de redelijke IX- 5569-16/19 termijnverplichting niet geschonden heeft, zodat die tenlastelegging wel degelijk bij de beoordeling van de stafmaat betrokken kon worden.
  5. In het middel wordt ook verwezen naar de schending van de rechten van de verdediging, doordat de bestreden beslissing rekening houdt met het feit dat de verzoekster zich sedert 1997-1998 in een crimineel milieu zou bewegen, dat zij kassierster in een dancing zou zijn geweest en dat ook haar nieuwe vriend in een crimineel milieu zou vertoeven, terwijl die aspecten van de zaak bij de totstandkoming van de bestreden beslissing nooit ter sprake gekomen zijn en zij zich daar niet tegen heeft kunnen verdedigen. Uit de stukken van het administratief dossier, inzonderheid het proces-verbaal van het administratief verhoor van de verzoekster van 22 mei 2006, blijkt dat de gegevens waarnaar de verzoekster verwijst wel degelijk in de loop van het tuchtrechtelijk onderzoek ter sprake zijn gekomen. De vaststellingen van het bestuur zijn het gevolg van de eigen verklaringen van de verzoekster.
  6. Het vijfde middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  7. De verzoekster voert aan dat, nu in de bestreden beslissing niet geantwoord wordt op haar bemerking dat het voorstel van tuchtstraf haar laattijdig medegedeeld werd en dat het vertrouwensbeginsel geschonden werd, zij niet voldoet aan de motiveringsverplichting en dat de loutere verwijzing naar het inleidend verslag als antwoord op haar bemerking over de onevenredigheid van de voorgestelde straf ook geen geldige motivering is. IX- 5569-17/19 Beoordeling
  8. In het arrest over de vordering tot schorsing is daaromtrent overwogen: “Aangenomen dat verzoekster met het middel doelt op de schending van de formele motiveringsverplichting, moet worden opgemerkt dat een administratieve overheid niet uitdrukkelijk moet ingaan op alle argumenten die de betrokkene in de loop van het besluitvormingsproces naar voren schuift, maar dat enkel de redenen vermeld moeten worden die het bestuur tot zijn besluit hebben gebracht. In ieder geval heeft de minister zich aangesloten bij het advies van de tuchtraad, waarin geantwoord is op de bemerking inzake het laattijdig mededelen van het voorstel van tuchtstraf en op de schending van het vertrouwensbeginsel en is, wat de opgelegde straf betreft, in het bestreden besluit uiteengezet welke maatstaven bij het bepalen van de straf gehanteerd werden. Overigens is bij de bespreking van het eerste, het vierde en het vijfde middel reeds vastgesteld dat het middel, gesteund op de laattijdige kennisgeving van het voorstel van tuchtstraf en op de miskenning van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, niet ernstig is. Het middel is niet ernstig.”
  9. De verzoekster laat in haar latere procedurestukken het middel verder onbesproken. De voormelde bespreking van het middel wordt bevestigd. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt het beroep.
  11. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX- 5569-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 december 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX- 5569-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.520 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.072 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.