← België

Arrest 209556 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.556 Rolnummer: A. 185386/X-13481 Zaak: Arrest 209556 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.556 van 7 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.556 van 7 december 2010 in de zaak A. 185.386/X-13.481. In zake : de b.v.b.a. NIFRA-VAN CAMP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marco Schoups kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN De Burburestraat 6-8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Renate Proost kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Belegstraat 24 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 juli 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen het besluit van 18 september 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout houdende weigering van de vergunning tot regularisatie van een stapelplaats voor containers, twee open afdaken en twee paalconstructies met tentzeilen, op een terrein gelegen aan de Lange Kroonstraat 171 – 173 te Boechout, kadastraal bekend sectie D, nrs. 343/a3, 343/w2, 343/y2 en 343/z2, niet wordt ingewilligd en geen vergunning wordt verleend. X-13.481-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2010. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lieselot De Meyere, die loco advocaat Marco Schoups verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Lies Rentmeesters, die loco advocaat Renate Proost verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij besluit van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.481-2/16 III. Feiten 3. Op 26 april 1960 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan Jos Van Camp een vergunning “tot het in bedrijf stellen” van “een inrichting voor het zuiveren en vermengen van granen met electrische motoren; een mengelaar (ventilator van 3 pk); een mengelaar met electromotor van 4 pk en twee borstelcyclonen met electromotor van 1,5 en 2 x 3,4 pk”, gelegen aan de Lange Kroonstraat te Boechout. De vergunning wordt verleend voor een termijn van 30 jaar. Naar aanleiding van een aanvraag om de voornoemde inrichting uit te breiden, besluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 28 juni 1979 dat “het toegelaten (

  1. is)over te gaan tot het uitbreiden van de inrichting te Boechout, Lange Kroonstraat 173, door het plaatsen van 300 containers van 1,2 m³ inhoud elk voor samen circa 360 ton graan, te plaatsen op een plein gelegen achter de magazijnen van de gemachtigde inrichting”. Nadien worden met het oog op de exploitatie en de uitbouw van het betrokken bedrijf nog verscheidene bouwaanvragen en milieuvergunningsaanvragen ingediend. 4. Op 11 april 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van een stapelplaats voor 300 containers, een open afdak en twee paalconstructies met tentzeilen, op een terrein gelegen aan de Lange Kroonstraat 173 te Boechout, kadastraal bekend sectie D, nrs. 343/a3, 343/x2, en 343/y2 . 5. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, voor de eerste 50 meter vanaf de rooilijn gelegen in woongebied. Het achterliggende gedeelte is gelegen in woonuitbreidingsgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. X-13.481-3/16 6. Van 21 april 2006 tot 22 mei 2006 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de aanvraag. Er worden vijf bezwaarschriften ingediend, die onder meer betrekking hebben op de gedeeltelijke ligging van de geplande constructies in woonuitbreidingsgebied. 7. Op 3 juli 2006 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout in navolging van een advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar een voorwaardelijk gunstig advies voor een tijdelijke vergunning tot uiterlijk 24 januari 2011. 8. Op 5 september 2006 geeft de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstige advies: “De aanvraag gelegen in woonuitbreidingsgebied is in strijd met de bepalingen van het gewestplan. De bezwaarschriften zijn gegrond daar waar zij gaan over de ruimtelijke inplanting, de hinder qua uitzicht en verkeersoverlast en de bereikbaarheid inzake brand. Bij de aanvraag ontbreekt de aanstiplijst van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende het hemelwater gelet op de verharding van de bouwplaats. De aanvraag is bovendien in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Dergelijke constructies kunnen nergens meer aanvaard worden”. 9. Op 18 september 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde regularisatievergunning met verwijzing naar het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar en naar een nieuw, ditmaal ongunstig advies van 12 september 2006 van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Tegen deze beslissing stelt de verzoekende partij administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 10. Bij de bestreden beslissing van 12 juli 2007 beslist de deputatie het beroep niet in te willigen en de vergunning te weigeren. De bestreden beslissing is onder meer als volgt gemotiveerd: “(…) X-13.481-4/16 In het beroepsschrift wordt gesteld dat de aanvraag dient vergund te worden op basis van artikel 145bis, § 1 van het DORO van 18 mei 1999. Volgens de raadsman van de aanvrager kunnen de gestapelde containers als vergund worden beschouwd op basis van artikelen 96 § 4, lid 2 en 196 § 1, lid 5-6. Hierin staat dat constructies als vergund kunnen worden beschouwd als door enig bewijsmateriaal kan worden aangetoond dat zij dateren van vóór de allereerste definitieve vaststelling van het gewestplan in dat gebied. De definitieve vaststelling van het gewestplan Antwerpen vond plaats bij KB van 3 oktober 1979. De stedenbouwkundige vergunningen die dateren van voor deze datum betreffen het bouwen van bergplaatsen (25 maart 1959) en de luifel (3 november 1977). De uitbreiding echter werd expliciet geweigerd in 1978, waardoor de overheid ( schepencollege en bestendige deputatie) een duidelijk ruimtelijk standpunt heeft ingenomen aangaande de begrenzing van de activiteiten. De twee paalconstructies voor en achter de rechtse rij containers werden een vijftal jaar geleden geplaatst en de twee open afdaken (achter de garage en achter het magazijn) werden drie jaar geleden opgetrokken. Deze constructies zijn dus niet vergund en komen niet in aanmerking voor toepassing van artikel 145bis § 1. Voor het plaatsen van de 300 containers met tentzeilen beroept de raadsman zich op de exploitatievergunning voor het plaatsen van 300 containers achter het magazijn. Deze exploitatievergunning werd verleend door de Bestendige Deputatie op 28 juni 1979 en wordt aangehaald om aan te tonen dat het perceel reeds vóór 3 oktober 1979 als stockageplaats werden gebruikt. Deze stelling moet echter worden aangevochten. De exploitatievergunning bewijst enkel dat de activiteiten daar reeds van in 1979 plaatsvinden, maar niet dat de huidige containers mét tentzeilen dateren van voor die datum. Bovendien was volgens artikel 44 § 1.1 (van) de stedenbouwwet van 1962 het plaatsen van vaste inrichtingen vergunningsplichtig. Dit was ook geldig voor inrichtingen die bestemd zijn om ter plaatse te blijven staan, al kunnen zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden en zelfs als ze bestaan uit niet duurzame materialen, zoals in casu de containers. Er is echter geen stedenbouwkundige vergunning gekend voor het plaatsen van de containers met tentzeilen. Artikel 145bis §1 kan dus niet worden toegepast op deze aanvraag. Ten eerste gaat het niet om het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van bestaande constructies en ten tweede zijn de gevraagde constructies niet vergund (geacht). (…)”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel X-13.481-5/16 Uiteenzetting van het middel 11. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 96, § 4, tweede lid en 196, § 1, vijfde en zesde lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). De verzoekende partij argumenteert dat de stapelplaatsen voor 300 containers en de tentzeilen werden opgericht en vergund vóór de definitieve vaststelling van het toepasselijke gewestplan dat het betrokken perceel tot woonuitbreidingsgebied bestemt. De oorspronkelijke containers werden vergund bij besluit van de bestendige deputatie van 28 juni 1979 en werden nooit vervangen. Bijgevolg moeten de constructies als vergund worden beschouwd en voldoen zij aan de voorwaarden van artikel 145bis DRO. Bovendien impliceert de exploitatievergunning van 10 mei 1996 voor de opslag van 1.000 ton granen en zaden tevens een vergunning voor de plaatsing van de containers die noodzakelijk zijn voor het opslaan van de granen en zaden. De aanvraag kon bijgevolg niet geweigerd worden omwille van de planologische onverenigbaarheid, aangezien de werken vergunbaar waren op het ogenblik dat ze werden uitgevoerd. In haar laatste memorie zet de verzoekende partij aangaande haar belang bij het middel nog uiteen dat ze “impliciet het standpunt van de Bestendige Deputatie dat de regularisatieaanvraag geen aanvraag zou betreffen voor het verbouwen, herbouwen en uitbreiden van bestaande zonevreemde constructies” betwist door in haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord te stellen dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 145bis DRO. Beoordeling 12. Artikel 145bis, § 1 DRO, zoals van toepassing op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, bepaalt wat volgt : “§ 1. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot X-13.481-6/16 bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1° het verbouwen van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume; 2° het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; (...) 6° het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 1.000 m³; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  2. a)de woning, het gebouw of de constructie is niet verkrot; woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;
  3. b)de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;
  4. c)het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft, zowel bij verbouwen, herbouwen als uitbreiden, beperkt tot het bestaande aantal; (…)”. 13. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 145bis, § 1 DRO, vermits het enerzijds niet gaat om verbouwen, herbouwen of uitbreiden van bestaande constructies en, anderzijds, de gevraagde constructies niet vergund zijn of vergund geacht zijn. De verzoekende partij betwist het weigeringsmotief dat de gevraagde constructies niet vergund zijn of geacht moeten worden vergund te zijn, maar zij betwist niet het motief dat de aanvraag geen betrekking heeft op het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van de constructies. Dit laatste weigeringsmotief volstaat om de gevraagde vergunning te weigeren. Vermits het middel niet tot voordeel van de verzoekende partij kan strekken, beschikt zij niet over het vereiste belang bij het middel. X-13.481-7/16 In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert dat zij het andere weigeringsmotief impliciet zou hebben betwist door in haar verzoekschrift en in haar memorie van wederantwoord te stellen dat voldaan is aan de voorwaarde van artikel 145bis, § 1 DRO, blijkt die veronderstelde kritiek op het andere weigeringsmotief niet op enige wijze onderbouwd te zijn. Met deze laattijdige argumentatie kan dan ook geen rekening worden gehouden. Het eerste middel kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden. B. Tweede en derde middel Uiteenzetting van de middelen 14. In het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de stapelplaats de goede plaatselijke ordening in het woonuitbreidingsgebied niet schendt, vermits dat gebied nog niet is aangesneden of ontwikkeld en de stapelplaats derhalve geen hinder vormt voor de omgeving. Op het moment dat het gebied zal worden aangesneden, zal er tevens een bedrijventerrein zijn ontwikkeld, waardoor zij kan herlokaliseren. In het derde middel betwist de verzoekende partij dat de goede ruimtelijke ordening wordt geschonden door de paalconstructies. Haar bedrijf betreft immers een historisch gegroeid bedrijf dat is opgericht voor de totstandkoming van de plaatselijke ruimtelijke ordening. De verwerende partij gaat voorbij aan haar eigen besluit waarmee destijds een exploitatievergunning werd verleend voor het plaatsen van containers, afgedekt met dekzeilen om deze vochtvrij te houden. De paalconstructies vormen een verbetering voor de bestaande vergunde constructie. 15. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de beide middelen omdat niet wordt aangegeven welke rechtsregel geschonden wordt geacht. X-13.481-8/16 Beoordeling 16. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet uitdrukkelijk aangeeft welke rechtsregel zij geschonden acht. Uit de toelichting bij het tweede middel blijkt evenwel dat de verzoekende partij van oordeel is dat “de stapelplaats de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet (schendt)”. In het derde middel voert ze aan dat “(d)e goede ruimtelijke ordening (…) in casu niet (wordt) geschonden” en argumenteert ze dat de deputatie, door te stellen dat het niet aanvaardbaar is dat granen en zaden worden opgeslagen in open constructies, voorbijgaat aan haar eigen besluit van 28 juni 1979 en dat de oprichting van de paalconstructies een verbetering aan de bestaande en vergunde constructie hebben aangebracht. Hieruit blijkt dat in de beide middelen de motivering van de bestreden beslissing in verband met de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening wordt betwist. De exceptie is niet gegrond. 17. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het weigeringsmotief van de bestreden beslissing, met name dat de aanvraag geen betrekking heeft op verbouwen, herbouwen of uitbreiden, door de verzoekende partij niet wordt betwist. Dat weigeringsmotief volstaat om de gevraagde vergunning te weigeren. De verzoekende partij heeft dan ook geen belang bij het tweede en derde middel, waarmee zij een ander weigeringsmotief viseert, met name de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening. Het tweede en het derde middel zijn niet ontvankelijk. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 18. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het motiveringsbeginsel. X-13.481-9/16 De verzoekende partij argumenteert dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom het voorwaardelijk gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout niet wordt gevolgd. In dat advies wordt voorgesteld een tijdelijke vergunning tot 24 januari 2011 te verlenen. In haar memorie van wederantwoord voegt ze daar aan toe dat de motivering dat de betrokken constructies ruimtelijk gezien totaal onaanvaardbaar zijn, niet deugdelijk is, aangezien de verwerende partij in het verleden zelf een exploitatievergunning heeft afgeleverd voor de betrokken constructies en derhalve voorbijgaat aan haar eigen besluit. Beoordeling 19. Gelet op het suppletoir karakter van de motiveringswet, wordt de schending ervan geacht te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), dat aan de deputatie, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de motiveringswet. Wanneer de deputatie op grond van het voormelde artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, treedt zij niet op als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting kan zij derhalve volstaan met in haar besluit de redenen te vermelden waarop dit is gesteund en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerde administratief beroep doet de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag, dit op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag en is zij daarbij niet gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure. X-13.481-10/16 Het loutere feit dat in de bestreden beslissing niet wordt uiteengezet waarom het voorwaardelijk gunstig advies van 3 juli 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout niet wordt gevolgd, kan bijgevolg niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, nog afgezien van de vraag of de verwerende partij op wettige wijze vermocht in te gaan op het betrokken advies. 20. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog aanvoert dat de deputatie in haar beslissing voorbijgaat “aan haar eigen besluit dd. 28 juni 1979”, waardoor de motivering “niet deugdelijk” zou zijn, geeft zij op niet-ontvankelijke wijze een nieuwe wending aan het middel. Het vierde middel kan niet worden aangenomen. D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 21. In een vijfde middel wordt de schending van het vertrouwensbeginsel aangevoerd. De verzoekende partij stelt dat de deputatie, door het verlenen van de vergunning van 1979, het vertrouwen heeft gewekt dat de bestaande toestand zou worden vergund. Hetzelfde geldt voor de gemeente Boechout, die naar aanleiding van haar milieuvergunningsaanvraag in 2005, heeft verklaard om, in samenhang met de milieuvergunningsaanvraag, tevens een stedenbouwkundige vergunning te willen verlenen. De verzoekende partij verwijst verder naar een verslag van 31 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen, dat onder meer stelt dat “(e)en regularisatie tot stedenbouwkundige vergunning (…) zich op(dringt)” en dat een “tijdelijke vergunning kan verleend worden tot 24.01.2011” en dat na die datum “het bedrijf mogelijk in aanmerking (komt) om geherlokaliseerd te worden in het nieuw aan te leggen bedrijventerrein”. Het verslag concludeert verder dat “(h)et bedrijf (…) uiterlijk op 12.04.2006 een regularisatieaanvraag (moet) in (…) dienen”. De verzoekende partij mocht er rechtmatig op vertrouwen dat het college van burgemeester en schepenen haar X-13.481-11/16 eigen gunstige advies zou volgen bij het nemen van een beslissing en dat de thans bestreden beslissing het gunstige advies van het college zou volgen, aangezien het college in de administratieve beroepsprocedure haar advies bevestigd heeft. Beoordeling 22. In zoverre het middel verwijst naar de “aanvraag tot het verkrijgen van een milieuvergunning” en naar het verslag van het college van burgemeester en schepenen “waarop zij zich baseerde om de milieuvergunningsaanvraag goed te keuren” en in zover de verzoekende partij in het middel opmerkt dat ze er “rechtmatig (mocht) op vertrouwen dat het College van Burgemeester en Schepenen haar eigen gunstige advies zou volgen bij het nemen van een beslissing”, kan het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden, aangezien die elementen geen betrekking hebben op de bestreden beslissing die uitgaat van de deputatie en niet van het college van burgemeester en schepenen. 23. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerde administratief beroep doet de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag, dit op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag en is zij daarbij niet gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het weigeringsmotief van de bestreden beslissing, met name dat de aanvraag geen betrekking heeft op verbouwen, herbouwen of uitbreiden, door de verzoekende partij niet wordt betwist. Aangezien in de gegeven omstandigheden de gevraagde vergunning niet verleend kon worden zonder artikel 145bis, § 1 DRO te miskennen, kan het vertrouwensbeginsel te dezen niet met goed gevolg worden ingeroepen. Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. E. Zesde middel Uiteenzetting van het middel X-13.481-12/16 24. In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij argumenteert dat de exploitatievergunning het bewijs vormt van het opstarten van de activiteiten waarvoor die vergunning wordt verleend. Daarmee is bewezen dat de betrokken containers werden geplaatst vóór de definitieve vaststelling van het toepasselijke gewestplan. De bestreden beslissing had dan ook moeten vaststellen dat de stapelplaats en de dekzeilen geacht worden vergund te zijn en dat de vergunningsaanvraag met betrekking tot de paalconstructies en afdaken ingewilligd moest worden overeenkomstig artikel 145bis, § 1 DRO. Beoordeling 25. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het weigeringsmotief van de bestreden beslissing, met name dat de aanvraag geen betrekking heeft op verbouwen, herbouwen of uitbreiden, door de verzoekende partij niet wordt betwist. Dat weigeringsmotief volstaat om de gevraagde vergunning te weigeren. De verzoekende partij heeft dan ook geen belang bij het zesde middel, waarmee zij een ander weigeringsmotief viseert, met name het hoofdzakelijk vergund karakter van de bestaande constructies. Het zesde middel is niet ontvankelijk. F. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 26. In een zevende middel wordt de schending van het redelijkheidsbeginsel aangevoerd. De verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing ten onrechte is voorbijgegaan aan het hoofdzakelijk vergund karakter van de containers en de dekzeilen en dat de paalconstructies en de afdaken vergund hadden moeten worden op grond van artikel 145bis DRO. De verwerende partij had ook een tijdelijke vergunning kunnen afleveren op grond van artikel 43, § 7 van het gecoördineerde decreet. De bestreden beslissing verwijst naar het X-13.481-13/16 voorwaardelijk gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen, waarin wordt voorgesteld een tijdelijke vergunning af te leveren om de verzoekende partij de kans te bieden om te herlokaliseren naar het nieuw aan te leggen bedrijventerrein dat wordt voorzien in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Doordat zij aan al deze opties is voorbijgegaan, heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing op onredelijke wijze toepassing gemaakt van haar appreciatieruimte. Beoordeling 27. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het weigeringsmotief van de bestreden beslissing, met name dat de aanvraag geen betrekking heeft op verbouwen, herbouwen of uitbreiden, door de verzoekende partij niet wordt betwist. Dat weigeringsmotief volstaat om de gevraagde vergunning te weigeren. De verzoekende partij heeft dan ook geen belang bij het zevende middel in de mate dat zij een ander weigeringsmotief viseert, met name het hoofdzakelijk vergund karakter van de bestaande constructies. In zover de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing geen toepassing heeft gemaakt van artikel 43, § 7, laatste lid van het gecoördineerde decreet, moet worden vastgesteld dat het aangehaalde artikel betrekking heeft op een afwijkingsmogelijkheid voor de overheid die beslist over een milieuvergunningsaanvraag. Te dezen betreft de bestreden beslissing een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing voorbijgaat aan het aangehaalde artikel, kan het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep doet de overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag, dit op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag en is zij daarbij niet gebonden door argumenten die werden aangewend en adviezen die werden gegeven in de daaraan voorafgaande administratieve procedure. Het loutere gegeven dat de bestreden beslissing het voorwaardelijk gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van 3 juli 2006 niet bijtreedt, houdt bijgevolg geen schending van het redelijkheidsbeginsel in, nog afgezien van de X-13.481-14/16 vraag of de verwerende partij op wettige wijze vermocht in te gaan op het betrokken advies. Het zevende middel is niet gegrond. G. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 28. In het achtste middel wordt de schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd. De toelichting van het middel luidt: “Het gelijkheidsbeginsel eist dat gelijke situaties gelijk behandeld worden. (De verzoekende partij) stelt vast dat er in haar nabijheid serres gevestigd zijn die aldus eveneens in het woonuitbreidingsgebied gelegen zijn. (…) (De verzoekende partij) kent de stedenbouwkundige situatie van dit complex niet doch stelt zich in het geval deze serres stedenbouwkundig volledig vergund zijn de vraag waarom deze vergunningen dan werden toegekend ondanks de ligging van het complex in woonuitbreidingsgebied”. Beoordeling 29. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts zijn geschonden indien in rechte en in feite vergelijkbare gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat of indien in rechte en in feite onvergelijkbare gevallen gelijk werden behandeld zonder dat er voor deze gelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het komt toe aan de verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. De verzoekende partij verwijst naar serres die “in haar nabijheid” gelegen zijn en geeft zelf aan dat zij de stedenbouwkundige situatie van dit complex niet kent. Ze toont in die omstandigheden niet met concrete en precieze gegevens aan op welke wijze zij het gelijkheidsbeginsel geschonden acht. Het achtste middel is niet gegrond. X-13.481-15/16 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.481-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.