← België

Arrest 209557 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/12/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.557 Rolnummer: A. 191997/X-14128 Zaak: Arrest 209557 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/12/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:30 Fiche Arrest nr 209.557 van 7 december 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 209.557 van 7 december 2010 in de zaak A. 191.997/X-14.128. In zake : 1. Bjorn MAHIEU 2. Tony VERHAEGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de gemeente AVELGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 maart 2009, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 3 november 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “nr. 1.1. Stationsomgeving”, en b. het besluit van 11 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende goedkeuring van voornoemd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. X-14.128- 1/28 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kaat Decock, die loco advocaten Steve Ronse en Bram Vandromme verschijnt voor de verzoekers, advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Nathalie De Clercq, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-14.128- 2/28 III. Feiten 3.1. Op 7 maart 2008 wordt een plenaire vergadering georganiseerd omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving”. De verzoekers wonen aan de Huttegemstraat 10, respectievelijk Huttegemstraat 31 te Avelgem. Hun eigendommen palen aan het plangebied. 3.2. Bij besluit van 19 mei 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem wordt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” voorlopig vastgesteld. 3.3. Op 30 september 2008 bespreekt en weerlegt de Gecoro de tijdens het omtrent dit ontwerpplan gehouden openbaar onderzoek ingediende bezwaren, waaronder deze van de verzoekers, en verstrekt zij omtrent dit ontwerpplan een gunstig advies. 3.4. Bij het eerste bestreden besluit van 3 november 2008 van de gemeenteraad van de gemeente Avelgem wordt het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “1.1. Stationsomgeving” definitief vastgesteld. 3.5. Bij het tweede bestreden besluit van 11 december 2008 keurt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het door de gemeenteraad definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” goed. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 januari 2009. X-14.128- 3/28 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, van artikel 38, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “12 In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 21 juli 2001 verscheen de Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna SEA - Richtlijn). Deze richtlijn werd aanvankelijk omgezet door het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna ‘DABM’) met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 13 februari 2003. Nadien werd dit decreet vervangen door een nieuw decreet en dat decreet van 27 april 2007 werd uitgevoerd bij besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 betreffende de milieueffecten- rapportage over plannen en programma’s. Artikel 14 van dit besluit bepaalt dat dit besluit in werking treedt op 1 december 2007. Op basis van artikel 9 van het decreet van 27 april 2007 treedt bijgevolg ook dit decreet in werking op 1 december 2007. Uit artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken blijkt evenwel dat het hoofdstuk II van titel IV van het DABM, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 27 april 2007, dit is op 1 juni 2008. In casu werd de plenaire vergadering van het uitvoeringsplan gehouden op 6 maart 2008. Zulks maakt dat het decreet van 27 april 2007 en zijn uitvoeringsbesluit van 12 oktober 2007, nog niet van toepassing waren op het voorliggend uitvoeringsplan. X-14.128- 4/28 Zodoende zijn in casu enerzijds uiteraard de SEA - richtlijn en anderzijds het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het DABM met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage (B.S. 13 februari 2003) van toepassing op het GRUP. 13 De in casu relevante regelgeving luidt als volgt: Artikel 3.2 van de SEA - richtlijn: ‘Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s

  1. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen 1 en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  2. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG’. Artikel 3.3 SEA - Richtlijn luidt als volgt: ‘Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieu-effecten kunnen hebben’. Artikel 13.1 SEA - Richtlijn luidt als volgt : ‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen’. 14 Door de toevoeging van een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage werd de SEA - Richtlijn gedeeltelijk uitgevoerd en stonden de volgende bepalingen in het DABM: Artikel 4.2.1 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten: ‘Voorgenomen plannen en programma’s worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk’. Artikel 4.2.2. §§ 1 tot 3 DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten: ‘§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma’s aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. § 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma’s dan die vermeld in § 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. X-14.128- 5/28 § 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma’s aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft’. 15 Blijkt duidelijk dat de omzetting van de SEA - richtlijn op onvolledige wijze gebeurde en de relevante bepalingen van het DABM nog niet operationeel waren. Daarom moet worden gekeken naar de SEA - Richtlijn en bepalen of deze al dan niet directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. 16 Verzoekende partij wijst erop dat de betreffende bepalingen in de SEA - Richtlijn voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn zodat de directe werking van deze bepalingen in onze interne rechtsorde vaststaat. Uw Raad besliste dit bovendien reeds wat betreft artikel 3.2 van de SEA - Richtlijn. Indien er bij het opstellen van een gemeentelijk RUP (‘een klein gebied op lokaal niveau’) aanzienlijke milieueffecten kunnen ontstaan, moet de plannende overheid een milieubeoordeling voeren en een milieurapport opstellen conform artikel 5, lid 1 van de SEA - Richtlijn. Bovendien verplicht ook artikel 38 van het DORO de opname van een planmilieueffectenrapport indien daartoe een verplichting bestaat. 17 In casu blijkt dat de site van de stationsomgeving waarop het GRUP betrekking heeft, zo goed als aansluit op een groot VEN - gebied (…). Ook al wordt een verscherpte natuurtoets, de zogenaamde VEN - toets zoals omschreven in artikel 26bis van het decreet betreffende natuurbehoud en het natuurlijk milieu (B.S. 10 januari 1998), uitgesloten voor de opmaak van plannen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de habitattoets bij de aanwezigheid van speciale beschermingszones, dan nog betekent dit uiteraard niet dat een risico voor aanzienlijke milieueffecten aan elk plan in die buurt aanwezig is en ook moet getoetst worden, ook indien er uiteindelijk zou blijken dat deze toets probleemloos zou kunnen worden doorstaan. 18 In casu wordt geen melding gemaakt van enige milieubeoordeling of een milieurapport, noch wordt vermeld waarom deze verplichting tot het opstellen ervan niet zou gelden. Er wordt in alle talen gezwegen over mogelijke milieueffecten. Dit schendt niet alleen bovenstaande bepalingen, maar ook de materiële motiveringsplicht aangezien de plannende overheid haar opmaak en definitieve goedkeuring van een GRUP afdoende moet motiveren. Elke zorgvuldige overheid zou daaraan ook voldoen. In die zin is er ook een schending van de zorgvuldigheidsplicht”. Beoordeling 4.2. Artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees parlement en Raad van 27 juni 2001 betreffende de X-14.128- 6/28 beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna SEA-richtlijn) bepaalt: “Werkingssfeer. 1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
  3. a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
  4. b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma’s die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma’s is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben”. Artikel 5 van dezelfde richtlijn bepaalt: “Milieurapport 1. Wanneer krachtens artikel 3, lid 1, een milieubeoordeling vereist is, wordt een milieurapport opgesteld waarin de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma alsmede van redelijke alternatieven, die rekening houden met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of programma, worden bepaald, beschreven en beoordeeld. Voor de voor dit doel te verstrekken informatie wordt verwezen naar bijlage I. 2. Het krachtens lid 1 opgestelde milieurapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden, de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma, de fase van het besluitvormingsproces waarin het zich bevindt en de mate waarin bepaalde aspecten beter op andere niveaus van dat proces kunnen worden beoordeeld, teneinde overlappende beoordelingen te vermijden. 3. Relevante informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of via andere wetgeving van de Gemeenschap is verkregen, kan worden gebruikt om de in bijlage I bedoelde informatie te verstrekken. X-14.128- 7/28 4. De in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties worden geraadpleegd als een besluit wordt genomen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het milieurapport moet worden opgenomen”. Luidens artikel 13, eerste lid van de SEA-richtlijn “doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen”. Artikel 13, derde lid van de SEA-richtlijn bepaalt dat de in artikel 4, eerste lid, bedoelde verplichting, d.i. de verplichting om de in artikel 3 bedoelde milieubeoordeling uit te voeren tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling of onderwerping aan de wetgevingsprocedure van een plan of programma, van toepassing is op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in het eerste lid vermelde tijdstip, en dat plannen en programma's waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, onder de verplichting van artikel 4, eerste lid vallen, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen. 4.3. Bij decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) werd, met een titel betreffende de milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, de SEA-richtlijn, weze het gedeeltelijk, omgezet in de Belgische interne rechtsorde. De voornoemde titel betreffende de milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage in het DABM werd gewijzigd bij decreet van 27 april 2007 houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. X-14.128- 8/28 Artikel 4.2.1. DABM bepaalt wat volgt: “Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor gelet op het mogelijk effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu”. Artikel 4.2.3. DABM bepaalt: “§ 1. Het plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, wordt, alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk. § 2. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer : 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. § 3. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. § 4. Voor een plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor noodsituaties moet geen plan-MER worden opgemaakt. § 5. De toepassing van § 2 en § 3 mag er echter niet toe leiden dat plannen en programma’s met mogelijke aanzienlijke milieueffecten niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen”. X-14.128- 9/28 Voornoemd decreet van 27 april 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 juni 2007, is op 1 december 2007 inwerking getreden. Artikel 49 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, bepaalt evenwel: “Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007”. Hieruit volgt dat Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, slechts van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen, waarvan de plenaire vergadering gehouden wordt na 31 mei 2008. 4.4. Te dezen werd de plenaire vergadering omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Avelgem “nr. 1.1. Stationsomgeving” gehouden op 7 maart 2008, zodat Hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals vervangen door het decreet van 27 april 2007, hierop niet van toepassing was. 4.5. Met betrekking tot vraag of artikel 3 van de SEA-richtlijn, zoals door de verzoekers wordt voorhouden, geacht kan worden “directe werking” te hebben verkregen na het verstrijken van de omzettingsdatum en bij ontstentenis van omzettingsmaatregelen, dient te worden vastgesteld dat artikel 3, vierde lid van de SEA-richtlijn uit zijn aard nadere substantiële interne uitvoeringsmaatregelen vereist en als dusdanig geen directe werking heeft in de interne rechtsorde. De plicht die artikel 3, tweede lid SEA-richtlijn aan de lidstaten oplegt om (
  5. a)plannen die aanleiding geven tot MER-plichtige projecten en (
  6. b)plannen waarvoor een beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 6 of 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de X-14.128- 10/28 instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de habitatrichtlijn) te onderwerpen aan een milieubeoordeling, is daarentegen voldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen aannemen dat deze bepaling directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. 4.6. Te dezen dient vooreerst te worden vastgesteld dat, zoals de tweede verwerende partij terecht opwerpt, de verzoekers geenszins stellen, laat staan aantonen dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan “een project zou kunnen omvatten zoals bedoeld in de bijlagen” van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan de milieueffectenrapportage, zijnde het besluit waarbij richtlijn 85/337/EG, waarvan sprake in artikel 3, tweede lid,
  7. a)van de SEA-richtlijn, werd omgezet. 4.7. De verzoekers stellen evenmin, laat staan dat zij dit zouden aantonen, dat het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan een project zou kunnen omvatten als bedoeld in de bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten. 4.8. Bovendien merkt de tweede verwerende partij terecht op dat, indien het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan geen project omvat als bedoeld in meergenoemd besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, hoe dan ook “niet nagegaan moet worden of het RUP onder de uitzonderingsbepaling van artikel 3.3 SEA-richtlijn valt”. 4.9. De eerste verwerende partij dient te worden bijgetreden waar zij stelt dat “art. 3.2.b. van de plan-MER-richtlijn slechts van toepassing is op SBZ- gebieden, speciaal als zodanig aangewezen in uitvoering van de habitatrichtlijnen van 21 mei 1992” en dat “de plan-MER-richtlijn niet van toepassing is op VEN- gebieden, als bedoeld door het natuurbehouddecreet van 21 oktober 1997”. 4.10. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de verzoekers niet verduidelijken op welke wijze het bestreden GRUP een schending zou inhouden van artikel 38, § 1 DRO, dat bepaalt wat “een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat”. X-14.128- 11/28 Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.11. In een tweede middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 38, § 1 DRO en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en machtsoverschrijding. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “20 Artikel 38 § 1 DORO luidt als volgt: ‘Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2° de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3° een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4° de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5° in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 6° in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling. Het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht’. 21 Op basis van de inhoud van dit artikel en de bestaande, terzake strenge, rechtspraak van Uw Raad moeten bestemmingsvoorschriften verplicht verband houden met de stedenbouwkundige bestemming van het gebied in de strikte zin. Het domein van de ruimtelijke ordening mag bijgevolg niet verlaten worden en onderwerpen zonder ruimtelijke relevantie dienen via de betrokken sectorale wetgeving gereglementeerd te worden. 22 In casu krijgt de zone ten zuid - oosten van het oude stationsgebouw de bestemming van ‘zone voor sociaal woonproject’ en de zone ten zuiden van het oude stationsgebouw de bestemming van ‘zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen’. In het verordenende voorschrift nr. 12 wordt bepaald dat binnen zone 1 en 2 samen een minimum van twaalf sociale wooneenheden moet gerealiseerd worden. 23 Het weze duidelijk dat dergelijk voorschrift geen verband houdt met de stedenbouwkundige bestemming, geen ruimtelijke relevantie heeft en een onverantwoorde detaillering is van de bestemming. X-14.128- 12/28 Verwerende partijen zullen niet kunnen ontkennen dat de ruimtelijke ordening in casu wordt gebruikt voor het realiseren van ‘sociale’ woningen, hetgeen impliceert dat geen ‘andere’ woningen kunnen worden gebouwd en hetgeen met zich meebrengt dat zij de ruimtelijke voorschriften gebruiken om een zuiver niet – stedenbouwkundige doelstelling mee vorm te geven”. Beoordeling 4.12. Het middel is gericht tegen het bestemmingsvoorschrift voor “zone 1: zone voor sociaal woonproject: aanééngesloten ééngezinswoningen” luidens welk “deze zone bestemd is voor de realisatie van een sociaal woonproject met aanééngesloten ééngezinswoningen (rijwoningen). Indien in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen) een x-tal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen deze zone 1 een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en zone 2 samen moeten minimum 12 sociale wooneenheden worden gerealiseerd” . Het middel is eveneens gericht tegen het voorschrift 12 van de “zone 2: zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen” , waarin eveneens wordt gesteld dat “Indien in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen) een x-tal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen deze zone 1 een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en zone 2 samen moeten minimum 12 sociale wooneenheden worden gerealiseerd”. 4.13. Het toentertijd geldende artikel 4 DRO bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu end e culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. X-14.128- 13/28 Krachtens het toentertijd geldende artikel 38, ' 1, 2 DRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan “de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer”. 4.14. Het voorzien in een bestemmingsvoorschrift van de realisatie van een aantal sociale wooneenheden kadert binnen een van de doelstellingen van de ruimtelijke ordening, zoals deze zijn verwoord in voormeld artikel 4 DRO, waar wordt gesteld dat tevens rekening dient te worden gehouden met de sociale gevolgen van de ruimtelijke ordening. De argumentatie van de verzoekers dat de voormelde stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP Ageen verband houd met de stedenbouwkundige bestemming, geen ruimtelijke relevantie heeft en een onverantwoorde detaillering is van de bestemming@ kan dan ook niet worden bijgetreden. 4.15. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.16. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 3 en 38 DRO en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtzekerheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “C1 De stedenbouwkundige voorschriften schieten ruimschoots te kort in nauwkeurigheid en voorspelbaarheid. 25 De ruimtelijke ordening wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat de ‘erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer’ en deze voorschriften hebben verordenende kracht. Uit het rechtszekerheidsbeginsel vloeit voort dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende X-14.128- 14/28 in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. 26 Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften omwille van de rechtszekerheid die ze moeten bieden, voldoende duidelijk moeten worden geformuleerd. Dit houdt niet in dat de discretionaire bevoegdheid aan de vergunningverlenende overheid volledig moet worden ontnomen, maar de stedenbouwkundige voorschriften moeten wel aan de vereisten van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid voldoen, zodat verzoekende partijen de gevolgen van de voorschriften kunnen voorzien. 27 In casu schiet de plannende overheid manifest te kort om te voldoen aan de vereiste voorspelbaarheid en nauwkeurigheid. 28 Ten eerste blijven verzoekende partijen volledig in het ongewisse over het mogelijk verlies aan privacy die zij zullen leiden. 29 Eerste verzoekende partij woont achter de ‘zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen’. In de verordenende voorschriften staat het volgende: ‘Bij de inplanting van de raamopeningen en dakterrassen dient men ook rekening te houden met de privacy van de omliggende woningen’. In de toelichting staat: ‘Om de privacy van de woningen van de Huttegemstraat en de nieuwe rijwoningen langs de IJzerwegstraat te waarborgen moeten raamopeningen en dakterrassen oordeelkundig worden ingeplant’. Het is legio dat dergelijk vaag en vrij te interpreteren voorschrift ontoelaatbaar is niet in het minst gelet op de vereisten van de rechtszekerheid. Noties als ‘oordeelkundig inplanten’ en ‘rekening houden met’ kunnen onmogelijk aan de vereisten van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid voldoen: - van balkons en rechtstreekse uitzichten op de achtertuinen van verzoekende partij kan geen sprake zijn, maar dergelijk voorschrift wordt niet opgenomen en verzoekende partijen worden in het ongewisse gelaten. Niet onbelangrijk is ook dat de achterkant van de nieuwe woningen zuid - west georiënteerd zijn, waardoor met hoge waarschijnlijkheid aan die kant, zijnde de kant waarbij de nieuwe bewoners rechtstreekse inkijk zullen hebben op de tuinen en woningen van verzoekende partijen, balkons of uitzichten zullen voorkomen; - ook wordt op geen enkele wijze een concrete becijferde bouwhoogte opgelegd in deze zone. Verzoekende partijen kunnen bijgevolg niet inschatten hoe hoog deze appartementvilla’s zullen worden. 30 Tweede verzoekende partij woont achter de ‘zone voor het sociaal woonproject’. Voor deze zone wordt zelfs geen enkel stedenbouwkundig voorschrift opgenomen dat stelt dat ‘rekening moet worden gehouden’ met de privacy van de bewoners in de Huttegemstraat. In deze zone wordt dan wel weer de nokhoogte bepaald, zijnde 13 meter en er kunnen twee bouwlagen plus een dakverdieping worden voorzien. Uit deze afmetingen blijkt overduidelijk dat ook X-14.128- 15/28 hier nochtans problemen met betrekking tot de privacy kunnen ontstaan. 31 Ten tweede blijven verzoekende partijen eveneens volledig in het ongewisse over het al dan niet mogelijk verkrijgen van een uitweg naar de IJzerwegstraat. Al jaren lang gebruikten verzoekende partijen een bestaande uitweg rechtstreeks naar de IJzerwegstraat. Deze uitweg word(
  8. t)verzoekende partijen door het GRUP ontnomen. Weliswaar wordt in de zone 1 de mogelijkheid voor een garageweg gelaten, maar zulks wordt geenszins geconcretiseerd op plan of verplichtend opgelegd in de voorschriften. In zone 2 (en in de groenzone) is dan weer helemaal niets voorzien. 32 Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP niet op alle vlakken de vereiste voorzienbaarheid en toegankelijkheid bereiken, zodat verzoekende partijen de gevolgen van het GRUP niet op het tijdstip van de goedkeuring ervan kunnen inschatten en bijgevolg in het ongewisse blijven over verschillende aspecten. Door deze onduidelijke situatie te handhaven ondanks het indienen van een bezwaar van verzoekende partijen en de argumenten van verzoekende partijen niet afdoende te beantwoorden en bijgevolg onzorgvuldig te handelen, worden de bovenvermelde artikelen en beginselen geschonden. C2 Een beslissing moet gemotiveerd worden met argumenten die de beslissing in rechte en in feiten schragen 33 Bovendien dient een ruimtelijk uitvoeringsplan, ook al is ze geen bestuurshandeling met individuele strekking en bijgevolg ook niet gevat door de Wet van 29 juli 1991 tot motivering van bestuurshandelingen, toch afdoende gemotiveerd te zijn met argumenten die de beslissing in rechte en in feite schragen en blijft de plannende overheid onderworpen aan de materiële motiveringsplicht. Niet alleen verzaakt de plannende overheid aan haar verplichtingen wat betreft het bieden van rechtszekerheid, bijkomend blijkt uit de bestreden beslissingen dat deze nog meer gebreken vertonen en niet afdoende gemotiveerd worden. 34 Ten eerste blijkt uit het advies van de GECORO, zélfs als het als een geheel wordt gelezen, dat alle grieven uit het bezwaarschrift van verzoekende partij van tafel worden geveegd met argumenten die geenszins kunnen volstaan om de beslissing in rechte en in feite te schragen: - Hoewel verzoekende partij in haar bezwaarschrift het probleem van de privacy duidelijk aanhaalde, nam de GECORO genoegen met het antwoord: ‘Het eventuele verlies aan privacy wordt door de voorschriften voldoende opgevangen. Het behoort aan de vergunningverlenende overheid toe om een concreet bouwdossier te beoordelen, waarbij dan o.a. rekening wordt gehouden met privacy en omliggende bebouwing. Daarnaast behoort dit gebied ruimtelijk gezien tot het centrum van de gemeente alwaar een dichtere bebouwing aanwezig is’. X-14.128- 16/28 Niet alleen wordt het ruimtelijk probleem ‘doorgeschoven’ naar de vergunningverlenende overheid, bijkomend wordt niet ingegaan op het gebrek aan rechtszekerheid dat voortvloeit uit de voorliggende plannen. Wat betreft het verlenen van een zekerheid op een uitweg, worden de bezwaren van verzoekende partijen opnieuw eenvoudig van tafel geveegd door de GECORO: ‘Het argument m.b.t. de brandveiligheid van de woningen in de Huttegemstraat gebruiken om een toegang langs achteren te verkrijgen is totaal irrelevant. Er wordt trouwens door de brandweer nergens gevraagd dat rijwoningen ook langs achter zouden bereikbaar zijn.’ Nog los van het feit of dit inderdaad ‘totaal irrelevant’ is, valt op dat opnieuw niet ingegaan wordt op de bestaande rechtsonzekerheid van verzoekende partijen over het al dan niet mogelijk verkrijgen van een uitweg achteraan hun percelen. Meer zelfs, onderaan het advies van de GECORO staat: ‘bij de uitvoering dient zoveel als mogelijk rekening te worden gehouden met de wens van de bewoners van de Huttegemstraat om langs achteren te voet of met de fiets hun eigendom te kunnen bereiken’. Het weze duidelijk dat de GECORO in deze kwestie tegelijk koud en warm blaast en de verwerende partijen haar daarin blindelings volgen. 35 Ten tweede blijkt dat het ongunstig advies van de Provincie West - Vlaanderen dd. 26 juni 2008 niet steeds werd gevolgd en in dat geval dan ook geen afdoende motivering werd gegeven waarom het advies niet werd gevolgd. De Provincie vroeg: - een onderscheid te maken tussen bestemmings– en inrichtingsvoorschriften in de stedenbouwkundige voorschriften. - de voorschriften voor bestemmingszone 2 te verduidelijken dat er in de (half-) ondergrondse parking ook voldoende parkeergelegenheden dienen voorzien worden voor de bewoners van bestemmingszone 1. - en specificering van de toegelaten gemeenschapsvoorzieningen in zone 4. Geen van deze adviezen werd in casu gevolgd en er werd ook niet gemotiveerd waarom deze adviezen niet werden gevolgd. De plannende overheid schendt hierbij haar materiële motiveringsplicht en haar zorgvuldigheidsplicht. 36 Uit dit alles blijkt overduidelijk dat de argumenten om bestreden beslissingen goed te keuren zowel falen in feite als in rechte”. Beoordeling 4.17. De verzoekers hebben, als bijlage bij hun verzoekschrift, een plan gevoegd waarop de ligging van hun woningen t.a.v. het bestreden X-14.128- 17/28 plangebied wordt weergegeven. Daaruit blijkt dat die woningen palen aan, respectievelijk, de “zone 1: zone voor sociaal woonproject: aanééngesloten ééngezinswoningen” en de ‘zone 2: zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen” . In tegenstelling tot hetgeen de tweede verwerende partij opwerpt hebben de verzoekers “juist en precies” aangeduid waar hun woningen zijn gelegen. De ter zake opgeworpen exceptie kan dan ook niet worden aangenomen. 4.18. Artikel 3 DRO bepaalt: “De ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen”. 4.19. Luidens artikel 38, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van hetzelfde decreet bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan “de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer”, en hebben deze stedenbouwkundige voorschriften, samen met het grafisch plan waarop ze betrekking hebben, verordenende kracht. 4.20. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtszoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt gesteld. Dit impliceert onder meer dat stedenbouwkundige voorschriften, zoals deze van het bestreden GRUP, op voldoende duidelijke wijze moeten worden geformuleerd. De aangehaalde bepalingen en beginselen impliceren niet dat de overheid die een ruimtelijk uitvoeringsplan uitvaardigt, alle aspecten van de betrokken regeling op een precieze en gedetailleerde wijze moet regelen. De plannende overheid vermag in bepaalde omstandigheden en voor bepaalde aspecten stedenbouwkundige voorschriften in veeleer algemene en vage bepalingen te beschrijven, waarbij een ruimere beoordelingsmarge wordt gelaten voor de vergunningverlenende overheid dan normaal gesproken het geval zou X-14.128- 18/28 zijn. Deze mogelijkheid veronderstelt wel dat er voldoende controlemaatregelen worden voorzien en procedurele waarborgen worden geboden, onder meer door het openbaar onderzoek dat voorafgaat aan de vaststelling van een plan en door een adequate rechtsbescherming die wordt geboden voor zowel de bepalingen van een plan als voor de vergunningsbeslissingen die op een plan zijn gebaseerd. Algemeen en vaag geformuleerde stedenbouwkundige voorschriften mogen evenwel niet tot gevolg hebben dat de rechtszoekende in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet in redelijke mate kan voorzien of bepaalde handelingen of vergunningsaanvragen al dan niet verenigbaar zijn met die voorschriften. 4.21. De stedenbouwkundige voorschriften voor de zones 1 en 2 luiden als volgt: “ Zone 1: zone voor aanééngesloten ééngezinswoningen 1 Bestemming Deze zone is bestemd voor de realisatie van een sociaal woonproject met aanééngesloten ééngezinswoningen (rijwoningen). Indien in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoningen en openbaar groen) een x-aantal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen deze zone een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en 2 samen moeten minimum 12 sociale wooneenheden worden gerealiseerd. 2 Op de koppen van de rij zijn raamopeningen in de zijgevel toegelaten (driegevelwoning) 3 De minimale perceelsbreedte bedraagt 6m. 4 Er geldt een bouwverplichting van twee bouwlagen. Een bijkomende dakverdieping is niet verplicht, maar mag wel woonruimtes omvatten en kan zowel onder een zadeldak (maximale dakhelling 45°) als onder een plat dak (met teruggetrokken gevel t.o.v. voorbouwlijn) 5 De rijwoningen moeten binnen volgend maximaal gabariet worden gebouwd: (…) 6 Er zijn geen garages of carports binnen het volume van de woning toegelaten. Het parkeren van auto’s voor bewoners dient te gebeuren in een (half-) ondergrondse parking, die voorzien wordt in de aanpalende zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen). Er geldt een parkeernorm van 1,5 autoparkeerplaatsen per wooneenheid. Langs de achterperceelsgrenzen is ook de aanleg van een garageweg binnen deze zone toegelaten. Er geldt ook een norm van minimum 2 fietsstalplaatsen per wooneenheid. 7 In de tuin zijn kleine bijgebouwen (zoals tuinbergingen) toegelaten met een maximale bouwhoogte van 3m. Op de achter- en zijperceelsgrenzen bedraagt de maximale hoogte 2m. De afstand van de bijgebouwen t.o.v. de achterbouwlijn van de woning bedraagt minimum 8m. 8 Perceelsafsluitingen dienen verplicht in kwaliteitsvolle materialen te gebeuren. X-14.128- 19/28 De hoogte van deze perceelsafsluitingen dient beperkt te blijven tot 2 meter. Zone 2: zone voor meergezinswoning en openbaar groen 9 Bestemming Deze zone is bestemd voor meergezinswoongebouwen (appartementen of urban-villa’
  9. s)en openbaar groen 10 Minimum 40 % van de zone moet ingericht worden als openbaar groengebied. Hierbinnen zijn kleine constructies van openbaar nut en algemeen belang toegelaten. 11 Binnen de zone mogen maximum 15 wooneenheden (appartementen) worden voorzien. Dit mag gespreid worden in maximum drie vrijstaande bouwvolumes. 12 Indien in deze zone 2 (zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen) een x-aantal sociale wooneenheden worden gerealiseerd, dan mag binnen de aanpalende zone 1 een zelfde x-aantal wooneenheden privaat worden gerealiseerd. Binnen de zone 1 en zone 2 samen moet minimum 12 sociale woongelegenheden worden gerealiseerd. 13 Het toegelaten gabariet (bouwvolume) bedraagt maximaal twee bouwlagen en een dakverdieping. Deze dakverdieping mag woonruimtes (appartementen) omvatten en kan zowel onder een zadeldak (maximale dakhelling 45°) als onder een plat dak (met teruggetrokken gevel t.o.v. voorbouwlijn). 14 Voor de bouwvolumes geldt een minimale afstand van 6 m t.o.v. de achterperceelsgrenzen van de woningen van de Huttegemstraat (d.i. ook de zuidelijke grens van het plangebied). Bij de inplanting van raamopeningen en dakterrassen dient men ook rekening te houden met de privacy van de omliggende woningen. 15 Het parkeren van auto’s voor de bewoners gebeurt verplicht in een (half-) ondergrondse parking, die ruimte moet bieden voor de parkeerbehoefte van de bewoners van zowel zone 1 als zone 2. Er geldt een parkeernorm van minimum 1,5 autoparkeerplaats per wooneenheid. De bouw van de (half-) ondergrondse parking is over de volledige oppervlakte van de zone toegelaten. De toegang tot de (half-)ondergrondse parking moet gebundeld gebeuren en het kruisen van de voetgangers- en fietsenverbinding moet tot een minimum worden beperkt. Er geldt ook een norm van minimum 2 fietsstalplaatsen per wooneenheid. ”. 4.22. Met betrekking tot de voornoemde voorschriften stellen de verzoekers dat zij “volledig in het ongewisse blijven over het mogelijk verlies aan privacy die zij zullen leiden”. 4.23. De verzoekers gaan er aldus ten onrechte van uit dat de stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer, als bedoeld in voornoemd artikel 38, § 1, eerste lid, hoe dan ook voorschriften dienen te bevatten ter vrijwaring van de privacy van diegenen die in of rond het plangebied wonen én dat deze voorschriften aan de door het rechtszekerheidsbeginsel “vereiste voorspelbaarheid en nauwkeurigheid” moeten voldoen. X-14.128- 20/28 4.24. Wat betreft de “zone 1: zone voor sociaal woonproject: aanééngesloten ééngezinswoningen” kan de ontstentenis van enig specifiek stedenbouwkundig voorschrift ter vrijwaring van de privacy van de omwonenden dan ook op zich geen schending inhouden van het rechtszekerheidsbeginsel. Het loutere feit dat luidens voorschrift 5 in deze zone een kroonlijsthoogte van maximum 7 m en een nokhoogte van maximum 13 m is toegelaten, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Daarenboven bepaalt hetzelfde voorschrift een maximum bouwdiepte van 12 m te rekenen vanaf de rooilijn, zodat de op te richten rijwoning zich op een afstand van circa 14 m van de perceelsgrens van de eigendom van de tweede verzoekende partij bevindt. In de gegeven omstandigheden kan de verzoekende partij dan ook niet worden bijgetreden waar zij zonder verdere argumentatie stelt dat “overduidelijk uit deze afmetingen (blijkt) dat hier nochtans problemen met betrekking tot de privacy kunnen ontstaan”. 4.25. Wat betreft de voorschriften 13 en 14 geldend voor de “zone 2: zone voor meergezinswoongebouwen en openbaar groen” houdt de eerste verzoekende partij voor dat deze “onmogelijk aan de vereisten van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid voldoen” omdat “balkons en rechtstreekse uitzichten op de achtertuinen” niet worden uitgesloten en omdat “op geen enkele wijze een concrete becijferde bouwhoogte wordt opgelegd in deze zone”. 4.26. Anders dan art. 14, eerste lid, 4°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor een bijzonder plan van aanleg voorschrijft, bepaalt het door de verzoekers geschonden geachte artikel 38, § 1, 2°, DRO niet dat het ruimtelijk uitvoeringsplan voorschriften dient te bevatten betreffende “de plaatsing en de grootte van de gebouwen”. Hoewel geen becijferde maten worden aangegeven, wordt in voorschrift 13 bepaald dat het toegelaten gabariet (bouwvolume) maximum twee bouwlagen en een dakverdieping bedraagt, en bepaalt voorschrift 14 dat voor de bouwvolumes een minimale afstand van 6 m t.o.v. de achterperceelgrenzen van de woningen van de Huttegemstraat geldt en bij de inplanting van raamopeningen en dakterassen men ook rekening dient te houden met de privacy van de omliggende woningen. X-14.128- 21/28 4.27. In de gegeven omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de ontstentenis van “een concrete becijferde bouwhoogte”, niet als een schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan worden beschouwd, en de aan de vergunningverlenende overheid verleende discretionaire bevoegdheid inzake de, ter vrijwaring van de privacy van de omliggende woningen, oordeelkundige inplanting van raamopeningen en dakterrassen, de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. 4.28. Wat betreft het “volledig in het ongewisse blijven over het al dan niet mogelijk verkrijgen van een uitweg naar de IJzerwegstraat” valt niet in te zien waarom op grond van het rechtzekerheidsbeginsel in de stedenbouwkundige voorschriften duidelijk zou moeten worden aangegeven in welke mate de verzoekers nog de mogelijkheid zullen hebben om via hun tuin een uitweg te nemen naar de IJzerwegstraat. 4.29. Het eerste onderdeel van het middel wordt verworpen. 4.30. Tijdens het openbaar onderzoek hebben de verzoekers de volgende bezwaren geformuleerd: “- de al jarenlang bestaande uitweg rechtstreeks naar de IJzerwegstraat (over het groen) wordt de bewoners in het ontwerp van RUP ontnomen. Weliswaar wordt in de zone 1 de mogelijkheid voor een garageweg gelaten, maar zulks wordt geenszins geconcretiseerd op plan of verplichtend opgelegd in de voorschriften. In zone 2 (en in de groenzone) is dan weer helemaal niets voorzien. Onafgezien van de juridische consequenties van de uitweg - waarover verder meer - kan het bestaan van deze uitweg niet geloochend worden (…). - inderdaad dreigen de bewoners alzo dus volledig afgesloten te worden van de IJzerwegstraat met alle nadelen vandien. Veel van de bewoners hebben geen enkele doorgang meer vooraan en hebben daar in het verleden ook niet voor geopteerd nu zij (desnoods) toch ‘langs achteren’ weg konden! In dit opzicht wijzen verschillende van voormelde bewoners er op dat de brandweer reeds verschillende keren heeft laten ontvallen dat - bij brand achteraan hun woning - een uitweg naar achteren (d.i. dan langs de IJzerwegstraat) zonder meer vereist is. Werd de impact van dit RUP bij de brandweer afgetoetst op het vlak van de brandveiligheid? X-14.128- 22/28 - verschillende bewoners vrezen ook hinder door beschaduwing, zonlichtverlies en verlies aan privacy. In zone 2 wordt enkel in zeer vage termen voorgeschreven dat rekening dient gehouden te worden met de privacy - vereiste (waarmee toch ook al impliciet aangegeven wordt dat privacy minstens in potentie een probleem vormt). Dergelijk zeer vaag en vrijelijk te interpreteren voorschrift is ontoelaatbaar, niet in het minst gelet op de vereisten van rechtszekerheid. Van balkons en rechtstreekse uitzichten op de achtertuinen van cliënten kan natuurlijk geen sprake zijn. Waarom zulks niet gewoon opnemen? Er wordt in zone 2 ook al geen concrete becijferde bouwhoogte opgelegd. Privacy - beperkingen in zone 1 lijken dan weer te ontbreken. Nog dit. Het ontwerp van RUP houdt evenmin rekening met de zakelijke rechten van de bewoners. Verschillende onder hen kunnen ons inziens verkrijgende verjaring claimen door dertigjarig ongestoord gebruik, weze het als eigendom (volkstuinen), weze het als een publiekrechtelijk recht van doorgang. Hoewel dit mogelijks een eerder burgerrechtelijk dan een stedenbouwkundig aspect is, past het in hoofde van een zorgvuldige planopmakende overheid om geen onmogelijke bestemmingen op te leggen waarbij de facto eigendomsvragen beslecht worden. De feiten (waaronder de feitelijke constellatie ter plaatse) in deze spreken een enkel gedogen, waarvan nog m.b.t. de uitweg melding in het schrijven van Uw gemeente d.d. 26 augustus 1994 (…), zonder meer tegen”. 4.31. De GECORO heeft deze bezwaren als volgt beantwoord: “Omtrent de mogelijkheid om een ontsluiting te voet of met de fiets langs de achterkant van de percelen te verkrijgen voor de bewoners van de Huttegemstraat wordt gesteld dat dit zeker niet uitgesloten wordt door de voorschriften. De nood om dit te verankeren in de voorschriften wordt niet ervaren. … Er wordt een aantal keer geopperd dat er voor bepaalde zaken verjaring zou opgetreden zijn. De bezwaarindiener heeft meteen zelf aangehaald dat het hier eerder om burgerrechtelijke zaken gaat dan om stedenbouwkundige aspecten. Vanuit deze invalshoek (stedenbouwkundig) wegen deze mogelijke gevallen van verjaring niet op tegen de voordelen i.f.v. het algemeen belang. Het eventuele verlies aan privacy wordt door de voorschriften voldoende opgevangen. Het behoort aan de vergunningverlenende overheid toe om een concreet bouwdossier te beoordelen, waarbij dan o.a. rekening wordt gehouden met privacy en omliggende bebouwing. Daarnaast behoort dit gebied ruimtelijk gezien tot het centrum van de gemeente alwaar een dichtere bebouwing aanwezig is. Het verlies aan zonlicht is hier gezien de oriëntering van de percelen niet relevant. Het argument m.b.t. de brandveiligheid van de woningen in de Huttegemstraat gebruiken om een toegang langs achteren te verkrijgen is X-14.128- 23/28 totaal irrelevant. Er wordt trouwens door de brandweer nergens gevraagd dat rijwoningen ook langs achter zouden bereikbaar zijn”. 4.32. De verzoekers houden voor dat, wat betreft “het probleem van de privacy” en “de zekerheid op een uitweg” de GECORO die bezwaren “van tafel heeft geveegd met argumenten die geenszins kunnen volstaan om de beslissing in rechte en in feite te schragen”. 4.33. In de mate dat de verzoekers aanvoeren dat de GECORO “niet is ingegaan op het gebrek aan rechtszekerheid dat voortvloeit uit de voorliggende plannen” of “op de bestaande rechtsonzekerheid over het al dan niet verkrijgen van een uitweg achteraan hun percelen” kan verwezen worden naar de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel, dat niet gegrond werd bevonden. Voor het overige dient vastgesteld dat, zoals voorgehouden door de eerste verwerende partij, het feit dat de verzoekers het niet eens zijn met het niet gegrond bevinden door de GECORO van hun bezwaren “dit op zich nog niet inhoudt dat de genomen beslissing daarom voor onwettig moet worden gehouden”. 4.34. Wat betreft het ongunstig advies van 28 juni 2008 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen dient vooreerst te worden vastgesteld dat dit advies in wezen niet ongunstig was om de door de verzoekers aangehaalde redenen, maar omdat de deputatie oordeelde dat “het RUP slechts gunstig geadviseerd kan worden op voorwaarde dat er een zone voor sociale woningen op het bestemmingsplan wordt afgebakend, vergezeld van bijhorende stedenbouwkundige voorschriften”. Daaraan werd weliswaar toegevoegd dat “het aangewezen is ook aandacht te hebben voor de overige opmerkingen”, zonder dat hierop evenwel in dat advies in concreto wordt ingegaan. Zoals de verwerende partijen terecht opwerpen, is de gemeenteraad deels ingegaan op die opmerkingen en blijkbaar op zodanige wijze dat de tweede verwerende partij haar goedkeuring heeft kunnen hechten aan het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan. X-14.128- 24/28 4.35. In de gegeven omstandigheden kan dan ook niet op goede gronden worden gesteld dat door de eerste verwerende partij “geen afdoende motivering werd geven waarom het advies niet werd gevolgd”. 4.36. Het tweede onderdeel van het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.37. In een vierde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 38, § 1, 4° en artikel 48, § 2 DRO, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiële motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “38 Ruimtelijke structuurplannen vormen de basis voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen. In die zin bekleedt het structuurplan een soort ‘superpositie’ ten aanzien van de uitvoeringsplannen. Artikel 38 §1 40 DORO duidt aan dat een ruimtelijk uitvoeringsplan de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de structuurplannen waarvan het een uitvoering is, moet omvatten. Niet alleen moet een relatie bestaan met de toepasselijke structuurplannen, maar ook dient volgens artikel 48 §2 DORO het GRUP een uitvoering te zijn van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het GRUP kan bijgevolg niet afwijken van de bindende bepalingen van (…) de structuurplannen waarvan het een uitvoering is en kan slechts mits afdoende motivering afwijken van de richtinggevende bepalingen in deze structuurplannen. 39 In casu staat in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Avelgem van 29 juli 2004 in de bindende bepalingen dat een stedenbouwkundig ontwerp of ‘masterplan’ voor de ruime omgeving oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muyncken moet worden opgesteld om zo een nieuwe ontwikkelingspool te creëren. (…) Hierbij erkent eerste verwerende partij dat men op het ogenblik van de opmaak van het structuurplan een onvoldoende duidelijke visie had over het gebied en dat verdere visievorming uitgewerkt moest worden in een ‘masterplan’. Vandaag is duidelijk dat dergelijk ‘masterplan’ niet voor handen is. Meer zelfs, de ontwikkeling van het gebied ‘de Groote Fabrieke’ en X-14.128- 25/28 de bestemming ervan is tot op vandaag hoogst onduidelijk. Dat blijkt immers uit de tweede bestreden beslissing waarin letterlijk staat dat er nog teveel onopgeloste knelpunten aanwezig zijn bij de herbestemming van ‘de Groote Fabrieke’. Hoewel men zich daartoe heeft verbonden in het structuurplan, werd nu een GRUP goedgekeurd zonder de noodzakelijke visievorming in een ‘masterplan’. Noch in de toelichtingsnota, noch in het advies van de GECORO noch in de bestreden beslissingen wordt gewag gemaakt van het masterplan, dat nochtans volgens de bindende bepalingen van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Avelgem voor handen moet zijn. De bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Avelgem worden aldus geschonden. De plannende overheid heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld en tevens ook het rechtszekerheidsbeginsel geschonden aangezien men er redelijkerwijs kon van uitgaan dat een masterplan de ruimtelijke uitvoeringsplannen zou voorafgaan”. Beoordeling 4.38. Het bindend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Avelgem bepaalt onder meer wat volgt: “2. MAATREGELEN EN ACTIES 2.1. MAATREGELEN EN ACTIES BIJ DE GEWENSTE DEELGEBIEDEN BIJ DE BEBOUWDE KERN VAN AVELGEM : • Opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor het koppelingsgebied Doorniksesteenweg-lndustriezone-Scheldemeersen. Aangezien dit koppelingsgebied gelegen is aan de rand van de Scheldevallei, zal de verdere ruimtelijke invulling en ordening van dit koppelingsgebied in samenwerking met de hogere, bevoegde instanties moeten worden afgewogen. • Opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor het koppelingsgebied Avelgem-centrum en de Scheldemeersen. Aangezien dit koppelingsgebied gelegen is aan de rand van de Scheldevallei, zal de verdere ruimtelijke invulling en ordening van dit koppelingsgebied in samenwerking met de hogere, bevoegde instanties moeten worden afgewogen. • Opstellen van stedenbouwkundig ontwerp of ‘masterplan’ voor de ruime omgeving oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muncken als nieuwe ontwikkelingspool • Opstellen van stedenbouwkundig ontwerp en R.U.P.’s voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw”. X-14.128- 26/28 4.39. Het opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp of “masterplan” voor de ruime omgeving oude station - Huttegem - Groote Fabrieke - sportcomplex Ter Muncken als nieuwe ontwikkelingspool, en het opstellen van een stedenbouwkundig ontwerp en R.U.PS’s voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw, zijn in de bindende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan beide als afzonderlijke maatregelen en acties bij de gewenste deelgebieden opgelegd. Er dient te worden vastgesteld dat de voornoemde bindende bepalingen niet opleggen dat eerst het “masterplan” dient te worden opgesteld, en dat pas nadien RUP’s voor de opwaardering van de omgeving van het oude stationsgebouw mogen worden opgemaakt en vastgesteld. Het feit dat het bestreden GRUP werd vastgesteld zonder voorafgaande globale visievorming in een “masterplan” maakt geen schending uit van de bindende bepalingen van het GRSP. 4.40. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. X-14.128- 27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-14.128- 28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.